Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-betwiste niet-nakoming
(Art. 226 EG)
Partijen
In zaak C-473/99,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door W. Bogensberger als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Republiek Oostenrijk, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk, door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 95/30/EG van de Commissie van 30 juni 1995 tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 90/679/EEG van de Raad betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB L 155, blz. 41), de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, J.-P. Puissochet en J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 april 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 december 1999, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 226 EG verzocht vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk, door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 95/30/EG van de Commissie van 30 juni 1995 tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 90/679/EEG van de Raad betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB L 155, blz. 41; hierna: richtlijn"), de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Volgens artikel 2, lid 1, van de richtlijn dienden de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om uiterlijk op 30 november 1996 aan deze richtlijn te voldoen en dienden zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis te stellen.
3 Daar de Commissie van de Oostenrijkse regering geen bericht over de maatregelen ter uitvoering van de richtlijn had ontvangen, maande zij bij brief van 30 mei 1997 de Republiek Oostenrijk aan, binnen twee maanden haar opmerkingen daarover te maken.
4 In hun antwoord van 29 juli 1997 deelden de Oostenrijkse autoriteiten mee, dat die maatregelen waarschijnlijk in de loop van december 1997 zouden worden getroffen.
5 Op 2 juli 1998 deed de Commissie de Republiek Oostenrijk een met redenen omkleed advies toekomen. Daarin verzocht zij Oostenrijk de nodige maatregelen te treffen om binnen twee maanden na de betekening van dit advies aan haar uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen te voldoen.
6 Bij brief van 3 september 1998 liet de Oostenrijkse regering de Commissie weten, dat een deel van de voor de implementatie van de richtlijn noodzakelijke maatregelen reeds was vastgesteld, terwijl voor het overige deel de uitvoering werd voorbereid. Bij brieven van 4 en 15 september, 16 oktober en 23 november 1998, en 10 februari, 8 en 9 april 1999 deelde de Oostenrijkse regering de Commissie mee, dat nog meer bepalingen ter omzetting van de richtlijn in nationaal recht waren vastgesteld.
7 In haar verzoekschrift wijst de Commissie erop, dat de Republiek Oostenrijk de richtlijn nog steeds niet volledig in Oostenrijks recht heeft omgezet. Met name op het niveau van de deelstaten, de gemeenten en de samenwerkingsverbanden van gemeenten, is volgens haar namelijk op verschillende gebieden een groot aantal maatregelen nog steeds niet vastgesteld.
8 De Commissie leidt daaruit af, dat de Republiek Oostenrijk de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen kennelijk niet is nagekomen, omdat zij niet binnen de in de richtlijn gestelde termijn alle maatregelen heeft vastgesteld om aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen te voldoen.
9 De Republiek Oostenrijk merkt om te beginnen op, dat de bevoegdheid tot vaststelling van de bepalingen tot omzetting van de richtlijn als gevolg van de bevoegdheidsverdeling in de federale grondwet wordt gekenmerkt door een grote versplintering van bevoegdheden tussen de bondsstaat en de deelstaten. Deze situatie wordt versterkt door de bijzondere bevoegdheidsverdeling op het gebied van het onderwijs en het ambtenarenrecht van de deelstaten en de gemeenten. Verder dienen de verschillende wetgevende organen hun handelingen op elkaar af te stemmen om een gelijk beschermingsniveau te garanderen.
10 De Oostenrijkse regering somt vervolgens verschillende maatregelen op, die zijn getroffen om de omzetting van de richtlijn in nationaal recht te waarborgen.
11 In dupliek noemt de Oostenrijkse regering nog andere maatregelen die na de instelling van het beroep zijn vastgesteld, en merkt zij op, dat de resterende maatregelen vóór de zomer van 2000 zouden worden vastgesteld, waarmee in het kader van de onderhavige procedure rekening zou moeten worden gehouden.
12 In antwoord op het betoog van de Oostenrijkse regering zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een lidstaat zich niet ten exceptieve op nationale bepalingen, praktijken of situaties, met inbegrip van zijn federale structuur, kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen (zie onder meer arresten van 12 december 1996, Commissie/Duitsland, C-298/95, Jurispr. blz. I-6747, punt 18, en 6 juli 2000, Commissie/België, C-236/99, Jurispr. blz. I-5657, punt 23).
13 Verder heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld, dat de vraag of verplichtingen niet zijn nagekomen, moet worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het eind van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening kan houden (zie onder meer arrest van 8 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C-266/99, Jurispr. blz. I-1981, punt 38).
14 Zowel uit het verweerschrift en de dupliek als uit het antwoord van de Oostenrijkse regering op een vraag van het Hof blijkt, dat de Republiek Oostenrijk erkent, dat zij vóór het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn niet de maatregelen heeft vastgesteld die voor de volledige omzetting van de richtlijn in nationaal recht noodzakelijk zijn. Volgens de in het voorgaande punt aangehaalde rechtspraak zijn de verschillende maatregelen die de Republiek Oostenrijk verklaart na het verstrijken van deze termijn te hebben vastgesteld, in het kader van het onderhavige beroep irrelevant, ook al zouden zij een correcte omzetting van de richtlijn vormen.
15 Bijgevolg moet het beroep van de Commissie gegrond worden geacht.
16 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Republiek Oostenrijk, door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de richtlijn, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
17 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Republiek Oostenrijk in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 95/30/EG van de Commissie van 30 juni 1995 tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 90/679/EEG van de Raad betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG), is de Republiek Oostenrijk de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Republiek Oostenrijk wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy