Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Beroep tot nietigverklaring - Beroep tegen beschikking van Commissie waarbij partijen bij overeenkomst tussen ondernemingen wordt toegestaan deze toe te passen - Machtiging voor beperkte periode die tijdens procedure in rechte is vervallen - Overeenkomst die niet is toegepast - Beroep dat zonder voorwerp is geraakt - Afdoening zonder beslissing
(Art. 230 EG; verordening nr. 1017/68 van de Raad, art. 12, lid 3)
Samenvatting
$$Een beroep strekkende tot nietigverklaring van een beschikking waarbij de Commissie heeft geoordeeld dat er geen ernstige twijfel bestaat betreffende sommige bepalingen van een overeenkomst welke onder de werkingssfeer van verordening nr. 1017/68 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren vallen, is zonder voorwerp geraakt en behoeft bijgevolg geen afdoening meer, wanneer de vrijstelling die eruit voortvloeide, volgens artikel 12, lid 3, van deze verordening slechts gold voor een beperkte periode welke tijdens de procedure in rechte is verstreken, en de betrokken bepalingen bovendien door de partijen bij de overeenkomst nooit werden toegepast.
( cf. punten 34, 38 )
Partijen
In zaak T-224/99,
The European Council of Transport Users ASBL, gevestigd te Brussel (België),
The Freight Transport Association Ltd, gevestigd te Tunbridge Wells (Verenigd Koninkrijk),
Association des utilisateurs de transport de fret (AUTF), gevestigd te Parijs (Frankrijk),
Industriförbundet, gevestigd te Stockholm (Zweden),
vertegenwoordigd door M. Clough QC, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
ondersteund door
Atlantic Container Line AB, gevestigd te Göteborg (Zweden),
Hapag-Lloyd AG, gevestigd te Hamburg (Duitsland),
Mediterranean Shipping Company SA, gevestigd te Genève (Zwitserland),
A. P. Møller-Mærsk Line, gevestigd te Kopenhagen (Denemarken),
Nippon Yusen Kaisha, gevestigd te Tokyo (Japan),
Orient Overseas Container Line (UK) Ltd, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),
P & O Nedlloyd Container Line Ltd, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),
vertegenwoordigd door J. Pheasant en M. Levitt, solicitors, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënten,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van de bij brief van 6 augustus 1999 aan verzoeksters medegedeelde beschikking van de Commissie, dat er geen ernstige twijfel in de zin van artikel 12, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1017/68 van de Raad van 19 juli 1968 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PB L 175, blz. 1) bestaat betreffende de herziene versie van het Trans-Atlantic Conference Agreement (TACA),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, J. Azizi en M. Jaeger, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Rechtskader
1 Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1017/68 van de Raad van 19 juli 1968 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PB L 175, blz. 1) bepaalt:
Op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren is deze verordening van toepassing op overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, welke tot doel of ten gevolge hebben, het bepalen van vrachtprijzen en vervoersvoorwaarden, het beperken of controleren van het vervoersaanbod, het verdelen van de vervoersmarkten, de toepassing van technische verbeteringen of de technische samenwerking, de gemeenschappelijke financiering of verwerving van materieel of benodigdheden voor vervoer, die rechtstreeks verband houdt met vervoersprestaties, voorzover zulks noodzakelijk is voor de gemeenschappelijke exploitatie van een groep ondernemingen voor vervoer over de weg of over de binnenwateren zoals omschreven in artikel 4, en op machtsposities op de vervoersmarkt. Deze verordening is eveneens van toepassing op handelingen van tussenpersonen in het vervoer welke hetzelfde doel of dezelfde gevolgen hebben als bovengenoemde."
2 Artikel 2 van verordening nr. 1017/68 bepaalt:
Behoudens het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 6, zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden, zonder dat daartoe enige voorafgaande beschikking is vereist, alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen, welke de handel tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, en met name die welke bestaan uit :
a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van vrachtprijzen en vervoersvoorwaarden of van andere contractuele voorwaarden,
[...]."
3 Artikel 5 van verordening nr. 1017/68 luidt als volgt:
Het verbod van artikel 2 kan met terugwerkende kracht buiten toepassing worden verklaard
- voor elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen,
- voor elk besluit of groep van besluiten van ondernemersverenigingen,
- voor elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen,
die bijdragen
- tot verbetering van de kwaliteit van de vervoersdiensten, of
- tot bevordering van een grotere continuïteit en stabiliteit in en de bevrediging van de vervoersbehoeften, op markten die onderhevig zijn aan sterke schommelingen in de tijd van vraag en aanbod, of
- tot verhoging van de productiviteit der ondernemingen, of
- tot bevordering van de technische of economische vooruitgang mits daarbij in redelijke mate rekening wordt gehouden met de belangen der gebruikers en zonder nochtans
a) de betrokken vervoersondernemingen beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn,
b) aan deze ondernemingen de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken vervoersmarkt, de mededinging uit te schakelen."
4 Artikel 11, lid 4, van verordening nr. 1017/68 bepaalt: Indien de Commissie op grond van een naar aanleiding van een klacht of ambtshalve ingeleide procedure concludeert dat een overeenkomst, een besluit of een onderling afgestemde feitelijke gedraging voldoet aan de voorwaarden van artikel 2 en van artikel 5, geeft zij een beschikking tot toepassing van artikel 5. In deze beschikking is de datum vermeld, met ingang waarvan zij in werking treedt. Dit kan een vroegere datum zijn dan die van de beschikking."
5 Artikel 12 van verordening nr. 1017/68 luidt als volgt:
1. Ondernemingen en ondernemersverenigingen die ten gunste van de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, als bedoeld in artikel 2 en waaraan zij deelnemen, een beroep wensen te doen op artikel 5, kunnen een verzoek bij de Commissie indienen.
2. Indien de Commissie het verzoek ontvankelijk acht, maakt zij, zodra zij over alle stukken van het dossier beschikt en op voorwaarde dat er geen procedure op grond van artikel 10 tegen de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging is ingeleid, zo spoedig mogelijk in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen de essentiële inhoud van het verzoek bekend en nodigt zij alle belanghebbende derden uit, haar binnen 30 dagen hun opmerkingen kenbaar te maken. Bij de bekendmaking wordt rekening gehouden met het rechtmatige belang van de ondernemingen dat hun zakengeheimen niet aan de openbaarheid worden prijsgegeven.
3. Indien de Commissie niet binnen een termijn van 90 dagen na de dag van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen de verzoekers mededeelt dat er ten aanzien van de toepasselijkheid van artikel 5 ernstige twijfel bestaat, wordt de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging zoals in het verzoek beschreven, geacht voor de voorafgaande tijd en voor ten hoogste drie jaar na de dag van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van het verbod vrijgesteld te zijn.
Indien de Commissie na het verstrijken van de termijn van 90 dagen, maar vóór het verstrijken van de termijn van drie jaar vaststelt dat aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 5 niet is voldaan, geeft zij een beschikking waarbij het verbod van artikel 2 van toepassing wordt verklaard. Deze beschikking kan terugwerkende kracht hebben indien de betrokkenen onjuiste gegevens hebben verstrekt of indien zij misbruik maken van de vrijstelling van artikel 2.
4. Wanneer de Commissie binnen deze termijn van 90 dagen de verzoekende ondernemingen de in de eerste alinea van lid 3 bedoelde mededeling heeft toegezonden, onderzoekt zij of de voorwaarden van artikel 2 en van artikel 5 zijn vervuld.
Indien zij vaststelt dat aan de voorwaarden van artikel 2 en van artikel 5 is voldaan, geeft zij een beschikking tot toepassing van artikel 5. In deze beschikking is de datum vermeld, met ingang waarvan zij in werking treedt. Dit kan een vroegere datum zijn dan die van het verzoek."
6 Op 22 december 1986 heeft de Raad verordening (EEG) nr. 4056/86 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen [81] en [82] van het Verdrag op het zeevervoer (PB L 378, blz. 1) vastgesteld.
7 Artikel 12 van verordening nr. 4056/86 stelt een soortgelijke verzetprocedure vast als die waarin artikel 12 van verordening nr. 1017/68 voorziet. Volgens deze bepalingen wordt, indien de Commissie de ondernemingen die een aanmelding hebben gedaan, niet binnen 90 dagen, te rekenen vanaf de dag van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, mededeelt dat ten aanzien van de toepasselijkheid van artikel 81, lid 3, EG ernstige twijfel bestaat, de overeenkomst geacht voor een periode van ten hoogste drie jaar van het verbod vrijgesteld te zijn uit hoofde van verordening nr. 1017/68 (wat de beperkingen van de mededinging voor het vervoer over land betreft) en van ten hoogste zes jaar uit hoofde van verordening nr. 4065/86 (wat de beperkingen van de mededinging voor het zeevervoer betreft welke niet worden gedekt door de in artikel 3 van de verordening voorziene groepsvrijstelling).
Feiten
8 Het Trans-Atlantic Conference Agreement (TACA) is een overeenkomst tussen een aantal lijnvaartondernemingen met betrekking tot de wijze waarop zij hun bedrijf voeren. Het regelt het containervervoer op de rechtstreekse verbindingen tussen Noord-Europa (het deel van Europa vanaf de haven van Bayonne noordwaarts) en de Verenigde Staten. Het akkoord voorziet met name in een gezamenlijke tarifering, door de leden van het TACA, van zeevervoersdiensten.
9 De betrokken versie van het TACA is op 29 januari 1999 bij de Commissie aangemeld overeenkomstig de verordeningen nrs. 1017/68 en 4056/86. Het bevat een clausule (in het Engels not below cost rule" genoemd; hierna: litigieuze clausule"), volgens welke de partijen ertoe worden gemachtigd" om overeen te komen dat, wanneer zij tegen het tarief van de conferentie zeevervoersdiensten aanbieden, niemand van hen een prijs mag aanrekenen die lager is dan de rechtstreekse kosten welke hij heeft gedragen voor de landvervoersdiensten die met deze zeevervoersdiensten samenhangen.
10 Op 6 mei 1999 heeft de Commissie op grond van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 4056/86 en artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1017/68 een mededeling in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt, waarbij de belanghebbende derden werden uitgenodigd, haar hun opmerkingen betreffende deze nieuwe overeenkomst kenbaar te maken (PB C 125, blz. 6).
11 Op 4 augustus 1999 heeft de Commissie aan de partijen van het TACA laten weten dat zij ernstige twijfel had omtrent de toepasselijkheid van artikel 81, lid 3, EG op bepaalde aspecten van de overeenkomst welke onder verordening nr. 4056/86 vielen. De Commissie heeft geen bezwaar gemaakt tegen de aspecten van de overeenkomst welke onder verordening nr. 1017/68 vielen. Hieruit volgt dat het TACA, wat laatstgenoemde aspecten betreft, werd geacht met ingang van 6 mei 1999 voor een periode van drie jaar te zijn vrijgesteld.
12 Bij brief van 6 augustus 1999 heeft de Commissie verzoeksters in kennis gesteld van deze beschikking dat er geen ernstige twijfel in de zin van artikel 12, lid 3, van verordening nr. 1017/68 bestond, en van de vrijstelling die hieruit volgde (hierna: bestreden beschikking").
13 Op 14 november 2002 heeft de Commissie beschikking 2003/68/EG inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-overeenkomst (Zaak COMP/37.396/D2 - Herziene TACA) (PB 2003, L 26, blz. 53) gegeven. Uit punt 28 van deze beschikking blijkt dat de litigieuze clausule door de leden van het herziene TACA nooit daadwerkelijk is toegepast.
14 In punt 18 van dezelfde beschikking wordt verklaard dat de partijen bij het herziene TACA bij brief van 3 mei 2002 hebben verzocht om een verlenging van de vrijstelling voor alle aspecten van het herziene TACA die binnen de werkingssfeer van verordening 1017/68 vallen.
Procedure
15 Op 7 oktober 1999 hebben verzoeksters een verzoekschrift neergelegd strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking op grond van artikel 230 EG.
16 Zij concluderen dat het het Gerecht behage:
- de bestreden beschikking nietig te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de door hen gedragen kosten;
- alle voorafgaande instructiemaatregelen te gelasten die het Gerecht noodzakelijk zal achten.
17 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- de vordering niet-ontvankelijk te verklaren;
- subsidiair, de vordering ongegrond te verklaren;
- verzoeksters te verwijzen in de kosten.
18 Bij beschikking van 4 december 2000 heeft de president van de Derde kamer van het Gerecht Atlantic Container Line AB, Hapag-Lloyd AG, Mediterranean Shipping Company SA, A.P. Møller-Mærsk Line, Nippon Yusen Kaisha, Orient Overseas Container Line (UK) Ltd en P& O Nedlloyd Container Line Ltd toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
19 Als maatregel tot organisatie van de procesgang in de zin van artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft het Gerecht partijen bij brief van 13 februari 2003 uitgenodigd, schriftelijk te antwoorden op de vraag of onderhavige zaak hun inziens afdoening behoefde. Partijen hebben binnen de gestelde termijnen aan dit verzoek voldaan.
In rechte
Argumenten van partijen
20 Verzoeksters betogen om te beginnen dat de bestreden beschikking met betrekking tot de litigieuze clausule ongetwijfeld een maatregel is die bindende rechtsgevolgen sorteert welke de belangen van een verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen.
21 Voorts stellen zij dat, ofschoon een door de Commissie verleende vrijstelling noodzakelijkerwijs bindende rechtsgevolgen heeft welke de belangen van een verzoeker, als klant van de begunstigde van de vrijstelling, kunnen aantasten, het Gerecht niettemin gelijk kan hebben wanneer het in zijn vraag suggereert dat de partijen bij het TACA de vrijstelling nutteloos hebben gemaakt door de litigieuze clausule, waarvoor een vrijstelling voor een periode van drie jaar was verleend, nooit toe te passen. Zij voegen daaraan toe dat, al hebben de partijen bij het herziene TACA ervoor gekozen op geen enkele manier voordeel te halen uit de bestreden beschikking - die van kracht blijft zolang zij door het Gerecht niet nietig is verklaard - deze partijen de bestreden beschikking inmiddels mogelijkerwijs zonder voorwerp hebben gemaakt, zodat de onderhavige zaak niet bij arrest hoeft te worden afgedaan.
22 Verzoeksters merken ten slotte op dat, indien het Gerecht van oordeel is dat op het beroep niet behoeft te worden beslist, interveniënten moeten worden verwezen in de kosten.
23 De Commissie voert aan dat, al is de vrijstelling vervallen, het toch niet zeker is dat onderhavige zaak zonder voorwerp is geraakt.
24 Zij merkt op dat de omstandigheid dat de partijen bij het TACA de litigieuze clausule niet hebben toegepast, niet betekent dat de vrijstelling geen rechtsgevolgen in het leven heeft geroepen. Zij beklemtoont dat de vrijstelling als rechtsgevolg heeft gehad dat het betrokken gedrag was toegestaan, en dat de omstandigheid dat de vrijstelling geen praktische uitwerking heeft gekregen, een andere zaak is.
25 De Commissie erkent dat, indien de partijen bij het TACA de mogelijkheid om de litigieuze clausule toe te passen wensen te behouden, zij een nieuwe vrijstelling nodig hebben. Zij wijst er evenwel op dat de partijen bij het TACA bij brief van 3 mei 2002 om verlenging van de vrijstelling hebben gevraagd, dat zij zich hierover dient uit te spreken, en dat het niet is uitgesloten dat zij bij gebreke aan nieuwe feitelijke gegevens dezelfde houding aanneemt als in 1999.
26 De Commissie merkt eveneens op dat verzoeksters eventueel tegen de nieuwe vrijstelling kunnen opkomen en dat de memories, zowel die van verzoeksters als de hare, in dat geval grotendeels identiek zouden kunnen zijn aan die welke in de onderhavige zaak werden neergelegd. In die omstandigheden vraagt de Commissie zich af of het nuttig is, partijen te noodzaken extra procedurekosten te maken.
27 Interveniënten verklaren dat zij zich niet tegen de stopzetting van de procedure verzetten om te voorkomen dat deze nutteloos wordt, onder voorbehoud van vergoeding van hun kosten door verzoeksters.
Beoordeling door het Gerecht
28 Het onderhavige beroep strekt tot nietigverklaring van de bestreden beschikking waarbij de Commissie heeft geoordeeld dat er geen ernstige twijfel bestaat betreffende de bepalingen van de herziene TACA-overeenkomst welke binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1017/68 vallen.
29 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak slechts als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 230 EG, zijn te beschouwen, maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (arresten Hof van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, Jurispr. blz. 2639, punt 9, en 31 maart 1998, France e.a./Commissie, C-68/94 en C-30/95, Jurispr. blz. I-1375, punt 62).
30 Derhalve moet worden onderzocht of de bestreden beschikking bindende rechtsgevolgen in het leven roept.
31 Zoals de Commissie in haar antwoord op de schriftelijke vraag van het Gerecht terecht betoogt, had de bestreden beschikking tot gevolg dat partijen werden gemachtigd de litigieuze clausule toe te passen. In zoverre riep zij bindende rechtsgevolgen in het leven.
32 Uit de bestreden beschikking volgt evenwel dat de litigieuze clausule slechts voor een periode van drie jaar met ingang van 6 mei 1999 was vrijgesteld.
33 Verder blijkt uit beschikking 2003/68 dat de litigieuze clausule door de partijen bij het herziene TACA nooit werd toegepast.
34 Bijgevolg heeft het onderhavige beroep inmiddels betrekking op de rechtmatigheid van een clausule die niet alleen slechts voor een op 5 mei 2002 verstreken periode was vrijgesteld, maar bovendien door de partijen bij het herziene TACA nooit werd toegepast.
35 Opgemerkt moet worden dat indien de partijen bij het herziene TACA na 5 mei 2002 zouden beslissen, de litigieuze clausule toe te passen, zij een nieuwe aanvraag tot vrijstelling moeten indienen, hetgeen zij bij brief van 3 mei 2002 hebben gedaan. De Commissie dient derhalve na een nieuwe analyse van de mededingingsvoorwaarden een nieuwe beschikking inzake vrijstelling te geven, die niet noodzakelijkerwijs op dezelfde overwegingen zal berusten als die welke aan de bestreden beschikking ten grondslag lagen. Verzoeksters zullen bijgevolg kunnen opkomen tegen deze nieuwe beschikking.
36 Daarenboven sorteren de overwegingen op grond waarvan de Commissie vrijstelling heeft verleend voor de litigieuze clausule, geen enkel bindend rechtsgevolg en kunnen zij dan ook op zichzelf niet het voorwerp van een beroep zijn (zie, dienaangaande, arrest Gerecht van 22 maart 2000, Coca-Cola/Commissie, T-125/97 en T-127/97, Jurispr. blz. II-1733, punten 77-92).
37 Ten slotte is de opmerking van de Commissie dat zij ertoe zou kunnen worden gebracht, een nieuwe beschikking te geven die tot een identiek geding leidt, en dat het derhalve niet nodig is partijen tot extra kosten te noodzaken, niet relevant. Deze opmerking berust immers op zuiver hypothetische overwegingen. Zij toont hoe dan ook niet aan dat de bestreden beschikking bindende rechtsgevolgen sorteert.
38 Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de zaak zonder voorwerp is geraakt. Derhalve behoeft zij geen afdoening meer.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
39 Volgens artikel 87, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Gerecht vrijelijk over de kosten wanneer het geding zonder voorwerp is geraakt.
40 In casu is het Gerecht van oordeel dat noch de vordering van verzoeksters tot verwijzing van interveniënten in de kosten, noch deze van interveniënten tot verwijzing van verzoeksters in hun kosten, kunnen worden toegewezen, doch dat moet worden gelast dat elk der partijen haar eigen kosten zal dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1) Op het beroep behoeft niet te worden beslist.
2) Elk der partijen zal haar eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy