Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
Procedure - Kosten - Begroting - Invorderbare kosten - Door partijen gemaakte noodzakelijke kosten - Begrip - Premie voor rechtsbijstandsverzekering - Daaronder begrepen - Voorwaarden
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 91, sub b)
Samenvatting
$$Volgens artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht zijn alleen de kosten die, enerzijds, in verband met de procedure voor het Gerecht zijn gemaakt, en anderzijds, daartoe noodzakelijk zijn, invorderbare kosten. Het begrip noodzakelijke kosten" dekt niet de door een partij gemaakte kosten die niet rechtstreeks verband houden met haar verdediging voor het Gerecht, maar uitsluitend van haar keuzen afhangen.
Hieruit volgt dat de premie voor een rechtsbijstandsverzekering, ook al is zij in verband met een procedure voor het Gerecht betaald, in beginsel niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering kan worden aangemerkt. Dit kan wel in uitzonderlijke omstandigheden, wanneer de betrokken partij aan de hand van objectieve elementen aantoont dat zij zonder een rechtsbijstandsverzekering die in geval van verwijzing in de kosten de door de tegenpartij gemaakte kosten vergoedt, het beroep niet had kunnen instellen.
( cf. punten 16-18 )
Partijen
In zaak T-78/99 (92),
S. M. Elder en R. D. Elder, wonende te Dundee (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door S. Crosby, solicitor, Willem de Zwijgerstraat 42, Brussel (België),
verzoekers,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Wölker en X. Lewis, leden van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om de begroting van de kosten die verweerster aan verzoekers moet vergoeden op grond van de doorhalingsbeschikking van het Gerecht van 13 oktober 1999, Elder/Commissie (T-78/99, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, president, N. J. Forwood en M. Vilaras, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten, het procesverloop en de conclusies van partijen
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 1 april 1999, hebben verzoekers beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit van de Commissie houdende afwijzing van hun verzoek om toegang tot de verslagen van het Raadgevend Comité voor de belasting over de toegevoegde waarde. Dit beroep is ingeschreven onder nummer T-78/99.
2 Bij op 6 augustus 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief hebben verzoekers om de doorhaling van de zaak verzocht op grond dat de voorzitter van bovengenoemd Raadgevend Comité hun verzoek inmiddels bij brief van 8 juni 1999 uitdrukkelijk had afgewezen, en zij een beroep tot nietigverklaring van dit besluit hadden ingesteld, dat was ingeschreven onder nummer T-78/99.
3 Bij beschikking van 13 oktober 1999 is zaak T-78/99 doorgehaald in het register van het Gerecht en is de Commissie in de kosten verwezen.
4 Bij brief van 16 december 1999 hebben verzoekers de Commissie verzocht om vergoeding van hun kosten. Deze beliepen 260 930 BEF, waarvan 229 730 BEF advocatenhonoraria en 31 200 BEF premie voor de rechtsbijstandsverzekering.
5 Bij brief van 1 maart 2000 heeft de Commissie aanvaard het ter zake van advocatenhonoraria gevorderde bedrag te betalen, doch geweigerd de premie voor de rechtsbijstandsverzekering te vergoeden.
6 Bij op 21 maart 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben verzoekers krachtens artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om begroting van de kosten en om veroordeling van de Commissie tot betaling van het saldo van het ter zake van invorderbare kosten gevorderde bedrag, dat overeenstemt met de premie voor de rechtsbijstandverzekering.
7 Op 12 april 2000 heeft de Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend over dit verzoek en daarin concludeert zij tot afwijzing van het verzoek.
De argumenten van partijen
8 Volgens verzoekers maakt de premie voor hun rechtsbijstandsverzekering deel uit van de invorderbare kosten in de zin van artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering, omdat zij als natuurlijke personen met een bescheiden inkomen deze verzekering nodig hadden om een procedure in rechte te kunnen instellen. Aangezien de betaling van de honoraria van hun advocaat al een grote inspanning vergde, moesten zij zich wel verzekeren tegen het risico de honoraria van de advocaat van de Commissie te moeten betalen ingeval laatstgenoemde zich zou laten bijstaan door een persoon die geen personeelslid is. Zij wijzen erop dat zij nooit een beroep bij het Gerecht zouden hebben ingesteld indien zij dit risico hadden gelopen.
9 Volgens de United Kingdom Access to Justice Act 1999 kan de premie voor een verzekering tegen het risico van verwijzing in de kosten in het kader van een bijzondere procedure, deel uitmaken van de invorderbare kosten.
10 De Commissie betoogt allereerst dat verzoekers' verzekering niet noodzakelijk was, omdat het ging om een verzekering tegen risico's die geen verzekering behoefden, namelijk de insolvabiliteit van de Commissie, de toekenning van een onvoldoende hoge schadevergoeding en de betaling van een vergoeding aan de rechters.
11 Aangaande het risico van verwijzing in de kosten betoogt de Commissie dat de premie voor een rechtsbijstandsverzekering in beginsel niet als een onderdeel van de invorderbare kosten kan worden beschouwd. Bovendien heeft zij tot op heden in zaken tegen particulieren doorgaans geen beroep gedaan op externe advocaten, wanneer deze particulieren geen extra kosten lijken te kunnen dragen. Zij kan voortaan anders gaan handelen indien het vermoeden rijst dat de betrokken particulieren een verzekering hebben afgesloten.
12 In elk geval was in casu geen rechtsbijstandsverzekering nodig. Op het ogenblik waarop verzoekers het beroep hebben ingesteld, was het al duidelijk dat de procedure niet tot het einde zou worden voortgezet, omdat hun bij een op 3 maart 1999 betekende brief van de secretaris-generaal van de Commissie was meegedeeld dat de stilzwijgende afwijzing door een formeel besluit zou worden vervangen.
Beoordeling door het Gerecht
13 Om te beginnen betreft het geschil tussen partijen slechts de kosten ter zake van een door verzoekers betaalde premie voor rechtsbijstandsverzekering en niet de andere kosten die hun voor de procesvoering zijn opgekomen, welke kosten de Commissie bereid is te vergoeden. Bijgevolg wordt het Gerecht alleen verzocht om een uitspraak over de vergoeding van kosten ten belope van 31 200 BEF, zijnde de premie voor deze verzekering.
14 Ingevolge artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Gerecht, in geval van geschil over de invorderbare kosten, op verzoek van de belanghebbende partij bij een niet voor hogere voorziening vatbare beschikking, na kennis te hebben genomen van de opmerkingen van de wederpartij.
15 Volgens artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering worden als invorderbare kosten aangemerkt (...) de door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten, in het bijzonder de reis- en verblijfkosten en het honorarium van de gemachtigde, raadsman of advocaat".
16 Volgens deze bepaling zijn dus alleen de kosten die, enerzijds in verband met de procedure voor het Gerecht zijn gemaakt, en anderzijds daartoe noodzakelijk zijn, invorderbare kosten (beschikking Hof van 9 november 1995, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, C-89/85 DEP, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 14, en beschikking Gerecht van 25 juni 1998, Altmann e.a. en Stott/Commissie, T-177/94 (92) en T-377/94 (92) en T-99/95 (92), JurAmbt. blz. I-A-299 en II-883, punt 18).
17 Volgens de rechtspraak dekt het begrip noodzakelijke kosten" niet de door een partij gemaakte kosten die niet rechtstreeks verband houden met haar verdediging voor het Gerecht, maar uitsluitend van haar keuzen afhangen (zie in deze zin beschikking Gerecht van 22 maart 2000, Sinochem/Raad, T-97/95 (92) II, Jurispr. blz. II-1715).
18 Hieruit volgt dat de premie voor een rechtsbijstandsverzekering, ook al is zij in verband met een procedure voor het Gerecht betaald, in beginsel niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering kan worden aangemerkt. Dit kan wel in uitzonderlijke omstandigheden, wanneer de betrokken partij aan de hand van objectieve elementen aantoont dat zij zonder een rechtsbijstandsverzekering die in geval van verwijzing in de kosten de door de tegenpartij gemaakte kosten vergoedt, het beroep niet had kunnen instellen.
19 In casu hebben verzoekers geen enkel bewijs daarvan overlegd; zij verklaren alleen dat zij zonder deze verzekering geen beroep zouden hebben ingesteld. Aangezien verzoekers niet aan de hand van objectieve elementen hebben aangetoond dat de kosten van de verzekering noodzakelijk waren in verband met de procedure voor het Gerecht, moet hun verzoek worden afgewezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer)
beschikt:
Het verzoek om begroting van de kosten wordt afgewezen.
Full & Egal Universal Law Academy