Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Gemeenschapsrecht - Uitlegging - Handelingen van instellingen - Beschikking - Motivering - Inaanmerkingneming
2. Hogere voorziening - Middelen - Verkeerde beoordeling van feiten - Niet-ontvankelijkheid - Toetsing door Hof van beoordeling van bewijs - Uitgesloten behoudens geval van verkeerde opvatting
(Art. 225, lid 1, EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51, eerste alinea)
3. Mededinging - Machtspositie - Collectieve machtspositie - Begrip - Collectieve eenheid
(Art. 82 EG)
Samenvatting
1. Het dispositief van een beschikking van de Commissie moet met inachtneming van de motivering ervan worden gelezen.
( cf. punt 15 )
2. Ingevolge artikel 225, lid 1, EG en artikel 51 van het Statuut van het Hof van Justitie kan hogere voorziening slechts worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels. Het Hof is niet bevoegd om de feiten vast te stellen. Het is in beginsel evenmin bevoegd de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht tot staving van die feiten in aanmerking heeft genomen. Het staat alleen aan het Gerecht, de waarde van de voor hem aangevoerde bewijselementen te beoordelen. Deze beoordeling is dus, behoudens het geval van een verkeerde opvatting van die elementen, geen rechtsvraag die als zodanig aan de controle van het Hof is onderworpen.
( cf. punten 39, 59 )
3. Ter beantwoording van de vraag of de betrokken ondernemingen tezamen op een specifieke markt een collectieve eenheid vormen, moeten de economische banden of correlaties tussen die ondernemingen worden onderzocht, en moet inzonderheid worden nagegaan, of tussen de betrokken ondernemingen economische banden bestaan die hen in staat stellen gezamenlijk op te treden, onafhankelijk van hun concurrenten, hun afnemers en de consumenten.
( cf. punt 46 )
Partijen
In zaak C-497/99 P,
Irish Sugar plc, gevestigd te Carlow (Ierland), vertegenwoordigd door A. Böhlke, Rechtsanwalt, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Derde kamer) van 7 oktober 1999, Irish Sugar/Commissie (T-228/97, Jurispr. blz. II-2969), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Wiedner als gemachtigde, bijgestaan door C. Quigley, barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: A. La Pergola, kamerpresident, P. Jann, L. Sevón, S. von Bahr (rapporteur) en C. W. A. Timmermans, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 21 december 1999 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft Irish Sugar plc (hierna: Irish Sugar") krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 7 oktober 1999, Irish Sugar/Commissie (T-228/97, Jurispr. blz. II-2969; hierna: bestreden arrest"), waarbij het Gerecht haar beroep tot nietigverklaring van beschikking 97/624/EG van de Commissie van 14 mei 1997 inzake een procedure op grond van artikel 86 van het EG-Verdrag (IV/34.621, 35.059/F-3 - Irish Sugar plc) (PB L 258, blz. 1; hierna: bestreden beschikking") heeft verworpen.
2 Blijkens de in het bestreden arrest uiteengezette feiten kwam de Commissie in de bestreden beschikking tot de conclusie dat Irish Sugar, die de enige verwerker van suikerbieten in Ierland is en de belangrijkste suikerleverancier op het grondgebied van deze lidstaat, artikel 86 EG-Verdrag (thans artikel 82 EG) had geschonden. Bij de bestreden beschikking heeft de Commissie een aantal inbreuken op artikel 86 van het Verdrag tijdens de periode van 1985 tot 1995 vastgesteld, welke inbreuken bestaan in zeven verschillende als misbruiken aangemerkte gedragingen van verzoekster en/of, voor de periode vóór februari 1990, van haar distributeur Sugar Distributors Ltd (hierna: SDL") op de markt van voor verkoop aan de industrie of in de detailhandel in Ierland bestemde kristalsuiker. Op deze grond heeft de Commissie aan Irish Sugar een boete van 8 800 000 ecu opgelegd.
3 Op 4 augustus 1997 heeft Irish Sugar bij het Gerecht beroep ingesteld, primair strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de Commissie in de kosten.
4 Het Gerecht stelde vast, dat er geen bewijs was voor een van de gestelde misbruiken, namelijk dat tussen 1986 en 1988 aan de afnemers van een Franse invoerder selectief lage prijzen zouden zijn toegekend, en verlaagde de geldboete tot 7 883 326 euro. Het Gerecht verwierp het beroep voor het overige en verwees Irish Sugar in haar eigen kosten, alsmede in twee derde van de kosten van de Commissie.
5 Irish Sugar heeft deze hogere voorziening ingesteld, waarin zij in de eerste plaats concludeert tot vernietiging van het bestreden arrest, voorzover het haar beroep verwerpt en haar in een deel van de kosten verwijst, in de tweede plaats tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, voorzover deze de strekking heeft die blijkt uit het bestreden arrest, en in de derde plaats tot verwijzing van de Commissie in de kosten van de procedure voor het Gerecht en in de kosten van deze hogere voorziening.
6 Aan de hogere voorziening van Irish Sugar liggen drie middelen ten grondslag. Deze middelen zijn gericht tegen het oordeel dat zijzelf en SDL een machtspositie of een collectieve machtspositie inneemt.
7 Het eerste middel is ontleend aan schending van artikel 86 van het Verdrag en het rechtszekerheidsbeginsel, doordat het Gerecht ten onrechte zou hebben geoordeeld dat het dispositief van de bestreden beschikking een formele vaststelling van het bestaan van een machtspositie bevatte. Het tweede middel is ontleend aan schending van de rechten van de verdediging. Het Gerecht zou het gemeenschapsrecht hebben geschonden door niet te erkennen dat de omschrijving van de markt, waarvan uiteindelijk in de bestreden beschikking is uitgegaan, niet was bekendgemaakt in de mededeling van de punten van bezwaar, en dat de rechten van de verdediging dus waren geschonden. Het derde middel is ontleend aan enerzijds schending van artikel 86 van het Verdrag, doordat het Gerecht verkeerdelijk zou hebben geoordeeld dat Irish Sugar en SDL op de markt een collectieve machtspositie innamen, en anderzijds ontoereikende motivering van het bestreden arrest.
8 De Commissie concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid en/of kennelijke ongegrondheid. Zij concludeert ook tot verwijzing van Irish Sugar in de kosten van de onderhavige procedure.
9 Tot staving van haar conclusies betoogt de Commissie met name, dat Irish Sugar niet aantoont in welk opzicht het Gerecht in zijn conclusies blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, en dat Irish Sugar feitelijke vragen opwerpt waarover het Gerecht reeds uitspraak heeft gedaan.
10 Er zij aan herinnerd, dat het Hof krachtens artikel 119 van zijn Reglement voor de procesvoering, wanneer de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, op ieder moment bij met redenen omklede beschikking de hogere voorziening kan afwijzen.
Het eerste middel
11 Irish Sugar betoogt, dat het Gerecht artikel 86 van het Verdrag en het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden, door in punt 18 van het bestreden arrest te oordelen dat een formele vaststelling van het bestaan van een machtspositie en een collectieve machtspositie impliciet maar zeker" aanwezig was in het dispositief van de bestreden beschikking. Zij stelt, dat het Gerecht integendeel had moeten erkennen dat het dispositief van de bestreden beschikking geen dergelijke vaststelling bevatte, en dus op een wezenlijk punt onvolledig was.
12 Tot staving van dit middel voert Irish Sugar in de eerste plaats aan, dat het Gerecht niet ervan kon uitgaan dat de vaststelling van het bestaan van een machtspositie zeker" in het dispositief aanwezig was, aangezien de bestreden beschikking onduidelijk was, wat het bestaan van een individuele of collectieve machtspositie betreft. Haar analyse, dat die beschikking daarover onduidelijk is, vindt naar haar mening steun in punt 25 van het bestreden arrest. Daar zou het Gerecht hebben erkend, dat Irish Sugar terecht was opgekomen tegen de uitlegging die de Commissie aan haar eigen beschikking had gegeven, wat het bestaan van een individuele of collectieve machtspositie betreft. Volgens die interpretatie zou de Commissie formeel het bestaan hebben vastgesteld van een exclusieve machtspositie van Irish Sugar gedurende de gehele litigieuze periode, en subsidiair het bestaan van een collectieve machtspositie van Irish Sugar en SDL voor de periode vóór februari 1990. Irish Sugar voegt daaraan toe, dat het Gerecht de onduidelijkheid slechts heeft kunnen wegnemen door terug te vallen op een ander document dat niets te maken heeft met de bestreden beschikking, namelijk de mededeling van de punten van bezwaar.
13 Irish Sugar voert in de tweede plaats aan, dat het Gerecht evenmin ervan kon uitgaan dat de betrokken vaststelling impliciet" in het dispositief aanwezig was. Zij wijst de redenering van de hand, die het Gerecht heeft gevolgd om tot die conclusie te komen, namelijk dat slechts sprake kan zijn van een schending van artikel 86 van het Verdrag wanneer een onderneming een machtspositie inneemt.
14 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Gerecht overeenkomstig de hem bij besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB L 144, blz. 21), verleende bevoegdheden, de wettigheid heeft te onderzoeken van een beschikking van de Commissie, waartegen een rechtspersoon op grond van artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230, vierde alinea, EG) beroep heeft ingesteld. Zoals de Commissie echter terecht heeft opgemerkt, heeft het enkele feit dat de daarbij door het Gerecht gegeven uitlegging van de beschikking afwijkt van die welke de Commissie in de procedure voor het Gerecht verdedigt, niet de ongeldigheid van een dergelijke beschikking tot gevolg.
15 Ook dient te worden beklemtoond, dat het dispositief van een beschikking van de Commissie met inachtneming van de motivering ervan moet worden gelezen (zie arrest van 16 december 1975, Suiker Unie e.a./Commissie, 40/73-48/73, 50/73, 54/73-56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Jurispr. blz. 1663, punt 122). In de onderhavige zaak heeft het Gerecht echter in punt 17 van het bestreden arrest erop gewezen, dat Irish Sugar niet betwistte dat in de motivering van de bestreden beschikking is vastgesteld dat zij een machtspositie innam, en tezamen met SDL een collectieve machtspositie innam. Het Gerecht voegt daaraan toe, dat de desbetreffende punten 99 tot en met 113 van de considerans van de beschikking in dit opzicht in punt 113 een ondubbelzinnig geformuleerde conclusie bevatten.
16 In die omstandigheden moet ervan worden uitgegaan, dat het Gerecht artikel 1 van de bestreden beschikking, waarin de Commissie concludeert dat Irish Sugar artikel 86 van het Verdrag heeft geschonden en de aard van het verweten misbruik van machtspositie preciseert, correct heeft uitgelegd, door te oordelen dat die bepaling in overeenstemming met de considerans van de bestreden beschikking inhoudt, dat Irish Sugar een machtspositie of een collectieve machtspositie innam.
17 Het Gerecht heeft dus terecht in punt 18 van het bestreden arrest erop gewezen, dat slechts sprake kan zijn van een schending van artikel 86 van het Verdrag wanneer een onderneming een machtspositie inneemt. Het heeft ook terecht in dat punt overwogen, dat de formele vaststelling van het bestaan van een machtspositie en een collectieve machtspositie impliciet maar zeker aanwezig was in het dispositief van de bestreden beschikking, nu daarin een inbreuk op artikel 86 van het Verdrag is vastgesteld.
18 Daaraan moet worden toegevoegd dat, anders dan Irish Sugar stelt, in de analyse van het Gerecht in de punten 16 tot en met 18 van het bestreden arrest niet naar de mededeling van de punten van bezwaar wordt verwezen. Het Gerecht heeft dus niet op een document moeten terugvallen dat niets te maken heeft met de bestreden beschikking om tot de in dat punt 18 geformuleerde conclusie te komen, en om in punt 19 van het bestreden arrest het argument van Irish Sugar, dat het dispositief van die beschikking onvolledig was, van de hand te wijzen.
19 Mitsdien moet het eerste middel van Irish Sugar kennelijk ongegrond worden verklaard.
Het tweede middel
20 Irish Sugar voert aan, dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door in punt 36 van het bestreden arrest te oordelen dat het in de bestreden beschikking gemaakte onderscheid tussen de kleinhandelssuikermarkt en de industriesuikermarkt geen wijziging vormt van de tegen haar ingebrachte bezwaren, en dat geen enkele schending van de rechten van de verdediging kan worden vastgesteld, terwijl de Commissie in de mededeling van de punten van bezwaar slechts een enkele relevante markt, namelijk die voor suiker in het algemeen, in aanmerking had genomen.
21 Irish Sugar betoogt, dat de omschrijving van de markt, waarvan uiteindelijk is uitgegaan, het wezen van de haar verweten en in de mededeling van de punten van bezwaar ter kennis gebrachte inbreuken heeft gewijzigd. Zodoende is haar het recht ontnomen om in de loop van de administratieve procedure op een wezenlijk punt haar opmerkingen kenbaar te maken. Zij voegt daaraan toe, dat zij het Gerecht heeft verzocht, de verweten verschillende vormen van misbruik in hun respectieve context te beschouwen, namelijk op de markt voor kleinhandelssuiker en op de markt voor industriesuiker, hetgeen de Commissie in de bestreden beschikking niet zou hebben gedaan.
22 Dienaangaande zij erop gewezen, dat het Gerecht in punt 35 van het bestreden arrest terecht herinnert aan de vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke de mededeling van de punten van bezwaar alle elementen moet bevatten die de onderneming nodig heeft om zich naar behoren te kunnen verdedigen alvorens de Commissie een definitieve beschikking geeft (zie onder meer arrest van 31 maart 1993, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, C-89/85, C-104/85, C-114/85, C-116/85, C-117/85 en C-125/85-C-129/85, Jurispr. blz. I-1307, punt 42).
23 In punt 33 van het bestreden arrest beklemtoont het Gerecht, dat in de onderhavige zaak de in de bestreden beschikking als uitgangspunt genomen omschrijving van de markt, die was welke Irish Sugar zelf had voorgesteld, en dat de Commissie dus het door deze onderneming in de loop van de administratieve procedure aangevoerde argument heeft overgenomen.
24 Het Gerecht heeft terecht in punt 34 van het bestreden arrest overwogen, dat de omstandigheid dat rekening wordt gehouden met een door een onderneming in de loop van de administratieve procedure aangevoerd argument, zonder dat deze onderneming de gelegenheid heeft gekregen vóór de vaststelling van de eindbeschikking haar standpunt ter zake kenbaar te maken, op zichzelf geen schending van de rechten van de verdediging vormt. Het Gerecht preciseert, dat Irish Sugar de gelegenheid heeft gehad haar standpunt over de door de Commissie in de mededeling van de punten van bezwaar als uitgangspunt genomen omschrijving van de markt uiteen te zetten. Onder verwijzing naar punt 438 van voornoemd arrest Suiker Unie e.a./Commissie komt het Gerecht terecht tot de conclusie, dat Irish Sugar er rekening mee diende te houden dat haar eigen toelichtingen de Commissie tot een wijziging van haar opvatting zouden bewegen.
25 In die omstandigheden moet ervan worden uitgegaan, dat Irish Sugar voor het Gerecht aannemelijk moest maken dat de in de bestreden beschikking als uitgangspunt genomen omschrijving van de markt de tegen haar aangevoerde grieven had gewijzigd en haar had belet zich doeltreffend te verdedigen.
26 In punt 33 van het bestreden arrest stelt het Gerecht echter vast, dat Irish Sugar niet heeft aangetoond in welk opzicht haar rechten van de verdediging zouden zijn geschonden, en voegt het daaraan toe, dat zij zich niet kan beperken tot het aanvoeren van een wijziging van de aard van de grieven ten gevolge van het onderscheid dat wordt gemaakt tussen de markt voor kleinhandelssuiker en de markt voor industriesuiker, zonder ter zake enig nauwkeurig element aan te voeren.
27 In haar hogere voorziening beperkt Irish Sugar zich opnieuw ertoe, op abstracte wijze te betogen dat de wijziging van de omschrijving van de markt haar rechten van de verdediging heeft geschonden. Zij maakt niet duidelijk, in welk opzicht het Gerecht blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door te oordelen dat zij geen precieze aanwijzingen verstrekte ten betoge dat de aard van de tegen haar aangevoerde grieven was gewijzigd en haar rechten van de verdediging waren geschonden.
28 Irish Sugar heeft dus in hogere voorziening enkel haar reeds voor het Gerecht aangevoerde argumenten herhaald.
29 Er zij aan herinnerd, dat een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten herhaalt, en zelfs geen argumenten naar voren brengt waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, niet voldoet aan de motiveringsvereisten van artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG en artikel 112, lid 1, eerste alinea, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof niet bevoegd is (arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C-352/98 P, Jurispr. blz. I-5291, punt 35).
30 Mitsdien moet het tweede middel kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het derde middel
31 Irish Sugar voert aan, dat het Gerecht artikel 86 van het Verdrag heeft geschonden, door ten onrechte ervan uit te gaan dat zij met SDL op de markt een collectieve machtspositie innam. Ook verwijt zij het Gerecht, het bestreden arrest op dit punt onvoldoende met redenen te hebben omkleed.
32 Vooraf merkt Irish Sugar op, dat zij vóór februari 1990 voor 100 % in handen was van de staat, en dat het Gerecht dit in zijn analyse van de banden tussen Irish Sugar en SDL ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.
33 Aangezien Irish Sugar niet preciseert, in welk opzicht het Gerecht blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door dit feit niet in zijn analyse te betrekken, moet die voorafgaande opmerking meteen van de hand worden gewezen.
34 Irish Sugar ontwikkelt de rest van haar middel in drie onderdelen: in de eerste plaats is zij, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, niet op dezelfde markt als SDL actief geweest; in de tweede plaats heeft het Gerecht niet het juiste criterium toegepast om het bestaan van een collectieve machtspositie vast te stellen; in de derde plaats heeft het Gerecht het bestreden arrest onvoldoende met redenen omkleed.
Het eerste onderdeel van het middel, betreffende een beoordelingsfout
35 Irish Sugar voert allereerst aan, dat zij, anders dan het Gerecht in punt 62 van het bestreden arrest heeft overwogen, in de periode van 1985 tot 1990 niet op dezelfde markt als SDL actief was. Tussen de twee vennootschappen bestond een verticale handelsrelatie, en Irish Sugar zou in die periode, anders dan het Gerecht in punt 44 van het bestreden arrest zou hebben geoordeeld, niet op de kleinhandelsmarkt noch op de industriemarkt actief zijn geweest. Bovendien zouden Irish Sugar en SDL zich op de markt niet als een collectieve eenheid hebben voorgesteld. Alle inbreuken vóór 1990 zouden enkel aan SDL zijn toe te rekenen.
36 Irish Sugar betoogt, dat haar standpunt steun vindt in bewijselementen die vervat zijn in verschillende documenten, bijvoorbeeld enerzijds een lijst die is ontleend aan een document gedateerd 2 december 1974, en in antwoord op een schriftelijke vraag aan het Gerecht is overgelegd, en anderzijds het in 1975 gesloten akkoord waarbij zij 51 % van de aandelen van SDL heeft verworven. Zij is van mening dat het Gerecht die bewijzen verkeerd heeft opgevat.
37 Irish Sugar bekritiseert vervolgens de uitlegging, door het Gerecht, van bepaalde feiten waaruit de gestelde strategie van een gemeenschappelijk optreden op de markt zou moeten blijken. Zo betwist zij de door het Gerecht in punt 56 van het bestreden arrest gedane vaststelling, dat de voorstelling, door Irish Sugar, van de kenmerken van de financiering van de door SDL aan haar klanten toegekende kortingen, een aantal tegenstrijdigheden vertoonde. Irish Sugar betoogt daarentegen met klem te hebben gesteld, dat zij door de financiering van die kortingen niet op de markt was opgetreden, en dat het Gerecht de feiten verkeerd opvat door het tegendeel te aanvaarden.
38 Irish Sugar betwist ten slotte de door het Gerecht in de punten 198 en 199 van het bestreden arrest geformuleerde beoordeling, dat uit de door de Commissie verzamelde en in de bestreden beschikking uiteengezette elementen blijkt, dat de handelwijze van SDL jegens een van haar afnemers aansloot op een tezamen met Irish Sugar afgesproken beleid om de ontwikkeling van een concurrerend merk te voorkomen.
39 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat hogere voorziening ingevolge artikel 225, lid 1, EG en artikel 51 van _s Hofs Statuut slechts kan worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels door het Gerecht, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling. De beoordeling, door het Gerecht, van de hem voorgelegde bewijzen levert, behoudens in het geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (zie onder meer arrest van 2 maart 1994, Hilti/Commissie, C-53/92 P, Jurispr. blz. I-667, punten 10 en 42, en 16 september 1997, Blackspur DIY e.a./Raad en Commissie, C-362/95 P, Jurispr. blz. I-4775, punt 29).
40 Vastgesteld moet echter worden, dat Irish Sugar met dit eerste onderdeel van het middel in werkelijkheid heronderzoek door het Hof beoogt, van feitelijke vragen waarover het Gerecht reeds uitspraak heeft gedaan, en geenszins aantoont, in welk opzicht het Gerecht de hem voorgelegde bewijzen verkeerd zou hebben opgevat.
41 Mitsdien moeten de door Irish Sugar in dit eerste onderdeel van het derde middel ontwikkelde argumenten kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het tweede onderdeel van het middel, betreffende de toepassing van een onjuist criterium
42 Irish Sugar voert aan, dat de vaststelling van de aanwezigheid van bepaalde correlaties niet volstaat om het bestaan van een collectieve machtspositie aan te tonen. De betrokken ondernemingen moeten ook op de markt een gemeenschappelijke strategie hebben. Irish Sugar verwijst dienaangaande naar de arresten van het Hof van 27 april 1994, Almelo (C-393/92, Jurispr. blz. I-1477, punt 42) en 16 maart 2000, Compagnie maritime belge transports e.a./Commissie (C-395/96 P en C-396/96 P, Jurispr. blz. I-1365, punt 36), alsook naar het arrest van het Gerecht van 8 oktober 1996, Compagnie maritime belge transports e.a./Commissie (T-24/93-T-26/93 en T-28/93, Jurispr. blz. II-1201, punten 62-68).
43 Het Gerecht zou in de punten 47 tot en met 59 van het bestreden arrest blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door te onderzoeken of uit de correlaties bleek, dat Irish Sugar en SDL eenzelfde gedragslijn [konden] volgen op de markt". Irish Sugar voert aan, dat een dergelijk onderzoek een in het kader van de concentratieverordening toepasselijke structurele analyse vormt. Daar de onderhavige zaak niet onder die verordening valt, zou de analyse van het Gerecht dus onjuist zijn. Irish Sugar betoogt, dat het Gerecht dus ten onrechte een prospectief onderzoek van haar gedrag heeft verricht, terwijl het een retrospectieve analyse had moeten maken.
44 Er zij op gewezen, dat Irish Sugar niet aantoont, in welk opzicht het Gerecht blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in zijn analyse van de banden tussen Irish Sugar en SDL, gezien de in punt 42 van deze beschikking aangehaalde rechtspraak.
45 Met betrekking tot het aan het Gerecht gerichte verwijt, het op het gebied van concentraties toepasselijke criterium te hebben gebruikt, moet worden beklemtoond dat het in werkelijkheid gericht is tegen de door de Commissie in de bestreden beschikking gevolgde benadering, en dus niet-ontvankelijk is, aangezien het gaat om een nieuw middel dat in het stadium van de hogere voorziening voor het eerst is aangevoerd. Zou het een partij immers worden toegestaan om een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof aan te voeren, dan zou haar in feite worden toegestaan om bij het Hof, waarvan de bevoegdheid inzake hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig te maken dat een ruimere strekking heeft dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof dus enkel bevoegd om de beoordeling door het Gerecht van de voor hem bepleite middelen te onderzoeken (arrest van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C-7/95 P, Jurispr. blz. I-3111, punt 62).
46 Met betrekking tot het gestelde prospectieve karakter van de door het Gerecht gemaakte analyse van de banden tussen Irish Sugar en SDL zij eraan herinnerd, dat, ter beantwoording van de vraag of de betrokken ondernemingen tezamen, op een specifieke markt, een collectieve eenheid vormen, de economische banden of correlaties tussen die ondernemingen moeten worden onderzocht, en inzonderheid moet worden nagegaan, of tussen de betrokken ondernemingen economische banden bestaan die hen in staat stellen gezamenlijk op te treden, onafhankelijk van hun concurrenten, hun afnemers en de consumenten (zie arrest van 16 maart 2000, Compagnie maritime belge transports e.a./Commissie, reeds aangehaald, punten 41 en 42).
47 Het Gerecht heeft dus terecht de banden tussen Irish Sugar en SDL onderzocht, en in de punten 47 tot en met 59 van het bestreden arrest nagegaan, of zij, wegens de correlaties die van 1985 tot februari 1990 tussen die twee ondernemingen bestonden, in staat waren op de markt eenzelfde gedragslijn te volgen.
48 Dit tweede onderdeel van het derde middel moet dus ten dele kennelijk niet-ontvankelijk en ten dele kennelijk ongegrond worden verklaard.
Het derde onderdeel van het middel, betreffende een ontoereikende motivering
49 Irish Sugar betoogt, dat het Gerecht het bestreden arrest onvoldoende met redenen heeft omkleed. Zij voert aan, dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door zijn eigen vaststellingen in de plaats te stellen van die van de bestreden beschikking, en niet te antwoorden op de argumenten die zij voor het Gerecht heeft aangevoerd.
50 Tot staving van dit onderdeel van het middel wijst Irish Sugar erop, dat het Gerecht in punt 41 van het bestreden arrest haar kritiek weliswaar correct weergeeft, maar er niet op ingaat. Zij verwijst dienaangaande naar de punten 45 en 64 van het bestreden arrest, die motiveringsgebreken zouden vertonen.
51 Wat, in de eerste plaats, punt 45 van het bestreden arrest betreft, zou het Gerecht een bezwaar van Irish Sugar tegen de bestreden beschikking vermelden, en dan overgaan op voor het Gerecht uitgewisselde argumenten, zonder aan te geven dat de door de Commissie aangevoerde argumenten verschilden van die welke in punt 112 van de considerans van de bestreden beschikking zijn uiteengezet.
52 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat Irish Sugar niet aantoont in welk opzicht de motivering van het Gerecht ontoereikend zou zijn. Haar opmerking, dat niet is gewezen op een verschil tussen de argumenten die de Commissie in de bestreden beschikking heeft uiteengezet, en die welke voor het Gerecht zijn aangevoerd, draagt niet bij tot het bewijs van een motiveringsgebrek.
53 Wat, in de tweede plaats, punt 64 van het bestreden arrest betreft, is Irish Sugar van mening dat het Gerecht niet antwoordt op haar kritiek, dat de Commissie in de mededeling van de punten van bezwaar niet is ingegaan op de vraag, of de twee ondernemingen op grond van hun onderlinge betrekking gezamenlijk op de markt zijn opgetreden, maar zich ertoe heeft beperkt, het bestaan van structurele banden tussen haarzelf en SDL vast te stellen.
54 Irish Sugar voegt daaraan toe, dat het Gerecht zich ten onrechte baseert op elementen die niet in de bestreden beschikking voorkomen en die in de loop van de administratieve procedure niet zijn besproken. Zij stelt met name, dat het Gerecht verwijst naar een nota waarop de Commissie zich in de bestreden beschikking niet heeft gebaseerd, hetgeen zou bewijzen dat de benadering van het Gerecht onjuist is.
55 Irish Sugar voert bovendien aan, dat het Gerecht in punt 64 van het bestreden arrest die nota op betwistbare wijze uitlegt. Volgens Irish Sugar had het Gerecht rekening moeten houden met andere bewijselementen en vooral met een aan haar verzoekschrift gehecht verslag, dat door de High Court (Ierland) aangestelde deskundigen in een nationale mededingingsprocedure hebben uitgebracht. Irish Sugar betoogt, dat het Gerecht een willekeurige keuze heeft gemaakt uit de in punt 39 van het bestreden arrest vermelde bewijzen. In haar repliek voegt zij daaraan toe, dat het Gerecht, door niet overeenkomstig artikel 64, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering maatregelen tot organisatie van de procesgang te treffen en door bepaalde bewijsmiddelen te negeren, een op hem rustende ophelderingsplicht heeft geschonden.
56 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat Irish Sugar, onder de dekmantel van een gesteld motiveringsgebrek, uiteenlopende kritiek formuleert zonder ooit aan te tonen dat de redenering van het Gerecht niet volstaat om een van zijn conclusies te schragen.
57 Om te beginnen verwijt Irish Sugar het Gerecht weliswaar, dat het niet op een van haar opmerkingen heeft geantwoord, maar levert zij geen enkel bewijs voor een onjuiste rechtsopvatting, en maakt zij niet duidelijk, in welk opzicht het gestelde verzuim van invloed was op de uitkomst van de procedure.
58 Vervolgens is de grief, dat het Gerecht in punt 64 van het bestreden arrest een deel van zijn vaststellingen zou hebben gebaseerd op een document dat in de mededeling van de punten van bezwaar en niet in de bestreden beschikking voorkomt, volstrekt onduidelijk. Aangezien het Gerecht in dat punt het uitputtende karakter van de mededeling van de punten van bezwaar onderzocht, was het logisch dat het naar de inhoud hiervan verwees.
59 Ten slotte betwist Irish Sugar de uitlegging van de feiten door het Gerecht, en de bewijsmiddelen waarop het zich in punt 64 van het bestreden arrest heeft gebaseerd. Zoals in punt 39 van deze beschikking in herinnering is gebracht, is het Hof echter niet bevoegd om de feiten vast te stellen. Het is in beginsel evenmin bevoegd de bewijzen te onderzoeken, die het Gerecht tot staving van die feiten in aanmerking heeft genomen. Het staat alleen aan het Gerecht, de waarde van de voor hem aangevoerde bewijselementen te beoordelen. Deze beoordeling is dus, behoudens het geval van een verkeerde opvatting van die elementen, geen rechtsvraag die als zodanig aan de controle van het Hof is onderworpen. In de onderhavige zaak is niet aangetoond, dat het Gerecht bewijselementen verkeerd zou hebben opgevat. Bovendien zij erop gewezen dat het Gerecht, door geen maatregelen tot organisatie van de procesgang te treffen, anders dan Irish Sugar stelt, geen ophelderingsplicht heeft geschonden.
60 De door Irish Sugar in dit derde onderdeel van het derde middel geformuleerde argumenten moeten dus ten dele kennelijk niet-ontvankelijk en ten dele kennelijk ongegrond worden verklaard.
61 Bijgevolg is het derde middel ten dele kennelijk niet-ontvankelijk en ten dele kennelijk ongegrond.
62 Uit alle voorgaande overwegingen volgt, dat de door Irish Sugar tot staving van haar hogere voorziening aangevoerde middelen ten dele kennelijk niet-ontvankelijk en ten dele kennelijk ongegrond zijn. De hogere voorziening moet dus worden afgewezen overeenkomstig artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
63 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat volgens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie heeft gevorderd Irish Sugar in de kosten te verwijzen, en deze in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst Irish Sugar plc in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy