Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Verordening tot wijziging van biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen - Beroep ingesteld door verenigingen van marktdeelnemers en door vennootschap in betrokken sector - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG en 249 EG; verordening nr. 1804/1999 van de Raad, waarbij verordening nr. 2092/91 wordt gewijzigd, art. 1, lid 7)
Samenvatting
$$Het door verenigingen van marktdeelnemers en door een vennootschap in de betrokken sector ingestelde beroep, strekkende tot nietigverklaring artikel 1, lid 7, van verordening nr. 1804/1999, waarbij verordening nr. 2092/91 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen wordt aangevuld met betrekking tot de dierlijke productie, is niet-ontvankelijk.
Verordening nr. 1804/1999 bevat immers bepalingen van algemene strekking, die gelden voor alle betrokken marktdeelnemers. Daarom heeft deze verordening een normatief karakter en is zij geen beschikking in de zin van artikel 249 EG. Artikel 1, lid 7, van deze verordening, houdende een tijdelijke afwijking van het beginsel dat alleen die producten die zijn verkregen overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 2092/91, voorzien mogen worden van aanduidingen die verwijzen naar een biologische productiemethode, is van toepassing op objectief bepaalde situaties en brengt op algemene en abstracte wijze rechtsgevolgen teweeg voor een bepaalde categorie merkhouders. De betrokken tijdelijke afwijking dient dus te worden beschouwd als een onderdeel van het samenstel van bepalingen waarin zij voorkomt, en heeft hetzelfde algemene karakter als die bepalingen.
Voor het overige kunnen verzoeksters niet worden beschouwd als zijnde individueel geraakt door de bestreden bepaling, aangezien deze bepaling van algemene strekking hen niet treft uit hoofde van bepaalde hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen karakteriseert ten opzichte van iedere andere persoon.
( cf. punten 34-35, 37-38, 45 )
Partijen
In zaak T-268/99,
Fédération nationale d'agriculture biologique des régions de France (FNAB), gevestigd te Parijs (Frankrijk),
Syndicat européen des transformateurs et distributeurs de produits de l'agriculture biologique (Setrab), gevestigd te Parijs,
Est Distribution Biogam SARL, gevestigd te Château-Salins (Frankrijk),
alle vertegenwoordigd door D. Leermakers, advocaat te Brussel en te Luxemburg, en C. Hatton, solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van De Meester en Oostvogels, advocaten aldaar, Place du Théâtre 5,
verzoekers,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door F. Anton en J. Monteiro, leden van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Morbilli, directeur-generaal van het directoraat Juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
betreffende een verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1804/1999 van de Raad van 19 juli 1999, waarbij verordening (EEG) nr. 2092/91 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen wordt aangevuld met betrekking tot de dierlijke productie (PB L 222, blz. 1),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, J. Azizi en M. Jaeger, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Verzoekers
1 De Fédération nationale d'agriculture biologique des régions de France (FNAB) is een federatie waarin door toetreding van beroepsverenigingen, verbanden van beroepsverenigingen en producentenorganisaties met een gemeenschappelijke doelstelling de biologische landbouwers uit alle Franse regio's" zijn gegroepeerd (artikel 1 van de statuten van FNAB). Meer dan 20 regionale verenigingen van biologische landbouwers, die samen 70 % van de Franse biologische landbouwers vertegenwoordigen, zouden zijn aangesloten bij FNAB.
2 Het Syndicat européen des transformateurs et distributeurs de produits de l'agriculture biologique (Setrab) is een vereniging waarin producenten, bereiders en distributeurs van producten zijn gegroepeerd die werkzaam zijn in de biologische landbouw" (artikel 4 van de statuten van Setrab). Deze vereniging heeft onder meer tot doel het promoten van de waarden van de biologische landbouw (artikelen 4 en 5 van de statuten van Setrab). Setrab zou meer dan 70 leden tellen.
3 Est Distribution Biogam (hierna: Biogam") is een sinds 1975 in Lotharingen gevestigde vennootschap, die tot doel heeft aankoop, verwerking, opslag, transport en distributie van landbouwproducten of producten van landbouwkundige herkomst, met name die welke afkomstig zijn uit de biologische landbouw" (artikel 2 van de statuten van Biogam). Deze producten omvatten onder meer biologische kaas en yoghurt, die onder het merk Biogam in de handel worden gebracht.
Feiten
4 Ingevolge verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 198, blz. 1), mogen landbouwproducten en levensmiddelen die voorzien zijn van een aanduiding die verwijst naar een biologische productiemethode, alleen in de handel worden gebracht indien zij overeenkomstig de regels van de verordening zijn verkregen. Verordening nr. 2092/91 was aanvankelijk alleen van toepassing op plantaardige producten en producten van plantaardige herkomst.
5 Het toepassingsgebied van verordening nr. 2092/91 is uitgebreid bij verordening (EG) nr. 1804/1999 van de Raad van 19 juli 1999 waarbij verordening nr. 2092/91 wordt aangevuld met betrekking tot de dierlijke productie (PB L 222, blz. 1).
6 De aldus gewijzigde verordening nr. 2092/91 is van toepassing op producten van plantaardige en dierlijke herkomst. Vermeldingen op de etikettering, in reclame of in handelsdocumenten, die door de consument als een verwijzing naar de biologische productiemethode worden beschouwd, zijn uit hoofde van verordening nr. 2092/91 voorbehouden aan producten welke overeenkomstig die verordening zijn verkregen.
7 Artikel 2 van de gewijzigde verordening nr. 2092/91 bepaalt:
In de zin van deze verordening worden producten geacht producten te zijn waarop aanduidingen voorkomen die verwijzen naar de biologische productiemethode, wanneer die producten of de ingrediënten ervan in de etikettering, de reclame of de handelsdocumenten zijn gekenmerkt met de in iedere lidstaat gebruikelijke vermeldingen die de koper doen aannemen dat het product of de ingrediënten ervan zijn verkregen overeenkomstig de in de artikelen 6 en 7 vervatte productieregels en in het bijzonder met de volgende termen, tenzij deze termen niet worden toegepast op landbouwproducten in levensmiddelen of tenzij deze kennelijk geen enkel verband hebben met de productiemethode:
(...)
- in het Frans: biologique
(...)"
8 De Raad heeft het noodzakelijk geacht een overgangsperiode in te stellen teneinde de houders van handelsmerken in de gelegenheid te stellen hun productie aan te passen aan de voorschriften van de biologische landbouw (...)" (27ste overweging van de considerans bij verordening nr. 1804/1999).
9 Bijgevolg bepaalt artikel 1, lid 7, van verordening nr. 1804/1999 (hierna: bestreden bepaling"):
In artikel 5 [van verordening nr. 2092/91] wordt het volgende lid ingevoegd:
,3 bis. In afwijking van de leden 1, 2 en 3 kunnen handelsmerken die zijn voorzien van een vermelding als bedoeld in artikel 2, tot 1 juli 2006 worden gehanteerd in de etikettering van en reclame voor producten die niet aan deze verordening voldoen, mits:
- de registratie van het handelsmerk vóór 22 juli 1991 - en in Finland, Oostenrijk en Zweden vóór 1 januari 1995 - werd aangevraagd en in overeenstemming is met eerste richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten [PB 1989, L 40, blz. 1; richtlijn laatstelijk gewijzigd bij beschikking 92/10/EEG (PB L 6, blz. 35)]
en
- het handelsmerk steeds wordt weergegeven met een heldere, duidelijk zichtbare, en gemakkelijk leesbare vermelding dat de producten niet overeenkomstig de biologische productiemethode, als omschreven in deze verordening, zijn geproduceerd."
10 Verzoekers voeren aan dat als gevolg van de bestreden bepaling producten met de vermelding bio", ook wanneer ze niet voortkomen uit de biologische landbouw, in de ogen van de consument echte biologische producten kunnen vervangen. De bestreden bepaling zou daardoor de mogelijkheid bieden, kopers van biologische producten weg te lokken.
Procesverloop en conclusies van partijen
11 In die omstandigheden hebben verzoekers bij op 15 november 1999 ter griffie van het Gerecht ingeschreven verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
12 Verzoekers concluderen dat het het Gerecht behage:
- hun verzoek ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- vast te stellen dat de in artikel 1, punt 7, van verordening nr. 1804/1999 voorziene afwijking kan worden gescheiden van de overige bepalingen van deze verordening, en deze afwijking nietig te verklaren;
- de Raad te verwijzen in de kosten.
13 Bij op 21 januari 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Raad krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
14 Hierin concludeert de Raad dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- verzoekers te verwijzen in de kosten.
15 Op 3 april 2000 hebben verzoekers hun opmerkingen ingediend aangaande de exceptie van niet-ontvankelijkheid.
16 Bij respectievelijk op 26 april, 28 april en 16 mei 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten hebben Danone SA, vennootschap naar Spaans recht, Compagnie Gervais Danone, vennootschap naar Frans recht, en CLESA SA, vennootschap naar Spaans recht, verzocht om toelating tot interventie aan verweerders zijde. Bij op 5 juli 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten hebben de Commissie en SKW Biosystems GmbH, vennootschap naar Duits recht, eveneens verzocht om toelating tot interventie aan verweerders zijde.
De ontvankelijkheid
17 Ingevolge artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering, geschiedt de verdere behandeling van de exceptie van niet-ontvankelijkheid mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. Het Gerecht (Derde kamer) acht zich in casu voldoende voorgelicht door het dossier, zodat de mondelinge behandeling niet behoeft te worden geopend.
Argumenten van partijen
18 De Raad beroept zich op niet-ontvankelijkheid van het beroep vanwege, enerzijds, de aard van de bestreden bepaling en, anderzijds, het feit dat verzoekers niet individueel worden geraakt.
19 De Raad wijst er in de eerste plaats op, dat de bestreden bepaling een handeling van algemene strekking is. De bestreden bepaling is immers van toepassing op objectief bepaalde situaties en strekt ertoe rechtsgevolgen teweeg te brengen voor een algemeen en abstract aangewezen categorie personen (arrest Gerecht van 10 juli 1996, Weber/Commissie, T-482/93, Jurispr. blz. II-609).
20 In de tweede plaats merkt de Raad op dat verzoekers niet individueel worden geraakt. Met betrekking tot Biogam stelt de Raad dat, zelfs wanneer ervan uit wordt gegaan dat de bestreden bepaling het weglokken van klanten van die vennootschap ten gunste van Danone zou bevorderen, Biogam zich in dezelfde positie bevindt als elke andere producent die volgens de biologische productiemethode verkregen producten verwerkt en distribueert. Voor wat FNAB en Setrab betreft, beklemtoont de Raad dat zij er zich niet op kunnen beroepen dat hun positie als onderhandelaars door de bestreden bepaling ongunstig zou zijn beïnvloed. Verordening nr. 1804/1999 is binnen de Raad besproken en door deze instelling vastgesteld, zodat verzoekers niet kunnen stellen aan de opstelling ervan te hebben deelgenomen. Zij kunnen dus niet worden geïndividualiseerd op de grond dat hun belangen ongunstig zouden worden beïnvloed (arrest Hof van 2 februari 1988, Van der Kooy e.a./Commissie, 67/85, 68/85 en 70/85, Jurispr. blz. 219, punten 21-24). Bovendien kunnen FNAB en Setrab niet stellen in de plaats te zijn getreden van hun leden, die zelf beroep zouden kunnen instellen (arrest Gerecht van 6 juli 1995, AITEC e.a./Commissie, T-447/93-T-449/93, Jurispr. blz. II-1971, punt 62). Met het oog hierop wijst de Raad erop, dat de bestreden bepaling de leden van FNAB en Setrab niet raakt als gevolg van bepaalde hoedanigheden of een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert (arrest Hof van 15 februari 1996, Buralux e.a./Raad, C-209/94 P, Jurispr. blz. I-615, punt 25; arrest Gerecht van 17 juni 1998, UEAPME/Raad, T-135/96, Jurispr. blz. II-2335). Het feit dat een lid van FNAB en Setrab een concurrent is van Danone, plaatst hem nog niet in een specifieke feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert.
21 Ten slotte merkt de Raad op dat wanneer hij de in de bestreden bepaling voorkomende afwijking niet zou hebben opgenomen, de marktdeelnemers die onder een bio"- of eco"-handelsmerk producten in de handel brengen die niet beantwoorden aan de voorschriften van verordening nr. 2092/91, zeker verordening nr. 1804/1999 zouden hebben aangevochten (arrest Hof van 18 mei 1994, Codorníu/Raad, C-308/89, Jurispr. blz. I-1853).
22 Verzoekers bestrijden de door de Raad verdedigde stelling en betogen dat hun beroep ontvankelijk is.
23 In de eerste plaats betogen verzoekers, dat de bestreden bepaling een op zichzelf staande maatregel vormt, die kan worden gescheiden van de overige bepalingen van verordening nr. 1804/1999, waarvan zij het normatieve karakter overigens niet betwisten. De bestreden bepaling raakt immers alleen de fabrikanten van dierlijke levensmiddelen die niet zijn verkregen volgens een biologische productiemethode en die in de handel zijn gebracht onder een merk dat de termen bio" of biologisch" bevat en vóór 22 juli 1991 werd geregistreerd. Uit de rechtspraak komt echter naar voren, dat een bepaling die de vorm heeft van een normatieve handeling, maar bepaalde marktdeelnemers individueel raakt op grond van bepaalde hoedanigheden die hen eigen zijn of een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert, moet worden gelijkgesteld met een individuele maatregel (arrest Codorníu/Raad, hierboven aangehaald in punt 21, punt 19, en arrest Gerecht van 27 april 1995, ASPEC e.a./Commissie, T-435/93, Jurispr. blz. II-1281, punt 70).
24 Verzoekers zijn van mening dat Danone als enige door de bestreden bepaling in alle lidstaten wordt bevoordeeld. In ieder geval is het onder nr. 1749028 geregistreerde merk Bio Danone", dat op 2 september 1987 bij het INPI (Institut national de la propriété industrielle) is gedeponeerd en op 26 augustus is vernieuwd, op dit moment in Frankrijk het enige voor niet-biologische producten gebruikte merk dat de term bio" bevat, aldus naar biologische landbouw verwijzend. Bio Danone" wordt gebruikt voor de verkoop van yoghurt en zou als enige merk profiteren van in de bestreden bepaling vervatte afwijking.
25 In de tweede plaats voeren verzoekers aan, dat zij door de bestreden bepaling individueel worden geraakt. Ingevolge decreet 94-1212 van 26 december 1994, uitgevaardigd ter uitvoering van de consumentenwetgeving betreffende biologische productiemethoden en de vermelding daarvan op landbouwproducten en levensmiddelen (Journal officiel de la République française van 31 december 1994, blz. 19026), is het gebruik van de term bio" ter aanduiding van niet volgens een biologische productiemethode verkregen plantaardige of dierlijke producten, in Frankrijk verboden. Bovendien kon een voor dergelijke producten gebruikt merk waarin de term bio" voorkomt, ook al vóór de uitvaardiging van verordening nr. 1804/1999 nietig zijn, aangezien artikel 3, sub g, van richtlijn 89/104 bepaalt dat merken die tot misleiding van het publiek kunnen leiden" nietig verklaard kunnen worden. Verzoekers betogen dat de bestreden bepaling, door toe te staan dat niet-biologische producten in de handel worden gebracht onder een kennelijk misleidend merk waarin de term bio" voorkomt, de tot dan toe aan producenten van biologische producten geboden mogelijkheid wegneemt om op basis van richtlijn 89/104 of de Franse wetgeving op te treden tegen fabrikanten van wie de producten tot dan toe in strijd met bovenbedoelde communautaire en nationale regels in de handel werden gebracht. Voorts voeren zij aan dat het feit dat zij plotseling onverwacht de rechtsbescherming hebben verloren waarop zij mochten vertrouwen, een specifieke omstandigheid in de zin van het arrest van het Hof van 10 december 1969, Eridania e.a./Commissie (10/68 en 18/68, Jurispr. blz. 459), vormt, die hen ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer individualiseert.
26 Verzoekers beklemtonen dat echte biologische yoghurt en yoghurt met het merk Bio" in de ogen van de consument geheel vervangbaar zijn. Daardoor worden de marktdeelnemers op de markt voor biologische producten, die schade ondervinden van de oneerlijke mededinging van Danone, door de bestreden bepaling, die deze mededinging legitimeert, individueel geraakt.
27 Verzoekers herinneren er onder verwijzing naar het arrest van het Gerecht van 24 maart 1994, Air France/Commissie (T-3/93, Jurispr. blz. II-121), en het arrest ASPEC e.a./Commissie (hierboven aangehaald in punt 23) aan, dat een onderneming waarvan de marktpositie ongunstig wordt beïnvloed door de uitvaardiging van een beschikking die gericht is tot een concurrent, door de betrokken beschikking individueel wordt geraakt. Hetzelfde geldt voor een vereniging die de belangen behartigt van ondernemingen waarvan de concurrentiepositie ongunstig wordt beïnvloed. Ook een vereniging die de belangen behartigt van ondernemingen die door de bestreden bepaling rechtstreeks en individueel worden geraakt, zou immers beroep kunnen instellen tegen deze handeling (arrest Gerecht van 13 december 1995, Exporteurs in Levende Varkens e.a./Commissie, T-481/93 en T-484/93, Jurispr. blz. II-2941, en arrest AITEC e.a./Commissie, hierboven aangehaald in punt 20).
28 De situatie van Biogam en van de leden van FNAB en Setrab zou worden gekenmerkt door het feit dat hun plantaardige of dierlijke biologische producten vóór de uitvaardiging van verordening nr. 1804/1999 bescherming genoten en dat zij al hun ontwikkelingsinspanningen hebben gebaseerd op de zekerheid van deze bescherming. De uitvaardiging van de bestreden bepaling zou de concurrentiepositie van deze ondernemingen ten opzichte van die van hun directe concurrent Danone aanzienlijk hebben verzwakt, aangezien de in de bestreden bepaling vervatte afwijking een bedreiging zou vormen voor de verkoop van hun biologische yoghurt. Daardoor zouden Biogam, als producent, en FNAB en Setrab, als representatieve organen die de belangen van hun leden behartigen, door de bestreden bepaling individueel worden geraakt.
29 Verzoekers merken op dat de Raad heeft erkend dat Danone beroep zou kunnen instellen tegen verordening nr. 1804/1999. Datzelfde recht zou a fortiori moeten toekomen aan verzoekers, nu zij door de bestreden bepaling als enige in hun rechtspositie worden getroffen.
30 Ten slotte voeren verzoekers aan dat FNAB door de bestreden bepaling individueel wordt geraakt doordat haar positie als onderhandelaar ongunstig is beïnvloed (arrest Van der Kooy e.a./Commissie, hierboven aangehaald in punt 20, en arrest Hof van 24 maart 1993, CIRFS e.a./Commissie, C-313/90, Jurispr. blz. I-1125; arrest Gerecht van 19 mei 1994, Consorzio Gruppo di azione locale Murgia Messapica", T-465/93, Jurispr. blz. II-361). Dienaangaande herinneren zij eraan dat FNAB actief betrokken is geweest bij de gehele uitwerkingsprocedure van verordening nr. 1804/1999. FNAB zou namelijk door het Franse ministerie van Landbouw zijn belast met het toezicht op en de verdediging van voorschriften inzake de ,biologische landbouw (voortgangscontrole en voorstellen)". Om de rol van FNAB bij de uitwerking van verordening nr. 1804/1999 te benadrukken, beroepen verzoekers zich op verslagen van de stuurgroep reglementair toezicht" van 10 maart en 5 mei 1999. Ook zou FNAB rapporten en voorstellen voor verordeningen hebben gericht tot de gemeenschapsinstellingen. Verzoekers maken met name melding van het rapport Bijdrage van Franse biologische landbouwers aan het ontwerp van een Europese verordening inzake dierlijke en plantaardige biologische producten".
31 In de derde plaats betogen verzoekers, dat zij door de bestreden bepaling ook rechtstreeks worden geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, zodat aan alle voorwaarden voor ontvankelijkheid van het onderhavige beroep is voldaan.
Beoordeling door het Gerecht
32 Volgens vaste rechtspraak (zie beschikkingen Gerecht van 30 september 1997, Federolio/Commissie, T-122/96, Jurispr. blz. II-1559, punten 50 en 51, en 29 april 1999, Alce/Commissie, T-120/98, Jurispr. blz. II-1395, punt 17) verleent artikel 230, vierde alinea, EG aan iedere particulier het recht om beroep in te stellen tegen elke beschikking die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, hem rechtstreeks en individueel raakt. Deze bepaling heeft met name tot doel te voorkomen dat de gemeenschapsinstellingen, enkel door de vorm van een verordening te kiezen, het beroep van een particulier tegen een beschikking die hem rechtstreeks en individueel raakt, onmogelijk kunnen maken, en dus aan te geven dat de keuze van de vorm de aard van een handeling niet kan wijzigen (zie arrest Hof van 17 juni 1980, Calpak et Società Emiliana Lavorazione Frutta/Commissie, 789/79 en 790/79, Jurispr. blz. 1949, punt 7, en beschikking Gerecht van 28 oktober 1993, FRSEA et FNSEA/Raad, T-476/93, Jurispr. blz. II-1187, punt 19). Uit vaste rechtspraak blijkt voorts, dat het criterium ter onderscheiding tussen een verordening en een beschikking in de al dan niet algemene strekking van de betrokken handeling moet worden gezocht (zie met name arrest Hof van 6 oktober 1982, Alusuisse Italia/Raad en Commissie, 307/81, Jurispr. blz. 3463, punt 8).
33 Allereerst dient dus te worden onderzocht wat de aard is van de bestreden bepaling.
34 Verordening nr. 1804/1999 wijzigt verordening nr. 2092/91, teneinde het toepassingsgebied ervan uit te breiden tot dierlijke producten. Verordening nr. 1804/1999 bevat regels van algemene strekking, die gelden voor alle betrokken marktdeelnemers en met name betrekking hebben op producten van dierlijke herkomst die zijn verkregen volgens een biologische productiemethode.
35 Hieruit volgt dat verordening nr. 1804/1999 op grond van haar algemene strekking een normatief karakter heeft en geen beschikking vormt in de zin van artikel 249 EG.
36 Verzoekers voeren evenwel aan dat de bestreden bepaling een individuele beschikking vormt, aangezien slechts één onderneming zou profiteren van de in die bepaling vervatte afwijking.
37 Er zij aan herinnerd dat de bestreden bepaling een tijdelijke afwijking bevat van het beginsel, dat alleen producten die zijn verkregen overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 2092/91, voorzien mogen worden van aanduidingen die verwijzen naar een biologische productiemethode. Derhalve staat de afwijking, die geldt tot 1 juli 2006, het gebruik van merken met dergelijke aanduidingen toe voor producten die niet volgens bovenbedoelde regels zijn verkregen, teneinde de houders van deze merken in staat te stellen hun productie aan te passen aan de eisen van de biologische landbouw. Om echter elke verwarring bij de consument te vermijden, bepaalt de bestreden bepaling uitdrukkelijk dat de betrokken merken steeds vergezeld dienen te gaan van een heldere, duidelijk zichtbare en gemakkelijk leesbare vermelding dat de producten niet overeenkomstig de biologische productiemethode, als omschreven in [verordening nr. 2092/91], zijn geproduceerd". Bovendien kunnen alleen die merken waarvoor een aanvraag voor registratie is ingediend vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 2092/91 en die voldoen aan de bepalingen van verordening nr. 89/104, profiteren van de in de bestreden bepaling vervatte tijdelijke afwijking.
38 Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat de bestreden bepaling slechts van toepassing is op objectief vaststaande situaties en alleen rechtsgevolgen heeft voor een algemeen en abstract omschreven groep merkhouders. In die omstandigheden moet de betrokken tijdelijke afwijking worden geacht deel uit te maken van het samenstel van bepalingen waarin zij voorkomt, en heeft zij hetzelfde algemene karakter als die bepalingen (zie in die zin arresten Hof van 11 juli 1968, Zuckerfabrik Watenstedt/Raad, 6/68, Jurispr. blz. 570; 18 januari 1979, Société des usines de Beauport e.a./Raad, 103/78-109/78, Jurispr. blz. 17, punten 15-19, en 29 juni 1993, Gibraltar/Raad, C-298/89, Jurispr. blz. I-3605, punten 18-23).
39 Wat het argument van verzoekers betreft dat Danone als enige profiteert van de in de bestreden bepaling vervatte afwijking, moet eraan worden herinnerd dat aan de normatieve aard van een handeling niet wordt afgedaan doordat de identiteit van de rechtssubjecten waarop deze van toepassing is kan worden bepaald, zolang maar vaststaat dat deze toepassing geschiedt op basis van een in de handeling in samenhang met de doelstelling daarvan omschreven objectieve situatie feitelijk of rechtens (arrest Codorníu/Raad hierboven aangehaald in punt 21, punt 18, en arrest Gerecht van 14 september 1995, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, T-480/93 en T-483/93, Jurispr. blz. II-2305, punt 65). Bovendien is verzoekers' argument feitelijk onjuist. Allereerst blijkt uit de in bijlage 25 d bij de opmerkingen ter zake van de exceptie van niet-ontvankelijkheid gevoegde documenten, dat andere vennootschappen in Frankrijk reeds vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 2092/91 merken hebben gedeponeerd die, evenals het merk Bio Danone", kunnen worden gebruikt voor dierlijke levensmiddelen die werden verkregen volgens een niet-biologische productiemethode. Zo heeft de vennootschap Pierre Fabre Cosmétique het merk Bio-Lancyl" gedeponeerd, met name voor vlees, vleesextracten, eieren, melk en andere zuivelproducten. De Société annonéenne de produits de régime Odo-Sapro heeft het merk Bio Cereal" gedeponeerd voor levensmiddelen. De Société diététique du Comté heeft het merk Bio jolie" gedeponeerd voor melkdranken, vleesextracten, vleesgeleien en vleesconserven. Bovendien blijkt uit het verzoek tot interventie van CLESA SA, dat deze vennootschap voor haar merken Bioclesa", Byoclesa", Clesabio" en Bio CLESA", die zij met name had gedeponeerd voor melkproducten, eveneens profiteert van de in de bestreden bepaling vervatte uitzondering.
40 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de bestreden bepaling evenals de overige bepalingen van verordening nr. 1804/1999 van regelgevende aard is.
41 Evenwel moet worden onderzocht of verzoekers niettemin rechtstreeks en individueel worden geraakt door de bestreden bepaling, ondanks de algemene strekking ervan. De algemene strekking van een handeling sluit immers niet uit dat deze bepaalde natuurlijke of rechtspersonen rechtstreeks en individueel kan raken (zie arresten Codorníu/Raad, hierboven aangehaald in punt 21, punt 19; Antillean Rice Mills e.a./Commissie, hierboven aangehaald in punt 39, punt 66, en Exporteurs in Levende Varkens e.a./Commissie, hierboven aangehaald in punt 27, punt 50).
42 Voor wat betreft de vraag of verzoekers door de bestreden bepaling individueel worden geraakt, zij eraan herinnerd dat een natuurlijke of rechtspersoon slechts kan worden geacht door een bepaling van algemene strekking individueel te worden geraakt, indien de betrokken bepaling hem treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert (arrest Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 205; beschikkingen Federolio/Commissie, hierboven aangehaald in punt 32, punt 59, en Alce/Commissie, hierboven aangehaald in punt 32, punt 19).
43 Dienaangaande betogen verzoekers dat de bestreden bepaling Biogam individueel raakt daar zij de concurrentiepositie van deze vennootschap, die biologische landbouwproducten in de handel brengt, aanzienlijk verzwakt. FNAB en Setrab zouden door de bestreden bepaling individueel worden geraakt doordat zij de belangen behartigen van hun leden, die als gevolg van de toepassing van deze bepaling eveneens oneerlijke concurrentie zouden ondervinden.
44 Met betrekking tot FNAB en Setrab zij erop gewezen, dat volgens vaste rechtspraak een door een vereniging ingesteld beroep ontvankelijk kan worden verklaard wanneer die vereniging belangen vertegenwoordigt van ondernemingen die zelf ontvankelijk zouden zijn (arrest Exporteurs in Levende Varkens e.a./Commissie, hierboven aangehaald in punt 27, punt 64; beschikking Federolio/Commissie, hierboven aangehaald in punt 32, punt 61, en beschikking Gerecht van 23 november 1999, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, T-173/98, Jurispr. blz. II-3357, punt 47).
45 Verzoekers hebben evenwel niet aangetoond, dat Biogam en de leden van FNAB en Setrab door de bestreden bepaling worden getroffen uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert.
46 Allereerst dient te worden herinnerd aan het argument van verzoekers, dat het feit dat de bestreden bepaling de verkoop van producten van Danone onder het merk Bio" toestaat, hun concurrentiepositie aanzienlijk benadeelt, aangezien yoghurt die verkregen is volgens een biologische productiemethode in de ogen van de consument geheel vervangbaar is door yoghurt van het merk Bio".
47 Niet weersproken wordt dat Danone vóór de uitvaardiging van verordening nr. 1804/1999 reeds yoghurt onder het merk Bio" verkocht. De bestreden bepaling handhaaft dus slechts - uiterlijk tot 1 juli 2006 - een al bestaande situatie. Bovendien bepaalt de bestreden bepaling dat het handelsmerk steeds [moet] word[en] weergegeven met een heldere, duidelijk zichtbare, en gemakkelijk leesbare vermelding dat de producten niet overeenkomstig de biologische productiemethode, als omschreven in (...) verordening [nr. 2092/91], zijn geproduceerd" (zie punt 9 hierboven). Door deze verplichting wordt de vermeende oneerlijke concurrentie die verzoekers vóór de uitvaardiging van de bestreden bepaling van de zijde van Danone ondervonden, weggenomen althans beperkt.
48 Derhalve is het onaannemelijk, dat de bestreden bepaling de concurrentiepositie van verzoekers of van hun leden heeft verzwakt.
49 Daar komt bij dat, ook al zou de bestreden bepaling de concurrentiepositie van verzoekers of van hun leden aanzienlijk hebben verzwakt, zulks hen niet ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer op de markt voor biologische producten karakteriseert. De bestreden bepaling raakt Biogam en de leden van FNAB en Setrab immers alleen in hun hoedanigheid van objectieve, op deze markt actieve marktdeelnemers, op dezelfde wijze als alle andere binnen deze sector actieve communautaire marktdeelnemers.
50 Voorts kunnen verzoekers niet stellen dat de bestreden bepaling legitimeert dat producten die niet zijn verkregen volgens een biologische productiemethode in strijd met de bepalingen van verordening nr. 89/104 in de handel worden gebracht onder een merk dat een dergelijke productiemethode suggereert. Volgens de bestreden bepaling (zie punt 9 hierboven) mogen de marktdeelnemers een dergelijk bestaand merk voorlopig immers blijven gebruiken voor niet-biologische producten, zij het op voorwaarde dat dit merk in overeenstemming is met eerste richtlijn 89/104". Bovendien voorziet de bestreden bepaling, zoals hiervoor in de punten 9, 37 en 47 reeds werd aangegeven, in maatregelen die elke verwarring bij de consument moeten voorkomen.
51 De gegrondheid van het argument dat de bestreden bepaling een met de Franse regeling van 1994 strijdige praktijk van Danone toestaat, wordt in twijfel getrokken door de omstandigheid dat het merk Bio Danone" op 26 augustus 1997 voor Frankrijk is verlengd (zie bijlage 25 e bij de opmerkingen ter zake van de exceptie van niet-ontvankelijkheid).
52 Maar ook al zou de bestreden bepaling een door de communautaire en nationale regels verboden praktijk gelegitimeerd hebben, een dergelijke omstandigheid zou verzoekers nog niet individualiseren in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG. Ook in dat geval moet immers worden geconstateerd dat de bestreden bepaling Biogam en de leden van FNAB en Setrab alleen raakt in hun hoedanigheid van objectieve, op de markt voor biologische producten actieve marktdeelnemers, op dezelfde wijze als alle andere op deze markt actieve communautaire marktdeelnemers.
53 Ten slotte moet nog worden onderzocht of FNAB individueel wordt geraakt op grond van het feit dat haar positie als onderhandelaar door de bestreden bepaling ongunstig zou zijn beïnvloed.
54 Volgens vaste rechtspraak (arresten Van der Kooy e.a./Commissie, hierboven aangehaald in punt 20, punten 21-24, en CIRFS e.a./Commissie, hierboven aangehaald in punt 30, punten 28-30; beschikkingen Federolio/Commissie, hierboven aangehaald in punt 32, punt 61, en Unión de Pequeños Agricultores/Raad, hierboven aangehaald in punt 44, punten 47 en 54), kan een door een vereniging ingesteld beroep ontvankelijk worden verklaard wanneer de vereniging geïndividualiseerd wordt doordat haar positie als onderhandelaar ongunstig is beïnvloed door de handeling waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd.
55 Evenwel moet worden vastgesteld, dat verordening nr. 1804/1999 voorwerp is geweest van onderhandelingen in de Raad en door deze instelling is vastgesteld op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité. Ook al heeft FNAB in de loop van de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van deze verordening verslagen verzonden aan de Franse autoriteiten en de gemeenschapsinstellingen, alleen bovenvermelde gemeenschapsinstellingen kunnen als deelnemers aan deze procedure worden beschouwd. Uit het betoog van verzoekers kan slechts worden afgeleid, dat FNAB volgens de Franse autoriteiten de belangen van de Franse biologische landbouwers in voldoende mate behartigde om in een niet nader te bepalen stadium en mate te worden betrokken bij de keuze van het standpunt van de Franse delegatie, dat in de Raad naar voren is gebracht.
56 Verzoekers' argument dat de positie van FNAB als onderhandelaar door de bestreden bepaling ongunstig zou zijn beïnvloed, dient daarom te worden afgewezen.
57 Uit al het voorgaande volgt dat verzoekers niet kunnen worden beschouwd als zijnde individueel geraakt door de bestreden bepaling. Nu verzoekers niet voldoen aan een van de in artikel 230, vierde alinea, EG neergelegde voorwaarden voor ontvankelijkheid, hoeft niet meer te worden onderzocht of zij door de bestreden bepaling rechtstreeks worden geraakt.
58 Het onderhavige beroep dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard, zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de verzoeken tot interventie.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
59 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten, voorzover zulks is gevorderd. Aangezien verzoekers in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij in hun eigen kosten en overeenkomstig de vordering van de Raad in diens kosten worden verwezen.
60 Ingevolge artikel 87, leden 4 en 6, van het Reglement voor de procesvoering dienen de Commissie, Danone SA, Compagnie Gervais Danone, CLESA SA en SKW Biosystems GmbH, verzoekers tot interventie, hun eigen kosten te dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
beschikt:
1) Het beroep is niet-ontvankelijk.
2) Op de verzoeken tot interventie van de Commissie, Danone SA, Compagnie Gervais Danone, CLESA SA en SKW Biosystems GmbH hoeft niet te worden beslist.
3) Verzoekers worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Raad.
4) De Commissie, Danone SA, Compagnie Gervais Danone, CLESA SA en SKW Biosystems GmbH, verzoekers tot interventie, zullen hun eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy