Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
Procedure - Afstand van instantie door verzoeker - Doorhaling
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 78)
Partijen
In zaak C-246/99,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. B. Wainwright en H. C. Støvlbæk als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
ondersteund door
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door R. V. Magrill als gemachtigde, bijgestaan door A. Robertson, barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënt,
tegen
Koninkrijk Denemarken, vertegenwoordigd door J. Molde als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk Denemarken, door de handhaving van § 2, lid 1, en § 1, lid 2, van besluit nr. 124 van 27 februari 1989 betreffende de verpakking van bier en frisdranken, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit nr. 300 van 30 april 1997, volgens welke onder het besluit vallende dranken slechts in retouremballage op de markt mogen worden gebracht, alsmede van § 3 van dat besluit, volgens welke de verpakking van ingevoerde dranken niet uit metaal mag zijn vervaardigd, de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB L 365, blz. 10), inzonderheid artikel 18 juncto de artikelen 5, 7 en 9 daarvan, alsmede de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 28 EG en 30 EG),
geeft
DE PRESIDENT VAN HET HOF
advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 1 juli 1999, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 226 EG verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk Denemarken, door de handhaving van § 2, lid 1, en § 1, lid 2, van besluit nr. 124 van 27 februari 1989 betreffende de verpakking van bier en frisdranken, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit nr. 300 van 30 april 1997, volgens welke onder het besluit vallende dranken slechts in retouremballage op de markt mogen worden gebracht, alsmede van § 3 van dat besluit, volgens welke de verpakking van ingevoerde dranken niet uit metaal mag zijn vervaardigd, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB L 365, blz. 10), inzonderheid artikel 18 juncto de artikelen 5, 7 en 9 daarvan, alsmede de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 28 EG en 30 EG).
2 Bij brief van 11 juli 2002, ingekomen ter griffie van het Hof op 15 juli daaraanvolgend, heeft de Commissie het Hof overeenkomstig artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering meegedeeld dat zij afstand doet van haar beroep, en heeft zij verzocht verweerder te verwijzen in de kosten.
3 Bij brief, neergelegd ter griffie van het Hof op 26 juli 2002, heeft het Koninkrijk Denemarken meegedeeld geen opmerkingen te hebben over deze afstand, behalve wat de kosten betreft. Het verklaart zich bereid het voorstel van de Commissie tot beëindiging van de onderhavige procedure te aanvaarden. Onder verwijzing naar de conclusies in zijn verweerschrift is het evenwel van mening dat de Commissie moet worden verwezen in de kosten.
4 Volgens artikel 69, lid 5, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering wordt de partij die afstand van instantie doet, in de kosten veroordeeld voorzover dit door de wederpartij in haar opmerkingen over de afstand van instantie is gevorderd. Op vordering van de partij die afstand doet, wordt evenwel de wederpartij in de kosten veroordeeld, indien dit op grond van de houding van deze partij gerechtvaardigd lijkt.
5 In casu is de instelling van het beroep en de daaropvolgende afstand van instantie door de Commissie het gevolg van de houding van het Koninkrijk Denemarken, dat pas na de instelling van het beroep de nodige maatregelen heeft genomen om aan zijn verplichtingen te voldoen.
6 Het Koninkrijk Denemarken dient derhalve in de kosten te worden verwezen.
7 Ingevolge artikel 69, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering zal het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, dat in het geding is tussengekomen, zijn eigen kosten dragen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET HOF
beschikt:
1) Zaak C-246/99 wordt doorgehaald in het register van het Hof.
2) Het Koninkrijk Denemarken wordt verwezen in de kosten.
3) Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland draagt zijn eigen kosten.
Full & Egal Universal Law Academy