Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Hogere voorziening - Procesbelang - Feit dat zich na arrest van Gerecht heeft voorgedaan, waardoor dit arrest niet langer nadelig is voor rekwirant
2. Hogere voorziening - Middelen - Middel dat voor het eerst in hogere voorziening is aangevoerd - Niet-ontvankelijkheid
(Statuut-EGKS van het Hof van Justitie, art. 51)
3. EGKS - Steun aan ijzer- en staalindustrie - Verbod - Voorwaarden - Aantasting van mededinging - Daarvan uitgesloten
(EGKS-Verdrag, art. 4, sub c)
Samenvatting
1. Het Hof kan een hogere voorziening niet-ontvankelijk verklaren wanneer zich na het arrest van het Gerecht een feit heeft voorgedaan waardoor dit arrest niet langer nadelig is voor de rekwirant. Het bestaan van procesbelang onderstelt immers dat de uitslag van de hogere voorziening in het voordeel van de rekwirant kan zijn.
( cf. punt 18 )
2. Indien het een partij zou worden toegestaan om een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof aan te voeren, zou haar in feite worden toegestaan om bij het Hof, waarvan de bevoegdheid inzake hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig te maken dat een ruimere strekking heeft dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof dus alleen bevoegd de beoordeling door het Gerecht van de aldaar bepleite middelen te onderzoeken.
( cf. punt 25 )
3. Anders dan artikel 92, lid 1, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG) vereist artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag niet dat steunmaatregelen de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen om als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt te worden beschouwd. Dit artikel van het EGKS-Verdrag verbiedt immers alle steunmaatregelen, zonder enige beperking, zodat het geen de-minimisregel kan bevatten.
( cf. punt 41 )
Partijen
In zaak C-111/99 P,
Lech-Stahlwerke GmbH, gevestigd te Meitingen-Herbertshofen (Duitsland), vertegenwoordigd door R. Bierwagen, Rechtsanwalt,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer - uitgebreid) van 21 januari 1999, Neue Maxhütte Stahlwerke en Lech-Stahlwerke/Commissie (T-129/95, T-2/96 en T-97/96, Jurispr. blz. II-17), strekkende tot vernietiging van dit arrest voorzover het betrekking heeft op rekwirante,
andere partijen bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Kreuschitz en P. F. Nemitz als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing en C.-D. Quassowski als gemachtigden,
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
interveniënten in eerste aanleg,
Neue Maxhütte Stahlwerke GmbH, gevestigd te Sulzbach-Rosenberg (Duitsland),
verzoekster in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: A. La Pergola, kamerpresident, M. Wathelet, P. Jann (rapporteur), L. Sevón en C. W. A. Timmermans, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 30 maart 1999, heeft Lech-Stahlwerke GmbH (hierna: LSW") krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EGKS hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 21 januari 1999, Neue Maxhütte Stahlwerke en Lech-Stahlwerke/Commissie (T-129/95, T-2/96 en T-97/96, Jurispr. blz. II-17; hierna: bestreden arrest"), voorzover daarbij in zaak T-129/95 het beroep tot nietigverklaring van beschikking 95/422/EGKS van de Commissie van 4 april 1995 inzake door de Vrijstaat Beieren voorgenomen staatssteun aan de EGKS-staalbedrijven Neue Maxhütte Stahlwerke GmbH te Sulzbach-Rosenberg en Lech-Stahlwerke GmbH te Meitingen-Herbertshofen (PB L 253, blz. 22; hierna: omstreden beschikking"), is verworpen. Dit voornemen had betrekking op een compensatiebetaling van 20 miljoen DEM die de Vrijstaat Beieren aan LSW wilde doen.
2 In de bestreden beschikking had de Commissie de voorgenomen financiële bijdragen die in twee notariële akten van 27 januari 1995 tussen de Vrijstaat Beieren en Max Aicher GmbH & Co. KG (hierna: Aicher") waren overeengekomen, als verboden staatssteun in de zin van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag gekwalificeerd. In deze akten verbond de Vrijstaat Beieren zich ertoe, enerzijds een deel van de opgelopen verliezen van Neue Maxhütte Stahlwerke GmbH (hierna: NMH"), met name een bedrag van 125,7 miljoen DEM, te haren laste te nemen, en NMH een bijdrage van 56 miljoen DEM te verstrekken, en anderzijds een compensatiebetaling van 20 miljoen DEM aan LSW te doen.
3 NMH en LSW zijn bij het Gerecht tegen de omstreden beschikking opgekomen in het kader van procedure T-129/95. In de zaken T-2/96 en T-97/96, die door het Gerecht werden gevoegd met zaak T-129/95, ging het om leningen ten belope van 49,9 miljoen DEM (zaak T-2/96) en 24,1 miljoen DEM (zaak T-97/96) die de Vrijstaat Beieren later aan NMH had toegekend en die door de Commissie eveneens als verboden staatssteun werden aangemerkt. LSW is niet betrokken bij deze twee zaken.
4 Blijkens het bestreden arrest hebben de in geding zijnde betalingen plaatsgevonden naar aanleiding van het faillissement in 1986 van het staalbedrijf Eisenwerk-Gesellschaft Maximilianshütte (hierna: Maxhütte"), gevestigd in Beieren in de buurt van de Tsjechische grens, waarvan de sluiting een aanzienlijk verlies van arbeidsplaatsen dreigde mee te brengen in dit achtergebleven gebied. De Vrijstaat Beieren heeft om die reden meegewerkt aan een herstructurering via een afsplitsingsvennootschap, NMH, waarin de Vrijstaat Beieren een deelneming van 45 % in het maatschappelijk kapitaal had. LSW had 11 % van het kapitaal van NMH in handen. Tijdens de litigieuze periode was het kapitaal van LSW voor 19,73 % in handen van de Vrijstaat Beieren en voor een wisselend (maar steeds aanzienlijk) deel in handen van het Aicher-concern. In 1994, nadat NMH op haar beurt aanzienlijke verliezen had geleden, besloot de Vrijstaat Beieren om NMH te privatiseren ten gunste van het Aicher-concern. Daartoe werden op 27 januari 1995 twee notariële akten opgesteld waarbij de Vrijstaat Beieren zijn belang in NMH aan Aicher verkocht voor de symbolische prijs van 3 DEM en dat in LSW voor 1 DEM. Het is tevens in deze akten dat de in punt 2 van de onderhavige beschikking vermelde compensatiebetalingen zijn overeengekomen. De Vrijstaat Beieren stelde de Commissie in kennis van deze twee overeenkomsten alvorens tot betaling over te gaan. Bij de bestreden beschikking heeft de Commissie goedkeuring geweigerd. Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de feiten wordt verwezen naar de punten 6 tot en met 26 van het bestreden arrest.
5 Op 8 juni 1995 hebben NMH en LSW bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring van de omstreden beschikking ingesteld. Bij beschikking van de president van de Eerste kamer (uitgebreid) van 15 januari 1996 werd de Bondsrepubliek Duitsland toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van verzoeksters. Bij het bestreden arrest verwierp het Gerecht naast dat beroep ook de twee andere door NMH ingestelde beroepen, die betrekking hadden op de door de Vrijstaat Beieren aan NMH toegekende leningen en waren gevoegd met het eerste beroep.
Het bestreden arrest
6 In de punten 97 tot en met 99 van het bestreden arrest heeft het Gerecht om te beginnen vastgesteld dat NMH en LSW vennootschappen zijn die onder de EGKS-regeling vallen, en dat artikel 4, sub c, van het Verdrag op een opvallend algemene wijze door de staten verleende subsidies of hulp in welke vorm ook verbiedt.
7 In de punten 104 tot en met 140 heeft het Gerecht vervolgens in het kader van het eerste middel van NMH en LSW onderzocht, of in soortgelijke omstandigheden een particuliere investeerder die qua omvang vergelijkbaar is met de organen die de publieke sector beheren, betalingen in de omvang van de in de notariële akten van 27 januari 1995 overeengekomen betalingen had kunnen doen (criterium van de particuliere investeerder"), en heeft het geconcludeerd dat dit niet het geval was.
8 In het kader van het tweede middel, dat inzonderheid is gebaseerd op het kleine marktaandeel van de productie van verzoeksters, heeft het Gerecht in de punten 146 tot en met 151 vastgesteld dat het Verdrag geen enkele bepaling bevat volgens welke het in artikel 4, sub c, geformuleerde verbod niet zou gelden voor steunmaatregelen die een geringe vervalsing van de mededinging meebrengen.
9 Ook het derde middel, ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften (te weten een onjuiste voorstelling van bepaalde feitelijke vaststellingen in de omstreden beschikking en het daaruit voortvloeiende motiveringsgebrek), en het vierde middel, ontleend aan schending van de rechten van de verdediging, werden door het Gerecht afgewezen.
De hogere voorziening
10 LSW heeft op 30 maart 1999 hogere voorziening ingesteld tegen het bestreden arrest voorzover dit op haar betrekking heeft. Bij op 18 juni 1999 ter griffie van het Hof neergelegde memorie heeft de Bondsrepubliek Duitsland laten weten dat zij in het kader van de hogere voorziening wilde blijven interveniëren aan de zijde van LSW. NMH, die op 6 november 1998 haar faillissement heeft aangevraagd, heeft geen hogere voorziening ingesteld.
11 Ter staving van haar hogere voorziening voert LSW zeven middelen aan. Als eerste middel wordt aangevoerd dat het Gerecht niet heeft onderzocht of de aan LSW toegekende financiële compensatie voldeed aan de feitelijke en juridische voorwaarden om onder het verbod van artikel 4, sub c, van het Verdrag te vallen. Het tweede middel houdt in dat het bestreden arrest in dit opzicht ontoereikend is gemotiveerd. Als derde middel wordt gesteld dat de feiten die in het kader van het derde middel voor het Gerecht werden aangevoerd, niet juridisch zijn gekwalificeerd. Het vierde middel is ontleend aan het ontbreken van elke motivering op dit punt. Met haar vijfde middel bekritiseert LSW de wijze waarop het Gerecht het recht heeft toegepast bij het vergelijken van de handelwijze van de Vrijstaat Beieren met die van een particuliere investeerder. Het zesde middel betreft een proceduregebrek, in die zin dat niet zou zijn beslist op een verzoek om inzage van het dossier, en het zevende middel betreft schending van het evenredigheidsbeginsel.
12 LSW en de Bondsrepubliek Duitsland concluderen dat het het Hof behage:
- het bestreden arrest te vernietigen voorzover het betrekking heeft op rekwirante;
- de zaak zelf af te doen en de omstreden beschikking nietig te verklaren voorzover deze betrekking heeft op rekwirante;
- de Commissie te verwijzen in de kosten van beide instanties;
- subsidiair, indien het Hof de zaak niet zelf afdoet, deze naar het Gerecht te verwijzen en de beslissing over de kosten aan te houden.
13 De Commissie concludeert dat het het Hof behage, bij beschikking in de zin van artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering:
- de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren;
- subsidiair, de hogere voorziening ongegrond te verklaren;
- indien het beroep aan een nieuw onderzoek wordt onderworpen, de vordering af te wijzen, en
- rekwirante te verwijzen in de kosten.
Beoordeling door het Hof
14 Volgens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, op ieder moment bij met redenen omklede beschikking de hogere voorziening afwijzen.
De ontvankelijkheid van de hogere voorziening
15 De Commissie werpt om te beginnen een exceptie van niet-ontvankelijkheid op; LSW zou geen procesbelang hebben.
16 Volgens de Commissie zijn het faillissement van NMH, het definitief opbergen van de herstructureringsplannen door de Vrijstaat Beieren en de omstandigheid dat het bestreden arrest op alle NMH betreffende punten kracht van gewijsde heeft bij gebreke van een door NMH ingestelde hogere voorziening (zodat is begonnen met de terugvordering van alle betaalde bedragen), feiten die zich na dit arrest hebben voorgedaan en waardoor dit arrest niet langer nadelig is voor LSW. De economische redenen, en dus de rechtsgrondslag voor de betaling van 20 miljoen DEM door de Vrijstaat Beieren aan LSW hebben immers opgehouden te bestaan, omdat het definitief onmogelijk is geworden, uitvoering te geven aan het plan om NMH te saneren, en de betaling van dat bedrag aan LSW deel uitmaakte van het plan en afhankelijk was van de uitvoering ervan. In geen geval zal de Vrijstaat Beieren nog een dergelijk bedrag aan LSW betalen. LSW heeft dus geen procesbelang in deze procedure in hogere voorziening.
17 LSW en de Duitse regering zijn van mening dat de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen. Het lot van NMH heeft geen enkele invloed op de schuldvordering van 20 miljoen DEM die LSW op de Vrijstaat Beieren heeft. De betaling van dit bedrag, die bij notariële akte van 27 januari 1995 werd overeengekomen, vormde immers een compensatie voor het waardeverlies van LSW als gevolg van haar investering in het kapitaal van NMH, en niet een subsidie die was gekoppeld aan de sanering van NMH.
18 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof een hogere voorziening niet-ontvankelijk kan verklaren wanneer zich na het arrest van het Gerecht een feit heeft voorgedaan waardoor dit arrest niet langer nadelig is voor de rekwirant. Het bestaan van procesbelang onderstelt immers dat de uitslag van de hogere voorziening in het voordeel van de rekwirant kan zijn (zie arrest van 19 oktober 1995, Rendo e.a./Commissie, C-19/93 P, Jurispr. blz. I-3319, punt 13).
19 Met betrekking tot het belang van LSW bij handhaving van haar hogere voorziening zij opgemerkt dat, ook al is het waarschijnlijk dat de Vrijstaat Beieren definitief heeft afgezien van het plan om NMH op financieel vlak te saneren en niet langer bereid is om 20 miljoen DEM aan LSW te betalen, dit geen juridisch vaststaand en onbetwistbaar feit is. Indien LSW in deze procedure in hogere voorziening in het gelijk wordt gesteld en de omstreden beschikking nietig wordt verklaard, valt immers niet uit te sluiten dat een nationale rechter, die daartoe bevoegd is, de Vrijstaat Beieren veroordeelt tot betaling van 20 miljoen DEM aan LSW op grond van de notariële akte van 27 januari 1995.
20 In deze omstandigheden heeft de Commissie niet aangetoond dat de uitslag van de hogere voorziening niet in het voordeel van LSW kan zijn. Mitsdien moet de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid worden verworpen.
Het eerste en het tweede middel
21 Met haar eerste middel voert LSW hoofdzakelijk aan dat het Gerecht in het bestreden arrest al zijn aandacht heeft geconcentreerd op de feitelijke situatie van NMH en daarbij heeft nagelaten te onderzoeken of de betaling van 20 miljoen DEM aan LSW voldeed aan de feitelijke en juridische voorwaarden om te worden aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 4, sub c, van het Verdrag. De twee verzoeksters in eerste aanleg bevonden zich immers niet in dezelfde feitelijke situatie. LSW was een gezonde en winstgevende onderneming die geenszins financiële overheidssteun nodig had. Haar participatie in de maatregelen ter redding van Maxhütte werd gewoonweg vergoed door de Vrijstaat Beieren die, toen hij besliste om zijn belang in LSW van de hand te doen, haar een financiële compensatie beloofde voor haar participatie, die uiteindelijk niet winstgevend was gebleken. Anders dan bij NMH betrof het hier dus geen steun in de zin van artikel 4, sub c, van het Verdrag.
22 Volgens LSW heeft het Gerecht in dit verband geen enkele vaststelling inzake de economische en financiële situatie van LSW en evenmin inzake de gevolgen van de geplande compensatie verricht. Het bestreden arrest geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
23 Hieruit vloeit het tweede middel voort, namelijk dat het Gerecht aldus de voor elke rechter geldende algemene motiveringsplicht niet is nagekomen.
24 Om te beginnen zij vastgesteld dat het verzoekschrift in zaak T-129/95 door NMH en LSW gezamenlijk werd ingediend. Het bevat één uiteenzetting waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen argumenten die specifiek betrekking hebben op de situatie van NMH of die van LSW. De enige passage in het verzoekschrift waarin expliciet naar LSW wordt verwezen (te weten punt 94), luidt als volgt: De kapitaalinbreng in Lech-Stahlwerke is tevens - overeenkomstig de bovengenoemde criteria - een handeling die ook door een ondernemer die handelt volgens de marktomstandigheden, zou kunnen worden verricht. Deze conclusie vloeit noodzakelijkerwijs voort uit de verbintenis die de Vrijstaat Beieren in 1987 inzake de afsplitsingsvennootschap [te weten NMH] is aangegaan." LSW heeft in eerste aanleg dus op geen enkel ogenblik betoogd dat haar situatie verschilde van die van NMH, noch a fortiori aangegeven in welke mate dat het geval zou zijn geweest. Zij heeft integendeel het parallellisme tussen deze twee situaties benadrukt.
25 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt evenwel dat, indien het een partij zou worden toegestaan om een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof aan te voeren, haar in feite zou worden toegestaan om bij het Hof, waarvan de bevoegdheid inzake hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig te maken dat een ruimere strekking heeft dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof dus alleen bevoegd de beoordeling door het Gerecht van de aldaar bepleite middelen te onderzoeken (zie met name beschikking van 14 oktober 1999, Infrisa/Commissie, C-437/98 P, Jurispr. blz. I-7145, punt 29).
26 In casu staat vast dat het eerste middel, dat is gebaseerd op een ongelijke behandeling van NMH en LSW en op het feit dat de aan LSW gedane betaling gelet op haar specifieke situatie, geen steun in de zin van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag was, niet voor het Gerecht werd aangevoerd. Het betreft dus een nieuw middel dat voor het eerst in hogere voorziening wordt aangevoerd en derhalve kennelijk niet-ontvankelijk is.
27 Bijgevolg is het tweede middel, ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht met betrekking tot de ongelijke behandeling van de twee verzoeksters in eerste aanleg, eveneens niet-ontvankelijk.
Het derde, het vierde en het vijfde middel
28 Het derde middel, dat de kwalificatie van de feiten in het kader van het derde middel ontbreekt", het vierde middel, dat is gebaseerd op een onjuiste vaststelling en [een] ontoereikende motivering", en het vijfde middel, ontleend aan een verkeerde toepassing van het recht bij de vergelijking met een particuliere investeerder", vormen in feite één middel dat uit twee onderdelen bestaat, en moeten derhalve tezamen worden onderzocht.
29 In het eerste onderdeel wordt aangevoerd dat het Gerecht bij het onderzoek van het derde in eerste aanleg aangevoerde middel geen rekening heeft gehouden met de door LSW gegeven voorbeelden van een aantal particuliere investeerders van wie de handelwijze overeenstemt met die van de Vrijstaat Beieren in de onderhavige omstandigheden. In het tweede onderdeel wordt gesteld dat het Gerecht bij het toepassen van het criterium van de particuliere investeerder" is uitgegaan van onjuiste feitelijke vaststellingen.
30 Wat het eerste onderdeel betreft, stelt LSW terecht dat het Gerecht in punt 184 van het bestreden arrest het derde in eerste aanleg aangevoerde middel alleen heeft bekeken uit het oogpunt van schending van wezenlijke vormvoorschriften.
31 Zoals de Commissie terecht opmerkt, had het Gerecht dit middel evenwel reeds inhoudelijk onderzocht in het kader van het eerste voor hem opgeworpen middel. Zo verwijst het Gerecht in punt 86 van het bestreden arrest expliciet naar de voorbeelden die verzoeksters aanhaalden ter staving van hun stelling dat een particuliere investeerder in vergelijkbare omstandigheden NMH van de financiële problemen had kunnen redden, zoals de Vrijstaat Beieren heeft gedaan. Voorts heeft het Gerecht in de punten 104 tot en met 129 het criterium van de particuliere investeerder zorgvuldig en tegen de achtergrond van de argumenten van verzoeksters toegepast.
32 In deze omstandigheden is het eerste onderdeel van het middel van LSW, volgens hetwelk het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de voor hem aangevoerde middelen niet in aanmerking te nemen, kennelijk ongegrond.
33 Wat het tweede onderdeel betreft, met name de kritiek op de wijze waarop het Gerecht het criterium van de particuliere investeerder" heeft toegepast, vermeldt rekwirante niet in welk opzicht het Gerecht blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, maar neemt zij slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten over. Een dergelijke hogere voorziening beoogt in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof op grond van artikel 49 van 's Hofs Statuten-EGKS en EG niet bevoegd is (zie met name beschikking van 9 juli 1998, Smanor e.a./Commissie, C-317/97 P, Jurispr. blz. I-4269, punt 21). Bijgevolg is het tweede onderdeel van het middel kennelijk niet-ontvankelijk.
34 Het derde, het vierde en het vijfde middel van rekwirante zijn dus ten dele kennelijk ongegrond en ten dele kennelijk niet-ontvankelijk.
Het zesde middel
35 In haar zesde middel stelt LSW dat het Gerecht heeft nagelaten te beslissen op haar verzoek om inzage van alle stukken die de Commissie overeenkomstig artikel 23 van 's Hofs Statuut-EGKS aan de rechter zou overleggen.
36 Dienaangaande behoeft er slechts op te worden gewezen dat volgens artikel 51 van dit Statuut de hogere voorziening gebaseerd kan zijn op middelen ontleend aan onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de betrokken partij afbreuk is gedaan. In casu staat vast dat rekwirante niet heeft aangetoond en zelfs niet heeft gezegd in welk opzicht haar rechten van de verdediging zijn geschonden door de niet-inwilliging van dit verzoek. Evenmin heeft zij nauwkeurig aangetoond dat het onderzoek van het dossier van de Commissie, met uitzondering van de reeds beschikbare gegevens, invloed zou hebben gehad op het bestreden arrest of zou hebben geleid tot een andere beoordeling feitelijk of rechtens. Bij gebreke van enige precisering hierover in de hogere voorziening, is niet bewezen dat het uitblijven van een antwoord van het Gerecht op het verzoek om inzage van het dossier de rechten van de verdediging van LSW heeft geschonden of op een andere wijze haar belangen heeft geschaad.
37 Mitsdien is het zesde middel kennelijk ongegrond.
Het zevende middel
38 Als zevende middel voert rekwirante aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het evenredigheidsbeginsel niet toe te passen, voorzover het in de punten 146 tot en met 151 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de de-minimisregel in casu niet geldt.
39 Volgens LSW is de de-minimisregel een rechtsbeginsel dat van toepassing is ongeacht of het in het positieve recht is opgenomen. Dat een dergelijke regel niet concreet voorkomt in het positieve recht dat uit het Verdrag voortvloeit, is dus van weinig belang. Het Verdrag zelf en het afgeleide recht bevatten andere uitzonderingen op het algemene verbod van steunmaatregelen, hetgeen aantoont dat de steunregels niet absoluut zijn. Over het algemeen is ingrijpen van de Commissie slechts toegestaan voorzover het noodzakelijk is. Artikel 5, tweede alinea, derde streepje, EGKS-Verdrag bepaalt eveneens dat de Commissie slechts dan optreedt ter handhaving van normale concurrentieverhoudingen wanneer de omstandigheden zulks vereisen. Het Gerecht had dus rekening moeten houden met het feit dat LSW slechts een zeer klein marktaandeel had en dat de voorgenomen compensatiebetaling de mededinging dus niet ongunstig kon beïnvloeden.
40 De Commissie wijst er nogmaals op dat LSW hetzelfde betoog reeds in eerste aanleg heeft gevoerd. Het betreft dus alleen het in hogere voorziening zonder enige ernstige analyse herhalen van de argumenten op grond waarvan het Gerecht dit middel heeft afgewezen.
41 Vaststaat dat artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag, anders dan artikel 92, lid 1, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG) niet vereist dat steunmaatregelen de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen om als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt te worden beschouwd. Zoals het Gerecht in punt 147 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld, verbiedt dit artikel van het EGKS-Verdrag immers alle steunmaatregelen, zonder enige beperking, zodat het geen de-minimisregel kan bevatten.
42 Het Gerecht heeft de rechtsregel derhalve juist toegepast zodat het zevende middel kennelijk ongegrond is.
43 Uit een en ander volgt dat de door LSW tot staving van haar hogere voorziening aangevoerde middelen kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond zijn. Derhalve moet de hogere voorziening overeenkomstig artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
44 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien LSW in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen. Volgens artikel 69, lid 4, eerste alinea, dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten, zodat moet worden beslist dat de Bondsrepubliek Duitsland haar eigen kosten draagt.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer)
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Lech-Stahlwerke GmbH wordt verwezen in de kosten.
3) De Bondsrepubliek Duitsland zal haar eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy