Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
Procedure - Kosten - Begroting - In aanmerking te nemen factoren
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 91, sub b)
Samenvatting
$$Het staat niet aan de gemeenschapsrechter om de door de partijen aan hun eigen advocaten verschuldigde honoraria vast te stellen; wel dient hij te bepalen tot welk bedrag die vergoedingen kunnen worden teruggevorderd van de partij die in de kosten is verwezen. De gemeenschapsrechter behoeft, indien hij uitspraak doet over een verzoek tot begroting van kosten, geen rekening te houden met een nationaal tarief van advocatenhonoraria of met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de belanghebbende partij en haar gemachtigden of raadslieden. Aangezien een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, moet de rechter de gegevens van de zaak vrijelijk beoordelen, daarbij rekening houdend met het onderwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen.
Wat de beoordeling van de moeilijkheid van de zaak en het belang van een geding vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht betreft, moet worden vastgesteld dat wanneer de in een beroep gerezen inhoudelijke vragen in ruime mate aan de orde zijn geweest in andere zaken, waarin de belanghebbende partij reeds eerder beroep bij de rechter had ingesteld, er rekening mee moet worden gehouden dat de raadslieden van deze partij reeds een bepaalde inhoudelijke kennis van de zaak hadden, wat hun onderzoeks-, analyse- en redactiewerk heeft vergemakkelijkt en de voor hen in dit verband objectief noodzakelijke hoeveelheid werk aanzienlijk heeft verminderd.
( cf. punten 26-27, 30 )
Partijen
In zaak T-64/99 DEP,
UK Coal plc, voorheen RJB Mining plc, gevestigd te Harworth (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door J. Lawrence, solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K.-D. Borchardt als gemachtigde, bijgestaan door N. Khan, barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot begroting van de door verweerster aan verzoekster te vergoeden kosten naar aanleiding van de beschikking van het Gerecht van 25 juli 2000, RJB Mining/Commissie (T-64/99, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: A. W. H. Meij, kamerpresident, K. Lenaerts, A. Potocki, M. Jaeger en J. Pirrung, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 29 juli 1998, gegeven met toepassing van artikel 66 EGKS-Verdrag, verleende de Commissie goedkeuring aan de concentratie tussen de vennootschap Saarbergwerke AG, die eigendom van de Duitse overheid was, de vennootschap Preussag Anthrazit GmbH en de vennootschap RAG Aktiengesellschaft (hierna: RAG"), waarbij laatstgenoemde het bedrijfskapitaal van de andere vennootschappen had verworven. Volgens verzoeksters verklaringen omvatte de concentratie meerdere elementen van staatssteun.
2 Op 29 september 1998 heeft verzoekster de beschikking tot goedkeuring van deze concentratie aangevochten en de Commissie met name verweten dat zij de wettigheid van de met de concentratie gepaard gaande staatssteun niet had onderzocht. Deze zaak is bij het Gerecht ingeschreven onder nr. T-156/98. Bij arrest van 31 januari 2001, RJB Mining/Commissie (T-156/98, Jurispr. blz. II-337), heeft het Gerecht de bestreden goedkeuringsbeschikking nietig verklaard.
3 Bovendien heeft verzoekster op 18 januari en 3 maart 1999 verzocht om nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 2 december 1998 tot goedkeuring van steunmaatregelen van Duitsland ten behoeve van de steenkolenindustrie in 1998, respectievelijk de beschikking van 22 december 1998 tot goedkeuring van soortgelijke maatregelen in 1999. Ter ondersteuning van deze verzoeken heeft verzoekster met name aangevoerd dat die beschikkingen geen enkele verwijzing bevatten naar de reeds genoemde concentratie of naar de problemen met betrekking tot de bij die concentratie verleende staatssteun. Deze beroepen zijn bij het Gerecht ingeschreven onder nr. T-12/99 en nr. T-63/99. Bij arrest van 12 juli 2001 (UK Coal/Commissie, T-12/99 en T-63/99, Jurispr. blz. II-2153) heeft het Gerecht de beroepen verworpen.
4 Bij een op 3 maart 1999 neergelegd verzoekschrift in deze zaak, heeft verzoekster het Gerecht krachtens artikel 35 EGKS-Verdrag in de eerste plaats verzocht om nietigverklaring van een aantal stilzwijgende beschikkingen waarbij de Commissie heeft geweigerd te onderzoeken of de door Duitsland in het kader van de bovengenoemde concentratie uitgekeerde staatssteun in overeenstemming is met artikel 4, sub c, EGSK-Verdrag en met beschikking nr. 3632/93/EGKS van de Commissie van 28 december 1993 tot vaststelling van een communautaire regeling voor de steunmaatregelen van de lidstaten ten behoeve van de kolenindustrie (PB L 329, blz. 12; hierna: steuncode") en in de tweede plaats om verwijzing van de Commissie in de kosten.
5 Bij een op 31 mei 1999 ingediende memorie heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, omdat zij van mening was dat het beroep in zaak T-64/99 niet ontvankelijk was wegens het reeds aanhangig zijn van de beroepen in de zaken T-156/98 en T-12/99 en omdat het instellen ervan misbruik van procedure vormde, aangezien verzoekster haar wettig procesbelang niet had aangetoond. Verzoekster heeft de exceptie bij op 2 juli 1999 ingediende memorie beantwoord.
6 Bij op dezelfde dag ingediende memories heeft verzoekster het Gerecht verzocht om bij verstek arrest te wijzen en de onderhavige zaak met voorrang te behandelen.
7 Bij beschikking van 12 november 1999 heeft het Gerecht de exceptie van niet-ontvankelijkheid gevoegd met de hoofdzaak, het verzoek om bij verstek arrest te wijzen afgewezen en beslist dat het verzoek om behandeling met voorrang later in overweging zou worden genomen; de beslissing omtrent de kosten is aangehouden.
8 Bij op 25 augustus 1999 ingediende memorie heeft RAG verzocht om toelating tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Bij op 16 september daaraanvolgend ingediende memorie heeft verzoekster zich tegen dit verzoek verzet. Bij beschikking van 10 januari 2000 heeft het Gerecht het interventieverzoek van RAG toegewezen; de beslissing omtrent de kosten is aangehouden.
9 Bij beschikking van dezelfde dag zijn de voornaamste partijen gehoord, en is de Bondsrepubliek Duitsland eveneens toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
10 Nadat de Commissie in de loop van het geding een formele procedure had ingeleid, teneinde van de Duitse regering inlichtingen te verkrijgen over eventuele staatssteun in verband met de concentratie van de genoemde ondernemingen, verklaarde verzoekster dat het beroep T-64/99 zonder voorwerp was geraakt.
11 Bijgevolg heeft het Gerecht (Tweede kamer - uitgebreid) bij beschikking van 25 juli 2000 (RJB Mining/Commissie, T-64/99, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie) beslist, dat geen uitspraak op het beroep en op het verzoek om behandeling met voorrang behoefde te worden gedaan. De Commissie is verwezen in haar eigen kosten en in de helft van verzoeksters kosten, met uitzondering van die welke waren ontstaan door de toelating van interveniënte RAG en door de verzoeken om bij verstek arrest te wijzen en de zaak met voorrang te behandelen.
12 Bij brief van 8 november 2000 heeft verzoekster bij de Commissie een staat van haar uitgaven ingediend waaruit blijkt dat de kosten in totaal 60 961,50 GBP bedragen, en verzocht om vergoeding van de helft, namelijk 30 480,75 GBP. Op 4 december daaraanvolgend heeft de Commissie dit verzoek afgewezen en een tegenvoorstel gedaan ten bedrage van 10 900 GBP. Rekening houdend met sommige bezwaren van de Commissie heeft verzoekster op 23 januari 2001 een herzien verzoek ten bedrage van 21 774,80 GBP ingediend. Bij brief van 14 maart 2001 heeft de Commissie ook dat verzoek afgewezen en haar tegenvoorstel verhoogd tot 13 000 GBP.
13 Verzoekster heeft daarom bij een op 6 juli 2001 neergelegd verzoekschrift ter griffie van het Hof, om een begroting van de kosten verzocht.
14 Bij een op 11 juli daaraanvolgend ter griffie van het Gerecht ingediende memorie heeft de Commissie haar opmerkingen over dat verzoek ingediend.
Conclusies van partijen
15 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- haar een kostenvergoeding ten bedrage van 21 774,80 GBP toe te kennen;
- haar een gewaarmerkt afschrift van zijn beschikking te doen toekomen;
- de Commissie te verwijzen in de kosten van de onderhavige begrotingsprocedure.
16 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage het bedrag van de invorderbare kosten, daaronder begrepen de kosten van dit geding vast te stellen op een redelijk bedrag van in totaal niet meer dan 13 000 GBP.
Argumenten van partijen
17 Met verwijzing naar haar precontentieuze briefwisseling met de Commissie (zie punt 12 hiervoor) stelt verzoekster dat, zoals uit haar kostenstaat van 8 november 2000 blijkt, het gevorderde bedrag is gebaseerd op 210,7 uur werk tegen een gemiddeld uurtarief van 174,89 GBP, wat beduidend minder is dan de 220 GBP die de Commissie in haar brief van 4 december 2000 in dit geval zelf gerechtvaardigd achtte. Voor verzoekster is duidelijk dat het tegenvoorstel van de Commissie, dat is gebaseerd op 55 uren werk voor de voorbereiding van de hele zaak, onvoldoende is.
18 Wat de aan de voorbereiding van de zaak bestede tijd betreft, betoogt verzoekster dat het ging om een ingewikkeld en moeilijk beroep, dat veel voorbereiding en onderzoek vergde, aangezien beroepen wegens nalaten op EGKS-gebied zeldzaam zijn. Bovendien concentreerde een groot deel van het verweer van de Commissie zich op niet-ontvankelijkheidsvraagstukken, waardoor zij nieuwe en substantiële argumenten moest bedenken. Daar komt bij dat verzoekster haar argumentatie volledig en uitgebreid had moeten uiteenzetten voordat de Commissie uiteindelijk besloot om op te treden.
19 Zij voegt eraan toe dat de niet aangemelde steun in casu 1 miljard DEM beliep, wat een aanzienlijk bedrag is. Bovendien was de zaak vanuit het gemeenschapsrecht en vanuit de kolensector in zijn geheel bezien zeker van belang geweest.
20 Op grond daarvan komt verzoekster tot de slotsom dat de geëiste vergoeding hoewel beduidend minder dan haar werkelijke kosten in deze zaak, redelijk is.
21 Daartegenover is het volgens de Commissie zinloos om de berekening van het uurtarief nauwkeuriger te onderzoeken, aangezien volstaan kan worden met de vaststelling dat het tarief, ongeacht de berekeningswijze ervan, zich bevindt in het bovenste gedeelte van de schaal van voor een procedure voor het Gerecht gedeclareerde uurtarieven. Er mag dus worden ondersteld dat verzoeksters raadslieden zeer bekwaam zijn, wat zou betekenen dat hun onderzoek slechts weinig tijd heeft gekost.
22 Het tegenvoorstel van de Commissie is gebaseerd op 55 door verzoeksters solicitors aan de zaak bestede uren, plus een niet-gespecificeerd, maar op 6 700 GBP geschat bedrag voor het werk van haar barrister, en 2 000 GBP voor de contacten tussen de solicitors en de barrister. Bij een uurtarief van 220 GBP betekent dit dat de Commissie is uitgegaan van 30 uur werk voor verzoeksters barrister en 9 extra uren voor de contacten tussen de solicitor en de barrister, wat in totaal neerkomt op 94 uur door juristen bestede tijd.
23 Omdat verzoekster verwijst naar de ingewikkeldheid van haar beroep wegens nalaten, beklemtoont de Commissie dat verzoeksters taak bij de voorbereiding van het beroep vereenvoudigd werd door het feit dat deze zaak ten gronde betrekking had op een probleem dat ook al in de reeds aanhangige zaken T-156/98 en T-12/99 was gerezen (zie punten 2 en 3 hiervoor). Bovendien stonden de in casu aangevoerde argumenten ten gronde pas op de laatste bladzijden van het verzoekschrift en vormden zij een herhaling van de reeds bij het Gerecht voorgedragen argumenten in bovengenoemde zaken T-156/98, T-12/99 en T-63/99.
24 Tenslotte heeft verzoekster na het arrest van het Gerecht in zaak T-156/98 (zie punt 2 hiervoor) bij de Commissie een verzoek om kostenvergoeding ten bedrage van 127 698 GBP ingediend en verklaard dat de voorbereiding van de zaak ingewikkeld was geweest en veel tijd had gekost. Verzoekster kan dan ook niet in twee verschillende zaken, substantiële kosten declareren voor de voorbereiding van argumenten die betrekking hebben op dezelfde problemen, omdat dit zou leiden tot een dubbele kostenvergoeding.
Beoordeling door het Gerecht
25 Volgens artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering, worden als invorderbare kosten aangemerkt [...] de door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten, in het bijzonder de reis- en verblijfkosten en het honorarium van de gemachtigde, raadsman of advocaat". Uit deze bepaling volgt, dat de invorderbare kosten zijn beperkt tot enerzijds de kosten die in verband met de procedure voor het Gerecht zijn gemaakt en anderzijds de daartoe noodzakelijke kosten (zie beschikking Gerecht van 15 juli 1998, Opel Austria/Raad, T-115/94 DEP, Jurispr. blz. II-2739, punt 26).
26 Volgens vaste rechtspraak staat het niet aan de gemeenschapsrechter om de door de partijen aan hun eigen advocaten verschuldigde honoraria vast te stellen, maar dient hij te bepalen, tot welk bedrag die vergoedingen kunnen worden teruggevorderd van de partij die in de kosten is verwezen. Bijgevolg behoeft het Gerecht, indien het uitspraak doet over een verzoek tot begroting van kosten, geen rekening te houden met een nationaal tarief van advocatenhonoraria of met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de belanghebbende partij en haar gemachtigden of raadslieden (zie beschikking Opel Austria/Raad, reeds aangehaald, punt 27).
27 Het is eveneens vaste rechtspraak dat, aangezien een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, het Gerecht de gegevens van de zaak vrijelijk moet beoordelen, daarbij rekening houdend met het onderwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen (beschikking Hof van 26 november 1985, Leeuwarder papierwarenfabriek/Commissie, 318/82, Jurispr. blz. 3727, punten 2 en 3, en beschikkingen Gerecht van 9 juni 1993, PPG Industries Glass/Commissie, T-78/89 DEP, Jurispr. blz. II-573, punt 36, en 8 maart 1995, Air France /Commissie, T-2/93 DEP, Jurispr. blz. II-533, punt 16).
28 Op basis van deze criteria moet het bedrag van de in casu invorderbare kosten worden vastgesteld.
29 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat, wat verzoeksters kosten in de procedure in zaak T-64/99 betreft, de in beginsel voor de helft invorderbaar verklaarde kosten in wezen slechts de voorbereiding en de opstelling van het verzoekschrift en de repliek betreffen, alsmede de opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid en over het interventieverzoek van de Bondsrepubliek Duitsland.
30 Wat de moeilijkheid van de zaak en het belang van het geding vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht betreft, moet worden vastgesteld dat, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, de in dit beroep wegens nalaten gerezen inhoudelijke vragen in ruime mate aan de orde zijn geweest in andere zaken, waarin verzoekster reeds eerder (zaken T-156/98 en T-112/99) of op dezelfde dag (zaak T-63/99) beroep heeft ingesteld bij het Gerecht. Bijgevolg hadden verzoeksters raadslieden reeds een bepaalde inhoudelijke kennis van deze zaak, wat hun onderzoeks-, analyse- en redactiewerk heeft vergemakkelijkt en de voor hen in dit verband objectief noodzakelijke hoeveelheid werk aanzienlijk heeft verminderd. De enige rechtsvragen die als nieuw en ingewikkeld kunnen worden aangemerkt betroffen de ontvankelijkheid van het beroep uit hoofde van artikel 35 EGKS-Verdrag, die de Commissie op een aantal punten heeft betwist.
31 Uit het voorgaande volgt dat het economische belang van dit geschil voor partijen beperkt is, omdat de vermeende niet aangemelde staatssteun ook in de zaken T-156/98, T-112/99 en T-63/99 aan de orde was, zodat in die zaken met de aangevoerde belangen al ruimschoots rekening is gehouden.
32 In het licht van het voorgaande en gelet op de omstandigheden van de zaak, moet het bedrag van de honoraria en van de invorderbare kosten naar redelijkheid op 13 000 GBP worden vastgesteld.
33 Aangezien het Gerecht bij de vaststelling van de invorderbare kosten rekening heeft gehouden met alle omstandigheden van de zaak tot het tijdstip van de uitspraak, behoeft niet afzonderlijk te worden beslist over de kosten die partijen hebben gemaakt voor de onderhavige kostenbegrotingsprocedure (beschikking Gerecht van 5 juli 1993, Meskens/Parlement, T-84/91 DEP, Jurispr. blz. II-757, punt 16).
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer - uitgebreid),
beschikt:
Het bedrag van de aan verzoekster in zaak T-64/99 te vergoeden kosten bedraagt 13 000 GBP.
Full & Egal Universal Law Academy