Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
Kort geding - Opschorting van uitvoering - Voorlopige maatregelen - Voorwaarden - Spoedeisendheid - Ernstige en onherstelbare schade - Bewijslast
(Art. 242 EG en 243 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
Samenvatting
$$De spoedeisendheid van een verzoek in kort geding moet worden getoetst aan de noodzakelijkheid van een voorlopige beslissing ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt. Deze partij moet aantonen, dat zij niet op de uitspraak in de hoofdzaak kan wachten zonder dergelijke schade te lijden.
Om te kunnen beoordelen of de door de verzoeker gestelde schade ernstig en onherstelbaar is, zodat er gronden zijn om bij wijze van uitzondering de uitvoering van een beschikking op te schorten, dient de rechter in kort geding te beschikken over concrete gegevens, die hem in staat stellen te beoordelen, wat waarschijnlijk de gevolgen zullen zijn indien de gevraagde maatregelen niet worden getroffen. (cf. punten 42-43)
Partijen
In zaak T-144/99 R,
Instituut van erkende gemachtigden bij het Europees Octrooibureau, gevestigd te München (Duitsland), vertegenwoordigd door R. Collin en M.-C. Mitchell, advocaten te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Decker en Braun, advocaten aldaar, Avenue Marie-Thérèse 16,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Gippini Fournier, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om opschorting van de uitvoering van artikel 1 van beschikking 1999/267/EG van de Commissie van 7 april 1999 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (zaak IV/36.147 - EPI-gedragscode) (PB L 106, blz. 14), per 23 april 2000,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Toepasselijke bepalingen
1 De raad van bestuur van de Europese Octrooiorganisatie (hierna: Organisatie") heeft krachtens artikel 134, lid 8, sub b, van het op 5 oktober 1973 te München ondertekende verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (hierna: Octrooiverdrag") het reglement betreffende de oprichting van een Instituut van erkende gemachtigden bij het Europees Octrooibureau (EOB) vastgesteld.
2 Het Instituut van erkende gemachtigden bij het EOB (hierna: EPI") heeft tot doel met de Organisatie samen te werken in aangelegenheden die verband houden met het beroep van erkende octrooigemachtigde, inzonderheid op het gebied van het tuchtrecht en het Europees bekwaamheidsexamen, en toezicht te houden op de naleving van de beroepsgedragsregels door zijn leden, met name door het doen van aanbevelingen. Eenieder die ingeschreven staat op de lijst van erkende gemachtigden bij het EOB, is lid van het EPI. Het EOB stelt het EPI in kennis van elke wijziging die op deze lijst wordt aangebracht.
3 Het beroep van erkende octrooigemachtigde bij het EOB is derhalve een in het kader van het EPI georganiseerd en op eenvormige wijze geregeld beroep. In het Octrooiverdrag wordt geen onderscheid gemaakt tussen zelfstandige octrooigemachtigden en octrooigemachtigden die dit beroep in loondienst uitoefenen.
4 Op grond van artikel 134, lid 8, sub c, van het Octrooiverdrag heeft de raad van bestuur van de Organisatie, van oordeel dat het nuttig was regels te geven betreffende de tuchtbevoegdheid van het EPI en het EOB ten aanzien van de erkende octrooigemachtigden, het reglement betreffende de tucht voor erkende gemachtigden van 21 oktober 1977 (hierna: reglement") vastgesteld. Dit reglement stelt in deel I beroepsgedragregels" vast en bepaalt in artikel 1, Algemene beroepsverplichtingen", dat iedere erkende octrooigemachtigde bij het uitoefenen van zijn functie:
- gewetensvol en in overeenstemming met de waardigheid van het beroep te werk moet gaan en zich in het bijzonder moet onthouden van elke valse of misleidende verklaring (lid 1);
- zich op zodanige wijze moet gedragen dat het vertrouwen in het beroep er niet door in gevaar wordt gebracht (lid 2).
5 Een erkende octrooigemachtigde die deze beroepsgedragsregels niet in acht neemt, kan een van de volgende straffen oplopen: waarschuwing, berisping, geldboete of schrapping voor bepaalde of onbepaalde tijd van de lijst van erkende octrooigemachtigden (artikel 4 van het reglement).
6 Van inbreuken op de beroepsgedragsregels nemen kennis de tuchtcommissie van het EPI, de tuchtraad van het EOB en de kamer van beroep van het EOB uitspraak doende in tuchtzaken (artikel 5 van het reglement).
7 Krachtens de artikelen 1 tot en met 4 van het reglement en artikel 4, sub c, van het reeds aangehaalde reglement betreffende de oprichting van het EPI, heeft het EPI een beroepsgedragscode (hierna: code") vastgesteld.
8 De raad van bestuur van het EPI kan de code naar eigen goeddunken en zonder enige machtiging van het EOB wijzigen.
9 De code beoogt de gedragingen en andere werkzaamheden van de leden van het EPI te regelen voorzover deze verband houden met het Octrooiverdrag.
10 In de in casu relevante versie van de code, te weten de code zoals hij op 30 september en 3 oktober 1997 is gewijzigd, wordt bepaald:
Artikel 2 - Reclame
a) Reclame is in het algemeen geoorloofd, voorzover zij waarheidsgetrouw, objectief en in overeenstemming met de basisbeginselen van eerlijkheid en eerbiediging van het beroepsgeheim is.
b) De volgende reclame is bij wijze van uitzondering niet geoorloofd:
1) vergelijking van de beroepsdiensten van een lid met die van een ander lid;
(...)
3) vermelding van een andere beroepsuitoefenaar, tenzij er een schriftelijke samenwerkingsovereenkomst tussen het lid en deze beroepsuitoefenaar bestaat;
(...)
Artikel 5 - Betrekkingen met andere leden
(...)
c) Een lid moet elke gedachtewisseling over een concrete zaak waarvan het weet of vermoedt dat deze door een ander lid wordt of is behandeld, met de betrokken cliënt vermijden, tenzij de cliënt de wens te kennen geeft een onafhankelijk advies in te winnen of van gemachtigde te veranderen. Het lid mag het andere lid hiervan slechts met de instemming van de cliënt in kennis stellen.
(...)"
Feiten en procedure
11 Op 14 oktober 1997 meldde het EPI de laatste versie van de code, te weten de code zoals hij op 30 september en 3 oktober 1997 is gewijzigd, bij de Commissie aan met het oog op het verkrijgen van een negatieve verklaring of, bij gebreke daarvan, een ontheffing van het verbod van mededingingsregelingen.
12 Op 7 april 1999 gaf de Commissie beschikking 1999/267/EG inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (zaak IV/36.147 - EPI-gedragscode) (PB L 106, blz. 14; hierna: bestreden beschikking").
13 Artikel 1 van de bestreden beschikking bepaalt:
Het bepaalde in artikel 85, lid 1, van het EG-Verdrag en in artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst wordt op grond van artikel 85, lid 3, van het EG-Verdrag en artikel 53, lid 3, van de EER-Overeenkomst buiten toepassing verklaard voor de bepalingen [van de gedragscode], in de op 30 september en 3 oktober 1997 aangenomen versie hiervan, die de leden verbieden vergelijkende reclame te maken (artikel 2, [sub] b, punten 1 en 3), alsmede voor artikel 5, [sub] c, voorzover deze bepaling het aanbieden van diensten aan gebruikers die voor een specifieke zaak reeds cliënt van andere gemachtigden zijn geweest, kan verbieden of bemoeilijken.
Deze vrijstelling wordt verleend vanaf 14 oktober 1997 tot 23 april 2000."
14 Bij artikel 2 van de bestreden beschikking wordt voor de andere bepalingen van de code een negatieve verklaring gegeven.
15 Bij op 14 juni 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoeker krachtens artikel 230 EG een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden beschikking ingesteld, namelijk voorzover die beschikking artikel 2, sub b, punten 1 en 3, en artikel 5, sub c, van de code betreft (zaak T-144/99).
16 Bij brief van 28 januari 2000 heeft verzoeker de Commissie verzocht de gevolgen van de bestreden beschikking op te schorten tot het Gerecht uitspraak zal hebben gedaan in zaak T-144/99.
17 Bij brief van 17 februari 2000 heeft de Commissie dat verzoek afgewezen.
18 Bij op 6 maart 2000 ter griffie neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoeker krachtens artikel 242 EG om opschorting van de uitvoering van artikel 1 van de bestreden beschikking per 23 april 2000 verzocht.
19 Op 17 maart 2000 heeft de Commissie haar opmerkingen over dit verzoek in kort geding ingediend.
20 Op 28 maart 2000 heeft verzoeker zijn opmerkingen in antwoord op de opmerkingen van de Commissie ingediend.
21 Bij brief van 5 april 2000 heeft de Commissie haar antwoord op verzoekers laatste opmerkingen ingediend.
In rechte
22 Krachtens de artikelen 242 EG en 243 EG juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB L 144, blz. 21), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, de opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
23 Artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt dat de verzoeken om voorlopige maatregelen een duidelijke omschrijving moeten bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt (fumus boni juris). Deze voorwaarden zijn cumulatief, zodat een verzoek om opschorting van de uitvoering moet worden afgewezen wanneer aan één voorwaarde niet is voldaan (beschikking van de president van het Gerecht van 30 juni 1999, Alpharma/Raad, T-70/99 R, Jurispr. blz. II-2027, punt 42). De rechter in kort geding verricht in voorkomend geval ook een afweging van de betrokken belangen (beschikking van de president van het Hof van 29 juni 1999, Italië/Commissie, C-107/99 R, Jurispr. blz. I-4011, punt 59; beschikkingen van de president van het Gerecht van 21 juli 1999, DSR-Senator Lines/Commissie, T-191/98 R, Jurispr. blz. II-2531, punt 22, en 25 november 1999, Martinez en de Gaulle/Parlement, T-222/99 R, Jurispr. blz. II-3397).
24 Onderzocht moet worden of deze voorwaarden in casu zijn vervuld.
Argumenten van partijen
De ontvankelijkheid
25 De Commissie wijst erop dat artikel 1 van de bestreden beschikking niet alleen op 23 april 2000 komt te vervallen en na die datum geen rechtgevolgen meer zal sorteren, maar ook een voor verzoeker gunstige maatregel is. Zij vraagt zich derhalve af, of het verzoek in kort geding wel ontvankelijk is.
26 Verder betoogt zij dat het verzoek in kort geding slechts zin heeft indien het aldus wordt uitgelegd dat verzoeker van de rechter in kort geding een verklaring vraagt die kan worden gelijkgesteld met hetzij een door de gemeenschapsrechter verleende ontheffing hetzij een soort voorlopige negatieve verklaring" met betrekking tot de omstreden bepalingen van de code. Met zijn verzoek vordert verzoeker van de rechter in kort geding immers dat deze een bepaling van het EG-Verdrag, namelijk het verbod van artikel 81, lid 1, EG, te zijnen aanzien schorst". De Commissie wijst er evenwel op dat volgens de rechtspraak een verzoek in kort geding dat erop is gericht een voorlopige machtiging te verkrijgen, verder gaat dat hetgeen de verzoeker met zijn beroep in de hoofdzaak kan verkrijgen (beschikking Hof van 12 mei 1959, Geitling Ruhrkohlen-Verkaufsgesellschaft e.a./Hoge Autoriteit, 19/59 R, Jurispr. 1960, blz. 85). Zo blijkt uit de rechtspraak (beschikking van de president van het Gerecht van 7 juni 1991, Vichy/Commissie, T-19/91 R, Jurispr. blz. II-265, punt 20) dat een beschikking tot opheffing van boete-immuniteit, die de Commissie heeft gegeven op grond van artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204), op zichzelf geen bevel inhoudt en geen uitvoering behoeft. De stilzwijgende vaststelling van onverenigbaarheid met artikel 81, lid 1, EG die in de bestreden beschikking zou voorkomen, komt derhalve ook niet in aanmerking voor opschorting van uitvoering.
27 Verzoeker wijst erop dat artikel 1 van de bestreden beschikking overduidelijk rechtsgevolgen sorteert die als zodanig het voorwerp van een verzoek om opschorting kunnen zijn, ook al worden die rechtsgevolgen niet uitdrukkelijk genoemd. Verzoeker kan de code na 23 april 2000 niet ongewijzigd handhaven zonder te kwader trouw te zijn en het gevaar te lopen dat hem een geldboete wordt opgelegd.
De fumus boni juris
28 Om aan te tonen dat zijn vorderingen aanvankelijk gegrond voorkomen, voert verzoeker hoofdzakelijk twee middelen aan.
29 Hij voert allereerst aan dat de Commissie haar motiveringsplicht niet is nagekomen en ipso facto wezenlijke vormvoorschriften heeft geschonden door niet uit leggen waarom de uitvoering van het verbod van vergelijkende reclame in de code in strijd is met het gemeenschapsrecht, en inzonderheid met artikel 81 EG, terwijl richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake misleidende reclame (PB L 250, blz. 17), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 1997 (PB L 290, blz. 18), toestaat dat aan vrije beroepen het gebruik van vergelijkende reclame wordt verboden.
30 Verder voert hij aan dat de Commissie de regels van het EG-Verdrag, met name artikel 81 EG, en de ter uitvoering daarvan vastgestelde rechtsregels heeft geschonden door te verklaren dat artikel 2, sub b, punten 1 en 3, en artikel 5, sub c, van de code in strijd zijn met artikel 81, lid 1, EG, terwijl:
- enerzijds richtlijn 97/55 uitdrukkelijk voorziet in het recht om vrije beroepen het gebruik van vergelijkende reclame te verbieden, hetgeen onderstelt dat een dergelijk verbod niet in strijd is met artikel 81, lid 1, EG, en
- anderzijds die bepalingen, die in het algemeen belang opgelegde deontologische verplichtingen bevatten, naar hun aard een element van mededinging bevatten dat in overeenstemming is met dit artikel.
31 Subsidiair stelt verzoeker dat de Commissie enerzijds haar motiveringsplicht niet is nagekomen en anderzijds artikel 81, lid 3, EG en artikel 8 van verordening nr. 17 heeft geschonden door slechts voorlopig ontheffing te verlenen voor de twee omstreden bepalingen om hem in staat te stellen de code te wijzigen, ofschoon blijvend was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, lid 3, EG.
32 De Commissie stelt vast dat verzoeker slechts de in het verzoekschrift in de hoofdzaak uiteengezette argumenten herhaalt. Zij vraagt zich derhalve af of dit wel verenigbaar is met artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering. Tot slot stelt de Commissie dat aangezien het verzoek in kort geding geen nadere gegevens bevat over de fumus boni juris, zij daarover niet meer kan zeggen.
De spoedeisendheid
33 Volgens verzoeker is de opschorting van de uitvoering van artikel 1 van de bestreden beschikking overduidelijk spoedeisend. De wijzigingen die hij aan de code moet aanbrengen om vergelijkende reclame en actieve werving bij cliënten van andere erkende octrooigemachtigden mogelijk te maken, zullen onomkeerbare gevolgen hebben voor zijn leden.
34 Wat de mededinging betreft, betoogt verzoeker dat die wijzigingen zullen leiden tot de uitschakeling van de kleine kantoren die niet voldoende financiële draagkracht hebben om het hoofd te bieden aan de vergelijkende reclame en de daaruit voortvloeiende denigrering, alsmede aan de actieve werving van cliënten, en dit in nadeel van de cliënten zelf. Deze wijzigingen zullen ook een blijvende negatieve invloed hebben op de cliënten, met name wat het imago betreft.
35 Ten slotte stelt verzoeker dat het voor de beroepsgroep moeilijk zal om, wanneer die praktijken eenmaal ingang hebben gevonden, terug te keren naar de status quo ante, en dat een dergelijke terugkeer naar de status quo ante in de praktijk nagenoeg niet zal kunnen worden gecontroleerd, met name wegens de zeer grote geografische spreiding van de erkende octrooigemachtigden.
36 Hij concludeert hieruit dat de wijzigingen die aan de code moeten worden aangebracht, kennelijk onherstelbare schade zullen toebrengen aan de belangen van de beroepsgroep die hij vertegenwoordigt, en aan die van het publiek aangezien de juistheid van dergelijke reclame nagenoeg niet kan worden gecontroleerd.
37 Volgens de Commissie is de voorwaarde van spoedeisendheid niet vervuld. Zij wijst in dit verband op de tijd die is verstreken tussen de vaststelling van de bestreden beschikking en de indiening van het verzoek in kort geding. In die tijd had verzoeker nieuwe regels kunnen vaststellen die verenigbaar zijn met artikel 81, lid 1, EG, bij de Commissie regels kunnen aanmelden die voldeden aan de voorwaarden voor ontheffing voor langere tijd, of verlenging van de ontheffing kunnen vragen.
38 De Commissie concludeert daaruit dat zelfs al zou er spoedeisendheid zijn, deze te wijten is aan de passiviteit van verzoeker.
39 Verder betoogt de Commissie dat verzoeker niet heeft aangetoond dat er een gevaar voor ernstige en onherstelbare schade bestaat.
Beoordeling door de rechter in kort geding
40 Zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de eventuele niet-ontvankelijkheid van dit verzoek, dient eerst de spoedeisendheid te worden onderzocht.
41 In dit verband zij er allereerst aan herinnerd dat de beoordeling van het belang dat een verzoeker bij de gevraagde maatregelen heeft, bijzonder belangrijk is in het kader van een procedure in kort geding.
42 Welnu, volgens vaste rechtspraak moet de spoedeisendheid van een verzoek in kort geding worden getoetst aan de noodzakelijkheid van een voorlopige beslissing ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt. Deze partij moet aantonen dat zij niet op de uitspraak in de hoofdzaak kan wachten zonder dergelijke schade te lijden (beschikking van de president van het Gerecht van 9 augustus 1999, Sociedade Agrícola dos Arinhos e.a./Commissie, T-38/99 R - T-42/99 R, T-45/99 R en T-48/99 R, Jurispr. blz. II-2567, punt 42).
43 Om te kunnen beoordelen of de door de verzoeker gestelde schade ernstig en onherstelbaar is, zodat er gronden zijn om bij wijze van uitzondering de uitvoering van een beschikking op te schorten, dient de rechter in kort geding te beschikken over concrete gegevens die hem in staat stellen te beoordelen wat waarschijnlijk de specifieke gevolgen zullen zijn indien de gevraagde maatregelen niet worden getroffen (beschikkingen van de president van de uitgebreide Vierde kamer van het Gerecht van 2 april 1998, Arbeitsgemeinschaft Deutscher Luftfahrt-Unternehmen en Hapag-Lloyd/Commissie, T-86/96 R, Jurispr. blz. II-641, blz. 64, en van de president van de Tweede kamer van het Gerecht van 16 juli 1999, Hortiplant/Commissie, T-143/99 R, Jurispr. blz. II-2451, punt 18).
44 Met betrekking tot zijn stelling dat de aan de code aan te brengen wijzigingen onomkeerbare gevolgen zouden hebben voor de mededinging, met name de uitschakeling van de kleine kantoren, heeft verzoeker geen gegevens aangedragen die voorlopige maatregelen kunnen rechtvaardigen. Hij heeft geen enkel economisch of boekhoudkundig gegeven met betrekking tot de betrokken kantoren overgelegd dat de rechter in kort geding in staat stelt zelf een voldoende gefundeerde voorspelling te doen over de kansen dat deze kantoren van de mededinging worden uitgesloten (beschikking van de president van het Gerecht van 2 oktober 1997, Eurocoton e.a./Raad, T-213/97 R, Jurispr. blz. II-1609, punt 47).
45 Aangaande de gestelde onomkeerbare gevolgen met betrekking tot de cliënten, met name wat het imago betreft, en de gestelde aantasting van de belangen van het publiek in het algemeen, zij eraan herinnerd dat uit de bestreden beschikking (overweging 48) blijkt dat de Commissie een overgangsperiode heeft vastgesteld om de gemachtigden in staat te stellen zich geleidelijk aan de nieuwe situatie aan te passen, en om te voorkomen dat bij de gebruiker het risico voor verwarring ontstaat, dat schadelijk kan zijn voor het beeld dat de leden van de beroepsgroep geven van de instellingen waarbij zij hun cliënten vertegenwoordigen", een risico dat zou kunnen ontstaan bij een plotselinge overgang. Verzoeker heeft evenwel geen enkel concreet gegeven aangedragen op grond waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat de tijdelijkheid van de ontheffing voor de twee omstreden bepalingen van de code ernstige en onherstelbare schade ten aanzien van de cliënten dreigt te veroorzaken niettegenstaande in een overgangsperiode van meer dan een jaar is voorzien. Bovendien heeft hij niet uitgelegd waarom die overgangsperiode niet is benut om verlenging van de betrokken ontheffing te vragen of om zich aan de bestreden beschikking aan te passen.
46 Ten slotte toont verzoeker evenmin ernstige en onherstelbare schade aan door zonder nadere motivering te stellen dat de beroepsgroep moeilijkheden zal ondervinden om, wanneer de code eenmaal is gewijzigd, terug te keren naar de status quo ante, en dat het nagenoeg onmogelijk zal zijn een dergelijke terugkeer in de praktijk te controleren, met name wegens de zeer grote geografische spreiding van de erkende octrooigemachtigden.
47 Uit het voorgaande volgt dat verzoeker niet aannemelijk heeft weten te maken dat hij zonder de gevraagde voorlopige maatregelen ernstige en onherstelbare schade zal lijden.
48 Mitsdien moet het verzoek in kort geding worden afgewezen zonder dat behoeft te worden onderzocht of de andere voorwaarden voor opschorting van uitvoering zijn vervuld.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten worden aangehouden.
Full & Egal Universal Law Academy