BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Vierde kamer — uitgebreid)
4 november 2002 ( *1 )
In zaak T-90/99,
Salzgitter AG, gevestigd te Salzgitter (Duitsland), vertegenwoordigd door J. Sedemund, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Triantafyllou en P. Nemitz als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van besluit SG(99) D/1542 van de Commissie van 3 maart 1999 om de procedure van artikel 6, lid 5, van beschikking nr. 2496/96/EGKS van de Commissie van 18 december 1996 houdende communautaire regels voor steun aan de ijzer- en staalindustrie (PB L 338, blz 42), in te leiden ten aanzien van de steunmaatregelen die Duitsland krachtens het Zonenrandförderungsgesetz ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van Salzgitter AG, Preussag Stahl AG en de dochterondernemingen van de groep in de ijzer- en staalindustrie, thans samengevoegd onder de naam „SAG — Stahl und Technologie” (PB C 113, blz. 9),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer — uitgebreid),
samengesteld als volgt: V. Tiili, kamerpresident, J. Pirrung, P. Mengozzi, A. W. H.. Meij en M. Vilaras, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
De toepasselijke regeling
1
Op 18 december 1996 heeft de Commissie beschikking nr. 2496/96/EGKS vastgesteld, houdende communautaire regels voor steun aan de ijzer- en staalindustrie (PB L 338, blz. 42; hierna: „zesde staalsteuncode”).
2
Volgens artikel 6, lid 5, van de zesde staalsteuncode stelt de Commissie, indien zij na een eerste onderzoek van oordeel is dat een bepaalde financiële maatregel staatssteun kan vormen in de zin van artikel 1, of indien zij betwijfelt of een bepaalde steunmaatregel verenigbaar is met de bepalingen van deze beschikking, de betrokken lidstaat daarvan in kennis en nodigt zij de andere belanghebbenden en de overige lidstaten uit hun opmerkingen kenbaar te maken. Indien de Commissie, na ontvangst van deze opmerkingen en na de betrokken lidstaat in de gelegenheid te hebben gesteld erop te reageren, vaststelt dat de betrokken maatregel steun vormt die met de bepalingen van de code onverenigbaar is, geeft zij dienaangaande een beschikking uiterlijk drie maanden na ontvangst van de informatie die nodig is om bedoelde steun te beoordelen.
De feiten
3
Preussag Stahl AG (hierna: „PSAG”), een onderneming van de ijzer- en staalindustrie en een voormalige dochtermaatschappij van de groep Preussag AG, nam in 1989 Salzgitter AG over, toen deze onderneming door de Duitse autoriteiten werd geprivatiseerd. Nadien werd PSAG door de Preussag-groep verkocht aan de deelstaat Niedersachsen en de bank Nord/LB en omgedoopt in „Salzgitter AG — Stahl und Technologie” (hierna: „SAG” of „verzoekster”).
4
Op 3 maart 1999 besloot de Commissie de procedure van artikel 6, lid 5, van de zesde staalsteuncode in te leiden ten aanzien van de subsidies die door de Bondsrepubliek Duitsland op grond van het Zonenrandförderungsgesetz (wet inzake de steun voor de oostelijke grensgebieden) in de periode 1986-1994/1995 waren toegekend en uitbetaald aan Salzgitter AG, PSAG en de dochterondernemingen van de groep in de ijzer- en staalindustrie (PB 1999, C 113, blz. 9; hierna: „bestreden besluit”).
5
Op 28 juni 2000 gaf de Commissie een beschikking waarbij de aan verzoekster toegekende steun onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt werd verklaard en de Bondsrepubliek Duitsland werd gelast die steun terug te vorderen [beschikking 2000/797/EGKS van de Commissie van 28 juni 2000 betreffende de door Duitsland toegekende staatssteun ten gunste van Salzgitter AG, Preussag Stahl AG en de dochterondernemingen van het concern in de ijzer- en staalindustrie, voortaan Salzgitter AG — Stahl und Technologie (SAG), PB L 323, blz. 5; hierna: „eindbeschikking”].
6
Bij verzoekschrift, op 21 september 2000 neergelegd ter griffie van het Gerecht, heeft verzoekster beroep tot nietigverklaring van die beschikking ingesteld. Dat beroep is thans aanhangig onder nummer T-308/00.
Procesverloop en conclusies van partijen
7
Bij verzoekschrift, op 15 april 1999 neergelegd ter griffie van het Gerecht, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
8
Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
—
het bestreden besluit nietig te verklaren;
—
de Commissie in de kosten te verwijzen.
9
De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
—
het beroep te verwerpen;
—
verzoekster in de kosten te verwijzen.
In rechte
10
Luidens artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, met inachtneming van het bepaalde in artikel 114, leden 3 en 4, van dat reglement en na de partijen te hebben gehoord, te allen tijde ambtshalve vaststellen dat het geding zonder voorwerp is geraakt en dat er niet op hoeft te worden beslist. In casu acht het Gerecht zich door de processtukken voldoende voorgelicht om zonder verdere behandeling uitspraak te kunnen doen.
11
Onderzocht moet worden of het bestreden besluit nog rechtsgevolgen ten aanzien van verzoekster heeft na de vaststelling van de eindbeschikking waarmee de Commissie de formele onderzoeksprocedure heeft afgesloten en waartegen verzoekster het beroep heeft ingesteld dat voorwerp van zaak T-308/00 is.
12
Volgens artikel 6, lid 4, eerste alinea, van de zesde staalsteuncode mogen voorgenomen maatregelen van de lidstaten slechts ten uitvoer worden gelegd na goedkeuring door de Commissie en onder de door deze gestelde voorwaarden. Wanneer de formele onderzoeksprocedure van artikel 6, lid 5, van de staalsteuncode wordt ingeleid, blijft dit verbod juist zoals dat van artikel 88, lid 3, laatste volzin, EG van kracht tot de eindbeschikking waarin de Commissie zich uitspreekt over de verenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt (zie in overeenkomstige zin, arresten Hof van 30 juni 1992, Italië/Commissie, C-47/91, Jurispr. blz. I-4145, punt 24, en 11 juli 1996, SFEI e.a., C-39/94, Jurispr. blz. I-3547, punt 38). Het verbod van artikel 6, lid 4, van de zesde staalsteuncode heeft ingevolge artikel 9 van die code bovendien rechtstreekse werking, zodat derde belanghebbenden er zich voor de nationale rechter op kunnen beroepen, bijvoorbeeld om te bereiken dat de met miskenning van het verbod verleende financiële steun wordt teruggevorderd (zie in overeenkomstige zin, arrest SFIE e.a., reeds aangehaald, punten 39 en 40, en arrest Gerecht van 30 april 2002, Government of Gibraltar/Commissie, T-195/01 en T-207/01, Jurispr. blz. II-2309, punt 85).
13
Nu in het onderhavige geval de Commissie een eindbeschikking heeft vastgesteld waarbij de in geding zijnde staatssteun onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard en de Duitse autoriteiten wordt opgedragen die steun terug te vorderen, is het voor derde belanghebbenden niet meer mogelijk om met een beroep op het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure de nationale rechter te verzoeken terugbetaling van de al aan verzoekster uitbetaalde steun te gelasten.
14
Verder heeft het bestreden besluit op zich geen enkel onherroepelijk gevolg voor de wettigheid van de maatregelen waarop het betrekking heeft. Het is immers uitsluitend de eindbeschikking die, door die maatregelen definitief als steun aan te merken, de onwettigheid ervan vaststelt.
15
Ten slotte is verzoekster in haar beroep in zaak T-308/00 met dezelfde argumenten als zij in de onderhavige zaak aanvoert, opgekomen tegen de eindbeschikking van de Commissie waarbij de krachtens het Zonenrand förderungsgesetz getroffen maatregelen als staatssteun zijn bestempeld.
16
Mitsdien moet het ervoor worden gehouden, dat het bestreden besluit na de vaststelling door de Commissie van de eindbeschikking waarmee de bij genoemd besluit ingeleide formele onderzoeksprocedure is afgesloten, geen eigen rechtsgevolgen ten aanzien van verzoekster meer heeft.
17
Na door het Gerecht te zijn uitgenodigd hun opmerkingen kenbaar te maken over een eventuele afdoening zonder beslissing van deze zaak, hebben verzoekster bij faxbericht van 8 juli 2002 en de Commissie bij brief van 2 juli 2002 het Gerecht doen weten, dat zij daar geen bezwaar tegen hebben.
18
Uit het voorgaande volgt, dat het beroep zonder voorwerp is geraakt en dat er niet op hoeft te worden beslist.
Kosten
19
Wanneer het geding zonder voorwerp is geraakt, beslist het Gerecht ingevolge artikel 87, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering vrijelijk over de kosten. In casu moet naar het oordeel van het Gerecht een correcte beoordeling van de omstandigheden van de zaak tot de beslissing leiden, dat elke partij haar eigen kosten dient te dragen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer — uitgebreid)
beschikt:
1)
Op het beroep behoeft niet te worden beslist.
2)
Elke partij zal haar eigen kosten dragen.
Luxemburg, 4 november 2002.
De griffier
H. Jung
De president van de Vierde kamer
V. Tiili
( *1 ) Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy