Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
1. Kort geding - Opschorting van uitvoering - Voorwaarden - Ernstige en onherstelbare schade - Bewijslast - Beschikking van Commissie waarbij terugvordering van staatssteun wordt gelast - Financiële schade - Daarvan uitgesloten - Inbreuk op rechten van begunstigden - Omvang
(Art. 242 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
2. Kort geding - Opschorting van uitvoering - Opschorting van uitvoering van beschikking waarbij terugvordering van staatssteun wordt gelast - Voorwaarden - Spoedeisendheid - Mogelijkheid dat staat teruggevorderde steun niet terugbetaalt in geval van nietigverklaring van beschikking
(Art. 242 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
3. Kort geding - Opschorting van uitvoering - Opschorting van uitvoering van beschikking van Commissie inzake staatssteun - Complexe en zeer specifieke aard van beschikking - Geen invloed - Volkomen nieuwe elementen - Geen invloed
(Art. 242 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
Samenvatting
1. De spoedeisendheid van een verzoek in kort geding moet worden getoetst aan de vraag, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt.
Het is aan de partij die ernstige en onherstelbare schade stelt, het bestaan daarvan aan te tonen. Er behoeft niet met absolute zekerheid te worden aangetoond dat schade dreigt, doch het is, in het bijzonder wanneer het intreden van de schade afhangt van een geheel van factoren, voldoende dat de schade met een voldoende mate van waarschijnlijkheid valt te voorzien.
Financiële schade kan, behoudens in uitzonderlijke omstandigheden, niet als onherstelbaar worden beschouwd, aangezien een geldelijke vergoeding in de regel volstaat om de gelaedeerde in de vroegere toestand te herstellen.
Voorts is een inbreuk op de rechten van hen die als begunstigden van met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar verklaarde staatssteun worden beschouwd, inherent aan elke beschikking van de Commissie waarbij terugvordering van dergelijke steun wordt gelast, en kan zij niet worden geacht op zich ernstige en onherstelbare schade te berokkenen, los van een concrete beoordeling van de ernst en het onherroepelijke karakter van de in elk betrokken geval gestelde specifieke inbreuk.
( cf. punten 48-50, 52 )
2. De enkele mogelijkheid dat een lidstaat teruggevorderde steun niet terugbetaalt wanneer de beschikking waarbij die terugbetaling is gelast, nietig wordt verklaard, kan niet kenmerkend zijn voor de ingevolge artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering vereiste spoedeisendheid.
( cf. punt 56 )
3. De vermeende rechtsonzekerheid als gevolg van de complexe en zeer specifieke aard van een beschikking van de Commissie inzake staatssteun - omdat daarbij niet de rechtstreekse ontvangers, doch de feitelijke begunstigden wordt gelast de steun terug te betalen - kan de opschorting van de uitvoering van een dergelijke beschikking niet rechtvaardigen.
Ook zo de stelling van de Commissie die aan een dergelijke beschikking ten grondslag ligt, te weten dat erop moet worden toegezien dat de steun bij de werkelijke begunstigden wordt teruggevorderd, volkomen nieuwe elementen bevat, staat het namelijk niet aan de rechter in kort geding om vooruit te lopen op de gegrondheid ervan. Bijgevolg volstaat dit aspect van de beschikking niet om te spreken van een uitzonderlijke omstandigheid die een genuanceerde beoordeling van de spoedeisendheid rechtvaardigt.
( cf. punten 62, 64 )
Partijen
In zaak T-237/99 R,
BP Nederland vof, gevestigd te Rotterdam (Nederland),
BP Direct vof, gevestigd te Alphen aan den Rijn (Nederland),
Actomat BV, gevestigd te Amsterdam (Nederland),
vertegenwoordigd door M. van Empel en M. Smeets, advocaten te Amsterdam, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Harles, Arendt en Medernach, advocaten aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoeksters,
ondersteund door
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. A. Fierstra, assistent juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, Bezuidenhoutseweg 67, 's-Gravenhage (Nederland),
interveniënt,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Rozet, juridisch adviseur, en H. M. H. Speyart, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om gedeeltelijke opschorting van de tenuitvoerlegging van beschikking 1999/705/EG van de Commissie van 20 juli 1999 betreffende staatssteun van Nederland ten behoeve van 633 Nederlandse tankstations in de grensstreek met Duitsland (PB L 280, blz. 87),
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Rechtskader
1 Volgens artikel 87, lid 1, EG zijn met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregelen van de staten verboden. Voorts bepaalt artikel 88, lid 3, EG, dat nieuwe steunvoornemens en voornemens tot wijziging van bestaande steunmaatregelen moeten worden aangemeld bij de Commissie, die ze zal onderzoeken teneinde te beoordelen, of zij verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt.
2 Volgens mededeling 96/C 68/06 van de Commissie inzake de-minimissteun (PB 1996, C 68, blz. 9; hierna: de-minimismededeling") stelt de Commissie een steunniveau in een absoluut bedrag vast; lagere steunbedragen vallen niet onder artikel 87, lid 1, EG en behoeven niet vooraf bij de Commissie te worden aangemeld uit hoofde van artikel 88, lid 3, EG. Het maximumbedrag voor de de-minimissteun bedraagt 100 000 euro gedurende een periode van drie jaar vanaf het tijdstip waarop de eerste steun is uitgekeerd. Op dit bedrag wordt een anti-cumulatieregel toegepast, zodat het alle vormen van overheidssteun omvat die uit hoofde van de de-minimisregel gedurende die periode aan dezelfde begunstigde worden verleend.
Feiten en procesverloop
3 Per 1 juli 1997 heeft de Nederlandse overheid de accijnzen voor benzine, diesel en LPG verhoogd.
4 Om de pomphouders in de grensstreek met Duitsland na die verhoging zoveel mogelijk tegemoet te komen, heeft de Nederlandse minister van Financiën op 21 juli 1997 op de grondslag van de wet van 20 december 1996 tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Staatsblad 1996, 654) de Tijdelijke regeling subsidie tankstations grensstreek Duitsland (Staatscourant 1997, 138; hierna: Tijdelijke regeling") vastgesteld, die met terugwerkende kracht per 1 juli 1997 in werking is getreden.
5 De Tijdelijke regeling voorzag in een subsidie aan de 633 Nederlandse tankstations in de grensstreek met Duitsland (hierna: tankstations in de grensstreek"), waarvan de hoogte werd bepaald aan de hand van zowel de hoeveelheid afgeleverde lichte olie als de afstand van het tankstation uit de tanks waarvan die olie werd afgeleverd, tot de dichtstbijzijnde grensovergang met Duitsland. Zo ontvingen volgens de ministeriële regeling van 15 december 1997 (Staatscourant 1997 nr. 241), waarbij de Tijdelijke regeling per 1 juli 1997 is gewijzigd, tankstations die binnen een afstand van 10 km van de grensovergang gelegen waren 100 NLG (ongeveer 45 euro) per 1 000 liter afgeleverde olie, terwijl tankstations die tussen 10 en 20 km van de grens verwijderd lagen 50 NLG (ongeveer 23 euro) voor dezelfde hoeveelheid ontvingen. De subsidie werd toegekend voor een periode van drie jaar, te weten van 1 juli 1997 tot 1 juli 2000, doch was voor die gehele periode gebonden aan een maximumbedrag van de tegenwaarde in NLG van 100 000 euro per tankstation. De betrokken subsidie beliep in totaal ongeveer 126 miljoen NLG (ongeveer 52,7 miljoen euro).
6 Bij brief van 14 augustus 1997, ingeschreven op 18 augustus daaraanvolgend, liet het Koninkrijk der Nederlanden de Commissie weten, voornemens te zijn de betrokken subsidie aan de tankstations in de grensstreek te verlenen. Volgens de Nederlandse overheid moesten drie categorieën tankstations worden onderscheiden: a) die van de wederverkoper/eigenaar, de zogeheten Do/Do" (dealer owned/dealer operated), waarbij de wederverkoper de eigenaar van het tankstation was; b) die van de wederverkoper/huurder, de zogeheten Co/Do" (company owned/dealer operated), waarbij de wederverkoper huurder van het tankstation was en aan de oliemaatschappij was gebonden door een exclusieve-afnameovereenkomst die was opgesteld overeenkomstig verordening (EEG) nr. 1984/83 van de Commissie van 22 juni 1983 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen exclusieve-afnameovereenkomsten (PB L 173, blz. 5); c) die van de wederverkoper in loondienst, de zogeheten Co/Co" (company owned/company operated), waarbij het tankstation werd geëxploiteerd door werknemers of dochterondernemingen van de oliemaatschappij. Volgens de Nederlandse autoriteiten was de betrokken maatregel in overeenstemming met de in mededeling 96/C 68/06 geformuleerde de-minimisregel, omdat voor de subsidie een maximumbedrag van 100 000 euro per tankstation gold.
7 Na afloop van de in artikel 88 EG bedoelde procedure vroeg de Commissie zich af, of de in de de-minimismededeling neergelegde anti-cumulatieregel in acht was genomen. Volgens haar kon namelijk één en dezelfde wederverkoper meerdere malen op de lijst van begunstigden voorkomen of herhaaldelijk van de steun profiteren door zijn onderneming in verschillende juridische entiteiten op te splitsen. Bovendien hield het toegepaste maximumbedrag geen rekening met de werkelijke begunstigde van de steun wanneer de exclusieve-afnameovereenkomsten een systeem van prijsbeheer (hierna: SPB") bevatten.
8 Bijgevolg gaf de Commissie op 20 juli 1999 beschikking 1999/705/EG betreffende staatssteun van Nederland ten behoeve van 633 Nederlandse tankstations in de grensstreek met Duitsland (PB L 280, blz. 87; hierna: beschikking"), waarin de aan het merendeel van de tankstations in de grensstreek verleende steun onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard.
9 Om te beginnen geeft de Commissie in artikel 1 van de beschikking te kennen, dat 183 tankstations in de grensstreek onder de de-minimisregel vallen. In artikel 2 van de beschikking daarentegen verklaart zij, dat de aan de 450 overige tankstations toegekende steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Laatstbedoelde tankstations, waarvan er 250 zijn ingedeeld in de categorie waarvoor de Nederlandse autoriteiten onvoldoende informatie aan de Commissie hadden verstrekt, worden in de bijlage bij de beschikking opgesomd en als aanvragers van een subsidie" aangeduid.
10 Met betrekking tot de 250 tankstations waarvoor de Commissie geen of onvoldoende informatie zegt te hebben ontvangen, wordt in punt 65 van de considerans van de beschikking vermeld, dat een merkbare invloed op het handelsverkeer en de mededinging tussen de lidstaten in de zin van de de-minimismededeling niet kan worden uitgesloten. Derhalve wordt de aan die tankstations uitgekeerde steun in artikel 2, sub a, van de beschikking onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard.
11 Met betrekking tot de 200 tankstations waarbij zich cumulatie van steun zou hebben voorgedaan, maakt de Commissie in artikel 2, sub b en c, van de beschikking onderscheid tussen de categorieën Co/Co en Do/Do.
12 Voor de categorie Co/Co zou de cumulatie volgens artikel 2, sub b, van de beschikking het gevolg zijn van het feit, dat dezelfde oliemaatschappij verscheidene tankstations in eigendom heeft en exploiteert. Het gaat daarbij om zuivere Co/Co's". Hiertoe behoort volgens de Commissie ook de situatie van de exploitant die, hoewel het strikt genomen niet om een Co/Co-tankstation gaat, meer dan éénmaal een aanvraag voor steun heeft ingediend en daarom verscheidene malen op de lijst van voor subsidie in aanmerking komende begunstigden voorkomt. Haars inziens kan die exploitant worden gerangschikt als feitelijke Co/Co".
13 Volgens de Commissie behoren in totaal 49 tankstations tot de categorie van zuivere Co/Co- of feitelijke Co/Co-tankstations.
14 Wat de Do/Do-tankstations betreft, verklaart de Commissie in punt 83 van de considerans van de beschikking, dat er een risico van cumulatie van steun op het niveau van de oliemaatschappij bestaat telkens wanneer een SPB van toepassing is, dat wil zeggen in 71 gevallen. Volgens artikel 2, sub c, van de beschikking is de in die gevallen toegekende steun derhalve onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.
15 In de punten 84 en 85 van de considerans van de beschikking merkt de Commissie op, dat clausules waarmee in het kader van exclusieve-afnameovereenkomsten een SPB wordt ingevoerd, de omzet van de pomphouder dienen te beschermen tegen concurrerende verkoop in de directe nabijheid van zijn tankstation. In dergelijke clausules wordt veelal bepaald, dat de oliemaatschappij een deel van de kosten van de door de pomphouder aan het tappunt verleende prijskorting voor haar rekening kan nemen, mits de voorwaarden op de markt een tijdelijke of blijvende aanpassing van een dergelijke korting wenselijk of noodzakelijk maken. Die clausules verplichten de leverancier dus, de pomphouder althans gedeeltelijk compensatie te verschaffen voor verliezen die deze heeft geleden ten gevolge van buitengewone marktvoorwaarden, waaronder door wettelijke verplichtingen veroorzaakte marktvoorwaarden, zoals accijnsverhogingen. Door het verlenen van de betrokken steun aan de pomphouders compenseert de Nederlandse regering haars inziens in feite de leverancier geheel of gedeeltelijk voor de verplichtingen die deze uit hoofde van het SPB jegens de pomphouders heeft.
16 Wat de Co/Do-tankstations betreft, merkt de Commissie in punt 86 van de considerans van de beschikking op, dat er een risico van cumulatie van steun op het niveau van de oliemaatschappij bestaat telkens wanneer de exclusieve-afnameovereenkomsten voorzien in een clausule waarmee een SPB wordt ingevoerd of de wederverkopers een bepaald inkomen wordt gegarandeerd. Voor 80 tankstations die zich in die situatie bevinden, wordt de desbetreffende steun in artikel 2, sub d, van de beschikking onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard.
17 Volgens artikel 2, laatste alinea, van de beschikking zijn in geval van aan de Do/Do- en Co/Do-tankstations toegekende steun de feitelijke ontvangers de respectieve oliemaatschappijen waarmee deze tankstations exclusieve-afnameovereenkomsten hebben gesloten", en blijkt [u]it de in de bijlage opgenomen lijst (...) om welke oliemaatschappijen het in elk afzonderlijk geval gaat".
18 Volgens artikel 3 van de beschikking moet het Koninkrijk der Nederlanden alle nodige maatregelen treffen om de aan de betrokken tankstations toegekende steun overeenkomstig de procedures van het nationale recht terug te vorderen, met inbegrip van de over het terug te vorderen bedrag verschuldigde rente vanaf de datum van toekenning van de steun. Ingevolge artikel 4 van de beschikking is het Koninkrijk der Nederlanden verplicht, de Commissie de maatregelen mee te delen die het heeft getroffen om aan de beschikking te voldoen.
19 Verzoeksters, drie vennootschappen naar Nederlands recht, zijn actief op de Nederlandse markt voor levering van lichte olie aan tankstations.
20 Op 11 oktober 1999 heeft het Koninkrijk der Nederlanden krachtens artikel 230, tweede alinea, EG bij het Hof beroep ingesteld (ingeschreven onder nummer C-382/99) tot nietigverklaring van de artikelen 2 en 3 van de beschikking.
21 Bij op 15 oktober 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegd en onder nummer T-237/99 ingeschreven verzoekschrift hebben verzoeksters op grond van artikel 230, vierde alinea, EG beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beschikking. Voorts zijn bij het Gerecht nog 73 beroepen met hetzelfde voorwerp aanhangig gemaakt.
22 Bij beschikking van 9 maart 2000 heeft de president van de Eerste kamer (uitgebreid) van het Gerecht overeenkomstig artikel 47, derde alinea, van 's Hofs Statuut-EG zowel in zaak T-237/99 als in de overige bij hem ingestelde beroepen schorsing van de behandeling gelast tot de uitspraak van het arrest van het Hof in zaak C-382/99.
23 In de tussentijd heeft het Koninkrijk der Nederlanden de procedure ingeleid tot terugvordering van de betrokken steun van de in artikel 2, sub a, van de beschikking bedoelde tankstations. Zo is op 15 augustus 2000 aan Actomat BV een intrekkings- en terugvorderingsbesluit betekend betreffende de aan de tankstations in haar eigendom uitgekeerde steun.
24 Bij op 26 september 2000 ter griffie van het Gerecht ingeschreven akte hebben verzoeksters verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking totdat het Gerecht zich in de hoofdzaak zal hebben uitgesproken.
25 Op 6 oktober 2000 heeft de Commissie haar opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend.
26 Het Koninkrijk der Nederlanden heeft op 19 oktober 2000 verzocht om toelating tot interventie in de procedure in kort geding ter ondersteuning van de conclusies van verzoeksters. Bij beschikking van diezelfde dag heeft de president van het Gerecht partijen verzocht hun eventuele opmerkingen over dit verzoek kenbaar te maken.
27 Ter terechtzitting van 23 oktober 2000 heeft de president van het Gerecht het verzoek om toelating tot interventie ingewilligd en zijn partijen, met inbegrip van interveniënt, in hun mondelinge opmerkingen gehoord.
In rechte
28 Alvorens op dit verzoek in kort geding uitspraak te doen, moet het voorwerp ervan nauwkeurig worden afgebakend.
29 Verzoeksters hebben geconcludeerd tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking tot de uitspraak van het arrest van het Gerecht in de hoofdzaak.
30 Ter terechtzitting hebben verzoeksters nauwkeurig onder woorden gebracht, wat hun belang is bij nietigverklaring van artikel 3 van de beschikking, voor zover dit op hen betrekking heeft. Zo hebben zij verklaard, dat zij alle drie deel uitmaken van het BP-concern in Nederland, hetzij als dochteronderneming van BP Nederland BV, hetzij als gemeenschappelijke onderneming (joint venture) van die vennootschap en van Mobil Oil BV. Wat de in Nederland onder het merk BP opererende tankstations betreft, is Actomat eigenaresse van de Co/Co-tankstations, terwijl BP Nederland en BP Direct vof de leveranciers zijn van de Do/Do-tankstations respectievelijk de Co/Do-tankstations.
31 Bijgevolg hebben zij geconcludeerd, dat hun verzoek in kort geding aldus moet worden begrepen, dat het uitsluitend is gericht op opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking voor zover die betrekking heeft op de terugvordering van de steun die is uitgekeerd aan de tankstations die hun eigendom zijn of waaraan zij via exclusieve-afnameovereenkomsten met SPB-clausule zijn gebonden.
32 Gelet op deze precisering, heeft de Commissie laten weten, verzoeksters' belang bij het verzoek om een dergelijke opschorting niet langer te betwisten.
33 Ingevolge de artikelen 242 EG en 243 EG juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB L 144, blz. 21), kan het Gerecht, indien naar zijn oordeel de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling bevelen of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
34 Artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt, dat een verzoek in kort geding een duidelijke omschrijving moet bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter blijkt, alsmede de middelen feitelijk en rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt (fumus boni juris). Dit zijn cumulatieve voorwaarden, zodat een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, wanneer aan een van deze voorwaarden niet wordt voldaan [beschikkingen van de president van het Hof van 14 oktober 1996, SCK en FNK/Commissie, C-268/96 P(R), Jurispr. blz. I-4971, punt 30, en van de president van het Gerecht van 28 juni 2000, Artegodan/Commissie, T-74/00 R, Jurispr. blz. II-2583, punt 21].
Fumus boni juris
35 Verzoeksters baseren zich op de verschillende in het beroep in de hoofdzaak aangevoerde middelen, waarmee huns inziens wordt aangetoond, dat is voldaan aan de voorwaarde betreffende de fumus boni juris. Het betreft de middelen vermeende schendingen van het Verdrag door de Commissie in het kader van de beschikking, erin bestaande dat zij het begrip feitelijke of werkelijke steunontvangers gebruikt en op basis van speculatieve overwegingen met betrekking tot het risico van cumulatie van steun op het niveau van de oliemaatschappij concludeert tot het bestaan van verboden steun, enerzijds, en kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten, misbruik van bevoegdheid, schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van het vertrouwensbeginsel en schending van het motiveringsvereiste, anderzijds.
36 De Commissie ontkent weliswaar dat de aangevoerde middelen gegrond zijn, doch betwist niet dat zij een serieus karakter vertonen.
37 Daar de door verzoeksters aangevoerde middelen, met name die betreffende de vermeende schendingen van het gemeenschapsrecht bestaande in het gebruik door de Commissie van het begrip werkelijke steunontvangers en haar overwegingen met betrekking tot het risico van cumulatie van steun op het niveau van de oliemaatschappij, op het eerste gezicht niet ongegrond voorkomen, en gelet op verweersters standpunt in deze, moet worden vastgesteld, dat die middelen voldoen aan de voorwaarde betreffende de fumus boni juris.
Spoedeisendheid
Argumenten van partijen
38 Verzoeksters betogen, dat zowel de Nederlandse autoriteiten als tankstations naar aanleiding van de terugvordering van de steun waarschijnlijk tal van gerechtelijke procedures tegen hen zullen inleiden, waarvan de kosten niet kunnen worden verhaald, ook al wordt de beschikking uiteindelijk nietig verklaard. Zij stellen eveneens schade te lijden door het feit, dat zij de terug te betalen steun niet bij alle onder BP-vlag opererende tankstations in de grensstreek kunnen invorderen, omdat sommige van die tankstations niet meer over de hun uitgekeerde steun beschikken of in staat van faillissement verkeren. Verder zullen hun commerciële betrekkingen met die tankstations verstoord raken.
39 Tevens zullen, wanneer zij in hun verweer tegen die terugbetaling volharden teneinde te verzekeren dat de aan de Nederlandse autoriteiten terugbetaalde steun opnieuw kan worden uitgekeerd ingeval de beschikking nietig wordt verklaard, onvermijdelijk tal van geschillen op nationaal niveau ontstaan.
40 Ter terechtzitting hebben verzoeksters beklemtoond, dat zonder opschorting in geval van nietigverklaring van de beschikking elke rechtsgrondslag zal ontbreken om het Koninkrijk der Nederlanden te verplichten, hun de eerder teruggevorderde steun opnieuw uit te keren. Ook al zouden zij erin slagen, te bewerkstelligen dat die steun opnieuw wordt uitgekeerd, het Koninkrijk der Nederlanden is hoe dan ook niet verplicht, de interesten en overige kosten te vergoeden die door hun verweer tegen de door die lidstaat ingeleide terugbetalingsprocedures zullen ontstaan.
41 Ter terechtzitting hebben verzoeksters, ondersteund door het Koninkrijk der Nederlanden, de nadruk gelegd op de zeer specifieke aard van de desbetreffende steun en met name op het feit, dat de Commissie zich bij haar beoordeling niet heeft bepaald tot de betrekkingen tussen de Nederlandse autoriteiten en de rechtstreekse ontvangers van de steun, te weten de tankstations in de grensstreek, doch integendeel van die autoriteiten heeft verlangd, dat zij de steun bij derde ondernemingen invorderen. Dat vormt een inbreuk op het rechtszekerheidsbeginsel. Dit volkomen nieuwe aspect van de beschikking rechtvaardigt een genuanceerde beoordeling van de spoedeisendheid in casu.
42 Het Koninkrijk der Nederlanden stelt, dat de Commissie, door de beschikking uitsluitend te baseren op de juridische analyse van de verplichtingen die voortvloeien uit de contractuele banden tussen de oliemaatschappijen en de tankstations, voorbijgaat aan de aanzienlijke moeilijkheden die gepaard gaan met de berekening van de door elke vermeende feitelijke steunontvanger terug te betalen bedragen en de terugbetaling daarvan.
43 Bijgevolg wordt volgens verzoeksters, ondersteund door het Koninkrijk der Nederlanden, in casu aan de voorwaarde inzake de spoedeisendheid voldaan.
44 De Commissie stelt, dat verzoeksters niet hebben aangetoond, dat hun ernstige en onherstelbare schade dreigt te worden toegebracht ingeval de gevraagde opschorting van de tenuitvoerlegging niet zou worden gelast. Haars inziens is het niet erg waarschijnlijk, dat tegen verzoeksters tal van terugvorderingsprocedures zullen worden ingeleid, aangezien de Nederlandse autoriteiten naar mag worden aangenomen één besluit of een beperkt aantal besluiten tot intrekking en terugvordering van de uitgekeerde steun tot de onder het merk BP opererende tankstations zullen richten. Wordt de beschikking nietig verklaard, dan zullen voorts de Nederlandse autoriteiten de bij oliemaatschappijen teruggevorderde steun opnieuw aan deze uitkeren; die maatschappijen behoeven de steun dus niet bij elk tankstation terug te vorderen.
45 Verder hebben verzoeksters geen enkele uitzonderlijke omstandigheid gesteld noch bewezen. Ten slotte kan terugbetaling van de betrokken steun niet het faillissement van het BP-concern betekenen.
46 In haar mondelinge opmerkingen heeft de Commissie de nadruk gelegd op het hypothetische en zuiver financiële karakter van de door verzoeksters gestelde schade.
47 De Commissie concludeert, dat niet aan de voorwaarde inzake de spoedeisendheid is voldaan.
Beoordeling door de rechter in kort geding
48 De spoedeisendheid van een verzoek in kort geding moet worden getoetst aan de vraag, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt (beschikking van de president van het Hof van 18 oktober 1991, Abertal e.a./Commissie, C-213/91 R, blz. I-5109, punt 18).
49 Het is aan de partij die ernstige en onherstelbare schade stelt, het bestaan daarvan aan te tonen (beschikking van de president van het Hof van 12 oktober 2000, Griekenland/Commissie, C-278/00 R, Jurispr. blz. 8787, punt 14). Er behoeft niet met absolute zekerheid te worden aangetoond dat schade dreigt, doch het is, in het bijzonder wanneer het intreden van de schade afhangt van een geheel van factoren, voldoende dat de schade met een voldoende mate van waarschijnlijkheid valt te voorzien [beschikkingen van de president van het Hof van 19 juli 1995, Commissie/Atlantic Container Line e.a., C-149/95 P(R), Jurispr. blz. I-2165, punt 38, en van de president van het Gerecht van 15 juli 1998, Prayron-Rupel/Commissie, T-73/98 R, Jurispr. blz. II-2769, punt 38].
50 Financiële schade kan, behoudens in uitzonderlijke omstandigheden, niet als onherstelbaar worden beschouwd, aangezien een geldelijke vergoeding in de regel volstaat om de gelaedeerde in de vroegere toestand te herstellen (beschikking Abertal e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 24, en beschikking van de president van het Gerecht van 20 juli 2000, Esedra/Commissie, T-169/00 R, Jurispr. blz. II-2951, punt 44). Tevens zij opgemerkt, dat de beoordeling van de financiële situatie van de belanghebbende kan geschieden door onder meer rekening te houden met de kenmerken van de groep waartoe hij via aandelenparticipaties behoort (beschikking van de president van het Gerecht van 30 juni 1999, Pfizer Animal Health/Raad, T-13/99 R, Jurispr. blz. II-1961, punt 155).
51 Het onderhavige verzoek betreft de opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking voor zover daarbij terugvordering wordt gelast van de steun die is uitgekeerd aan de tankstations in de grensstreek die verzoeksters in eigendom hebben of die contractueel aan hen zijn gebonden.
52 Dienaangaande zij opgemerkt, dat een inbreuk op de rechten van hen die als begunstigden van met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar verklaarde staatssteun worden beschouwd, inherent is aan elke beschikking van de Commissie waarbij terugvordering van dergelijke steun wordt gelast, en niet kan worden geacht op zich ernstige en onherstelbare schade te berokkenen, los van een concrete beoordeling van de ernst en het onherroepelijke karakter van de in elk betrokken geval gestelde specifieke inbreuk (zie beschikking Griekenland/Commissie, reeds aangehaald, punt 21).
53 In casu is, met uitzondering van de vermeende eventuele verstoring van de commerciële betrekkingen tussen verzoeksters en de onder het merk BP opererende tankstations als gevolg van de terugvordering van de steun, de door verzoeksters gestelde schade van zuiver financiële aard. De facto voeren zij vier soorten financiële schade aan.
54 In de eerste plaats dreigen verzoeksters huns inziens aanzienlijke kosten voor rechtsbijstand te moeten maken indien zij verweer dienen te voeren in tal van gerechtelijke procedures die door zowel de Nederlandse autoriteiten als tankstations tegen hen zullen worden ingeleid. In de tweede plaats betogen zij, dat indien zij naar Nederlands recht gedwongen zijn in rechte op te treden om te verzekeren, dat de ingevorderde steun opnieuw kan worden uitgekeerd, dat nog meer kosten te hunnen laste betekent. In de derde plaats is het mogelijk, dat het Koninkrijk der Nederlanden hun de ingevorderde steun niet wil terugbetalen ingeval de beschikking nietig wordt verklaard. In dat geval zijn verzoeksters verplicht de Nederlandse regering in rechte te vervolgen met het oog op terugbetaling van de ingevorderde steun. In de vierde plaats menen verzoeksters, dat zelfs al zou de ingevorderde steun hun worden terugbetaald, dit niet noodzakelijkerwijs betekent, dat de negatieve gevolgen voor hun financiële middelen waarmee zij zullen zijn geconfronteerd, worden goedgemaakt.
55 Meteen al moet worden vastgesteld, dat de door verzoeksters aangevoerde elementen in het geheel niet de conclusie rechtvaardigen, dat het intreden van alle aangevoerde schade, dat afhangt van een geheel van factoren, met een voldoende mate van waarschijnlijkheid valt te voorzien.
56 In casu doet de meest concrete schade die verzoeksters zou kunnen worden toegebracht, zich voor wanneer het Koninkrijk der Nederlanden, in weerwil van nietigverklaring van de beschikking in de hoofdzaak, de ingevorderde steun niet zou terugbetalen. De enkele mogelijkheid dat de Nederlandse autoriteiten daartoe zouden besluiten, wat in het bijzonder gelet op het door hen bij het Hof ingestelde beroep in zaak C-382/99 hypothetisch voorkomt, kan niet kenmerkend zijn voor de ingevolge artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering vereiste spoedeisendheid.
57 Wat de proceskosten betreft kan worden volstaan met de vaststelling, dat er thans sprake is van één enkel intrekkings- en terugvorderingsbesluit en dat dit alleen betrekking heeft op Actomat, die eigenaar is van de in artikel 2, sub b, van de beschikking bedoelde Co/Co-tankstations die onder het merk BP opereren en derhalve rechtstreeks begunstigde van de aan deze tankstations uitgekeerde steun. De kosten die voor BP Nederland en BP Direct verbonden zijn aan hun verweer in het kader van de vermeende talrijke gerechtelijke procedures die het gevolg zouden zijn van het grote aantal door de Nederlandse autoriteiten vastgestelde besluiten tot terugvordering van de steun die is uitgekeerd aan de onder het merk BP opererende Co/Do- en Do/Do-tankstations, blijven hypothetisch, op zijn minst totdat die autoriteiten een terugvorderingsprocedure tegen BP Nederland en BP Direct inleiden. Dit geldt des te meer voor de kosten die verzoeksters zouden moeten dragen ingeval het Koninkrijk der Nederlanden de ingevorderde steun na nietigverklaring van de beschikking niet zou willen terugbetalen.
58 Hoe dan ook kan de door verzoeksters gestelde schade niet als ernstig en onherstelbaar worden beschouwd.
59 In de eerste plaats zal, indien dergelijke kosten voor verzoeksters ontstaan en zij voor de aanslag op de financiële middelen niet worden vergoed, niets eraan in de weg staan, dat zij op grond van de artikelen 235 EG en 288 EG beroep tot schadevergoeding tegen de Commissie instellen.
60 In de tweede plaats bestaat er geen enkel gemeenschapsrechtelijk beletsel voor de Nederlandse regering om de betrokken steun opnieuw uit te keren indien de beschikking nietig wordt verklaard. Zelfs al zou de regering die steun niet opnieuw willen uitkeren of zou zij die uitkeren zonder met het voor verzoeksters ontstane financiële tekort rekening te houden, hebben verzoeksters voorts geen enkel stuk overgelegd waaruit blijkt, dat het daaruit voortvloeiende financiële verlies hun bestaan zou kunnen bedreigen.
61 Tevens moet worden vastgesteld, dat er geen andere uitzonderlijke omstandigheden zijn die de gevraagde opschorting in casu zouden kunnen rechtvaardigen.
62 Het argument inzake de vermeende rechtsonzekerheid als gevolg van de complexe en zeer specifieke aard van de beschikking - omdat daarbij niet de rechtstreekse ontvangers, doch de feitelijke begunstigden wordt gelast de steun terug te betalen - die volgens verzoeksters, althans wat BP Nederland en BP Direct betreft, de gevraagde opschorting van de tenuitvoerlegging zou rechtvaardigen, kan niet worden aanvaard.
63 De complexiteit van de beschikking en het specifieke karakter ervan zijn namelijk te verklaren door de structuur van de relevante markt, in het bijzonder door de uiteenlopende soorten betrekkingen tussen de oliemaatschappijen en de tankstations. Die complexiteit is dus niet aan de beschikking zelf te wijten.
64 Ook zo de stelling van de Commissie die aan de beschikking ten grondslag ligt, te weten dat erop moet worden toegezien, dat de steun bij de werkelijke begunstigden wordt teruggevorderd, volkomen nieuwe elementen bevat, staat het hoe dan ook niet aan de rechter in kort geding om vooruit te lopen op de gegrondheid ervan. Bijgevolg volstaat dit aspect van de beschikking niet om te spreken van een uitzonderlijke omstandigheid die een genuanceerde beoordeling van de spoedeisendheid in casu rechtvaardigt.
65 Voorts is de door verzoeksters gestelde rechtsonzekerheid, in het bijzonder wat de Do/Do- en Co/Do-tankstations betreft, niet van dien aard dat zij hun bestaan ernstig in gevaar brengt. Weliswaar moeten de terug te vorderen bedragen nog worden berekend en zouden BP Nederland en BP Direct dus geconfronteerd kunnen worden met tal van procedures betreffende verzoeken om terugbetaling, doch voor de rechter in kort geding is geen enkel bewijs aangebracht dat een dergelijke schade, die van zuiver financiële aard is, ernstig en onherstelbaar zou zijn.
66 Aangaande ten slotte de vermeende verstoring van de commerciële betrekkingen tussen verzoeksters en de onder het merk BP opererende Co/Do- en Do/Do-tankstations in geval van terugvordering van de steun, moet worden vastgesteld, dat die schade in dit stadium even hypothetisch als onbepaald is.
67 Uit het voorgaande volgt, dat verzoeksters er niet in zijn geslaagd aan te tonen, dat hun zonder de gevraagde opschorting van de tenuitvoerlegging ernstige en onherstelbare schade zou worden berokkend.
68 Derhalve moet het verzoek om gedeeltelijke opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking worden afgewezen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Full & Egal Universal Law Academy