Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Beroep tot nietigverklaring - Voor beroep vatbare handelingen - Impliciete weigering van Commissie om beschikking 1999/514 te wijzigen, ondanks overlegging door lidstaat van beweerdelijk nieuwe gegevens die gegrondheid van die beschikking in geding brengen - Geen - Kennelijke niet-ontvankelijkheid - Gebruik van rechtsmiddel beroep wegens nalaten
(Art. 230 EG en 232 EG)
Partijen
In zaak C-514/99,
Franse Republiek, vertegenwoordigd door R. Abraham, directeur juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van dat Ministerie, en R. Loosli-Surrans, chargé de mission bij die directie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard Joseph II 8 B,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Booß, juridisch hoofdadviseur, en G. Berscheid, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking waarbij de Commissie de wijziging of intrekking zou hebben geweigerd van haar beschikking 1999/514/EG van 23 juli 1999 houdende vaststelling van de datum waarop mag worden begonnen met de verzending, in het kader van de Date-Based Export Scheme", van van runderen verkregen producten uit het Verenigd Koninkrijk, op grond van artikel 6, lid 5, van beschikking 98/256/EG van de Raad (PB L 195, blz. 42),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, J. C. Moitinho de Almeida, D. A. O. Edward, L. Sevón (rapporteur) en R. Schintgen, kamerpresidenten, P. J. G. Kapteyn, C. Gulmann, A. La Pergola, J.-P. Puissochet, G. Hirsch, P. Jann, H. Ragnemalm, M. Wathelet, V. Skouris en F. Macken, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: R. Grass
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 29 december 1999 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Franse Republiek krachtens artikel 230 EG verzocht om nietigverklaring van de beschikking waarbij de Commissie de wijziging of intrekking zou hebben geweigerd van haar beschikking 1999/514/EG van 23 juli 1999 houdende vaststelling van de datum waarop mag worden begonnen met de verzending, in het kader van de Date-Based Export Scheme", van van runderen verkregen producten uit het Verenigd Koninkrijk, op grond van artikel 6, lid 5, van beschikking 98/256/EG van de Raad (PB L 195, blz. 42).
2 Volgens de Franse regering is die beschikking aan het licht gekomen door de verklaring van 29 oktober 1999 van het lid van de Commissie Byrne, die van oordeel was dat, gelet op het advies van het comité scientifique directeur (CSD) van diezelfde dag, geen ,heronderzoek van de beslissing om het embargo op de uitvoer van Brits rundvlees op te heffen nodig was, en met name door het besluit van 17 november 1999 waarbij het college Frankrijk heeft aangemaand om aan beschikking 99/514 te voldoen en zijn embargo op te heffen".
Feiten
3 Na de ontdekking van een mogelijk verband tussen een variant van de ziekte van Creutzfeldt-Jacob, een ziekte die zich bij de mens voordoet, en boviene spongiforme encefalopathie (hierna: BSE"), een ziekte die in het Verenigd Koninkrijk destijds veel voorkwam, gaf de Commissie op 27 maart 1996 beschikking 96/239/EG inzake spoedmaatregelen ter bescherming tegen boviene spongiforme encefalopathie (PB L 78, blz. 47; hierna: embargo-beschikking"), waarbij zij het Verenigd Koninkrijk de uitvoer verbood, vanaf zijn grondgebied naar andere lidstaten en naar derde landen, van met name levende runderen, rundvlees en van runderen verkregen producten.
4 Die beschikking was gebaseerd op het EG-Verdrag, op richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB L 224, blz. 29), zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 92/118/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van producten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van richtlijn 90/425 (PB 1993, L 62, blz. 49), en met name op artikel 10, lid 4 ervan, alsmede op richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB L 395, blz. 13), zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 92/118, en met name op artikel 9 ervan.
5 Artikel 3 van de embargo-beschikking bepaalde, dat het Verenigd Koninkrijk de Commissie om de twee weken een rapport diende te zenden over de toepassing van de maatregelen die op grond van de communautaire en nationale wetgeving waren genomen ter bescherming tegen BSE.
6 In artikel 4 van die beschikking werd het Verenigd Koninkrijk verzocht, nieuwe voorstellen in te dienen voor de bestrijding van BSE op zijn grondgebied.
7 In de zevende overweging van de considerans van de embargo-beschikking werd gesteld, dat de beschikking opnieuw zou moeten worden bezien na onderzoek van alle daarin genoemde factoren.
8 Op 16 maart 1998 gaf de Raad beschikking 98/256/EG inzake spoedmaatregelen ter bescherming tegen boviene spongiforme encefalopathie, tot wijziging van beschikking 94/474/EG en tot intrekking van beschikking 96/239 (PB L 113, blz. 32), waarbij hij onder strenge voorwaarden het embargo ophief voor bepaald vlees en bepaalde vleesproducten afkomstig van in Noord-Ierland geslachte runderen [Export Certified Herds Scheme (regeling betreffende voor uitvoer erkende beslagen)].
9 De hervatting van de uitvoer onder die regeling werd vastgesteld bij beschikking 98/351/EG van de Commissie van 29 mei 1998 houdende vaststelling van de datum waarop mag worden begonnen met de verzending, in het kader van de Export Certified Herds Scheme", van van runderen verkregen producten uit Noord-Ierland, op grond van artikel 6, lid 5, van beschikking 98/256 (PB L 157, blz. 110).
10 Bij beschikking 98/692/EG van de Commissie van 25 november 1998 tot wijziging van beschikking 98/256 (PB L 328, blz. 28) werd middels wijziging van artikel 6 van beschikking 98/256 het beginsel vastgesteld van toestemming voor de verzending van producten van runderen in het kader van een aan een datum gerelateerde uitvoerregeling (Date-Based Export Scheme - DBES; hierna: DBES-producten"). Artikel 6, lid 5, van laatstgenoemde beschikking, zoals gewijzigd bij beschikking 98/692, bepaalt dat de Commissie, nadat zij door communautaire inspecties de toepassing van alle bepalingen van deze beschikking heeft gecontroleerd en de lidstaten heeft ingelicht, de datum vaststelt waarop met de verzending van de bedoelde producten mag worden begonnen.
11 Krachtens die bepaling is die datum bij beschikking 1999/514 op 1 augustus 1999 vastgesteld.
12 Bij brief van 1 oktober 1999 zond de Franse Republiek de Commissie het advies van het Agence française pour la sécurité sanitaire des aliments (hierna: AFSSA") van 30 september 1999, waaruit bleek dat de recente wetenschappelijke vooruitgang en de actuele feitelijke context nieuwe vragen opwierpen over de veiligheid van DBES-producten. De deskundigen stelden in dat advies onder meer, dat besmetting van runderen ook via een derde weg mogelijk was, en niet alleen via de twee reeds bekende wegen, namelijk de voeding en de moeder. De Franse Republiek vroeg om dit advies en de gegevens waarop het gebaseerd was te laten onderzoeken door het comité scientifique directeur (wetenschappelijke stuurgroep; hierna: CSD").
13 De Commissie zond dit advies naar het CSD met het verzoek de volgende vragen te beantwoorden:
1) Bevatten de door de Franse autoriteiten overgelegde adviezen en documenten wetenschappelijke informatie, epidemiologische gegevens of ander bewijsmateriaal waarmee het CSD geen rekening heeft gehouden?
2) Indien die documenten informatie, gegevens of bewijsmateriaal bevatten of het CSD dergelijke nieuwe informatie tot zijn beschikking heeft, vereist dit dan een heronderzoek van een van de vier adviezen van het CSD die rechtstreeks verband houden met de wetenschappelijke rechtvaardiging van de DBES?
3) Kan het CSD in het licht van zijn antwoord op de vorige vraag al dan niet zijn standpunt bevestigen dat de voorwaarden van de DBES, indien zij correct worden nageleefd, voor de veiligheid van het vlees en de producten op basis van vlees voldoende zijn?
14 Die vragen zijn eerst onderzocht door de groep gespecialiseerd in overdraagbare spongiforme encefalopathieën, namelijk de ad-hocgroep TSE/BSE. Zij onderzocht het advies van het AFSSA tijdens haar bijeenkomsten van 14 en 25 oktober 1999, maar kon niet tot een unanieme conclusie komen over de haar door de Commissie voorgelegde vragen.
15 Ook het CSD onderzocht tijdens zijn bijeenkomsten van 28 en 29 oktober 1999 het advies en de vragen van de Commissie. Het merkte op, dat er voortdurend nieuwe gegevens beschikbaar waren en dat deze zowel door hemzelf als door de ad-hocgroep TSE/BSE tijdens hun maandelijkse bijeenkomsten werden onderzocht. Het stelde vast, dat de noodzaak van snelle diagnostische tests niet nieuw was, maar dat ten aanzien van de nieuw ontwikkelde tests nog geen evaluatie had plaatsgevonden. Die evaluatie was ingewikkeld, maar er moest prioriteit aan worden gegeven. Het onderzocht de epidemiologische gegevens over BSE in het Verenigd Koninkrijk tot midden oktober 1999 en stelde vast, dat de invloed van de ziekte bleef afnemen en dat er daarom geen reden was het bestaan van een nieuwe infectiewijze aan te nemen. Het concludeerde, dat er geen enkele aanleiding bestond zijn conclusies over de rechtvaardiging van de DBES opnieuw te onderzoeken. Het wees er met nadruk op, dat zijn evaluatie van het risico afhing van de wijze waarop de Commissie en de lidstaten toezagen op een strikte naleving van de voorgestelde maatregelen om het risico uit te sluiten of te beperken. Het merkte op dat de zekerheid van de Britse DBES in sterke mate afhing van de handhaving van het verbod van voeding op basis van dierlijk meel, de regel van 30 maanden en het duidelijke bewijs dat het risico van overdracht via de moeder tot een minimum werd beperkt. Concluderend stelde het, dat door de maatregelen van het Verenigd Koninkrijk het risico van de Britse DBES voor de gezondheid van de mens op zijn minst vergelijkbaar werd met dat in de andere lidstaten.
16 Op 29 oktober 1999, de dag waarop het CSD zijn advies uitbracht, legde Byrne een verklaring af. Volgens een document dat als bijlage bij de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid is gevoegd, bevatte die verklaring onder meer de volgende passages:
I have only received the committee's report within the past half hour. You will appreciate, therefore, that I can only comment in general on its contents.
However, I can say that the committee has confirmed that there is no need to review the decision to lift the ban on UK beef exports. This follows a very thorough examination which focuses on the concerns raised by the French authorities.
From my preliminary reading of the report, I can say that it is comprehensive, reasoned and balanced.
The Committee's conclusions have been already sent to the European Parliament and I will deal with this matter in Parliament next week.
I have made contact this evening with representatives of both the French, British and German Governments.
I expect to have discussions early next week with both Mr Nick Brown and Mr Jean Glavany regarding the scientific committee's opinion.
Clearly, we all need a few days to reflect on the full implications. However, I am optimistic that all will see it as a very positive development in resolving the current difficulties. I am now confident that a rapid solution is in sight.
I believe that the French and German authorities should take stock of the committee's opinion and lift their national restrictions on imports of British beef. These restrictions are no longer necessary in the light of the safeguards in place. The safeguards in question were introduced on sound scientific advice. This advice has now been re-confirmed."
(Pas een half uur geleden ontving ik het advies van het comité. U zult daarom begrijpen, dat ik mij slechts zeer in het algemeen kan uitlaten over de inhoud ervan.
Ik kan u echter zeggen dat het comité heeft bevestigd, dat het niet nodig is het besluit tot opheffing van het embargo op de uitvoer van Brits rundvlees te herzien, en wel na een zeer gedetailleerd onderzoek, toegespitst op de door de Franse autoriteiten geuite bezorgdheid.
Op basis van een voorlopige lezing van het rapport kan ik u zeggen, dat het gedetailleerd, met redenen omkleed en evenwichtig is.
De conclusies van het comité zijn reeds aan het Europees Parlement gezonden en ik zal deze kwestie de volgende week in het Parlement behandelen.
Ik heb vanavond contact opgenomen met de vertegenwoordigers van de Franse en de Duitse regering en met die van het Verenigd Koninkrijk.
Ik denk begin volgende week het advies van het comité scientifique met Nick Brown en Jean Glavany te kunnen bespreken.
Het is duidelijk, dat wij allen enige dagen nodig hebben om over alle implicaties na te denken. Ik ben echter optimistisch en ik denk dat allen dit als een zeer positieve ontwikkeling zullen zien om de huidige problemen op te lossen. Ik heb er nu vertrouwen in dat een spoedige oplossing mogelijk is.
Ik denk dat de Franse en de Duitse autoriteiten het advies van het comité ter harte moeten nemen en hun nationale beperkingen op de invoer van Brits rundvlees moeten opheffen. Die maatregelen zijn, gelet op de getroffen beschermingsmaatregelen, niet meer nodig. Laatstgenoemde maatregelen zijn ingevoerd na een gedegen wetenschappelijk advies, dat zojuist opnieuw is bevestigd.")
17 Aangezien de Franse Republiek het embargo niet had opgeheven, vonden op 2, 5, 12 en 15 november 1999 een reeks ontmoetingen plaats tussen vertegenwoordigers van de Franse en de Britse autoriteiten en de Commissie.
18 Op 17 november 1999 zond de Commissie de Franse Republiek een aanmaningsbrief in de zin van artikel 226 EG. De Commissie stelde in die brief onder meer vast dat die lidstaat, door te weigeren om na 1 augustus 1999 op zijn grondgebied de verkoop mogelijk te maken van Brits rundvlees dat aan de communautaire vereisten voldeed, niet aan de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen had voldaan. De Commissie verzocht de Franse regering in die brief om haar binnen veertien dagen haar opmerkingen te doen toekomen en behield zich het recht voor om na onderzoek van die opmerkingen krachtens artikel 226 EG een met redenen omkleed advies uit te brengen.
Verzoekschrift
19 Het beroep is gericht tegen de beschikking van de Commissie, die aan het licht is gekomen door de verklaring van Byrne van 29 oktober 1999 en door het besluit van het college van commissarissen om verzoekster op 17 november 1999 een aanmaningsbrief te sturen, om de handeling waarbij zij had besloten om het embargo op Brits rundvlees met ingang van 1 augustus 1999 op te heffen, niet te wijzigen of zelfs in te trekken (hierna: bestreden beschikking").
20 Volgens verzoekster kan die beschikking niet als een louter bevestigend besluit worden aangemerkt, aangezien de Franse Republiek, na het advies van het AFSSA van 30 september 1999, de Commissie nieuwe wetenschappelijke gegevens had gezonden, waarop het AFSSA zijn advies tegen de opheffing van het embargo in het bijzonder had gebaseerd.
21 Het beroep is op drie middelen gebaseerd.
22 Primair stelt verzoekster, dat de Commissie het voorzorgsbeginsel heeft geschonden, door geen rekening te houden met een eventuele derde manier van besmetting, de zogenoemde horizontale overdracht of overdracht door contact met andere dieren". Door de onzekerheid over de verspreiding van de besmettelijke agentia in het lichaam van het dier gedurende de incubatieperiode kan overigens niet worden gesteld, dat de criteria voor de uitvoer van Britse runderen in termen van weefsels (uitgebeend vlees en vlees waarvan de pees verwijderd is) en de leeftijd van het dier (tussen 6 en 30 maanden) voldoende garanties bieden om de bescherming van de volksgezondheid te verzekeren.
23 Verzoekster stelt voorts, dat de door de Commissie gevolgde procedure niet juist is geweest, aangezien zij geen rekening heeft gehouden met de minderheidsstandpunten binnen de ad-hocgroep TSE/BSE, met het advies van het AFSSA of de nieuwe wetenschappelijke informatie die sinds beschikking 1999/514 en het advies van het AFSSA beschikbaar was, noch met de afschaffing van de regels inzake de verplichte etikettering die op 1 januari 2000 in werking zouden treden.
24 Ten slotte stelt verzoekster, dat de bestreden beschikking ontoereikend is gemotiveerd.
Exceptie van niet-ontvankelijkheid
25 Overeenkomstig artikel 91, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof heeft de Commissie bij afzonderlijke akte een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
26 Zij stelt in de eerste plaats, dat er geen beschikking van de Commissie in de zin van artikel 249 EG is, aangezien bij het verzoekschrift geen beschikking is gevoegd, gelijk artikel 19 van 's Hofs Statuut-EG dat vereist, en dat zelfs indien sprake was van een stilzwijgende beschikking, verzoekster het bewijs daarvan dient te leveren.
27 De verklaring van Byrne van 29 oktober 1999 kan volgens haar niet als een beschikking worden aangemerkt. Byrne heeft immers slechts de conclusies van het CSD uiteengezet en niet een standpunt namens de Commissie ingenomen. Een wijziging van beschikking 1999/514 zou overigens hebben vereist, dat overeenkomstig de richtlijnen 89/662 en 90/425 de comitologieprocedure werd gevolgd. Volgens die procedure kan de Commissie niet alleen handelen, maar wordt zij verplicht bijgestaan door het permanent veterinair comité, samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten, en dus ook van de Franse Republiek.
28 De beslissing om een aanmaningsbrief te sturen kan volgens de rechtspraak van het Hof niet het voorwerp van een beroep tot nietigverklaring vormen.
29 Volgens de Commissie is voorts sprake van misbruik van procedure, daar het, zo de Franse Republiek al recht had op een beschikking van de Commissie, in feite ging om een verzuim een besluit te nemen, zodat die lidstaat dat beweerde verzuim aan de orde had moeten stellen volgens de procedure van artikel 232 EG.
30 De derde grond voor niet-ontvankelijkheid ontleent de Commissie aan het ontbreken van procesbelang. Beschikking 1999/514 is immers slechts een toepassingsbeschikking van voorgaande beschikkingen, waarvan de Franse Republiek geen wijziging vordert.
31 In de vierde plaats beklemtoont de Commissie dat, zo al sprake is geweest van een handeling van de Commissie, het om een bevestigende handeling gaat met dezelfde inhoud als beschikking 1999/514. Uit het advies van het CSD blijkt, dat er geen nieuwe gegevens waren. Maar zelfs al waren die er wel geweest, de vermeende beschikking van de Commissie bevestigt slechts de voorgaande beschikking.
32 Ten slotte stelt de Commissie de kunstmatige constructie aan de kaak die de Franse regering alleen heeft uitgewerkt met het oog op het vermijden van het probleem dat is ontstaan omdat de termijn voor een beroep tegen beschikking 1999/514 is verstreken.
33 Verzoekster betwist de exceptie van niet-ontvankelijkheid.
34 Zij houdt vol, dat er wel sprake is van een beschikking houdende weigering om beschikking 1999/514 te wijzigen en dat het voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep essentieel is, of er nieuwe gegevens zijn overgelegd. De vraag of de overgelegde gegevens de oorspronkelijke beschikking konden aantasten is een vraag die een wezenlijk onderdeel van het geding betreft en die niet in het stadium van de ontvankelijkheid moet worden behandeld.
35 Zij betwist, dat de comitologieprocedure van de richtlijnen 89/662 en 90/425 had moeten worden geëerbiedigd. Zij wijst op de in artikel 152 EG genoemde doelstelling van samenwerking en coördinatie van het nationale en het communautaire beleid teneinde een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid te verzekeren en herinnert eraan, dat een lidstaat krachtens artikel 9, lid 1, vierde alinea, van richtlijn 89/662 conservatoire maatregelen mag nemen. Zijn die maatregelen getroffen, dan moeten zij aan de Commissie en de andere lidstaten worden meegedeeld en dient de Commissie ingevolge artikel 9, lid 4, van die richtlijn overeenkomstig de aangegeven procedure een beslissing te nemen.
36 Verzoekster betwist dat het beroep een kunstmatig karakter heeft, en wijst erop dat zij, hoe de termijn ook wordt berekend, op 30 september 1999, de datum waarop het eerste advies van AFSSA werd uitgebracht, nog steeds een beroep tot nietigverklaring van beschikking 1999/514 kon instellen. Zij heeft dit niet gedaan, omdat zij de normale procedure van richtlijn 89/662 wilde volgen.
37 Wat het procesbelang betreft, staat haars inziens vast, dat een lidstaat die nieuwe wetenschappelijke gegevens heeft overgelegd die zijns inziens een beschikking van de Commissie kunnen aantasten, een belang heeft om op te komen tegen de weigering van de Commissie om haar oorspronkelijke beschikking op grond van die wetenschappelijke gegevens te wijzigen.
38 Ten slotte betwist verzoekster, dat het geschikte rechtsmiddel de instelling van een beroep wegens nalaten zou zijn geweest. Om van nalaten te kunnen spreken, moet de instelling hebben verzuimd een standpunt in te nemen. In casu heeft de Commissie met de bestreden beschikking een standpunt ingenomen, dat is kenbaar gemaakt door de verklaring van Byrne van 29 oktober 1999 en de aanmaningsbrief aan de Franse autoriteiten.
Beoordeling door het Hof
39 Overeenkomstig artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer het kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een beroep of wanneer dit kennelijk niet-ontvankelijk is, de advocaat-generaal gehoord, beslissen bij met redenen omklede beschikking, zonder de behandeling voort te zetten.
40 Het onderhavige beroep is ingesteld krachtens artikel 230 EG, bepalende dat het Hof de wettigheid van de handelingen van de instellingen nagaat, voor zover het geen aanbevelingen of adviezen betreft.
41 Het beroep is gericht tegen hetgeen door verzoekster is aangemerkt als een beschikking houdende weigering om beschikking 1999/514 te wijzigen, ondanks de beweerdelijk nieuwe gegevens die zij de Commissie over het eventuele bestaan van een derde wijze van besmetting van runderen heeft overgelegd, en waardoor de gegrondheid van beschikking 1999/514 wordt aangetast.
42 Het zou om een stilzwijgende afwijzende beschikking gaan, die aan het licht zou zijn gekomen door de verklaring van Byrne van 29 oktober 1999 en de verzending, op 17 november 1999, van een aanmaningsbrief door de Commissie.
43 Opgemerkt zij, dat Byrne in die verklaring, waarvan de bewoordingen door verweerster zijn weergegeven, zeer in het algemeen verslag heeft gedaan van het advies van het CSD en heeft aangekondigd, dat er waarschijnlijk onderhandelingen zouden plaatsvinden tussen de communautaire autoriteiten en die van de lidstaten die bij het probleem betrokken waren.
44 Een dergelijke verklaring vormt geen standpuntbepaling van de Commissie ten aanzien van de door verzoekster overgelegde gegevens. Byrne heeft immers slechts het advies van het CSD weergegeven en de hoop uitgesproken, dat voor de specifieke problemen een oplossing kon worden gevonden.
45 Die verklaring kan daarom niet worden aangemerkt als een beschikking waarbij de Commissie heeft geweigerd om beschikking 1999/514 te wijzigen, en waartegen een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld.
46 De verzending van de aanmaningsbrief van 17 november 1999 geeft blijk van de wens om de verzuimde uitvoering van beschikking 1999/514 te bestraffen, maar kan niet worden aangemerkt als een beschikking waarbij is geweigerd om eerstgenoemde beschikking te wijzigen en waartegen een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld.
47 Dat geen sprake is van een dergelijke afwijzende beschikking van de Commissie wordt overigens bevestigd door het feit dat haar niet vooraf expliciet is verzocht om beschikking 1999/514 te wijzigen, maar zij uitsluitend op de hoogte is gesteld van beweerdelijk nieuwe gegevens, die de in aanmerking genomen feitelijke en juridische context konden wijzigen.
48 Indien verzoekster van mening was dat die mededeling voor de Commissie de verplichting inhield om een nieuwe beschikking te geven, had zij de procedure wegens nalaten van het Verdrag moeten volgen.
49 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
50 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dat is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy