Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Toepasselijke wetgeving - Vaststelling aan hand van gemeenschapsrecht - Persoon die als zelfstandige in verschillende lidstaten werkt en op grondgebied van één daarvan woont - Beginsel dat slechts één wetgeving van toepassing is - Schending van subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel - Geen - Vereenvoudigde procedure
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 104, lid 3; verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 13, lid 1, en 14 bis, punt 2)
Partijen
In zaak C-242/99,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Sozialgericht Augsburg (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
J. Vogler
en
Landwirtschaftliche Alterskasse Schwaben,
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid en de uitlegging van de artikelen 13, lid 1, en 14 bis, punt 2, en over de uitlegging van de artikelen 13, lid 2, sub b, 14 bis, punt 3, en 14 quater van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 307/1999 van de Raad van 8 februari 1999 (PB L 38, blz. 1),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. Gulmann, A. La Pergola, M. Wathelet (rapporteur) en V. Skouris, kamerpresidenten, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet, P. Jann, L. Sevón, R. Schintgen en F. Macken, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 26 april 1999, ingekomen bij het Hof op 25 juni daaraanvolgend, heeft het Sozialgericht Augsburg krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) een aantal prejudiciële vragen gesteld over de geldigheid en de uitlegging van de artikelen 13, lid 1, en 14 bis, punt 2, en over de uitlegging van de artikelen 13, lid 2, sub b, 14 bis, punt 3, en 14 quater van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 307/1999 van de Raad van 8 februari 1999 (PB L 38, blz. 1; hierna: verordening nr. 1408/71").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Vogler en de Landwirtschaftliche Alterskasse Schwaben (Pensioenverzekeringskas voor landbouwers van Schwaben; hierna: LAK"), over de aansluiting van eerstgenoemde bij het Duitse stelsel van pensioenverzekering voor landbouwers.
Toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht
3 Artikel 13, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 1408/71 bepaalt:
Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen."
4 In dit verband wordt in artikel 13, lid 2, sub b, van deze verordening bepaald:
[O]p degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, [is] de wetgeving van die staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont."
5 Bij wege van afwijking bepaalt artikel 14 bis, punten 2 en 3, van verordening nr. 1408/71:
2) Op degene die gewoonlijk op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, is de wetgeving van de lidstaat van toepassing op het grondgebied waarvan hij woont, indien hij een deel van zijn werkzaamheden op het grondgebied van die lidstaat uitoefent [...]
3) Op degene die werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent in een onderneming waarvan de zetel zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt, terwijl de gemeenschappelijke grens van die twee lidstaten door die onderneming loopt, is de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan deze onderneming haar zetel heeft, van toepassing."
6 Voorts bepaalt artikel 14 quater van deze verordening dat op degene die gelijktijdig werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden anders dan in loondienst op het grondgebied van verschillende lidstaten uitoefent:
a) [...] onder voorbehoud van het bepaalde onder b, de wetgeving van toepassing [is] van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij werkzaamheden in loondienst uitoefent of, wanneer hij dergelijke werkzaamheden op het grondgebied van twee of meer lidstaten uitoefent, de wetgeving die wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 14, punt 2 of punt 3;
b) [...] in de in bijlage VII genoemde gevallen van toepassing [zijn]:
- de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij werkzaamheden in loondienst uitoefent waarbij, wanneer hij dergelijke werkzaamheden op het grondgebied van twee of meer lidstaten uitoefent, deze wetgeving wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 14, punt 2 of punt 3,
en
- de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent waarbij, wanneer hij dergelijke werkzaamheden op het grondgebied van twee of meer lidstaten uitoefent, deze wetgeving wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 14 bis, punt 2, punt 3 of punt 4."
7 In dit verband wordt in punt 3 van bijlage VII bij verordening nr. 1408/71 het volgende geval beschreven:
Voor de stelsels van de ongevallenverzekering voor landbouwers en de pensioenverzekering voor landbouwers: uitoefening van landbouwwerkzaamheden anders dan in loondienst in Duitsland en van werkzaamheden in loondienst in een andere lidstaat."
8 Ten slotte luidt artikel 14 quinquies, lid 1, van verordening nr. 1408/71 als volgt:
De in [...] artikel 14 bis, punten 2, 3 en 4, en in artikel 14 quater, onder a, bedoelde persoon wordt voor de toepassing van de wetgeving welke is vastgesteld overeenkomstig deze bepalingen, aangemerkt alsof hij zijn volledige beroepswerkzaamheden uitoefende op het grondgebied van de betrokken lidstaat."
Het hoofdgeding
9 Vogler heeft de Oostenrijkse nationaliteit en woont in Oostenrijk, waar hij als hotelhouder werkzaamheden als zelfstandige uitoefent. Tevens exploiteert hij als zelfstandige een landbouwbedrijf in Duitsland.
10 In Oostenrijk is Vogler voor de ziekte-, pensioen- en ongevallenverzekering aangesloten bij de Sozialversicherung der gewerblichen Wirtschaft (sociale verzekering voor handel en industrie).
11 Bij beslissing van 20 maart 1998, bevestigd op 30 april 1998, heeft de LAK geoordeeld dat Vogler, als exploitant van een landbouwbedrijf, ook uit hoofde van het Duitse Gesetz über die Alterssicherung der Landwirte (wet betreffende de pensioenverzekering voor landbouwers), verzekerings- en bijdrageplichtig was.
12 Vogler heeft de LAK voor de verwijzende rechter gedaagd met het betoog, dat hij overeenkomstig de artikelen 13, lid 1, en 14 bis, punt 2, van verordening nr. 1408/71 uitsluitend in Oostenrijk socialezekerheidsbijdragen hoefde te betalen.
13 De LAK daarentegen is van oordeel, dat de gemeenschapswetgever bij de vaststelling van deze bepalingen zijn beoordelingsvrijheid te buiten is gegaan. Een aansluiting uitsluitend in Oostenrijk houdt het risico in dat geen rekening wordt gehouden met de bijzonderheden van de Duitse wetgeving betreffende de pensioenverzekering voor landbouwers, die de vergrijzing van de landbouwexploitanten wil voorkomen door de toekenning van het ouderdomspensioen afhankelijk te stellen van de overdracht van het bedrijf. Met deze bijzonderheden is voor het geval van gelijktijdige uitoefening van werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden anders dan in loondienst in artikel 14 quater, sub b, juncto bijlage VII, punt 3, van verordening nr. 1408/71, rekening gehouden, aangezien volgens deze bepalingen op degene die in Duitsland landbouwwerkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent en in een andere lidstaat werkzaamheden in loondienst, gelijktijdig de wetgevingen van de twee lidstaten van toepassing zijn. Dit ligt anders wanneer de betrokkene, zoals in het hoofdgeding, in twee lidstaten werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent.
14 De LAK voegt hieraan toe, dat het inzonderheid onverenigbaar is met het in artikel 3 B EG-Verdrag (thans artikel 5 EG) neergelegde subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel, om degenen op wie verordening nr. 1408/71 van toepassing is, in beginsel slechts aan de socialezekerheidswetgeving van één lidstaat te onderwerpen. De lidstaten zijn als enige bevoegd om hun sociale beleid te bepalen, en de gemeenschapswetgever heeft slechts tot taak de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten te coördineren, zonder ze te harmoniseren.
15 Voorts voert de LAK aan, dat de uitsluitende aansluiting bij het socialezekerheidsstelsel van één lidstaat niet noodzakelijk is om de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten te garanderen. Overbodige dubbele verzekeringen kunnen worden voorkomen door minder radicale maatregelen, bijvoorbeeld door het beginsel dat slechts één wetgeving van toepassing is tot het risico ziekte" te beperken.
16 Aangezien het de zienswijze van de LAK is toegedaan en twijfel koestert over de geldigheid en de uitlegging van de artikelen 13, lid 1, en 14 bis, punt 2, en de uitlegging van de artikelen 13, lid 2, sub b, 14 bis, punt 3, en 14 quater van verordening nr. 1408/71, heeft het Sozialgericht Augsburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vragen gesteld:
1) Is artikel 13, lid 1, juncto artikel 14 bis, punt 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie van verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 307/1999 van de Raad van 8 februari 1999, ongeldig, omdat het ter verwezenlijking van de vrijheid van vestiging krachtens artikel 52 EG-Verdrag niet noodzakelijk is om in de zin van de artikelen 51 en 235 EG-Verdrag, elk juncto artikel 3 B, tweede en derde alinea, EG-Verdrag, te bepalen, dat degene die in Oostenrijk als zelfstandige exploitant van een hotel voor de ziekte-, pensioen- en ongevallenverzekering bij de Sozialversicherung der gewerblichen Wirtschaft is aangesloten en daarnaast als zelfstandige exploitant van een landbouwbedrijf in Duitsland in beginsel onder de Duitse pensioenverzekering voor landbouwers valt, niet alleen voor het risico ,ziekte, maar ook voor de risico's ,ouderdom en ,invaliditeit respectievelijk ,arbeidsongevallen en beroepsziekten uitsluitend onderworpen is aan de Oostenrijkse wetgeving wanneer hij zijn woonplaats in Oostenrijk heeft?
2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:
Moet artikel 13, lid 2, sub b, van verordening nr. 1408/71 dan aldus worden uitgelegd, dat degene die op het grondgebied van meerdere lidstaten meerdere zelfstandige werkzaamheden uitoefent, is onderworpen aan de wetgeving van deze staten (hier: Oostenrijk en Duitsland), ook al woont hij slechts op het grondgebied van één lidstaat (hier: Oostenrijk)?
3) Of moet artikel 14 bis, punt 2, van verordening nr. 1408/71 alleen worden toegepast op degenen die een bepaalde zelfstandige werkzaamheid, doch niet twee verschillende zelfstandige werkzaamheden, gewoonlijk op het grondgebied van twee of meer lidstaten uitoefenen? Of moet artikel 14 bis, punt 2, van verordening nr. 1408/71 ook worden toegepast op degenen die twee of meer niet met elkaar in verband staande zelfstandige werkzaamheden gewoonlijk op het grondgebied van twee of meer lidstaten uitoefenen?
4) Wat is de verhouding tussen de punten 2 en 3 van artikel 14 bis van verordening nr. 1408/71? Moet artikel 14 bis, punt 3, aldus worden uitgelegd, dat de verplichting om zich bij exploitatie van een landbouwbedrijf aan te sluiten bij de sociale zekerheid, steeds wordt geregeld volgens de wettelijke regeling van de staat waar de zetel van het bedrijf zich bevindt, ook wanneer in een andere lidstaat een of meer andere zelfstandige werkzaamheden worden uitgeoefend?
5) Of bevat artikel 14 quater van verordening nr. 1408/71, juncto punt 3 van bijlage VII houdende uitvoering van artikel 14 quater, sub b, een leemte wat de regeling betreft van de stelsels van de ongevallenverzekering en de pensioenverzekering voor landbouwers, wanneer deze in Duitsland een zelfstandige werkzaamheid in de landbouw uitoefenen en in een andere lidstaat niet een werkzaamheid in loondienst, maar aldaar een zelfstandige werkzaamheid (hier: hotelhouder in Oostenrijk) uitoefenen?
Zo ja, kan artikel 14 quater, sub b, van verordening nr. 1408/71, juncto bijlage VII [houdende uitvoering van artikel 14 quater, sub b] naar analogie worden toegepast op het onderhavige geval waarin twee verschillende zelfstandige werkzaamheden (hotelier in Oostenrijk en landbouwer in Duitsland) worden uitgeoefend?"
17 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 13, lid 1, juncto artikel 14 bis, punt 2, van verordening nr. 1408/71 verenigbaar zijn met artikel 3 B, tweede en derde alinea, van het Verdrag, voorzover deze artikelen bepalen dat op degene die in Duitsland als zelfstandige een landbouwbedrijf exploiteert en gelijktijdig, eveneens als zelfstandige, een hotel in Oostenrijk, waar hij woont, uitsluitend de socialezekerheidswetgeving van laatstgenoemde lidstaat van toepassing is.
18 Dienaangaande staat vast dat over het antwoord op deze vraag redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, zodat overeenkomstig artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet worden beslist bij met redenen omklede beschikking.
19 Uit de bewoordingen van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71 blijkt duidelijk, dat onder voorbehoud van artikel 14 quater van deze verordening, de werknemer of zelfstandige op wie de verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één lidstaat is onderworpen. Eveneens blijkt duidelijk uit de bewoordingen van artikel 14 bis, punt 2, dat op degene die gewoonlijk op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, de wetgeving van de lidstaat van toepassing [is] op het grondgebied waarvan hij woont, indien hij een deel van zijn werkzaamheden op het grondgebied van die lidstaat uitoefent".
20 Dit betekent in casu dat Vogler volgens verordening nr. 1408/71 uitsluitend onder het socialezekerheidsstelsel van de Oostenrijkse wetgeving valt.
21 Zoals de Duitse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Commissie en de Raad hebben aangevoerd, kunnen artikel 13, lid 1, juncto artikel 14 bis, punt 2, van verordening nr. 1408/71, die van toepassing zijn op zelfstandigen die hun werkzaamheden in twee of meer lidstaten uitoefenen, niet in strijd met het subsidiariteits- en het evenredigsheidsbeginsel worden geacht.
22 Er zij aan herinnerd, dat de dispariteiten tussen de nationale socialezekerheidsstelsels een bron vormen van beperkingen op het vrije verkeer van personen dat in de artikelen 8 A, 48, 52 en 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 18 CE, 39 EG, 43 EG en 49 EG) is neergelegd. Artikel 51 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 42 EG) legt de Raad overigens op de maatregelen vast te stellen welke op het gebied van de sociale zekerheid noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers.
23 Aangezien de Raad het noodzakelijk heeft geacht, verordening nr. 1408/71 uit te breiden tot zelfstandigen en hun gezinsleden om de belemmeringen voor het vrije verkeer van deze categorie uit de weg te ruimen, was de realisatie van deze doelstelling, inzonderheid door de invoering van regels om de toe te passen wetgeving vast te stellen, slechts mogelijk door een actie op communautair niveau, die in de vaststelling van verordening (EEG) nr. 1390/81 van 12 mei 1981 (PB L 143, blz. 1) heeft geresulteerd. In deze omstandigheden kan er geen sprake zijn van schending van het subsidiariteitsbeginsel bij de vaststelling van de maatregelen tot coördinatie van de nationale socialezekerheidsstelsels, die tot doel hebben het vrije verkeer en het vrije verblijf van personen binnen de Gemeenschap te garanderen.
24 Aangaande de vraag of het verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel, dat in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71 het beginsel is neergelegd dat slechts één wetgeving van toepassing is en dat in artikel 14 bis, punt 2, van deze verordening de wetgeving van de lidstaat van verblijf van de werknemer is aangeduid als toepasselijke wetgeving in geval van uitoefening van werkzaamheden anders dan in loondienst op het grondgebied van twee of meer lidstaten, volstaat het eraan te herinneren, dat de Raad over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt bij de keuze van de meest passende maatregelen om het in artikel 51 van het Verdrag beoogde resultaat te bereiken (arrest van 22 november 1995, Vougokias, C-443/93, Jurispr. blz. I-4033, punt 35). Dit moet ook gelden wanneer op het vlak van de sociale zekerheid maatregelen moeten worden getroffen om de vrijheid van vestiging te garanderen. Derhalve dient de rechterlijke toetsing van de uitoefening van die bevoegdheid zich te beperken tot de vraag, of er geen sprake is van een kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid dan wel of de betrokken instelling de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid niet klaarblijkelijk heeft overschreden (zie in die zin arrest van 12 november 1996, Verenigd Koninkrijk/Raad, C-84/94, Jurispr. blz. I-5755, punt 58).
25 De argumenten van de LAK tonen in het geheel niet aan dat de artikelen 13, lid 1, en 14 bis, punt 2, van verordening nr. 1408/71 op kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid berusten, of dat de Raad bij de vaststelling van deze bepalingen de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid heeft overschreden.
26 Zoals het Hof herhaaldelijk heeft overwogen, beoogt het beginsel dat slechts één wetgeving van toepassing is, de mogelijke complicaties van gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wetgevingen te voorkomen (zie inzonderheid arrest van 3 mei 1990, Kits van Heijningen, C-2/89, Jurispr. blz. I-1755, punt 12).
27 Voorts is het geenszins onredelijk dat op de werknemer die een of meerdere werkzaamheden anders dan in loondienst op het grondgebied van twee of meer lidstaten uitoefent, de wetgeving van de woonstaat van toepassing is.
28 Derhalve moet aan de verwijzende rechter worden geantwoord, dat bij onderzoek van de eerste vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 13, lid 1, juncto artikel 14 bis, punt 2, van verordening nr. 1408/71 kunnen aantasten, en dat uit deze bepalingen voortvloeit dat op degene die als zelfstandige een landbouwbedrijf in Duitsland exploiteert en gelijktijdig, eveneens als zelfstandige, een hotel in Oostenrijk, waar hij woont, uitsluitend de socialezekerheidswetgeving van laatstgenoemde staat van toepassing is.
29 Gelet op hetgeen voorafgaat, behoeft op de andere prejudiciële vragen niet meer te worden geantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 De kosten door de Duitse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Raad en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
Bij onderzoek van de eerste vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 13, lid 1, juncto artikel 14 bis, punt 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 307/1999 van de Raad van 8 februari 1999, kunnen aantasten. Uit deze bepalingen vloeit voort dat op degene die in Duitsland als zelfstandige een landbouwbedrijf exploiteert en gelijktijdig, eveneens als zelfstandige, een hotel in Oostenrijk, waar hij woont, uitsluitend de socialezekerheidswetgeving van laatstgenoemde staat van toepassing is.
Full & Egal Universal Law Academy