Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Prejudiciële vragen Antwoord dat duidelijk valt af te leiden uit rechtspraak Toepassing van artikel 104, lid 3, van Reglement voor procesvoering
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 104, lid 3)
2. Internationale overeenkomsten Overeenkomst tot oprichting van Wereldhandelsorganisatie GATT van 1994 Rechtstreekse werking Geen Onmogelijkheid om WTO-overeenkomsten in te roepen om wettigheid van gemeenschapshandeling te bestrijden
[EG-Verdrag, art. 234, eerste alinea (thans, na wijziging, art. 307, eerste alinea, EG); Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 1994; besluit 94/800 van de Raad]
Partijen
In zaak C-307/99,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Finanzgericht Hamburg (Duitsland), in het aldaar aanhangige geding tussen
OGT Fruchthandelsgesellschaft mbH
en
Hauptzollamt Hamburg-St. Annen,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen I en XIII van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel van 1994, neergelegd in bijlage 1A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd, voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 (PB L 336, blz. 1),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. Gulmann, A. La Pergola, M. Wathelet en V. Skouris, kamerpresidenten, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet, P. Jann, L. Sevón, R. Schintgen (rapporteur), F. Macken, N. Colneric, S. von Bahr, J. N. Cunha Rodrigues en C. W. A. Timmermans, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: R. Grass,
de verwijzende rechter in kennis gesteld van het feit dat het Hof overeenkomstig artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering bij met redenen omklede beschikking zal beslissen,
de belanghebbenden bedoeld in artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG uitgenodigd om hun eventuele opmerkingen dienaangaande in te dienen,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 15 juli 1999, ingekomen bij het Hof op 13 augustus daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Hamburg krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen I en XIII van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel van 1994 (hierna: GATT 1994"), neergelegd in bijlage 1A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (hierna: WTO-overeenkomst"), namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd, voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 (PB L 336, blz. 1).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen OGT Fruchthandelsgesellschaft mbH (hierna: OGT"), een traditioneel importeur van bananen uit derde landen, en het Hauptzollamt Hamburg-St. Annen (hierna: Hauptzollamt") betreffende de navordering van douanerechten over de invoer van bananen van oorsprong uit Ecuador.
Rechtskader
3 Bij titel IV van verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen (PB L 47, blz. 1), is een gemeenschappelijke regeling voor het handelsverkeer met derde landen ingesteld, die in de plaats kwam van de verschillende bestaande nationale regelingen.
4 Volgens artikel 33 is verordening nr. 404/93 in werking getreden op 26 februari 1993 en is zij van toepassing sinds 1 juli 1993.
5 Krachtens artikel 1, lid 1, eerste streepje, van besluit 94/800 heeft de Raad, namens de Gemeenschap, voor wat betreft het gedeelte dat onder haar bevoegdheid valt, de WTO-overeenkomst goedgekeurd, alsmede de in de bijlagen 1, 2 en 3 bij deze overeenkomst opgenomen overeenkomsten.
6 In artikel II, lid 2, van de WTO-overeenkomst is bepaald:
dat de overeenkomsten en de daarmee samenhangende rechtsinstrumenten, die in de bijlagen 1, 2 en 3 [...] zijn opgenomen, een integrerend bestanddeel van de overeenkomst vormen en alle partijen binden".
7 Artikel II, lid 4, van de WTO-overeenkomst luidt:
De Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 1994, zoals genoemd in bijlage 1A (hierna: ,GATT-overeenkomst van 1994), staat juridisch los van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 30 oktober 1947, gehecht aan de slotakte van de Tweede Zitting van de Voorbereidende Commissie van de Conferentie der Verenigde Naties over Handel en Werkgelegenheid, zoals daarna verbeterd, geamendeerd of gewijzigd (hierna: ,GATT-overeenkomst van 1947)."
8 In een rapport van 8 september 1997 heeft de vaste Beroepsinstantie, ingesteld bij artikel 17 van het memorandum van overeenstemming inzake de regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen (hierna: memorandum van overeenstemming"), dat deel uitmaakt van bijlage 2 bij de WTO-overeenkomst, enkele elementen van de bij verordening nr. 404/93 ingevoerde regeling voor het handelsverkeer met derde landen onverenigbaar verklaard met het meestbegunstigingsgebod van artikel I, lid 1, van het GATT 1994 en het discriminatieverbod van artikel XIII van die overeenkomst.
9 Naar aanleiding van dit rapport is titel IV van verordening nr. 404/93 gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1637/98 van de Raad van 20 juli 1998 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 404/93 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen (PB L 210, blz. 28). Na deze wijziging luiden de artikelen 16 en 18 thans:
Artikel 16
De artikelen 16 tot en met 20 van deze titel zijn alleen van toepassing op verse producten van GN-code ex 0803 00 19.
In deze titel wordt verstaan onder:
1) ,traditionele invoer uit de ACS-staten, de invoer in de Gemeenschap van bananen van oorsprong uit de in de bijlage genoemde leverende staten, tot maximaal 857 700 ton (nettogewicht) per jaar; de bij deze invoer betrokken hoeveelheden bananen worden hierna aangeduid als ,traditionele ACS-bananen;
2) ,niet-traditionele invoer uit de ACS-staten, de invoer in de Gemeenschap van bananen van oorsprong uit ACS-staten, die niet onder de in punt 1 vermelde definitie valt; de bij deze invoer betrokken hoeveelheden bananen worden hierna aangeduid als ,niet-traditionele ACS-bananen;
3) ,invoer uit niet tot de ACS behorende derde staten, de invoer in de Gemeenschap van bananen van oorsprong uit andere derde staten dan de ACS-staten; de bij deze invoer betrokken hoeveelheden bananen worden hierna aangeduid met ,bananen uit derde staten."
Artikel 18
1. Voor elk jaar wordt een tariefcontingent van 2,2 miljoen ton nettogewicht geopend voor de invoer van bananen uit derde staten en niet-traditionele ACS-bananen.
In het kader van dit tariefcontingent wordt op de invoer van bananen uit derde staten een recht van 75 ECU per ton geheven en wordt op de invoer van niet-traditionele ACS-bananen een nulrecht toegepast.
[...]
3. Op de invoer van traditionele ACS-bananen wordt een nulrecht toegepast.
[...]"
10 De in artikel 16, tweede alinea, sub 1, van verordening nr. 404/93 bedoelde bijlage, eveneens gewijzigd bij verordening nr. 1637/98, bevat een lijst van twaalf staten die traditionele ACS-bananen" leveren, waaraan het jaarlijks contingent van 857 700 ton (nettogewicht) is voorbehouden, zonder dat aan elk van hen individuele maximumhoeveelheden worden toegekend.
11 Verordening nr. 1637/98 is overeenkomstig artikel 2 in werking getreden op 31 juli 1998 en van toepassing sinds 1 januari 1999.
12 Een op verzoek van Ecuador krachtens artikel 21, lid 5, van het memorandum van overeenstemming opgericht panel heeft in een panelbeslissing van 12 april 1999 vastgesteld, dat de nieuwe regeling voor het handelsverkeer met derde landen, neergelegd in verordening nr. 1637/98, nog steeds onverenigbaar is met de artikelen I, lid 1, en XIII van het GATT van 1994.
13 De WTO-overeenkomst is op 1 januari 1995 in werking getreden. Ecuador, dat geen verdragsluitende partij was van het GATT van 1947, is lid van de WTO sinds 21 januari 1996.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
14 In het kader van het contingent, bedoeld in artikel 18, lid 1, van verordening nr. 404/93, zoals gewijzigd, voerde OGT in januari 1999 43 010 ton verse bananen in uit Ecuador.
15 Met het oog op de inklaring van die bananen stelde het Hauptzollamt, op basis van een recht bij invoer van 75 euro per ton, bij een aanslag van 5 februari 1999 het bedrag van de door OGT verschuldigde rechten vast op 6 309,02 DEM. OGT heeft dat bedrag betaald.
16 Bij brieven van 3 en 18 maart 1999 tekende OGT bezwaar aan tegen die aanslag, en verzocht zij tegelijkertijd om opschorting van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van die aanslag.
17 Het Hauptzollamt verwierp het verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging zonder zich ten gronde over het bezwaar uit te spreken.
18 In die omstandigheden diende OGT bij het Finanzgericht Hamburg een vordering in tot staking van de tenuitvoerlegging van de aanslag totdat definitief uitspraak was gedaan op haar bezwaar.
19 Het Finanzgericht Hamburg acht de door het panel in zijn beslissing van 12 april 1999 gedane vaststellingen inzake de onverenigbaarheid van de herziene gemeenschappelijke marktordening voor bananen met de artikelen I en XIII van het GATT 1994 correct, en is daarom van mening dat deze onwettigheid, mits voornoemde bepalingen rechtstreekse werking hebben, ertoe zou kunnen leiden dat artikel 18, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 404/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1637/98, niet-toepasselijk is.
20 Volgens het Finanzgericht Hamburg kan een dergelijke niet-toepasselijkheid het gevolg zijn van hetzij de voorrang en de rechtstreekse werking van het GATT, die in casu sinds 21 januari 1996, de datum van toetreding van Ecuador tot het GATT 1994, kunnen voortvloeien uit artikel 234, eerste alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 307, eerste alinea, EG), hetzij uit de algemene rechtstreekse werking die het GATT eventueel heeft sinds 1 januari 1995, de datum van inwerkingtreding van de WTO-overeenkomst en het memorandum van overeenstemming.
21 Het Finanzgericht Hamburg heeft derhalve besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
Is artikel 18, lid 1, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1637/98 van de Raad van 20 juli 1998, niet van toepassing wegens schending van de artikelen I en XIII van het GATT van 1994, en kan een particulier zich daarop in rechte beroepen?"
Beoordeling door het Hof
22 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de artikelen I en XIII van het GATT van 1994 voor particulieren rechten in het leven roepen waarop zij zich voor een nationale rechterlijke instantie rechtstreeks kunnen beroepen om zich te verzetten tegen de toepassing van artikel 18, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 404/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1637/98.
23 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat het antwoord op die vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid, zodat overeenkomstig artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bij een met redenen omklede beschikking moet worden beslist.
24 In zijn arrest van 23 november 1999, Portugal/Raad (C-149/96, Jurispr. blz. I-8395, punt 47), heeft het Hof namelijk reeds geoordeeld dat de WTO-overeenkomst alsmede de in de bijlagen daarvan opgenomen akkoorden en memoranda, gelet op hun aard en opzet, in beginsel niet behoren tot de normen waaraan het Hof de handelingen van de gemeenschapsinstellingen toetst uit hoofde van artikel 230, eerste alinea, EG.
25 Verder was het Hof, om dezelfde redenen als waren uiteengezet in de punten 42 tot en met 46 van voornoemd arrest Portugal/Raad, in zijn arrest van 4 december 2000, Parfums Dior e.a. (C-300/98 en C-392/98, Jurispr. blz. I-11307, punt 44), van oordeel dat de bepalingen van de als bijlage 1C aan de WTO-overeenkomst gehechte overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom niet van dien aard zijn, dat zij voor particulieren rechten in het leven roepen waarop deze zich krachtens het gemeenschapsrecht voor de rechter rechtstreeks kunnen beroepen.
26 Om dezelfde redenen moet dit ook gelden voor de bepalingen van het GATT van 1994.
27 Zoals het Hof in het arrest Portugal/Raad, reeds aangehaald, punt 49, heeft bevestigd, volgt eveneens uit de rechtspraak van het Hof, dat indien de Gemeenschap uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van het GATT aangegane bijzondere verplichting of indien de gemeenschapshandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen daarvan verwijst, het Hof de betrokken gemeenschapshandeling aan de GATT-regels dient te toetsen (zie arresten van 22 juni 1989, Fediol/Commissie, 70/87, Jurispr. blz. 1781, punten 19-22, en 7 mei 1991, Nakajima/Raad, C-69/89, Jurispr. blz. I-2069, punt 31).
28 Anders dan OGT stelt, is er in casu evenwel geen sprake van een dergelijke uitzonderlijke situatie. De gemeenschappelijke ordening van de markten in de sector bananen, zoals die bij verordening nr. 404/93 is ingevoerd en vervolgens is gewijzigd, beoogt niet de uitvoering in de communautaire rechtsorde te verzekeren van een in het kader van het GATT aangegane bijzondere verplichting en verwijst evenmin uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van het GATT.
29 Gesteld al dat artikel 234, eerste alinea, van het Verdrag van toepassing zou zijn op het GATT 1994, ongeacht de omstandigheden dat het GATT 1994 overeenkomstig artikel II, lid 4, van de WTO-overeenkomst juridisch los staat van het GATT van 1947, aanzienlijk verschilt van de bepalingen van het GATT van 1947 (zie arrest Portugal/Raad, reeds aangehaald, punt 36), en door de Gemeenschap is gesloten en goedgekeurd uit hoofde van een exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap (zie advies 1/94 van 15 november 1994, Jurispr. blz. I-5267, punt 1 van het dictum), kan uit artikel 234, eerste alinea, van het Verdrag geen rechtstreekse werking van de bepalingen van het GATT van 1994 worden afgeleid.
30 Volgens de rechtspraak van het Hof kent artikel 234, eerste alinea, van het Verdrag, op zichzelf beschouwd, aan particulieren die zich beroepen op een vóór de inwerkingtreding van het Verdrag gesloten overeenkomst, geen rechten toe die de nationale rechterlijke instanties van de lidstaten hebben te handhaven (arrest van 14 oktober 1980, Burgoa, 812/79, Jurispr. blz. 2787, punten 10 en 11).
31 Op de gestelde vraag moet derhalve worden geantwoord, dat de artikelen I en XIII van het GATT van 1994 voor particulieren geen rechten in het leven roepen waarop zij zich voor een nationale rechterlijke instantie rechtstreeks kunnen beroepen om zich te verzetten tegen de toepassing van artikel 18, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 404/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1637/98.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
32 De kosten door de Duitse en de Franse regering, alsmede door de Raad en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
De artikelen I en XIII van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel van 1994, neergelegd in bijlage 1A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd, voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994, roepen voor particulieren geen rechten in het leven waarop zij zich voor een nationale rechterlijke instantie rechtstreeks kunnen beroepen om zich te verzetten tegen de toepassing van artikel 18, lid 1, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1637/98 van de Raad van 20 juli 1998.
Full & Egal Universal Law Academy