Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Hogere voorziening - Middelen - Loutere herhaling van voor Gerecht aangevoerde middelen en argumenten - Ontbreken van aanwijzing van onjuiste rechtsopvatting - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c)
2. Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Bepaling houdende vaststelling van bedrag van vergoeding voor verevening van opslagkosten van suiker voor verkoopseizoen - Beroep ingesteld door Italiaanse suikerfabrikanten - Niet-ontvankelijkheid
[EG-Verdrag, art. 173, vierde alinea (thans, na wijziging, art. 230, vierde alinea, EG); verordening nr. 1534/95 van de Raad, art. 4]
Samenvatting
1. Uit artikel 225 EG en artikel 51, eerste alinea, van het Statuut-EG van het Hof van Justitie alsmede uit artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest of de beschikking waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven. Een hogere voorziening waarin slechts de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten letterlijk worden herhaald, waaronder die welke steunden op feiten die door het Gerecht uitdrukkelijk van de hand zijn gewezen, en waarin zelfs geen argumenten naar voren worden gebracht waarmee specifiek wordt aangegeven, op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoet niet aan dat vereiste. Een dergelijke hogere voorziening vormt in werkelijkheid immers een verzoek om een nieuw onderzoek van de bij het Gerecht ingestelde vordering, waartoe het Hof niet bevoegd is.
( cf. punten 35-36 )
2. De mogelijkheid om met meer of minder nauwkeurigheid het aantal of zelfs de identiteit te bepalen van de rechtssubjecten waarop een maatregel van toepassing is, betekent geenszins dat die rechtssubjecten moeten worden beschouwd, individueel door die maatregel te zijn geraakt, zolang vaststaat dat die toepassing voortvloeit uit een in de betrokken handeling omschreven objectieve of feitelijke rechtssituatie.
Artikel 4 van verordening nr. 1534/95, waarbij het bedrag van de vergoeding voor de verevening van de opslagkosten voor het verkoopseizoen 1995/1996 is vastgesteld, raakt de Italiaanse fabrikanten van witte suiker met productiequota dus niet individueel. Bij deze bepaling wordt het bedrag van de vergoeding voor alle suikerfabrikanten in de Gemeenschap immers op gelijke wijze bepaald, en in het bijzonder los van de classificatie van de zone waarin zij zijn gevestigd. Bovendien wordt het bedrag van de vergoeding niet bepaald op basis van de productiequota van alleen de Italiaanse suikerfabrikanten noch op basis van de door rekwiranten verstrekte cijfers, doch, zoals in de zesde overweging van de considerans van die verordening wordt vermeld, op basis van de financieringskosten, de verzekeringskosten en de specifieke opslagkosten.
( cf. punten 46, 49-51 )
Partijen
In zaak C-351/99 P,
Eridania SpA, voorheen Eridania Zuccherifici Nazionali SpA, gevestigd te Genua (Italië),
Industria Saccarifera Italiana Agroindustriale SpA (ISI), gevestigd te Padua (Italië),
Sadam Zuccherifici, divisione della SECI - Società Esercizi Commerciali Industriali SpA, gevestigd te Bologna (Italië),
Sadam Castiglionese SpA, gevestigd te Bologna (Italië),
Sadam Abruzzo SpA, gevestigd te Bologna (Italië),
Zuccherificio del Molise SpA, gevestigd te Termoli (Italië),
en
Società Fondiaria Industriale Romagnola SpA (SFIR), gevestigd te Cesena (Italië),
vertegenwoordigd door B. O'Connor, solicitor, en I. Vigliotti, avvocato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwiranten,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 8 juli 1999, Eridania e.a./Raad (T-158/95, Jurispr. blz. II-2219), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partijen bij de procedure:
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door I. Díez Parra en J.-P. Hix als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder in eerste aanleg,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. P. Ruggeri Laderchi als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte in eerste aanleg,
en
Ponteco Zuccheri SpA, gevestigd te Pontelagoscuro (Italië),
verzoekster in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt : V. Skouris, kamerpresident, R. Schintgen en N. Colneric (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, op 22 september 1999 neergelegd ter griffie van het Hof, hebben Eridania SpA, voorheen Eridania Zuccherifici Nazionali SpA, Industria Saccarifera Italiana Agroindustriale SpA (ISI), Sadam Zuccherifici, divisione della SECI - Società Esercizi Commerciali Industriali SpA, Sadam Castiglionese SpA, Sadam Abruzzo SpA, Zuccherificio del Molise SpA en Società Fondiaria Industriale Romagnola SpA (SFIR) krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 8 juli 1999, Eridania e.a./Raad (T-158/95, Jurispr. blz. II-2219; hierna: bestreden arrest"), waarbij het Gerecht hun beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, dat in wezen strekte tot gedeeltelijke nietigverklaring van, enerzijds, verordening (EG) nr. 1101/95 van de Raad van 24 april 1995 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1785/81 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, en verordening (EEG) nr. 1010/86 houdende vaststelling van de algemene voorschriften inzake de restitutie bij de productie voor bepaalde in de chemische industrie gebruikte producten van de sector suiker (PB L 110, blz. 1), en anderzijds, verordening (EG) nr. 1534/95 van de Raad van 29 juni 1995 tot vaststelling voor het verkoopseizoen 1995/1996 van de afgeleide interventieprijzen voor witte suiker, de interventieprijs voor ruwe suiker, de minimumprijzen voor A-suikerbieten en B-suikerbieten, alsmede het bedrag van de vergoeding voor de verevening van de opslagkosten (PB L 148, blz. 11).
De regeling in geding
2 Bij verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 177, blz. 4; hierna: basisverordening"), is een prijs- en quotaregeling en een regeling voor de verevening van de opslagkosten ingevoerd.
3 Bij artikel 8, lid 1, van de basisverordening is een vereveningsstelsel voor de opslagkosten ingesteld dat een forfaitaire vergoeding en financiering daarvan door middel van een bijdrage behelst". Hetzelfde artikel bepaalt in lid 2, vierde alinea, dat het bedrag van de terugbetaling [...] voor de gehele Gemeenschap gelijk [is]. Deze regel geldt ook voor de bijdrage [die de lidstaten van iedere suikerfabrikant heffen]."
4 Voor het verkoopseizoen 1995/1996 is bij artikel 4 van verordening nr. 1534/95 het bedrag van de forfaitaire vergoeding vastgesteld op 0,45 ECU per 100 kg witte suiker per maand".
5 Artikel 46, lid 4, van de basisverordening machtigde de Italiaanse Republiek bovendien om gedurende de verkoopseizoenen 1981/1982 tot en met 1985/1986, wanneer in Italië het niveau van de aan de meest solvente klant toegestane rentevoet ten minste 3 % hoger is dan het niveau van de rentevoet die gebruikt wordt bij de berekening van de in artikel 8 bedoelde terugbetaling, de weerslag van dit verschil op de kosten voor opslag te dekken door nationale steun". Die machtiging werd een eerste maal verlengd voor de verkoopseizoenen 1986/1987 en 1987/1988 bij artikel 1, punt 10, van verordening (EEG) nr. 934/86 van de Raad van 24 maart 1986 tot wijziging van verordening nr. 1785/81 (PB L 87, blz. 1), waarbij de relevante bepaling werd opgenomen in artikel 46, lid 5, van de basisverordening, daarna voor alle volgende verkoopseizoenen, en laatstelijk voor het verkoopseizoen 1994/1995 bij artikel 1, punt 26, van verordening (EG) nr. 133/94 van de Raad van 24 januari 1994 tot wijziging van verordening nr. 1785/81 (PB L 22, blz. 7).
6 Ingevolge artikel 46 van de basisverordening, zoals gewijzigd bij artikel 1, punt 13, van verordening nr. 1101/95, is het de Italiaanse Republiek niet meer toegestaan die nationale steun te verlenen.
Het beroep voor het Gerecht
7 Wegens het feit dat Italië na de inwerkingtreding van verordening nr. 1101/95 geen nationale steun meer kon verlenen om de gevolgen van de verschillen in de opslagkosten te dekken, stelden rekwiranten, in Italië gevestigde vennootschappen die samen 92 % van de aan Italië toegewezen suikerquota bezitten, krachtens artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230, vierde alinea, EG) een beroep in, dat in wezen strekte tot nietigverklaring van artikel 1, punt 13, van verordening nr. 1101/95 en artikel 4 van verordening nr. 1534/95.
8 Overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wierp de Raad bij afzonderlijke akte een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen dat beroep op.
9 Bij beschikking van 19 maart 1996 liet de president van de Tweede kamer van het Gerecht de Commissie toe tot interventie in het geding ter ondersteuning van de conclusies van de Raad.
10 Tot staving van de exceptie van niet-ontvankelijkheid voerde de Raad vier middelen aan. In hogere voorziening zijn echter slechts twee hiervan relevant; de beide andere zijn niet meer van belang.
11 Voorzover rekwiranten nietigverklaring van verordening nr. 1101/95 hadden gevorderd, stelde de Raad in de eerste plaats, dat het beroep niet gericht was tegen een handeling" in de zin van artikel 173 van het Verdrag, aangezien genoemde verordening geen enkele bepaling betreffende het vereveningsstelsel voor opslagkosten bevat; in werkelijkheid zouden rekwiranten hem verwijten, in artikel 8 van de basisverordening geen bepaling te hebben opgenomen die voorziet in een differentiatie van het bedrag van de vergoeding voor de verevening van de opslagkosten.
12 In de tweede plaats stelde de Raad, dat rekwiranten door de bestreden bepalingen niet rechtstreeks en individueel werden geraakt en dat zij derhalve niet procesbevoegd waren op grond van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag.
13 Wat het middel ontleend aan ontbreken van een voor beroep vatbare handeling betreft, beriepen rekwiranten zich op de ontwikkeling van het gemeenschapsrecht voor hun vordering tot nietigverklaring van verordening nr. 1101/95, voorzover hierbij de bepaling van artikel 46 van de basisverordening betreffende steunverlening door de Italiaanse Republiek is afgeschaft.
14 Met betrekking tot het tweede middel van de Raad betoogden rekwiranten, dat zij behoren tot een beperkte kring van geïndividualiseerde en identificeerbare marktdeelnemers, te weten de Italiaanse suikerfabrikanten met productiequota. Ook betoogden zij, dat zij op het moment van vaststelling van de bestreden handelingen bij de instellingen bekend waren, dat zij productierechten toegewezen hadden gekregen die, wegens de jarenlange toepassing van het quotastelsel, echte individuele rechten waren geworden, dat zij ten opzichte van de fabrikanten in andere delen van de Gemeenschap een voldoende gekarakteriseerde groep vormen, doordat zij het slachtoffer zijn van discriminatie als gevolg van het bijzonder sterke effect van de financieringskosten op de Italiaanse markt, en tenslotte, dat er tussen hun situatie en de maatregelen van de Raad een duidelijk verband bestaat.
Het bestreden arrest
15 Op basis van de twee door de Raad aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid, die in de punten 11 en 12 van deze beschikking zijn weergegeven, heeft het Gerecht het beroep bij het bestreden arrest verworpen.
Het eerste middel: ontbreken van een voor beroep vatbare handeling
16 Met betrekking tot het middel ontleend aan het ontbreken van een voor beroep vatbare handeling, stelde het Gerecht het volgende vast:
51 Volgens vaste rechtspraak zijn enkel maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van verzoeksters kunnen aantasten doordat zij hun rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, te beschouwen als handelingen die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 173 van het Verdrag (beschikking Gerecht van 24 juni 1998, Dalmine/Commissie, T-596/97, Jurispr. blz. II-2383, punt 29).
52 Zoals de Commissie en de Raad evenwel terecht hebben opgemerkt, bevat artikel 1, punt 13, van verordening nr. 1101/95 geen enkele bepaling betreffende de vereveningsregeling voor de opslagkosten in het algemeen, of betreffende de bevoegdheid van de Italiaanse Staat om de Italiaanse producenten steun in verband met die kosten toe te kennen in het bijzonder. In de mogelijkheid om die steun toe te kennen, is voor het laatst voorzien in verordening nr. 133/94. Artikel 1, punt 26, daarvan heeft de desbetreffende bepaling van artikel 46, lid 5, van de basisverordening verlengd, met dien verstande dat de steun slechts kon worden toegekend in het verkoopseizoen 1994/1995. Daaruit volgt, dat verzoeksters' rechtspositie met betrekking tot het litigieuze verkoopseizoen, namelijk het verkoopseizoen 1995/1996, door verordening nr. 1101/95 niet op gekarakteriseerde wijze is aangetast.
53 Voorzover het strekt tot nietigverklaring van artikel 1, punt 13, van verordening nr. 1101/95, dient het beroep derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard."
Tweede middel: Ontbreken van procesbevoegdheid
17 Met betrekking tot de procesbevoegdheid van rekwiranten en, meer bepaald, de vraag of zij door artikel 4 van verordening nr. 1534/95 individueel worden geraakt, overwoog het Gerecht het volgende:
54 Krachtens artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag, is de ontvankelijkheid van een door een natuurlijk of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring van een verordening afhankelijk van de voorwaarde, dat de bestreden verordening in werkelijkheid een beschikking is die de verzoeker rechtstreeks en individueel raakt. Het criterium voor het onderscheid tussen een verordening en een beschikking moet worden gezocht in de al dan niet algemene strekking van de betrokken handeling. Een handeling heeft een algemene strekking, indien zij van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor algemeen en abstract aangewezen categorieën van personen (beschikking Hof van 24 april 1996, CNPAAP/Raad, C-87/95 P, Jurispr. blz. I-2003, punt 33; arrest Gerecht van 10 juli 1996, Weber/Commissie, T-482/93, Jurispr. blz. II-609, punt 55, en beschikking Gerecht van 8 december 1998, Sadam Zuccherifici e.a./Raad, T-39/98, Jurispr. blz. II-4207, punt 17).
55 In casu stelt artikel 4 van verordening nr. 1534/95 ,het bedrag van de vergoeding bedoeld in artikel 8 van de basisverordening vast ,op 0,45 ECU per 100 kilogram witte suiker per maand. Artikel 8 van de basisverordening voorziet in een ,forfaitaire vergoeding waarvan het bedrag ,voor de hele Gemeenschap gelijk is. Uit de considerans van verordening nr. 1534/95 blijkt, dat de Raad voor de vaststelling van het bedrag van de vergoeding de financieringskosten, de verzekeringskosten en de specifieke opslagkosten in aanmerking heeft genomen, waarbij voor de financieringskosten rekening is gehouden met een rentevoet van 6,75 %. De in geding zijnde bepaling voert derhalve een forfaitaire vergoeding in en is van toepassing op een onbepaald aantal opslaghandelingen in de Gemeenschap, door alle communautaire suikerfabrikanten tezamen. Daaruit volgt, dat artikel 4 van verordening nr. 1534/95, gezien in het kader van de basisverordening, van toepassing is op objectief bepaalde situaties en in algemene bewoordingen gericht is tot abstract aangewezen categorieën van personen. Deze bepaling heeft dus de kenmerken van een maatregel van algemene strekking.
56 Het is evenwel niet uitgesloten, dat een bepaling die naar haar aard en strekking algemeen van aard is, een natuurlijke of rechtspersoon individueel kan raken, wanneer die persoon wordt geraakt uit hoofde van bepaalde specifieke eigenschappen van die persoon of uit hoofde van een feitelijke situatie, welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem dus individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat van een beschikking (arrest Hof van 15 februari 1996, Buralux e.a./Raad, C-209/94 P, Jurispr. blz. I-615, punt 25).
57 Verzoeksters' argument, dat zij geïndividualiseerd zijn doordat zij als houders van productiequota voor suiker deel uitmaken van een ,gesloten kring, kan niet worden aanvaard. In de eerste plaats - gesteld dat de Raad ten tijde van de vaststelling van de litigieuze verordening verzoeksters' identiteit kende - volgt uit vaste rechtspraak, dat de algemene strekking van een bepaling niet wordt aangetast door de mogelijkheid, dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop deze op een bepaald moment van toepassing is, met meer of mindere mate van zekerheid kan worden bepaald, zolang maar vaststaat, dat deze toepassing geschiedt op grond van een door de handeling omschreven rechtens of feitelijk objectieve situatie (beschikking Hof van 18 december 1997, Sveriges Betodlares en Henrikson/Commissie, C-409/96 P, Jurispr. blz. I-7531, punt 37). Welnu, verzoeksters hebben geen elementen aangevoerd waaruit blijkt, dat de Italiaanse suikerfabrikanten zich in een zodanig specifieke situatie bevonden, dat de bepaling door de Raad van de afgeleide interventieprijs voor witte suiker voor Italië geen algemene strekking had, maar hen individueel betrof.
58 In de tweede plaats en in ieder geval - zoals de Raad ter terechtzitting door verzoeksters onweersproken heeft onderstreept - delen de lidstaten de Commissie vóór de vaststelling van de verschillende suikerprijzen voor elk jaarlijks verkoopseizoen weliswaar inlichtingen mee betreffende de evolutie van de productie en het verbruik van suiker op hun grondgebied en betreffende de reeds toegekende productiequota voor suiker [...], doch beschikte de Raad bij de vaststelling van de litigieuze verordening niet over specifieke informatie over elk van de Italiaanse ondernemingen die voor het verkoopseizoen 1995/1996 suikerproductiequota hadden.
59 De rechtspraak die verzoeksters dienaangaande ter ondersteuning van de ontvankelijkheid van hun beroep aanhalen, is in casu evenmin relevant. Deze rechtspraak heeft immers betrekking op bepaalde specifieke situaties betreffende individuele aanvragen van invoervergunningen, die gedurende een gegeven korte periode en voor welbepaalde hoeveelheden waren ingediend (zie arresten [van 1 juli 1965] Töpfer e.a./Commissie [106/63 en 107/63, Jurispr. blz. 507], [13 mei 1971] International Fruit Company e.a./Commissie [41/70-44/70, Jurispr. blz. 411] en [6 november 1990] Weddel/Commissie [C-354/87, Jurispr. blz. I-3847] ), of op situaties waarin op de gemeenschapsinstellingen de verplichting rust om rekening te houden met de gevolgen welke de overwogen handeling voor de situatie van bepaalde rechtssubjecten zal hebben (zie arresten [van 26 juni 1990] Sofrimport/Commissie [C-152/88, Jurispr. blz. I-2477] en [van 17 januari 1985] Piraiki-Patraiki e.a./Commissie [11/82, Jurispr. blz. 207] ). Dergelijke omstandigheden doen zich in casu evenwel niet voor. Verzoeksters hebben inzonderheid niet aangevoerd, en a fortiori niet aangetoond, dat op de Raad een verplichting rustte om de Italiaanse producenten in het kader van de vereveningsregeling voor de opslagkosten een bijzondere bescherming te verzekeren, welke verder ging dan de bescherming die werd verleend aan de andere communautaire producenten die ook hun producten hadden opgeslagen (zie ook arrest Buralux e.a./Raad, reeds aangehaald, punten 32-34).
60 Voorzover verzoeksters de Raad verwijten dat hij met de bestreden bepaling het bedrag van de vergoeding op uniforme wijze heeft vastgesteld, en aldus een discriminatie heeft gecreëerd ten nadele van de Italiaanse suikerproducenten, wier opslagkosten bijzonder hoog zouden zijn, kan worden volstaan met te herinneren aan de vaste rechtspraak, dat de omstandigheid dat een handeling voor de verschillende rechtssubjecten waarop zij van toepassing is, in concreto tot uiteenlopende gevolgen kan leiden, niet afdoet aan het regelgevend karakter van dat voorschrift, zolang van een objectief bepaalde situatie sprake is (beschikking Gerecht van 4 oktober 1996, Sveriges Betodlares en Henrikson/Commissie, T-197/95, Jurispr. blz. II-1283, punt 29). Welnu, uit wat voorafgaat volgt, dat de bestreden verordeningsbepaling een algemene strekking heeft.
[...]
62 [...] vóór de vaststelling van de litigieuze verordening [ging] de toekenning van productiequota aan verzoeksters niet gepaard [...] met een verworven recht op vaststelling van een terugbetalingsbedrag dat rekening hield met de uitsluitend door de Italiaanse suikerproducenten daadwerkelijk gedragen opslagkosten. Verzoeksters' rechtspositie verschilde dus niet van die van de andere houders van productiequota, die allen genoegen dienden te nemen met het bedrag van de terugbetaling dat door de Raad op forfaitaire en uniforme basis voor ieder verkoopseizoen werd vastgesteld (arrest Hof van 24 april 1980, Commissie/Italië, 72/79, Jurispr. blz. 1411, punt 16).
63 Daaruit volgt dat verzoeksters door artikel 4 van verordening nr. 1534/95 niet individueel worden geraakt, zodat het beroep niet-ontvankelijk is voorzover het strekt tot nietigverklaring van die bepaling."
De hogere voorziening
18 In de hogere voorziening vorderen rekwiranten in wezen de vernietiging van het bestreden arrest, waarbij niet-ontvankelijk is verklaard hun beroep tot nietigverklaring van verordening nr. 1534/95, met name artikel 4 ervan, en van verordening nr. 1101/95 - voorzover bij artikel 1, punt 13, hiervan, dat in de plaats van artikel 46 van de basisverordening is gekomen, de regeling dat de Italiaanse Republiek aan de Italiaanse suikerfabrikanten steun kan verlenen ter compensatie van de door de hoge Italiaanse rentetarieven veroorzaakte extra opslagkosten, is ingetrokken -, alsmede tot onwettigverklaring van de basisverordening, met name artikel 8 ervan.
19 Tot staving van de hogere voorziening stellen zij, dat het Gerecht tweemaal blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door de door de Raad aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid gegrond te verklaren; wat de vordering tot nietigverklaring van artikel 1, punt 13, van verordening nr. 1101/95 betreft, was dat middel ontleend aan het ontbreken van een voor beroep vatbare handeling, en wat de vordering tot nietigverklaring van artikel 4 van verordening nr. 1534/95 betreft, aan de omstandigheid dat rekwiranten door die bepaling niet individueel werden getroffen.
20 Het eerste middel - ontbreken van een voor beroep vatbare handeling - bestrijden rekwiranten met het betoog, dat zij nietigverklaring van artikel 1, punt 13, van verordening nr. 1101/95 hebben gevorderd omdat het de mogelijkheid van steun voor de Italiaanse suikerfabrikanten afschaft, in welke steun tot de dag waarop die bepaling van toepassing werd, in artikel 46 van verordening nr. 1785/81 was voorzien. Om het belang van laatstgenoemde bepaling aan te tonen, schetsen zij de historiek van de relevante wetgeving tot de afschaffing van de mogelijkheid van steunverlening.
21 Tegen de gegrondverklaring van het tweede middel van niet-ontvankelijkheid - ontbreken van procesbevoegdheid -, voeren rekwiranten zes middelen aan.
22 In de eerste plaats verwijten rekwiranten het Gerecht, dat het het regelgevend karakter van artikel 4 van verordening nr. 1534/95 heeft erkend na enkel te hebben onderzocht, hoe groot het aantal van de in de Gemeenschap verrichte opslaghandelingen is waarvoor die bepaling gevolgen kan hebben.
23 In de tweede plaats verwijten rekwiranten het Gerecht, in punt 57 van het bestreden arrest het argument dat zij tot een gesloten kring" behoren, als irrelevant te hebben afgewezen, ofschoon het in wezen had erkend, dat op het moment van vaststelling van verordening nr. 1534/95 de identiteit van rekwiranten en hun hoedanigheid van Italiaanse suikerfabrikanten en houders van productiequota daadwerkelijk aan de Raad bekend waren.
24 In de derde plaats stellen rekwiranten, dat de bestreden bepalingen geen regelgevend karakter hebben, maar specifieke handelingen zijn, ja zelfs een bundel van individuele beschikkingen, vastgesteld met het oog op bepaalde personen wier identiteit de Raad precies kende. Met name betogen zij, dat er in casu een duidelijk verband bestaat tussen de litigieuze bepalingen en hun bijzondere situatie als Italiaanse suikerfabrikanten met productiequota.
25 In de vierde plaats verwijten rekwiranten het Gerecht, niet naar behoren rekening te hebben gehouden met de bijzondere aard van hun situatie, die van die van de andere suikerfabrikanten in de Gemeenschap verschilt en wordt gekenmerkt door een discriminatie als gevolg van het bijzondere effect van de financieringskosten op de Italiaanse markt.
26 In de vijfde plaats stellen rekwiranten, dat het niet juist is, zoals het Gerecht in punt 58 van het bestreden arrest overweegt, dat de Raad slechts over algemene gegevens beschikte, maar niet over specifieke informatie betreffende elk van de Italiaanse ondernemingen die voor het verkoopseizoen 1995/1996 productiequota voor suiker hadden. Dit valt niet overeen te brengen met het bepaalde in verordening (EEG) nr. 787/83 van de Commissie van 29 maart 1983 betreffende de mededelingen in de sector suiker (PB L 88, blz. 6), die de lidstaten verplicht de Commissie inlichtingen te verstrekken over alle op hun grondgebied gevestigde suikerfabrikanten.
27 In de zesde plaats stellen rekwiranten, dat de bepalingen die zij nietig verklaard wensen te zien, invloed hebben op hun rechtssituatie en hun economische rechten aantasten, met name door hun gevolgen voor de verrichte investeringen, de rentabiliteit van de ondernemingen en hun economisch overleven. De in artikel 8 van de basisverordening bedoelde forfaitaire vergoeding dekt immers niet de werkelijk gemaakte kosten, terwijl zij op het punt van de mededinging in het nadeel zijn tegenover de ondernemingen uit andere lidstaten.
28 In zijn memorie van antwoord betoogt de Raad, dat rekwiranten in hun eerste middel, de vaste rechtspraak van het Hof negerend, enkel de al in eerste aanleg voorgedragen argumenten herhalen. Ofschoon van mening, dat hetzelfde van het tweede middel kan worden gezegd, beijvert de Raad zich om elk argument dat rekwiranten in het kader van dat middel aanvoeren, gedetailleerd te weerleggen.
29 Wat met name het derde argument van rekwiranten betreft, herinnert de Raad in het bijzonder aan 's Hofs arrest van 21 januari 1999, Frankrijk/Comafrica e.a. (C-73/97 P, Jurispr. blz. I-185, punten 33-38). Volgens dit arrest kan een verordening slechts als een bundel van individuele beschikkingen worden aangemerkt, wanneer de verzoekers vóór de vaststelling van die verordening al bepaalde rechten hebben verkregen. In casu nu, aldus de Raad, hadden rekwiranten hoegenaamd geen recht op een specifiek bedrag als opslagkostenvergoeding.
30 Tegen het vijfde argument van rekwiranten brengt de Raad in, dat bij de vaststelling van het bedrag van de opslagkostenvergoeding niet van individuele cijfers betreffende elk der betrokken ondernemingen is uitgegaan, maar, onder meer, van de rentevoet, de huurkosten en de kosten van verzekeringen in de Gemeenschap.
31 De Commissie begint met op te merken, dat de hogere voorziening in feite een nieuwe vordering is, zulks in strijd met artikel 113, lid 1, tweede streepje, van het Reglement voor de procesvoering. Rekwiranten komen immers op tegen het feit dat er geen nationale steun ter zake van de opslagkosten meer mogelijk is, daar de Italiaanse Republiek die steun slechts tot en met het verkoopseizoen 1994/1995 mocht toekennen. In hun op 11 augustus 1995 bij het Gerecht ingediend verzoekschrift hadden zij echter de vaststelling van naar lidstaat gedifferentieerde vergoedingen gevorderd.
32 In het bijzonder wijst de Commissie er enkele malen op, dat artikel 4 van verordening nr. 1534/95 zich niet slechts tot de houders van productiequota richt. Immers, overeenkomstig artikel 2 van verordening (EEG) nr. 1358/77 van de Raad van 20 juni 1977 houdende de algemene voorschriften inzake verevening van de opslagkosten in de sector suiker en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 750/68 (PB L 156, blz. 4), komen voor die vergoeding in aanmerking suikerfabrikanten die over een basisquotum beschikken, suikerraffinadeurs, fabrikanten van poedersuiker, klontjes en kandijsuiker en gespecialiseerde suikerhandelaars die als zodanig zijn erkend door de lidstaat waar zij zijn gevestigd. De kring van personen waarop die bepaling betrekking heeft, is dus duidelijk open en veel ruimer dan het Gerecht meent.
Beoordeling door het Hof
33 Ingevolge artikel 119 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, ze op ieder moment, zonder tot mondelinge behandeling over te gaan, bij met redenen omklede beschikking afwijzen.
Het eerste middel: artikel 1, punt 13, van verordening nr. 1101/95
34 Met dit middel komen rekwiranten op tegen de uitlegging van het Gerecht, in de punten 51 tot en met 53 van het bestreden arrest, inhoudende dat artikel 1, punt 13, van verordening nr. 1101/95 hun rechtspositie niet op gekarakteriseerde wijze heeft aangetast en derhalve geen voor beroep vatbare handeling is.
35 Uit artikel 225 EG, artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering volgt, dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven (zie, onder meer, arrest van 28 mei 1998, New Holland Ford/Commissie, C-8/95 P, Jurispr. blz. I-3175, punt 23; beschikkingen van 6 maart 1997, Bernardi/Parlement, C-303/96 P, Jurispr. blz. I-1239, punt 37, en 9 juli 1998, Smanor e.a./Commissie, C-317/97 P, Jurispr. blz. I-4296, punt 20).
36 Het is vaste rechtspraak, dat een hogere voorziening waarin slechts de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten worden herhaald, en zelfs geen argumenten naar voren worden gebracht waarmee specifiek wordt aangegeven, op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, niet aan dat vereiste voldoet. Zij beoogt in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van de bij het Gerecht ingestelde vordering, waartoe het Hof niet bevoegd is (zie, onder meer, arrest New Holland Ford/Commissie, reeds aangehaald, punt 24, en arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C-352/98 P, Jurispr. blz. I-5291, punt 35, alsmede beschikking Smanor e.a./Commissie. reeds aangehaald, punt 21).
37 Gelet op deze rechtspraak moet worden vastgesteld, dat rekwiranten zich in hogere voorziening beperken tot het weergeven van de historiek van de ingetrokken regeling, die de mogelijkheid bood de Italiaanse suikerfabrikanten steun te verlenen, zonder te preciseren op welk punt de motivering van het bestreden arrest een rechtsdwaling bevat.
38 Dit middel moet derhalve als kennelijk niet-ontvankelijk worden afgewezen.
Het tweede middel: de procesbevoegdheid van rekwiranten
39 Luidens artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag kan iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep instellen tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, hem rechtstreeks en individueel raken.
Het argument, dat enkel het aantal transacties in aanmerking is genomen
40 Het criterium om een verordening van een beschikking te onderscheiden, moet volgens de rechtspraak van het Hof worden gezocht in de al dan niet algemene strekking van de betrokken handeling (zie beschikkingen van 23 november 1995, Asocarne/Raad, C-10/95 P, Jurispr. blz. I-4149, punt 28, en 24 april 1996, CNPAAP/Raad, C-87/95 P, Jurispr. blz. I-2003, punt 33). Een handeling heeft een algemene strekking, wanneer zij op objectief bepaalde situaties van toepassing is en rechtsgevolgen heeft ten aanzien van op algemene en abstracte wijze omschreven categorieën van personen (zie beschikking van 26 oktober 2000, Molkerei Großbraunshain e.a./ Commissie, C-447/98 P, Jurispr. blz. I-9097, punt 67, en arrest van 27 maart 1990, Cargill e.a./Commissie, C-229/88, Jurispr. blz. I-1303, punt 18).
41 Waar rekwiranten met hun eerste argument het Gerecht verwijten, het regelgevend karakter van artikel 4 van verordening nr. 1534/95 te hebben vastgesteld na enkel te hebben onderzocht, voor hoeveel transacties die bepaling gevolgen kon hebben, moet er om te beginnen op worden gewezen, dat het Gerecht in punt 55 van het bestreden arrest de aard van die bepaling heeft trachten te bepalen aan de hand van de twee voorwaarden waarnaar de zojuist aangehaalde rechtspraak verwijst.
42 Daartoe heeft het Gerecht onderzocht, volgens welke modaliteiten het bedrag van de in artikel 8 van de basisverordening bedoelde vergoeding wordt bepaald, en met name welke criteria - zoals financieringskosten, verzekeringskosten en de specifieke opslagkosten - daarbij worden toegepast. Zonder blijk te geven van een verkeerde rechtsopvatting, is het tot de conclusie gekomen, dat artikel 4 van verordening nr. 1534/95 op objectief bepaalde situaties van toepassing is, in zoverre het een forfaitaire vergoeding invoert en moet worden toegepast op een onbepaald aantal opslaghandelingen van alle suikerfabrikanten in de Gemeenschap.
43 Duidelijk blijkt hieruit dat, anders dan rekwiranten beweren, het Gerecht zich niet slechts op het onbepaalde aantal opslaghandelingen heeft gebaseerd, maar ook de berekeningsmodaliteiten van de vergoeding gedetailleerd en overtuigend heeft geanalyseerd.
44 Het Gerecht heeft dus niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door vast te stellen, dat artikel 4 van verordening nr. 1534/95 een regelgevend karakter heeft. Het verwijt van rekwiranten, dat uitsluitend het aantal van de opslaghandelingen in aanmerking is genomen, kan dus kennelijk niet slagen.
Het bestaan van een gesloten kring" en de mededeling aan de instellingen van specifieke informatie over de Italiaanse ondernemingen
45 Gelijk het Gerecht in punt 56 van het bestreden arrest overweegt, is het niet uitgesloten dat een bepaling die naar haar aard en strekking van algemene aard is, een natuurlijke of rechtspersoon individueel kan raken, wanneer die persoon wordt geraakt wegens bepaalde bijzondere eigenschappen of wegens een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem daardoor individualiseert op soortgelijke wijze als met de adressaat van een beschikking het geval is (zie, onder meer, arrest Buralux e.a./Raad, reeds aangehaald, punt 25, en beschikking Molkerei Großbraunshain e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 65).
46 In de punten 57 tot en met 60 van het bestreden arrest heeft het Gerecht zich terecht gebaseerd op de rechtspraak van het Hof, volgens welke het feit dat het aantal en zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop een bepaling als artikel 4 van verordening nr. 1534/95 van toepassing is, met meer of minder zekerheid kan worden bepaald, geenszins betekent dat die rechtssubjecten moeten worden beschouwd als individueel door die bepaling te worden geraakt, zolang vaststaat, dat die toepassing geschiedt op grond van een door de handeling omschreven objectieve feitelijke of rechtssituatie (arrest Buralux e.a./Raad, reeds aangehaald, punt 24, en beschikking Sveriges Betodlares e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 37).
47 Met toepassing van die rechtspraak kwam het Gerecht in punt 57 van het bestreden arrest tot de slotsom, dat rekwiranten niet hadden weten aan te tonen, dat de vaststelling van de interventieprijs voor witte suiker hen individueel betrof. In punt 58 van het bestreden arrest merkte het Gerecht voorts op, dat rekwiranten niet als geïndividualiseerd konden worden beschouwd omdat de Raad over specifieke informatie zou hebben beschikt betreffende elke Italiaanse onderneming die een suikerproductiequotum voor het verkoopseizoen 1995/1996 had.
48 In hogere voorziening verwijten rekwiranten het Gerecht enerzijds, het bestaan van een gesloten kring", geheel bestaande uit Italiaanse suikerfabrikanten met productiequota, te hebben ontkend. Anderzijds betogen zij, dat het Gerecht er geen rekening mee heeft gehouden, dat de Raad bij de vaststelling van verordening nr. 1534/95 over specifieke informatie betreffende elke Italiaanse onderneming beschikte.
49 Wat, in de eerste plaats, het argument inzake het bestaan van een gesloten kring" van Italiaanse suikerfabrikanten met productiequota betreft, kan worden volstaan met erop te wijzen, dat artikel 4 van verordening nr. 1534/95 het bedrag van de in artikel 8 van de basisverordening bedoelde vergoeding voor alle suikerfabrikanten in de Gemeenschap op gelijke wijze bepaalt, in het bijzonder los van de classificatie van de zone waarin zij zijn gevestigd. Suikerfabrikant in de zin van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker is overigens slechts degene die over een productiequotum beschikt.
50 In de tweede plaats wordt, naar het Gerecht in punt 55 van het bestreden arrest overweegt, het bedrag van de vergoeding volgens artikel 4 van verordening nr. 1534/95 niet bepaald op basis van de productiequota van alleen de Italiaanse suikerfabrikanten noch op basis van door rekwiranten verstrekte cijfers, doch, zoals in de zesde overweging van de considerans van verordening nr. 1534/95 wordt verklaard, op basis van de financieringskosten, de verzekeringskosten en de specifieke opslagkosten.
51 Het is derhalve evident, dat de omstandigheid dat rekwiranten bepaalde cijfers met betrekking tot hun individuele suikerproductie hebben meegedeeld, niet tot gevolg heeft, dat het in artikel 4 van verordening nr. 1534/95 bepaalde bedrag van de vergoeding hen individueel betreft.
52 Uit een en ander blijkt duidelijk, dat de argumenten van rekwiranten, inzake het bestaan van een gesloten kring" van Italiaanse suikerfabrikanten met productiequota en de mededeling van bepaalde cijfers met betrekking tot die productie, niet kunnen worden aanvaard en als ongegrond moeten worden afgewezen.
Artikel 4 van verordening nr. 1534/95 als bundel van individuele beschikkingen
53 De stelling van rekwiranten, dat genoemde bepaling een bundel van individuele beschikkingen vormt, wordt in het bestreden arrest niet uitdrukkelijk weerlegd. Over dat begrip wordt echter gesproken in de arresten Töpfer e.a./Commissie, International Fruit Company e.a./Commissie en Weddel/Commissie, waarnaar het Gerecht in punt 59 van het bestreden arrest verwijst (zie, bijvoorbeeld, arrest Weddel/Commissie, reeds aangehaald, punten 20-23).
54 In genoemd punt 59 wijst het Gerecht er echter terecht op, dat die rechtspraak slechts op bepaalde specifieke situaties betrekking heeft. Wat het begrip bundel van beschikkingen betreft, gaat het in die arresten typisch om een situatie waarin een marktdeelnemer van de bevoegde bestuursinstantie een individueel en in de tijd beperkt recht heeft gekregen, zoals een recht voortvloeiend uit een invoervergunning.
55 Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Hoewel rekwiranten stellen, dat er een duidelijk verband bestaat tussen de litigieuze regeling en hun bijzondere situatie, bevat hun dossier niets waaruit men zou kunnen concluderen, dat dat verband bestaat in een recht als bedoeld in de in punt 53 supra aangehaalde rechtspraak.
56 Uit het voorgaande volgt dus duidelijk, dat het Gerecht geen blijk heeft kunnen geven van een onjuiste rechtsopvatting, door te verklaren dat die rechtspraak in casu niet relevant is.
Discriminatie wegens het bijzondere effect van de financieringskosten
57 Met betrekking tot het argument van rekwiranten, dat het Gerecht onvoldoende rekening heeft gehouden met de discriminatie waarvan zij het slachtoffer zijn als gevolg van het bijzondere effect van de financieringskosten, die op de Italiaanse markt hoger zouden zijn dan in de andere lidstaten, volstaat de vaststelling, dat het Gerecht een dergelijke grief in punt 60 van het bestreden arrest onder verwijzing naar zijn beschikking Sveriges Betodlares e.a./Commissie (reeds aangehaald, punt 29) terecht van de hand heeft gewezen.
58 Het Gerecht overwoog daar, dat de omstandigheid dat een handeling voor de verschillende rechtssubjecten waarop zij van toepassing is, in concreto uiteenlopende gevolgen kan hebben, niet in tegenspraak is met het regelgevend karakter van die handeling, zolang van een objectief bepaalde situatie sprake is. Deze beoordeling kan te minder in twijfel worden getrokken, nu zij door het Hof in zijn beschikking Sveriges Betodlares e.a./Commissie (reeds aangehaald, punt 37) is bevestigd.
59 In hogere voorziening hebben rekwiranten echter niets aangevoerd waaruit zou kunnen blijken, dat het Gerecht bij de toepassing van met name de rechtspraak Sveriges Betodlares e.a./Commissie (reeds aangehaald) blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
60 Nu het Hof niet over alle gegevens beschikt die het nodig heeft om de gegrondheid van deze grief te kunnen beoordelen, is het duidelijk dat zij moet worden afgewezen.
Aantasting van de economische rechten van rekwiranten
61 In de punten 61 en 62 van het bestreden arrest overweegt het Gerecht, dat de stelling van rekwiranten, dat artikel 4 van verordening nr. 1534/95 inbreuk maakt op de individuele productierechten die zij als houders van productiequota bezitten, ongegrond is, omdat vóór de vaststelling van die verordening de toewijzing van quota aan rekwiranten hun niet een verworven recht gaf op de bepaling van een vergoeding die in overeenstemming was met de kosten van opslagfinanciering die uitsluitend de Italiaanse suikerfabrikanten hadden te dragen.
62 Het Gerecht kwam derhalve tot de conclusie, dat rekwiranten geen specifieke rechten bezitten in de zin van het arrest van 18 mei 1994, Codorniú/Raad (C-309/89, Jurispr. blz. I-1853), waarin het ging om een ten minste sinds 1924 in Spanje gebruikt woordmerk.
63 Voorzover rekwiranten het Gerecht verwijten, onvoldoende rekening te hebben gehouden met de aantasting van hun rechtssituatie en economische rechten, ofschoon zij op het punt van de mededinging in het nadeel zijn tegenover de ondernemingen uit andere lidstaten, kan worden volstaan met erop te wijzen, dat zij zich enkel - en dan nog weinig gedetailleerd - beroepen op economische belangen en dat dit vanzelfsprekend geen specifieke rechten in de zin van genoemd arrest Codorniú/Raad zijn.
64 Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat het argument van rekwiranten inzake aantasting van hun economische rechten niet kan worden aanvaard.
65 Waar rekwiranten met geen van hun argumenten zijn geslaagd, moet dit leiden tot afwijzing van hun tweede middel, waarin zij stellen procesbevoegd te zijn en door artikel 4 van verordening nr. 1534/95 individueel te worden geraakt.
66 Uit een en ander volgt, dat de hogere voorziening als deels kennelijk niet- ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond moet worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
67 Volgens artikel 69, lid 2 van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van dat reglement op de hogere voorziening van toepassing is, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voorzover dat is gevorderd. Daar rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld en de Raad hun veroordeling in de kosten heeft gevorderd, dienen zij hoofdelijk in de kosten te worden verwezen. Overeenkomstig artikel 69, lid 4 van het Reglement voor de procesvoering zal de Commissie haar eigen kosten dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer)
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Eridania SpA, Industria Saccarifera Italiana Agroindustriale SpA (ISI), Sadam Zuccherifici, divisione della SECI - Società Esercizi Commerciali Industriali SpA, Sadam Castiglionese SpA, Sadam Abruzzo SpA, Zuccherificio del Molise SpA en Società Fondiaria Industriale Romagnola SpA (SFIR) worden hoofdelijk in de kosten verwezen.
3) De Commissie draagt haar eigen kosten.
Full & Egal Universal Law Academy