Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Procedure - Inleidend verzoekschrift - Vormvereisten - Ondertekening door advocaat, derde ten opzichte van verzoeker - Verzoekende vennootschap vertegenwoordigd door advocaat die tevens haar bestuurder is - Niet-ontvankelijkheid
('s Hofs Statuut-EG, art. 17, derde en vierde alinea, en 19, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 43, lid 1, eerste alinea)
Samenvatting
$$Voor het instellen van beroep bij het Gerecht dient een partij in de zin van artikel 17, derde alinea, van 's Hofs Statuut, dat krachtens artikel 46 van dit statuut van toepassing is op het Gerecht, gebruik te maken van de diensten van een derde die bevoegd is om als advocaat op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
Een aldus bevoegde advocaat, die een van de twee bestuurders en dus leidinggevend orgaan van de verzoekende vennootschap is, kan niet als een van de vennootschap onafhankelijke derde worden beschouwd, zodat een door deze advocaat ondertekend verzoekschrift niet-ontvankelijk is.
Partijen
In zaak T-79/99,
Euro-Lex European Law Expertise GmbH, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Emmerich (Duitsland), vertegenwoordigd door E. Benkelberg, advocaat te Emmerich en te Kleve, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Faltz en Kremer, advocaten aldaar, Rue Heinrich Heine 6,
verzoekster,
tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), vertegenwoordigd door D. Schennen, hoofd van de dienst wetgeving en internationale juridische zaken, en E. Joly, administrateur bij de dienst juridische zaken en geschillen, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van de juridische dienst van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot vernietiging van de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 26 januari 1999 (zaak R 114/1998-1), die verzoekster op 1 februari 1999 is betekend,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: J. Pirrung, president, A. Potocki en A. Meij, rechters,
griffier: H. Jung,
gezien het op 8 april 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,
gezien de schriftelijke vraag van het Gerecht aan partijen van 21 juni 1999,
gezien de op 14 en 15 juli 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegde opmerkingen,
gezien de op 16 augustus 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Procesverloop
1 Met dit beroep vordert verzoekster vernietiging van de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 26 januari 1999 (zaak R 114/1998-1), voorzover daarbij de afwijzende beslissing van de onderzoeker van dit Bureau van 20 mei 1998 op haar gemeenschapsmerkaanvraag is bekrachtigd.
2 De inschrijvingsaanvraag betreft de woordcombinatie Eu-Lex.
3 Ter herstel van een verzuim in het verzoekschrift overeenkomstig artikel 44, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft verzoekster een uittreksel uit het handelsregister overgelegd, zoals vereist volgens artikel 44, lid 5, sub b, van dit Reglement.
4 Uit dit uittreksel is het Gerecht gebleken, dat advocaat Benkelberg, die verzoekster vertegenwoordigt en het verzoekschrift heeft ondertekend, een van de twee bestuurders (Geschäftsführer") van de verzoekende vennootschap is.
5 Bij griffiersbrief van 21 juni 1999 zijn partijen uitgenodigd hun opmerkingen te maken over de vraag, of het verzoekschrift aan de vormvoorschriften voldoet en het beroep bijgevolg ontvankelijk is, gezien de artikelen 17, derde en vierde alinea, en 19, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG (hierna: Statuut"), artikel 43, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht alsmede de beschikking van het Hof van 5 december 1996, Lopes/Hof van Justitie (C-175/96 P, Jurispr. blz. I-6401).
6 Verzoekster en het Bureau hebben hun opmerkingen binnen de door het Gerecht gestelde termijn ingediend.
Conclusies van partijen
7 Verzoekster vordert, punt 3 van het dispositief van de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau van 26 januari 1999 te vernietigen.
8 Het Bureau vordert:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
De ontvankelijkheid
9 Luidens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer een beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking.
10 Het Gerecht acht zich in casu door de processtukken voldoende geïnformeerd en besluit, overeenkomstig deze bepaling te beslissen.
Argumenten van partijen
Argumenten van verzoekster
11 Verzoekster is een vennootschap waarvan meerdere advocaten vennoot zijn. Naar Duits recht kunnen de bestuurders van een dergelijke vennootschap - die advocaat moeten zijn - haar in rechte vertegenwoordigen.
12 Het in de Bundesrechtsanwaltsordnung voor advocaten neergelegde verbod om een onderneming te vertegenwoordigen, heeft enkel betrekking op de Syndikus-Anwalt"; dit is een jurist (advocaat) in loondienst, wiens taak het is de onderneming juridisch advies te geven.
13 Benkelberg is noch juridisch adviseur van de verzoekende vennootschap noch bij haar in dienst. Als bestuurder is hij daarentegen orgaan" van de vennootschap.
14 Derhalve is het Benkelberg op generlei wijze verboden, in zijn hoedanigheid van advocaat verzoekster voor een Duitse rechter te vertegenwoordigen.
15 De artikelen 17, derde en vierde alinea, en 19, eerste alinea, van het Statuut vereisen enkel, dat de betrokken vennootschap voor de gemeenschapsrechter wordt vertegenwoordigd door een advocaat die bevoegd is haar te vertegenwoordigen voor de nationale rechterlijke instanties.
16 Aangezien Benkelberg bevoegd is verzoekster voor de Duitse rechterlijke instanties te vertegenwoordigen, is hij ook gerechtigd namens haar voor de gemeenschapsrechter op te treden.
17 Tenslotte is het uitgesloten, dat het Hof of het Gerecht tot een andere conclusie komt, waardoor het recht van Duitse advocaten op uitoefening van hun beroep zou worden beperkt.
18 Verzoekster concludeert, dat het verzoekschrift aan de vormvoorschriften voldoet en het beroep ontvankelijk is.
Argumenten van het Bureau
19 De voor de gemeenschapsrechter geldende procesregels wijken in zoverre af van het Duitse burgerlijk procesrecht, dat dit laatste het advocaten uitdrukkelijk toestaat, zichzelf in rechte te vertegenwoordigen. Bovendien zijn de in het Duitse recht gestelde voorwaarden, die het recht om derden te vertegenwoordigen ter voorkoming van belangenconflicten beperken, in casu niet vervuld.
20 Degene die partij is bij de procedure, en zijn vertegenwoordiger zijn in casu niet een en dezelfde persoon, zoals in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot de beschikking Lopes/Hof van Justitie (reeds aangehaald). Verzoekster, een rechtspersoon, en advocaat Benkelberg, een natuurlijk persoon, zijn immers twee verschillende personen. Het feit dat Benkelberg bestuurder en dus orgaan" van de verzoekende vennootschap is, maakt daarbij geen verschil.
21 Benkelberg en verzoekster hebben stellig dezelfde economische belangen. Wanneer Benkelberg in de procedure namens verzoekster optreedt, kan hij bovendien als haar bestuurder zichzelf instructies voor de procesvoering geven. Dat levert echter geen enkel beletsel op voor de ontvankelijkheid van dit beroep.
22 Het Bureau concludeert, dat het verzoekschrift in dit opzicht formeel juist is en dat het beroep ontvankelijk is. Het betwijfelt evenwel, of de door verzoekster aan Benkelberg gegeven volmacht aan de vormvoorschriften voldoet.
Beoordeling door het Gerecht
23 Artikel 17, derde en vierde alinea, van het Statuut, dat krachtens artikel 46 van dit Statuut van toepassing is op het Gerecht, bepaalt:
De (...) partijen moeten worden vertegenwoordigd door een advocaat.
Alleen een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, kan een partij voor het Hof vertegenwoordigen of bijstaan."
24 Artikel 19, eerste alinea, van het Statuut bepaalt vervolgens:
Een zaak wordt bij het Hof aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift dat aan de griffier wordt toegezonden. Het verzoekschrift moet inhouden de naam en woonplaats van de verzoeker en de hoedanigheid van de ondertekenaar (...)"
25 Artikel 43, lid 1, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht tenslotte luidt:
Het origineel van elk processtuk wordt ondertekend door de gemachtigde of de advocaat van de partij."
26 Aangezien deze bepalingen deel uitmaken van het gemeenschapsrecht, moeten zij zoveel mogelijk autonoom zonder verwijzing naar het nationale recht worden uitgelegd.
27 Uit deze bepalingen en in het bijzonder uit het gebruik van de term vertegenwoordigd" in artikel 17, derde alinea, van het Statuut blijkt, dat een partij" in de zin van dit artikel voor het instellen van beroep bij het Gerecht gebruik dient te maken van de diensten van een derde, die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (zie beschikking Lopes/Hof van Justitie, reeds aangehaald, punt 11).
28 Dit vereiste om gebruik te maken van een derde, komt overeen met de opvatting van de rol van de advocaat, volgens welke hij moet worden gezien als medewerker bij de rechtspleging, die geheel onafhankelijk en in het overwegend belang van deze rechtspleging de door zijn cliënt benodigde rechtskundige bijstand moet verlenen. Deze opvatting weerspiegelt de rechtstradities die de lidstaten gemeen hebben, en wordt ook aangetroffen in de communautaire rechtsorde, zoals blijkt uit artikel 17 van het Statuut (in die zin arrest Hof van 18 mei 1982, AM & S/Commissie, 155/79, Jurispr. blz. 1575, punt 24).
29 Bijgevolg kan advocaat Benkelberg, die de verzoekende vennootschap vertegenwoordigt, in deze procedure niet als een van haar onafhankelijke derde" in de zin van de beschikking Lopes/Hof van Justitie (reeds aangehaald) worden beschouwd. Hij is immers een van haar twee bestuurders. Dat betekent, zoals beide partijen betogen, dat hij orgaan" van de verzoekende vennootschap is. In die omstandigheden is advocaat Benkelberg niet bevoegd haar in deze procedure te vertegenwoordigen.
30 Daar het inleidend verzoekschrift door advocaat Benkelberg is ondertekend, is dit beroep bijgevolg niet ingesteld overeenkomstig de artikelen 17, derde en vierde alinea, en 19, eerste alinea, van het Statuut en artikel 43, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.
31 Mitsdien moet het beroep kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
32 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover zulks is gevorderd.
33 Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het Bureau in de kosten te worden veroordeeld.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekster wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy