ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
8 januari 2002 ( *1 )
In zaak C-507/99,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Denkavit Nederland BV
en
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Voedselvoorzieningsin- en verkoopbureau,
om een prejudiciële beslissing over de bevoegdheid van de lidstaten om in het kader van de boviene spongiforme encefalopathie-crisis van maart 1996 het doden van Britse kalveren te gelasten en het tijdstip daarvan te bepalen, en over de uitlegging van artikel 8 van richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB L 224, blz. 29), zoals gewijzigd bij richtlijn 92/118/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van producten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van richtlijn 90/425/EEG (PB 1993, L 62, biz. 49),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, D. A. O. Edward, A. La Pergola, L. Sevón (rapporteur) en M. Wathelet, rechters,
advocaatgeneraal: F. G. Jacobs,
griffier: H. A. Rühi, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
—
Denkavit Nederland BV, vertegenwoordigd door E. A. Buys, advocaat,
—
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. A. Fierstra als gemachtigde,
—
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Berscheid en C. van der Hauwaert als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Denkavit Nederland BV, vertegenwoordigd door E. A. Buys, de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. G. van Bakel als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door G. Berscheid en door T. van Rijn als gemachtigde, ter terechtzitting van 4 oktober 2001,
gehoord de conclusie van de advocaatgeneraal ter terechtzitting van 29 november 2001,
het navolgende
Arrest
1
Bij uitspraak van 19 oktober 1999, binnengekomen bij het Hof op 23 december daaraanvolgend, heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven krachtens artikel 234 EG drie prejudiciële vragen gesteld over de bevoegdheid van de lidstaten om in het kader van de boviene spongiforme encefalopatiile (hierna: „BSE”) -crisis van maart 1996 het doden van Britse kalveren te gelasten en het tijdstip daarvan te bepalen, en over de uitlegging van artikel 8 van richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB L 224, biz. 29), zoals gewijzigd bij richtlijn 92/118/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van producten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van richtlijn 90/425/EEG (PB 1993, L 62, biz. 49; hierna: „richtlijn 90/425”).
2
Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Denkavit Nederland BV (hierna: „Denkavit”) en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: „minister”) en het Voedselvoorzieningsin- en verkoopbureau, ter zake van een verzoek van Denkavit om haar toe te staan Britse kalveren die moesten worden gedood slachtrijp te maken en, subsidiair, ter zake van de vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden doordat zij die kalveren niet slachtrijp heeft kunnen maken.
Rechtskader
De communautaire regelgeving
3
Verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148, blz. 24), in de versie van verordening (EG) nr. 2417/95 van de Commissie van 13 oktober 1995 (PB L 248, biz. 39; hierna: „verordening nr. 805/68”), bepaalt in artikel 23, zoals dit artikel is gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1261/71 van de Raad van 15 juni 1971 betreffende de naar aanleiding van bepaalde moeilijkheden van sanitaire aard in zekere landbouwsectoren te nemen buitengewone maatregelen:
„Teneinde rekening te houden met de beperkingen van het vrije verkeer die zouden kunnen voortvloeien uit de toepassing van maatregelen om de verbreiding van veeziekten te bestrijden, kunnen volgens de procedure van artikel 27 buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de markt die door deze beperkingen wordt getroffen, worden genomen. Deze maatregelen kunnen slechts worden getroffen in de mate en voor het tijdvak die strikt noodzakelijk zijn voor de ondersteuning van deze markt.”
4
Volgens artikel 1 van richtlijn 82/894/EEG van de Raad van 21 december 1982 inzake de melding van dierziekten in de Gemeenschap (PB L 378, biz. 58), zoals gewijzigd bij beschikking 90/134/EEG van de Commissie van 6 maart 1990 (PB L 76, biz. 23; hierna: „richtlijn 82/894”), heeft deze richtlijn betrekking op de melding van het uitbreken van een van de in bijlage I genoemde ziekten. Deze bijlage vermeldt onder meer BSE.
5
Artikel 8, lid 1, sub a, van richtlijn 90/425 is geformuleerd als volgt:
„Indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat bij een controle op de plaats van bestemming of tijdens het vervoer constateren dat:
a)
er verwekkers van in richtlijn 82/894/EEG [...], laatstelijk gewijzigd bij beschikking 90/134/EEG van de Commissie [...], bedoelde ziekten, zoonoses, ziekten of andere aandoeningen die een ernstig gevaar voor mens of dier kunnen opleveren aanwezig zijn, of dat de producten afkomstig zijn uit een met een epidemische dierziekte besmet gebied, gelasten zij dat het dier of de partij in het meest nabije quarantainestation in quarantaine wordt geplaatst of gedood en/of vernietigd wordt.
[...]
De in artikel 10 bedoelde vrijwaringsmaatregelen kunnen worden toegepast.
[...]”
6
Artikel 10, leden 1 en 4, van richtlijn 90/425 luidt:
„1
Elke lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie onmiddellijk in kennis, niet alleen van het uitbreken op zijn grondgebied van de in richtlijn 82/894/EEG bedoelde ziektes, maar ook van het uitbreken van zoonoses, ziektes of andere aandoeningen die voor de veestapel of voor de gezondheid van de mens een ernstig gevaar kunnen opleveren.
De lidstaat van verzending legt onmiddellijk de door de communautaire voorschriften voorgeschreven bestrij dings- of preventiemaatregelen ten uitvoer, met name de afbakening van de daarin bedoelde beschermingszones, of stelt elke andere maatregel vast die hij passend acht.
De lidstaat van bestemming of van doorvoer die bij een controle bedoeld in artikel 5 een van de in de eerste alinea bedoelde ziektes of aandoeningen heeft geconstateerd, kan zo nodig de in de communautaire voorschriften bedoelde preventieve maatregelen nemen, met inbegrip van het in quarantaine plaatsen van de dieren.
In afwachting van de overeenkomstig lid 4 te nemen maatregelen, kan de lidstaat van bestemming, om ernstige redenen uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van mens en dier, conservatoire maatregelen nemen ten aanzien van de betrokken bedrijven en centra dan wel, in geval van een epidemische dierziekte, ten aanzien van de in de communautaire voorschriften bedoelde beschermingszone.
De door de lidstaten genomen maatregelen worden onverwijld aan de Commissie en aan de andere lidstaten meegedeeld.
[...]
4.
In alle gevallen ziet de Commissie erop toe dat de situatie zo spoedig mogelijk in het Permanent Veterinair Comité wordt besproken. Zij stelt volgens de procedure van artikel 17 de nodige maatregelen vast voor de in artikel 1 bedoelde dieren en producten en, als dat gezien de omstandigheden nodig is, voor de daarvan afgeleide producten. De Commissie volgt het verdere verloop van de situatie en wijzigt op grond daarvan volgens dezelfde procedure de genomen beslissingen of trekt deze in.”
7
Na beschikking 96/239/EG van 27 maart 1996 inzake spoedmaatregelen ter bescherming tegen boviene spongiforme encefalopatiile (PB L 78, biz. 47) te hebben vastgesteld, stelde de Commissie verordening (EG) nr. 717/96 van 19 april 1996 vast houdende vaststelling van buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de rundvleesmarkt in België, Frankrijk en Nederland (PB L 99, biz. 16).
8
Deze verordening geeft aan, dat zij is vastgesteld op de grondslag van verordening nr. 805/68, met name artikel 23 daarvan.
9
Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 717/96 luidde aanvankelijk:
„De bevoegde autoriteiten in respectievelijk België, Frankrijk en Nederland worden gemachtigd tot het aankopen van runderen die op 20 maart 1996 ten hoogste zes maanden oud waren, die op die datum verbleven op een op het grondgebied van respectievelijk België, Frankrijk of Nederland gelegen bedrijf, en die door een producent voor verkoop worden aangeboden, voorzover die producent kan bewijzen dat het betrokken dier in het Verenigd Koninkrijk is geboren.”
10
Deze bepaling is bij verordening (EG) nr. 841/96 van de Commissie van 7 mei 1996 tot wijziging van verordening nr. 717/96 (PB L 114, blz. 18), vervangen met ingang van de datum van toepassing van verordening nr. 717/96. Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 717/96, zoals gewijzigd bij verordening nr. 841/96 (hierna: „verordening nr. 717/96”), bepaalt:
„De bevoegde autoriteiten in respectievelijk België, Frankrijk en Nederland worden gemachtigd tot het aankopen van runderen die geboren zijn ten vroegste op 1 september 1995, die op 20 maart 1996 verbleven op een op het grondgebied van respectievelijk België, Frankrijk of Nederland gelegen bedrijf, en die door een producent voor verkoop worden aangeboden, voorzover die producent kan bewijzen dat het betrokken dier in het Verenigd Koninkrijk is geboren.”
11
Artikel 1, lid 5, van verordening nr. 717/96 luidt:
„Indien het aantal dieren dat voor verkoop en vernietiging wordt aangeboden, de verwerkingscapaciteit in de betrokken lidstaat overtreft, kan de bevoegde autoriteit beperkingen vaststellen ten aanzien van de mate waarin van deze regeling gebruik kan worden gemaakt.”
12
Volgens artikel 2, lid 1, van verordening nr. 717/96 bedraagt de prijs die door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat op grond van artikel 1 van deze verordening voor de aangekochte dieren moet worden betaald, 2,8 ecu per kg levend gewicht. Artikel 2, lid 2, van deze verordening bepaalt dat de Gemeenschap 70 % van de aankoopprijs die door de betrokken lidstaat wordt betaald per aangekocht dier dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 van deze verordening is vernietigd, voor haar rekening neemt.
De nationale regelgeving
13
Naar aanleiding van informatie over een mogelijk verband tussen BSE en de bij de mens voorkomende ziekte van Creutzfeldt-Jacob en over de BSE-crisis in bet Verenigd Koninkrijk, heeft het Koninkrijk der Nederlanden vanaf 23 maart 1996 verscherpte maatregelen getroffen ten aanzien van runderen, rundvlees en overige producten van runderen afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk. Het heeft onder meer de afzondering van die runderen gelast.
14
Als gevolg van een wijziging bij besluit van 3 april 1996 van de minister, handelend in overeenstemming met de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, luidt artikel 3.10 van de Regeling handel levende dieren en levende producten thans als volgt:
„1.
Het is verboden de in artikel 3.8, eerste en tweede lid, bedoelde dieren van het in artikel 3.8, eerste lid, bedoelde bedrijf van de ontvanger dan wel van de in artikel 3.8, tweede lid, bedoelde kalvermesterij naar elders te vervoeren.
2.
In afwijking van het eerste lid worden de in artikel 3.8, tweede lid, bedoelde dieren onder toezicht van de ambtenaren van de rijksdienst en overeenkomstig de aanwijzingen van de kringdirecteur van de rijksdienst binnen wiens kring die kalvermesterij is gelegen, binnen een door deze gestelde termijn gedood op een daartoe door voornoemde kringdirecteur aangewezen plaats.
3.
De houder van de in het eerste lid bedoelde dieren is verplicht alle medewerking te verlenen aan de ambtenaren van de rijksdienst.”
15
Op 26 april 1996 heeft de minister de regeling tegemoetkoming schade kalvereigenaren BSE 1996 gewijzigd met terugwerkende kracht tot de toepassingsdatum van verordening nr. 717/96, dat wil zeggen 11 april 1996. De gewijzigde versie van deze regeling, thans „Regeling vergoeding kalvereigenaren BSE 1996” genaamd, bepaalt in artikel 4:
„De vergoeding bedraagt 2,8 ecu per kg levend gewicht en wordt berekend overeenkomstig artikel 2, lid 1, van verordening (EG) nr. 717/96 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen houdende vaststelling van buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de rundvleesmarkt in België, Frankrijk en Nederland (PB L 99).”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
16
Overeenkomstig de in de punten 14 en 15 van dit arrest uiteengezette nationale regelgeving hebben de Nederlandse autoriteiten de afstand en doding gelast van Britse kalveren waarvan Denkavit eigenaar was. Denkavit verzocht om die kalveren slachtrijp te mogen maken alvorens ze ter doding af te staan en, subsidiair, om vergoeding van de schade ten gevolge van het niet slachtrijp mogen maken van de kalveren. Zij heeft bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven beroepen ingesteld tot nietigverklaring van de besluiten van de Nederlandse autoriteiten houdende afwijzing van haar bezwaren en verzoeken.
17
In het kader van deze procedure is de vraag gerezen, welke autoriteit bevoegd was om het doden van de betrokken kalveren te gelasten en het tijdstip van dat doden te bepalen.
18
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft derhalve de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1)
Heeft de omstandigheid dat de betrokken kalveren onder de gemeenschappelijke marktordening in de sector rundvlees vallen, tot gevolg dat de (gepretendeerde) bevoegdheid van de Nederlandse autoriteiten om het tijdstip te bepalen waarop de Britse kalveren werden gedood, een grondslag moet hebben in de communautaire regelgeving, bij gebreke waarvan zodanige bevoegdheid aan de nationale autoriteiten niet toekomt?
2)
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, vormt artikel 8 van richtlijn 90/425/EEG een voldoende grondslag voor voormelde bevoegdheid?
3)
Indien vraag 2 ontkennend wordt beantwoord valt er dan anderszins een grondslag voor voormelde bevoegdheid in het communautaire recht aan te wijzen?”
De prejudiciële vragen
19
Met deze vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst het College van Beroep voor het bedrijfsleven in wezen te vernemen of de communautaire bepalingen die van toepassing zijn op het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de sector rundvlees, aldus moeten worden uitgelegd dat de lidstaten naar aanleiding van informatie over een mogelijk verband tussen BSE en de bij de mens voorkomende ziekte van Creutzfeldt-Jacob en over de BSE-crisis in het Verenigd Koninkrijk, overeenkomstig artikel 8, lid 1, sub a, van richtlijn 90/425 of enige andere bepaling van gemeenschapsrecht gerechtigd waren, het doden van op hun grondgebied aanwezige kalveren uit het Verenigd Koninkrijk te gelasten en het tijdstip van dat doden te bepalen.
Bij het Hof ingediende opmerkingen
20
Denkavit stelt, dat de betrokken kalveren onder de gemeenschappelijke marktordening in de sector rundvlees vallen en dat volgens vaste rechtspraak de lidstaten zich dienen te onthouden van elke maatregel die zou afwijken van of inbreuk zou maken op de gemeenschapsregeling met betrekking tot deze sector. In casu werd de situatie volledig beheerst door richtlijn 90/425 en verordening nr. 717/96. De Nederlandse autoriteiten hadden derhalve geen rechtsgrondslag om in te grijpen.
21
Volgens Denkavit was niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 1, sub a, van richtlijn 90/425, omdat bij de kalveren zelf geen ziekten of ziekteverwekkers waren vastgesteld. De omstandigheid dat de kalveren afkomstig waren uit een met een epidemische dierziekte besmet gebied, is irrelevant, daar dit een voorwaarde is die enkel van toepassing is op producten.
22
Bovendien kunnen de nationale autoriteiten op grond van artikel 10, lid 1, van richtlijn 90/425 slechts conservatoire maatregelen treffen. Een maatregel waarbij de destructie van dieren wordt gelast, is echter geen conservatoire, maar een definitieve maatregel.
23
Verordening nr. 717/96 verleent de nationale autoriteiten geen machtiging om het tijdstip van doding te bepalen. Artikel 1, lid 1, van deze verordening, dat betrekking heeft op „runderen [...] die door een producent voor verkoop worden aangeboden”, moet tekstueel aldus worden uitgelegd, dat dat tijdstip wordt bepaald door de producent. Deze heeft dus het recht, zijn kalveren slachtrijp te maken alvorens ze in het kader van de bij deze verordening ingestelde destructieregeling aan de Nederlandse autoriteiten af te staan.
24
Denkavit stelt ook nog, dat de systematiek van verordening nr. 717/96 haar tekstuele uitlegging van artikel 1, lid 1, van deze verordening bevestigt. Volgens de derde overweging van de considerans van verordening nr. 717/96 komt de bij artikel 2, lid 1, van deze verordening vastgestelde prijs immers overeen met de „laatstgenoteerde prijs voor karkassen van kalveren”, hetgeen per definitie op slachtrijpe kalveren betrekking heeft. Tevens zou artikel 1, lid 5, van deze verordening, waarbij de situatie wordt geregeld waarin het aantal dieren dat voor verkoop wordt aangeboden, de verwerkingscapaciteit overtreft, overbodig zijn indien de autoriteiten zelf het tijdstip konden bepalen waarop de dieren worden gedood.
25
Volgens Denkavit was het doel van verordening nr. 717/96 de handhaving van het inkomensniveau van de landbouwbevolking en niet de bescherming van de volksgezondheid, hetgeen rechtvaardigde dat de veehouder de kalveren slachtrijp mocht maken. Deze uitlegging van verordening nr. 717/96 vindt steun in het feit dat volgens de Franse regeling tot uitvoering van deze verordening het tijdstip van afgifte van de betrokken kalveren ter destructie door de producent wordt bepaald.
26
Denkavit betoogt, dat de kostprijs per kg van een kalf daalt naarmate de dieren ouder worden. Derhalve zou een uitlegging van verordening nr. 717/96 in die zin, dat de nationale autoriteiten de producent tot afgifte van niet-slachtrijpe kalveren kunnen verplichten, leiden tot een ongerechtvaardigde discriminatie op financieel gebied tussen de eigenaren van oude en die van jonge kalveren, hetgeen het in artikel 40, lid 3, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 34, lid 2, EG) geformuleerde verbod van elke discriminatie tussen producenten van de Gemeenschap zou schenden.
27
De Nederlandse regering en de Commissie stellen echter, dat in casu aan de voorwaarden van artikel 8, lid 1, sub a, van richtlijn 90/425 was voldaan. De Commissie wijst erop, dat deze bepaling ziet op de ten tijde van de vaststelling van deze richtlijn bekende gevallen, maar dat het in strijd zou zijn met de geest ervan om haar aldus uit te leggen dat daaronder niet de dieren vallen die afkomstig zijn uit een met een epidemische dierziekte besmet gebied. Ten gevolge van beschikking 96/239 werd bevestigd, dat BSE een epidemische dierziekte was die het gehele grondgebied van het Verenigd Koninkrijk betrof.
28
Volgens de Nederlandse regering en de Commissie verleenden de artikelen 8 en 10 van richtlijn 90/425 de Nederlandse autoriteiten de nodige bevoegdheid om het doden van Britse kalveren te gelasten en dus om het tijdstip van dat doden te bepalen. Artikel 8, lid 1, sub a, van deze richtlijn heeft uitdrukkelijk betrekking op het doden van dieren. De Commissie voert ook aan, dat het doden van kalveren had kunnen worden gerechtvaardigd bij wijze van „conservatoire maatregel” als bedoeld in artikel 10, lid 1, vierde alinea, van deze richtlijn.
29
Verordening nr. 717/96 doet niet af aan deze uitlegging. Volgens de Nederlandse regering gaat het hier om een verordening met een beperkte strekking, die slechts tot doel heeft de financiële bijdrage van de Commissie aan de bestrijding van het risico van besmetting met BSE nader te bepalen. Deze beperkte strekking blijkt ook uit de rechtsgrondslag van deze verordening, te weten verordening nr. 805/68.
30
De Commissie betwist de door Denkavit voorgestane letterlijke uitlegging van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 717/96 en betoogt, dat deze door artikel 1, lid 5, wordt weerlegd. Indien immers de keuze van het tijdstip van doding aan de producenten toekwam, zouden deze wachten totdat de kalveren slachtrijp zijn. Dat zou betekenen, dat het aanbieden van de kalveren in de tijd wordt gespreid, zodat het gevaar voor problemen in verband met de verwerkingscapactiteit tamelijk gering zou zijn.
31
De Nederlandse regering en de Commissie zijn van mening, dat het toestaan van het slachtrijp maken van kalveren waarvan men op voorhand weet dat zij moeten worden gedood, niet zinvol zou zijn en in strijd met een redelijk landbouwbeleid. De Nederlandse regering voert ook aan, dat de communautaire financiële belangen daardoor zouden worden geschaad. Bovendien druist dit volgens de Commissie in tegen het doel van bescherming van de volksgezondheid, volgens hetwelk juist de bron van gevaar zo spoedig mogelijk moet worden weggenomen.
Beoordeling door het Hof
32
Vooraf moet worden opgemerkt dat de lidstaten, wanneer op een bepaald gebied een gemeenschappelijke marktordening tot stand is gebracht, zich dienen te onthouden van elke maatregel met de strekking daarvan af te wijken of er inbreuk op te maken. Eveneens onverenigbaar met een gemeenschappelijke marktordening zijn regelingen die aan een goede werking daarvan in de weg staan, ook wanneer de desbetreffende materie door de gemeenschappelijke marktordening niet uitputtend wordt geregeld (arrest van 19 maart 1998, Compassion in World Farming, C-1/96, Jurispr. blz. I-1251, punt 41).
33
Kalveren vallen onder de sector rundvlees, waarvan de gemeenschappelijke marktordening wordt geregeld door verordening nr. 805/68. Overeenkomstig artikel 1 van richtlijn 90/425 en bijlage A daarbij vallen zij onder deze richtlijn.
34
Artikel 8, lid 1, sub a, van deze richtlijn machtigt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming van een partij levende dieren om onder meer het doden van een dier te gelasten wanneer zij constateren dat er verwekkers aanwezig zijn van een ingevolge richtlijn 82/894 meldingsplichtige ziekte of van een zoönose, een ziekte of enige andere aandoening die een ernstig gevaar voor mens of dier kan opleveren.
35
Bij de uitlegging van deze bepaling moet rekening worden gehouden met het doel ervan, te weten de bescherming van de gezondheid van mens en dier te verzekeren, en met de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis.
36
In dit verband zij eraan herinnerd, dat het Hof bij beschikking van 12 juli 1996, Verenigd Koninkrijk/Commissie (C-180/96 R, Jurispr. blz. I-3903), het verbod van uitvoer, in maart 1996, van runderen afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk als vrijwaringsmaatregel in de zin van artikel 10 van richtlijn 90/425 heeft toegestaan. Het heeft in de punten 8 en 67 tot en met 72 van deze beschikking het aantal gevallen van BSE in de beschouwing betrokken, de incubatieperiode van verschillende jaren gedurende welke BSE niet kan worden ontdekt, de wetenschappelijke onzekerheid over de wijzen van overdracht van deze ziekte en de omstandigheid dat de dieren in het Verenigd Koninkrijk niet waren te traceren.
37
Uit deze overwegingen volgt, dat de lidstaten toentertij d overeenkomstig artikel 8, lid 1, sub a, van richtlijn 90/425 gerechtigd waren het doden van op hun grondgebied aanwezige kalveren afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk te gelasten.
38
De bevoegdheid om het doden van dieren te gelasten veronderstelt noodzakelijkerwijs de bevoegdheid om het goede verloop van de slachtwerkzaamheden te organiseren en, met name, de houders van dieren het tijdstip van het doden op te leggen.
39
De bewoordingen van verordening nr. 717/96 verzetten zich niet tegen bovenstaande uitlegging. Deze verordening, die is vastgesteld op de grondslag van artikel 23 van verordening nr. 805/68, heeft uitsluitend tot doel, te bepalen welke bijdrage de Gemeenschap zal leveren aan de financiering van de destructie van onder bepaalde voorwaarden aangekochte en vernietigde kalveren uit het Verenigd Koninkrijk. Zij stelt zich niet in de plaats van een overeenkomstig artikel 8, lid 1, sub a, van richtlijn 90/425 vastgestelde nationale maatregel waarbij het doden van dieren wordt gelast.
40
De uitdrukking „die door een producent voor verkoop worden aangeboden” in artikel 1, lid 1, van de Nederlandse versie van verordening nr. 717/96 moet niet letterlijk worden opgevat als zou zij noodzakelijkerwijs impliceren, dat de producent het tijdstip van doding van de kalveren kon bepalen. Met deze uitdrukking wordt hooguit te verstaan gegeven, dat de producent de keuze had om zijn kalveren te verkopen met inachtneming van de voorwaarden van deze verordening of ze te laten doden zonder een vergoeding te ontvangen.
41
Deze uitlegging van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 717/96 vindt steun in de bewoordingen van artikel 1, lid 5. Zo de nationale autoriteiten immers beperkingen konden stellen aan de mate waarin van de in deze verordening bedoelde destructieregeling gebruik kon worden gemaakt, waren zij a fortiori gerechtigd om het goede verloop ervan te organiseren en met name het tijdstip van doding te bepalen.
42
Anders dan Denkavit stelt, is verordening nr. 717/96 geen maatregel ter ondersteuning van de producenten maar, zoals de rechtsgrondslag waarop zij berust aangeeft en ook in de eerste overweging van de considerans ervan wordt gepreciseerd, een maatregel ter ondersteuning van de rundvleesmarkten. Derhalve bracht deze maatregel niet mee, dat de lidstaten enkel het belang van de veehouders in aanmerking dienden te nemen, maar konden de lidstaten op basis hiervan trachten het aanbod op de markten te verminderen door de zo snel mogelijke ruiming van de dieren te gelasten teneinde met name de financiële kosten van de destructie te beperken.
43
Voor het overige kan de omstandigheid dat verordening nr. 717/96 zich aandient als een maatregel ter ondersteuning van de rundvleesmarkten, niet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten niet meer met een beroep op de volksgezondheid het tijdstip van doding van de kalveren konden opleggen. Het doel van ondersteuning van de markten is immers niet onverenigbaar met het doel van bescherming van de volksgezondheid, doch moet daar juist rekening mee houden, zoals artikel 129 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 152 EG) bepaalt. Gelijk zojuist in punt 39 van dit arrest is gepreciseerd, stelt verordening nr. 717/96 zich bovendien niet in de plaats van een overeenkomstig artikel 8, lid 1, sub a, van richtlijn 90/425 vastgestelde nationale maatregel waarbij het doden van dieren wordt gelast.
44
Aangaande het argument inzake een met artikel 40, lid 3, van het Verdrag strijdige discriminatie tussen producenten, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het algemene gelijkheidsbeginsel, dat een van de grondbeginselen van gemeenschapsrecht is, vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld, tenzij een verschil in behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer arrest van 12 juli 2001, Jippes e.a, C-180/01, Jurispr. blz. I-5689, punt 129).
45
In dit verband kan worden volstaan met vast te stellen, dat de maatregel om de Britse kalveren onverwijld te doden ongeacht hun leeftijd, hun gewicht en dus de winst die de veehouder uit hun verkoop kon behalen, objectief gerechtvaardigd werd door de volksgezondheid.
46
Daar de bevoegdheid van de lidstaten om het doden van de dieren te gelasten en het tijdstip van dat doden te bepalen, haar rechtvaardiging vond in artikel 8, lid 1, sub a, van richtlijn 90/425, is het niet nodig om bovendien artikel 10, lid 1, van deze richtlijn uit te leggen.
47
Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de gestelde vragen worden geantwoord, dat de communautaire bepalingen die van toepassing zijn op het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de sector rundvlees, aldus moeten worden uitgelegd dat de lidstaten naar aanleiding van informatie over een mogelijk verband tussen BSE en de bij de mens voorkomende ziekte van Creutzfeldt-Jacob en over de BSE-crisis in het Verenigd Koninkrijk, overeenkomstig artikel 8, lid 1, sub a, van richtlijn 90/425 gerechtigd waren:
—
het doden van op hun grondgebied aanwezige kalveren uit het Verenigd Koninkrijk te gelasten en,
—
bijgevolg, het tijdstip van dat doden te bepalen.
Kosten
48
De kosten door de Nederlandse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het College van Beroep voor het bedrijfsleven bij uitspraak van 19 oktober 1999 gestelde vragen, verklaart voor recht:
De communautaire bepalingen die van toepassing zijn op het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de sector rundvlees, moeten aldus worden uitgelegd dat de lidstaten naar aanleiding van informatie over een mogelijk verband tussen boviene spongiforme encefalopatiile en de bij de mens voorkomende ziekte van Creutzfeldt-Jacob en over de boviene spongiforme encefalopathic-crisis in het Verenigd Koninkrijk, overeenkomstig artikel 8, lid 1, sub a, van richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/118/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van producten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van richtlijn 90/425, gerechtigd waren:
—
het doden van op hun grondgebied aanwezige kalveren afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk te gelasten en,
—
bijgevolg, het tijdstip van dat doden te bepalen.
Jann
Edward
La Pergola
Sevón
Wathelet
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 8 januari 2002.
De griffier
R. Grass
De president van de Vijfde kamer
P. Jann
( *1 ) Proccstaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy