Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Verordening houdende vaststelling van voorwaarden voor beschikbaarstelling van door geautomatiseerde boekingssystemen verschafte informatie - Beroep ingesteld door verkopers van geautomatiseerde boekingssystemen - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG; verordening nr. 2299/89 van de Raad, art. 2, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3089/93, en art. 6, lid 1, sub b, punt v, zoals gewijzigd bij verordening nr. 323/1999)
Samenvatting
$$De omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie een maatregel van toepassing is, meer of minder nauwkeurig kan worden bepaald, betekent geenszins dat deze rechtssubjecten moeten worden geacht door die maatregel individueel te worden geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, zolang vaststaat dat deze toepassing voortvloeit uit een objectieve feitelijke of rechtssituatie die in de betrokken handeling wordt omschreven.
Verkopers van geautomatiseerde boekingssystemen hebben niet aangetoond dat zij individueel zijn geraakt door artikel 6, lid 1, sub b, punt v, van verordening nr. 2299/89 betreffende gedragsregels voor geautomatiseerde boekingssystemen, zoals dat is ingevoegd bij verordening nr. 323/1999, waarin de voorwaarden worden bepaald waaronder een systeemverkoper statistische of andere informatie uit zijn geautomatiseerd boekingssysteem mag verstrekken. Deze verkopers worden door deze bepaling in hun objectieve hoedanigheid van systeemverkoper" geraakt op dezelfde wijze als iedere andere systeemverkoper in de zin van artikel 2 van verordening nr. 2299/89, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3089/93.
( cf. punten 47, 50, 55 )
Partijen
In zaak T-113/99,
The Galileo Company, gevestigd te Swindon, Wiltshire (Verenigd Koninkrijk),
Galileo International LLC, gevestigd te Rosemont, Illinois (Verenigde Staten van Amerika),
vertegenwoordigd door R. Plender, QC, en S. Masters, barristers, geïnstrueerd door K. Holmes en D. Austin, solicitors, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger, Hoss en Prussen, advocaten aldaar, Place Winston Churchill 2,
verzoeksters,
ondersteund door
Amadeus Global Travel Distribution SA, gevestigd te Madrid (Spanje), vertegenwoordigd door M. Caballero Clavijo, advocaat te Madrid, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger, Hoss en Prussen, advocaten aldaar, Place Winston Churchill 2,
interveniënte,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Lopes Sabino en M. Bishop, leden van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij E. Uhlmann, directeur-generaal van de directie Juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur F. Benyon als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
interveniënte,
betreffende een verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van artikel 1, lid 7, sub b, van verordening (EG) nr. 323/1999 van de Raad van 8 februari 1999 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2299/89 betreffende gedragsregels voor geautomatiseerde boekingssystemen (CRS) (PB L 40, blz. 1),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: A. W. H. Meij, kamerpresident, A. Potocki en J. Pirrung, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Feiten die aan het geschil ten grondslag liggen
1 Vóór de opkomst van de geautomatiseerde boekingssystemen (hierna: CRS") werden vliegtickets rechtstreeks door de luchtvaartmaatschappijen verkocht. Met de ontwikkeling van de informatica kregen de reisbureaus rechtstreekse toegang tot de computersystemen van deze luchtvaartmaatschappijen om informatie op te vragen en boekingen te verrichten. Deze mogelijkheid bleef echter beperkt tot de systemen van maatschappijen die toegang tot hun systeem boden, en dit waren alleen de grote luchtvaartmaatschappijen. Vervolgens werden er CRS met meervoudige toegang" ontwikkeld, waarmee vanuit één terminal toegang tot de systemen van bepaalde maatschappijen kon worden verkregen. Deze CRS voorzagen niet in de oprichting van een aparte databank en omvatten alleen de belangrijkste nationale luchtvaartmaatschappijen, waarbij alleen in het buitenland gevestigde reisverkopers toegang kregen.
2 Vervolgens hebben de luchtvaartmaatschappijen gezamenlijk wereldwijde neutrale CRS opgezet; dit waren onafhankelijke systemen met databanken die gegevens betrokken van talrijke reisverkopers.
3 Galileo International LLC (hierna: GILLC") heeft en exploiteert een wereldwijd CRS waarmee abonnees, met name reisbureaus, geautomatiseerde boekingen kunnen verrichten bij een groot aantal dienstverrichters in de reissector, zoals luchtvaartmaatschappijen, autoverhuurders en hotels. De Galileo Company, een 99 %-dochteronderneming van GILLC, verricht voor GILLC ondersteunende diensten die verband houden met het wereldwijde CRS, in de Europese Unie, het Midden-Oosten, Afrika, Azië, de Stille Oceaan en Latijns-Amerika.
4 Volgens verzoeksters zijn er vier dergelijke CRS: GILLC, eigendom van onder meer United Airlines, British Airways, SAir Group, KLM Royal Dutch Airlines, US Airways en Alitalia; Amadeus, eigendom van Lufthansa, Iberia en Air France; Sabre, eigendom van onder meer American Airlines, en Worldspan, eigendom van Delta Airways, TWA en Northwest. In de voor de onderhavige zaak relevante periode waren deze CRS de enige die luchtvervoerproducten verkochten die in de Gemeenschap werden aangeboden of gebruikt. Bovendien waren dit de enige wereldwijd opererende CRS.
5 In de CRS-databank zijn twee soorten informatie opgeslagen: de gegevens uit de boekingsverzoeken van de reisbureaus en de gegevens die door de luchtvaartmaatschappijen worden verstrekt. Deze informatie, gewoonlijk aangeduid als Marketing Information Data Transfer" (overdracht van marketinggegevens; hierna: MIDT"), kan als afzonderlijk product worden verkocht. Verzoeksters bieden vier MIDT-producten aan: een product voor de Amerikaanse markt, een internationaal product (voor de hele wereld behalve de Verenigde Staten van Amerika), een wereldwijd product en een regionaal product.
6 Op 24 juli 1989 heeft de Raad verordening (EEG) nr. 2299/89 betreffende gedragsregels voor geautomatiseerde boekingssystemen (PB L 220, blz. 1), vastgesteld. Deze verordening, met name artikel 6 ervan, is gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3089/93 van de Raad van 29 oktober 1993 (PB L 278, blz. 1).
7 Op 9 juli 1997 heeft de Commissie een voorstel voor een verordening tot wijziging van verordening nr. 2299/89 aangenomen. Dit voorstel voorzag niet in een wijziging van artikel 6, lid 1, sub b, van die verordening.
8 Op 15 mei 1998 heeft het Europees Parlement het voorstel van de Commissie goedgekeurd onder voorbehoud van een aantal amendementen (PB C 167, blz. 288 en 293). Eén hiervan was de toevoeging van een punt v in artikel 6, lid 1, sub b, van verordening nr. 2299/89.
9 Op 15 juni 1998 diende de Commissie een nieuw voorstel voor een verordening in, waarin onder meer het bovengenoemde amendement van het Parlement was opgenomen.
10 Op 24 september 1998 heeft de Raad een gemeenschappelijk standpunt (PB C 360, blz. 69) ingenomen, dat onder meer de toevoeging van een punt v in artikel 6, lid 1, sub b, van verordening nr. 2299/89 omvatte.
11 Na een tweede lezing door het Parlement heeft de Raad op 8 februari 1999 verordening (EG) nr. 323/1999 tot wijziging van verordening nr. 2299/89 (PB L 40, blz. 1) vastgesteld. Artikel 6, lid 1, sub b, van verordening nr. 2299/89 luidt nu als volgt:
1. Voor de beschikbaarstelling van statistische of andere door het geautomatiseerde boekingssysteem van een systeemverkoper verschafte informatie gelden de volgende bepalingen:
(...)
b) gegevens over de markt, boekingen en verkopen worden verstrekt op de volgende basis:
(...)
v) een groep luchtvaartmaatschappijen en/of abonnees moet het recht hebben gegevens ter gemeenschappelijke verwerking aan te kopen."
12 Volgens verzoeksters was het doel van die bepaling, ervoor te zorgen dat de reisbureaus, voor het merendeel kleine en middelgrote ondernemingen, door het vormen van groepen toegang krijgen tot de informatie in databanken.
Procesverloop
13 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 mei 1999, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld. Zij betogen in wezen dat artikel 6, lid 1, sub b-v, van verordening nr. 2299/89, zoals gewijzigd, om twee redenen onrechtmatig is. In de eerste plaats is het evenredigheidsbeginsel geschonden. Als dit artikel moet aldus worden opgevat dat het de luchtvaartmaatschappijen de mogelijkheid biedt groepen te vormen teneinde MIDT te kopen, ongeacht de grootte van de betrokken luchtvaartmaatschappijen of het aantal leden van de groep, gaat het namelijk te ver en is het niet noodzakelijk om het doel te bereiken; verder is het onevenredig omdat het zeer ernstige economische gevolgen heeft voor de CRS-exploitanten die MIDT aanboden op de datum waarop verordening nr. 323/1999 werd vastgesteld. In de tweede plaats is niet aan de motiveringsplicht voldaan, verordening nr. 323/1999 bevat immers geen verwijzing naar de redenering die ten grondslag ligt aan de vaststelling van deze bepaling, die groepsgewijze aankoop mogelijk maakt.
14 Bij een afzonderlijke akte, neergelegd ter Griffie van het Gerecht op 26 juli 1999, heeft de Raad een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, waarover verzoeksters op 2 oktober 1999 hun opmerkingen hebben ingediend.
15 Bij beschikking van de president van de Tweede kamer van het Gerecht van 10 februari 2000 zijn Amadeus Global Travel Distribution SA (hierna: Amadeus") en de Commissie toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van respectievelijk verzoeksters en de Raad. Er werd een termijn bepaald voor de indiening van hun opmerkingen, in eerste instantie alleen over de ontvankelijkheid van het beroep. Bij dezelfde beschikking werd in dit stadium van de procedure het door verzoeksters ingediende verzoek om vertrouwelijke behandeling met betrekking tot de interveniënten toegewezen.
16 De schriftelijke procedure over de ontvankelijkheid is op 21 juni 2000 afgesloten.
Conclusies van partijen
17 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
- de door de Raad opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;
- artikel 1, lid 7, sub b, van verordening nr. 323/1999 nietig te verklaren voor zover het in artikel 6, lid 1, sub b, van verordening nr. 2299/89 een punt v invoegt en voor zover deze bepaling van toepassing is op de CRS-exploitanten die ten tijde van de vaststelling van verordening nr. 323/1999 reeds bestonden;
- de Raad te verwijzen in de kosten.
18 Amadeus concludeert dat het het Gerecht behage:
- de door de Raad opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;
- de Raad te verwijzen in de kosten.
19 De Raad concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- verzoeksters te verwijzen in de kosten.
20 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- verzoeksters te verwijzen in de kosten.
De ontvankelijkheid
21 Ingevolge artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht geschiedt de verdere behandeling van de exceptie van niet-ontvankelijkheid mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. Het Gerecht is van mening dat de stukken voldoende gegevens bevatten om uitspraak te kunnen doen op het onderhavige beroep en dat een mondelinge behandeling niet nodig is.
Argumenten van partijen
22 Verzoeksters stellen allereerst dat zij door de bestreden handeling rechtstreeks worden geraakt, gezien de dwingende bewoordingen ervan (arrest Gerecht van 19 november 1998, Champion Stationery e.a./Raad, T-147/97, Jurispr. blz. II-4137, punt 31).
23 Verder betogen zij dat zij door de betrokken handeling individueel worden geraakt.
24 Een verordening kan volgens hen een bijzondere bepaling bevatten die, los van de andere beschouwd, een verzoeker individueel raakt (zie met name arrest Hof van 29 maart 1979, NTN Toyo Bearing Company e.a./Raad, 113/77, Jurispr. blz. 1185, punt 12).
25 Bovendien kan onder omstandigheden zelfs een normatieve handeling bepaalde marktdeelnemers individueel raken (arrest Gerecht van 13 december 1995, Exporteurs in Levende Varkens e.a./Commissie, T-481/93 en T-484/93, Jurispr. blz. II-2941, punt 50). Dit zou met name het geval zijn in twee situaties die relevant zijn in de onderhavige zaak.
26 De eerste situatie is die waarin het aantal en de identiteit van de marktdeelnemers die door de bestreden handeling konden worden geraakt, vaststonden en verifieerbaar waren op het moment dat deze werd aangenomen. Dit is het geval wanneer een handeling van toepassing is op ondernemingen die in de betrokken sector actief waren op het moment dat deze werd vastgesteld, en geen overgangsmaatregelen bevat om deze ondernemingen tegen een wezenlijk en onvoorzienbaar nadeel te beschermen (zie met name arresten Hof van 1 juli 1965, Toepfer en Getreide-Import Gesellschaft/Commissie, 106/63 en 107/63, Jurispr. blz. 507, 517, en 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie, C-152/88, Jurispr. blz. I-2477, punt 11).
27 Volgens verzoeksters moet de Raad in de onderhavige zaak ten tijde van de vaststelling van verordening nr. 323/1999 hebben geweten welke ondernemingen daardoor individueel zouden worden geraakt, aangezien er slechts vier ondernemingen actief waren. Deze vormden een gesloten groep, onderscheiden van elke andere vennootschap die in de toekomst binnen de Gemeenschap een wereldwijde CRS zou gaan exploiteren.
28 Bovendien hadden verzoeksters vóór de vaststelling van de omstreden bepaling met verschillende luchtvaartmaatschappijen 36 contracten voor de aankoop van MIDT afgesloten. De waarde van deze contracten is aanzienlijk verminderd ten gevolge van artikel 6, lid 1, sub b-v, van verordening nr. 2299/89, zoals dat bij verordening nr. 323/1999 is ingevoegd.
29 Tot slot was niet voorzien in een overgangsperiode en legde de Raad derhalve een onmiddellijke verplichting op met aanzienlijke gevolgen voor de eerdere investeringen, de begrotingsprognoses en de inkomsten uit de bestaande contracten.
30 Derhalve moet worden aangenomen dat de bestreden handeling voor verzoeksters specifieke rechtsgevolgen beoogt teweeg te brengen of daadwerkelijk teweegbrengt (arrest Hof van 24 februari 1987, Deutz und Geldermann/Raad, 26/86, Jurispr. blz. 941, punt 7).
31 De tweede situatie is die waarin uitzonderlijke economische omstandigheden een verzoekster hetzij individueel, hetzij binnen een groep identificeerbare marktdeelnemers die zich in dezelfde situatie bevinden, karakteriseert ten opzichte van alle andere marktdeelnemers (zie met name arresten Hof van 16 mei 1991, Extramet Industrie/Raad, C-358/89, Jurispr. blz. I-2501, punt 17, en 18 mei 1994, Codorníu/Raad, C-309/89, Jurispr. blz. I-1853).
32 In de onderhavige zaak:
- bevinden verzoeksters zich, samen met de drie andere exploitanten van wereldwijde CRS, in een situatie die hen karakteriseert ten opzichte van alle andere marktdeelnemers: alleen de vier betrokken bedrijven exploiteerden dergelijke systemen en het is onwaarschijnlijk dat er een nieuw systeem opduikt, aangezien alle grote luchtvaartmaatschappijen al aan de vier bestaande wereldwijde CRS deelnemen. Bovendien zou de oprichting van een nieuw CRS een aanzienlijke investering vergen;
- de vaststelling van de bestreden handeling wijzigt de positie van de verzoekers. Voor elke exploitant van een wereldwijde CRS brengt de verplichting om de MIDT slechts éénmaal te leveren aan een groep luchtvaartmaatschappijen die een gemeenschappelijk belang hebben bij een gemeenschappelijke dataverwerking, mee dat de waarde van de bestaande contracten daalt en de levering van de MIDT wellicht geheel onrendabel wordt;
- bij de vaststelling van verordening nr. 323/1999, die de efficiëntie van de CRS aantast en het voortbestaan van een aantal ervan in gevaar brengt, had de Raad op grond van de artikelen 71 EG en 74 EG rekening moeten houden met de bijzondere situatie van verzoeksters en van de andere exploitanten van wereldwijde CRS.
33 Vervolgens betogen verzoeksters dat het eventuele bestaan van nationale rechtsmiddelen die een prejudiciële vraag over de uitlegging of de geldigheid van de vastgestelde handeling mogelijk maken, niet afdoen aan de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep (arrest Gerecht van 15 september 1998, Gestevisión Telecinco/Commissie, T-95/96, Jurispr. blz. II-3407, punt 68).
34 In elk geval is er geen duidelijke basis om een geschil op nationaal niveau te doen ontstaan. De mogelijkheid dat er een geschil ontstaat tussen verzoeksters en een abonnee, kan verzoeksters niet het recht ontnemen, een beroep tot nietigverklaring in te stellen. Anders zou het stelsel van rechtsmiddelen dat door het Verdrag in het leven is geroepen, niet sluitend zijn (arrest Hof van 17 november 1998, Kruidvat/Commissie, C-70/97 P, Jurispr. blz. I-7183, punt 48).
35 Interveniënte Amadeus stelt dat het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk moet worden verklaard.
36 Zij betoogt in de eerste plaats dat een maatregel" waarbij tarieven worden vastgesteld die uitsluitend voor verzoeksters, haarzelf en twee andere CRS-exploitanten gelden, en die hen dwingt om ingrijpende veranderingen aan te brengen in de wijze waarop zij de door hen opgezette databanken tot dusverre op basis van de reeds bestaande contracten aan hun klanten hebben verkocht en in rekening gebracht, een beschikking in de zin van artikel 230 EG vormt en niet als een algemene rechtsregel" kan worden beschouwd.
37 Vervolgens wijst Amadeus erop dat er sinds 1989 geen enkele CRS-exploitant in de Europese Unie is bijgekomen en dat één van de vijf in 1989 werkzame exploitanten is verdwenen nadat deze met haar is gefuseerd.
38 Tot slot stelt Amadeus dat de omstreden bepaling op flagrante wijze de rechten schendt die aan de CRS-eigenaren zijn toegekend bij richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken (PB L 77, blz. 20).
39 Volgens verweerster is de bestreden handeling een normatieve handeling van algemene strekking (arrest Hof van 14 december 1962, Confédération nationale des producteurs de fruits et légumes e.a./Raad, 16/62 en 17/62, Jurispr. blz. 941). Eenzelfde bepaling kan evenwel niet tegelijkertijd een handeling van algemene strekking en een individuele handeling zijn (arrest Hof van 25 maart 1982, Moksel/Commissie, 45/81, Jurispr. 1129, punt 18).
40 Voorts zijn verzoeksters rechtstreeks noch individueel geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG (arrest Hof van 29 juni 1993, Gibraltar/Raad, C-298/89, Jurispr. I-3605, punt 17). Het beroep is dus niet-ontvankelijk.
41 Tot slot wijst de Raad erop dat de door verzoeksters opgeworpen vragen op een uitlegging van de omstreden bepaling berusten. Zij lenen zich dus niet voor een rechtstreeks beroep tot nietigverklaring bij het Gerecht, dat niet bevoegd is, uitspraak te doen over de uitlegging van het gemeenschapsrecht. Dergelijke vragen kunnen alleen in een prejudiciële procedure aan het Hof worden voorgelegd.
42 De Commissie ondersteunt de conclusies van de Raad. Zij voert aan dat verzoeksters niet aantonen waarom verordening nr. 323/1999 als een in de vorm van een verordening gegeven beschikking moet worden beschouwd. Zij geven ook niet aan hoe zij door de bestreden handeling individueel worden geraakt.
Beoordeling door het Gerecht
43 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het onderhavige geschil, anders dan verweerder stelt, wel degelijk een vordering tot nietigverklaring in de zin van artikel 230 EG is, en niet een eenvoudig verzoek tot uitlegging van een bepaling van verordening nr. 323/1999. De omstandigheid dat de ter ondersteuning van de vordering tot nietigverklaring aangevoerde middelen op een uitlegging van de betrokken bepaling zijn gebaseerd, behoort tot de grond van het geschil en is niet aan de orde bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van deze vordering.
44 Ingevolge artikel 230, vierde alinea, EG, kan iedere natuurlijke of rechtspersoon een beroep tot nietigverklaring instellen tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, hem rechtstreeks en individueel raken.
45 Volgens vaste rechtspraak moet het criterium voor het onderscheid tussen een verordening en een beschikking worden gezocht in de al dan niet algemene strekking van de betrokken handeling. Een handeling heeft een algemene strekking indien zij van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor abstract aangewezen categorieën van personen (arrest Gerecht van 22 februari 2000, ACAV e.a./Raad, T-138/98, Jurispr. blz. II-341, punt 49).
46 Bovendien verliest een handeling haar normatieve karakter niet door het feit dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie zij van toepassing is, min of meer nauwkeurig kan worden bepaald (beschikkingen Hof van 23 november 1995, Asocarne/Raad, C-10/95 P, Jurispr. blz. I-4149, punt 30, en 24 april 1996, CNPAAP/Raad, C-87/95 P, Jurispr. blz. I-2003, punt 34).
47 In de onderhavige zaak is artikel 6, lid 1, sub b-v, van verordening nr. 2299/89, zoals dat is ingevoegd bij verordening nr. 323/1999, in algemene en abstracte termen gesteld. Net zoals in de punten i tot en met iv van dit artikel, worden in punt v de voorwaarden bepaald waaronder een systeemverkoper statistische of andere informatie uit zijn CRS mag verstrekken. Het heeft in dit verband enkel het oog op objectief bepaalde situaties en bevat hiertoe onder meer termen die in artikel 2 op algemene en abstracte wijze zijn gedefinieerd. Alleen onder die voorwaarden heeft het dus rechtsgevolgen voor categorieën ondernemingen. Zelfs indien was aangetoond dat de rechtssubjecten op wie de betrokken bepaling - zoals overigens elke andere bepaling van verordening nr. 2299/89 die gevolgen heeft voor de systeemverkopers - van toepassing is, identificeerbaar waren op het moment waarop de bepaling werd vastgesteld, zou dit niet afdoen aan het normatieve karakter van die bepaling, gelet op het feit dat zij enkel het oog heeft op objectieve situaties rechtens of feitelijk (beschikking CNPAAP/Raad, reeds aangehaald, punt 35).
48 Niettemin heeft het Hof geoordeeld dat een bepaling van een handeling van algemene strekking onder omstandigheden bepaalde marktdeelnemers individueel kan raken (arresten Extramet Industrie/Raad, reeds aangehaald, punt 13, en Codorníu/Raad, reeds aangehaald, punt 19). Dit is het geval indien de betrokken bepaling een natuurlijk of rechtspersoon treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert, en hem daardoor individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat van een beschikking (arrest Cordorníu/Raad, reeds aangehaald, punt 20).
49 Verzoeksters stellen dat zij behoren tot een beperkte kring van marktdeelnemers waarop de omstreden bepaling betrekking heeft.
50 Opgemerkt zij evenwel dat, anders dan verzoeksters stellen, de omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie een maatregel van toepassing is, meer of minder nauwkeurig kan worden bepaald, geenszins betekent dat deze rechtssubjecten moeten worden geacht door die maatregel individueel te worden geraakt, zolang vaststaat dat deze toepassing voortvloeit uit een objectieve feitelijke of rechtssituatie die in de betrokken handeling wordt omschreven (arresten Hof van 15 juni 1993, Abertal e.a./Commissie, C-213/91, Jurispr. blz. I-3177, punt 17, en 15 februari 1996, Buralux e.a./Raad, C-209/94 P, Jurispr. blz. I-615, punt 24). In de onderhavige zaak worden verzoeksters door de omstreden bepaling in hun objectieve hoedanigheid van systeemverkoper" geraakt, op dezelfde wijze als iedere andere systeemverkoper in de zin van artikel 2 van verordening nr. 2299/89, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3089/93. In werkelijkheid worden alle in artikel 6, lid 1, sub b-v, van verordening nr. 2299/89, zoals gewijzigd, bedoelde marktdeelnemers door deze bepaling geraakt in hun objectieve hoedanigheid van op de betrokken markt werkzame ondernemers, ongeacht of zij systeemverkoper, luchtvaartmaatschappij of abonnee zijn.
51 Bovendien beroepen verzoeksters zich op uitzonderlijke economische omstandigheden. In de twee door hen aangehaalde arresten van het Hof, waarin werd geoordeeld dat een rechtspersoon individueel werd geraakt door de verordeningsbepaling waartegen hij opkwam, lagen de omstandigheden evenwel anders dan in het onderhavige geval.
52 Zo heeft het Hof in het reeds aangehaalde arrest Extramet Industrie/Raad, betreffende de antidumpingregeling, beklemtoond dat verzoeker zowel de belangrijkste importeur van het product waarop de antidumpingmaatregel betrekking had, als de eindgebruiker van het product was, en dat hij moeilijkheden ondervond om zich te bevoorraden bij de enige producent in de Gemeenschap, die bovendien zijn concurrent op de markt van het verwerkte product was.
53 In het reeds aangehaalde arrest Codorníu/Raad heeft het Hof geoordeeld dat een verzoeker die sinds 1924 een exclusief recht heeft op een merk dat hij van oudsher heeft gebruikt, en dat hij niet meer mag gebruiken ten gevolge van een bepaling van een verordening, door die bepaling individueel wordt geraakt.
54 Uit deze arresten blijkt dat het feit alleen dat een verordeningsbepaling de economische activiteit van een onderneming aantast, niet betekent dat die onderneming door die bepaling wordt geraakt. De situaties die het Hof in deze arresten voor ogen had, waren het resultaat van een samenloop van bijzondere omstandigheden die zich in het onderhavige geval niet voordoen. Zo hebben verzoeksters niet aangetoond dat zij werden belet, gebruik te maken van een exclusief recht, zoals het geval was in de zaak die tot het reeds aangehaalde arrest Cordoníu/Raad heeft geleid. En ook al wordt de activiteit betreffende de MIDT - die slechts een afgeleide activiteit van de primaire functie van CRS, namelijk de geautomatiseerde reservering van diensten, is - door de bestreden bepaling ongunstig beïnvloed, verzoeksters hebben niet aangetoond dat zij zich bevinden in een situatie die vergelijkbaar is met die van Extramet Industrie SA op de markt van calciummetaal. In werkelijkheid worden verzoeksters door de betrokken verordening slechts geraakt in hun objectieve hoedanigheid van systeemverkoper, net als de andere ondernemers. In de onderhavige zaak zijn geen elementen voorhanden die vergelijkbaar zijn met de specifieke elementen op basis waarvan is aangenomen dat Extramet Industrie SA en Cordoníu SA individueel werden geraakt door de handelingen waartegen zij opkwamen.
55 Derhalve moet worden geconcludeerd dat verzoeksters niet hebben aangetoond dat zij individueel zijn geraakt door de verordeningsbepaling waarvan zij de nietigverklaring vorderen.
56 Mitsdien moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
57 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vorderingen van verweerder te worden verwezen in hun eigen kosten alsmede in die van laatstgenoemde.
58 Volgens artikel 87, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering dragen de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten. Ondanks de vorderingen van de Commissie dienaangaande dient derhalve te worden beslist dat deze haar eigen kosten zal dragen.
59 Overeenkomstig artikel 87, lid 4, derde alinea, van het Reglement voor de procesvoering dient te worden beslist dat Amadeus haar eigen kosten zal dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoeksters zullen hun eigen kosten alsmede die van verweerder dragen.
3) De interveniënten zullen hun eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy