Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Tot lidstaat gerichte beschikking van Raad houdende vaststelling dat overname door die staat van bankschulden van aantal landbouwcoöperaties en landbouwbedrijven met gemeenschappelijke markt verenigbare steunmaatregel is - Beroep ingesteld door personen die beroepsopleiding verstrekken in landbouwgebied en bij deze bank lening zijn aangegaan - Niet-ontvankelijkheid
[EG-Verdrag, art. 173, vierde alinea (thans, na wijziging, art. 230, vierde alinea, EG)]
Samenvatting
$$Kunnen niet stellen individueel te zijn geraakt door een tot een lidstaat gerichte beschikking van de Raad die steunmaatregelen waarbij deze staat de bij een bank in de betrokken staat uitstaande schulden van een aantal landbouwcoöperaties en andere landbouwbedrijven overneemt, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaart, verzoekers die slechts aanvoeren dat zij een beroepsopleidingsactiviteit in een landbouwgebied uitoefenen, waardoor zij tot de economische en culturele ontwikkeling van dat gebied bijdragen, en dat zij wegens die activiteit een lening bij deze bank hebben afgesloten die zij niet konden terugbetalen. Deze omstandigheden zijn op zich niet voldoende om verzoekers te karakteriseren ten opzichte van iedere andere insolvabele debiteur van deze bank die een economische activiteit in een landbouwgebied van deze staat uitoefent en niet op de lijst van de begunstigden van de betrokken litigieuze steun voorkomt.
( cf. punten 27-28 )
Partijen
In zaak T-270/99,
Polyxeni Tessa en Andreas Tessas, wonende te Larissa (Griekenland), vertegenwoordigd door A. Tessas, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekers,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J. Carbery en D. Zachariou als gemachtigden,
verweerder,
ondersteund door
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door I. Chalkias en P. Mylonopoulos als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Raad van 15 december 1998 betreffende de vereffening door de Helleense Republiek van de schulden van sommige landbouwcoöperaties en andere landbouwbedrijven bij de Griekse landbouwbank,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: P. Mengozzi, kamerpresident, R. García-Valdecasas, V. Tiili, R. M. Moura Ramos en J. D. Cooke, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 De heer Tessas is advocaat en zijn echtgenote is houdster van een vergunning voor de exploitatie van een particulier beroepsopleidingsinstituut in de gemeente Nikaia (Griekenland).
2 In 1994 hebben zij bij de Griekse landbouwbank (hierna: GLB") een middellangetermijnlening voor de financiering van de uitrusting van dat instituut gesloten.
3 Aangezien het beroepsopleidingsinstituut niet kon functioneren wegens het ontbreken van bepaalde administratieve vergunningen, konden verzoekers hun verplichtingen jegens de GLB niet nakomen.
4 Op 27 november 1997 heeft het Griekse Parlement wet nr. 2538/97 vastgesteld. Deze wet, die hoofdzakelijk betrekking heeft op de fytosanitaire en veterinaire producten, bevat ook talrijke bepalingen betreffende steun aan de landbouw en de visserij in Griekenland. Deze bepalingen voorzien met name in de vereffening en de herstructurering door de Griekse Staat van bij de GLB uitstaande schulden van een groot aantal landbouwcoöperaties en andere landbouwbedrijven, alsmede van bedrijven die in het kader van de landbouwinfrastructuur werkzaam zijn, en die met name worden genoemd in 26 bij wet nr. 2538/97 gevoegde lijsten.
5 Bij brief, bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 4 december 1998 (PB C 376, blz. 2), heeft de Commissie de Griekse regering in kennis gesteld van haar besluit om ten aanzien van de in wet nr. 2538/97 vastgestelde steunmaatregelen een formele onderzoeksprocedure krachtens artikel 93, lid 2, eerste alinea, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 2, eerste alinea, EG) in te leiden.
6 Bij brief van 5 oktober 1998 heeft de Helleense Republiek de Raad krachtens artikel 93, lid 2, derde alinea, van het Verdrag verzocht om te beslissen dat de bij wet nr. 2538/97 vastgestelde steunmaatregelen in afwijking van de bepalingen van artikel 92 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG) als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt moeten worden beschouwd.
7 Bij een tot de Helleense Republiek gerichte beschikking van 15 december 1998 heeft de Raad dit verzoek ingewilligd. Artikel 1 van het dispositief van deze beschikking luidt als volgt:
De bij de artikelen 14 tot en met 19 en 21 van de Griekse wet nr. 2538/1997 vastgestelde steunmaatregelen moeten als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd tot een maximum totaalbedrag dat wordt geraamd op 158 762 miljoen drachmen, waarvan 10 435 miljoen drachmen is gereserveerd voor de vereffening van de schulden van coöperaties, die zijn ontstaan door onvoorspelbare rampen of gebeurtenissen die de landbouwsector hebben getroffen, 115 448 miljoen drachmen is gereserveerd voor de vereffening van de schulden van de landbouwcoöperaties, en 32 879 miljoen drachmen is gereserveerd voor de vereffening van schulden van bepaalde landbouwcoöperaties en andere ondernemingen die in het kader van landbouwinfrastructuurmaatregelen werkzaam zijn met het oog op de sanering van productieeenheden en het herstel van schade die, wanneer er niets aan wordt gedaan, een toenemende belemmering kan vormen voor de toepassing van het programma voor de ontwikkeling en aanpassing van de landbouw aan nieuwe Europese en mondiale feiten."
8 Bij brieven van 24 juni en 13 oktober 1999 hebben verzoekers de Griekse minister van landbouw en de GLB verzocht om bepaalde inlichtingen en documenten betreffende de bij wet nr. 2538/97 vastgestelde steunmaatregelen.
9 Bij een op 15 juni 1999 bij het secretariaat-generaal van de Raad geregistreerde brief hebben verzoekers verzocht om inzage van bepaalde documenten, met name van de tekst van de beschikking van de Raad van 15 december 1998 en de briefwisseling tussen de Raad en de Griekse autoriteiten.
10 Bij brief van 12 juni 1999 heeft de secretaris-generaal van de Raad dit verzoek ingewilligd.
11 Bij verzoekschrift, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 3 november 1999, hebben verzoekers het onderhavige beroep ingesteld.
12 Overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft de Raad bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 januari 2000, een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Op 10 maart 2000 hebben verzoekers hun opmerkingen over deze exceptie ingediend.
13 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 20 maart 2000, heeft de Helleense Republiek verzocht om interventie ter ondersteuning van de conclusies van verweerder. Bij beschikking van 12 mei 2000 heeft de president van de Vierde kamer, uitgebreid, van het Gerecht dit verzoek ingewilligd.
Conclusies van partijen
14 In hun verzoekschrift concluderen verzoekers dat het het Gerecht behage:
- het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- de Raad te verwijzen in de kosten.
15 In zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert verweerder dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- verzoekers te verwijzen in de kosten.
16 In hun opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid concluderen verzoekers dat het het Gerecht behage:
- het beroep ontvankelijk te verklaren;
- verweerder te verwijzen in de kosten.
17 In haar memorie in interventie concludeert de Helleense Republiek dat het het Gerecht behage het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
De ontvankelijkheid
18 Krachtens artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering geschiedt de verdere behandeling van de exceptie van niet-ontvankelijkheid mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu acht het Gerecht zich door de processtukken voldoende voorgelicht om zonder mondelinge behandeling te kunnen beslissen.
19 Verweerder voert drie middelen van niet-ontvankelijkheid aan. In de eerste plaats voldoet het beroep niet aan de vereisten van artikel 17, derde alinea, van 's Hofs Statuut-EG, dat krachtens artikel 46 van dat Statuut van toepassing is op de procedure bij het Gerecht. In de tweede plaats is het tardief, want niet ingediend binnen de in artikel 173, vijfde alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230, vijfde alinea, EG) gestelde termijn van twee maanden. In de derde plaats worden verzoekers niet rechtstreeks en individueel door de bestreden beschikking geraakt.
20 Om te beginnen moet het derde van deze middelen van niet-ontvankelijkheid worden onderzocht.
Argumenten van partijen
21 Volgens verweerder, ondersteund door de Griekse regering, worden verzoekers niet rechtstreeks en individueel door de bestreden beschikking geraakt. Uit niets in het verzoekschrift blijkt dat de heer Tessas, advocaat, en zijn echtgenote, houdster van een vergunning voor de exploitatie van een beroepsopleidingsinstituut, zich bezig houden met de landbouw of dat zij lid zijn van een landbouwcoöperatie. De beschikking van de Raad om de door de Helleense Republiek aan sommige landbouwcoöperaties en andere landbouwbedrijven verleende steun verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren raakte verzoekers zoals alle andere Griekse burgers slechts in hun hoedanigheid van Grieks onderdaan.
22 Ook al zouden zij bij de uitoefening van hun economische activiteit concurreren met bepaalde marktdeelnemers die door de litigieuze steunmaatregelen zouden zijn bevoordeeld, dan nog kunnen verzoekers niet worden geacht individueel en rechtstreeks door de bestreden beschikking te worden geraakt. Volgens de Griekse regering is het immers vaste rechtspraak, dat de enkele omstandigheid dat een maatregel de mededingingsverhoudingen op een bepaalde markt kan beïnvloeden, niet volstaat om elke marktdeelnemer die op enigerlei wijze in een concurrentieverhouding staat tot de adressaat van de maatregel, rechtstreeks en individueel door die maatregel geraakt te achten (arrest Hof van 10 december 1969, Eridania e.a./Commissie, 10/68 en 18/68, Jurispr. blz. 459, punt 7).
23 Verzoekers betogen dat de bestreden beschikking een individuele en geen algemene maatregel is. In dat verband zetten zij uiteen dat de ontvangers van de steun, die bij de bestreden beschikking verenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, niet op algemene en abstracte wijze zijn omschreven en niet allen de hoedanigheid van landbouwer hebben of niet allen landbouwcoöperaties zijn. Integendeel, de 180 steungerechtigden, die in de 26 bij wet nr. 2538/97 gevoegde lijsten met name zijn genoemd, zijn door de Griekse regering volgens zuiver politieke criteria geselecteerd en oefenen zeer gevarieerde beroepsactiviteiten uit.
24 Wegens de subjectieve aard ervan raakt de bestreden beschikking verzoekers rechtstreeks en individueel. Evenals wet nr. 2538/97 wordt in de bestreden beschikking immers op selectieve wijze een beperkt aantal begunstigden van de betrokken steun genoemd, met uitsluiting van elke andere onderneming of marktdeelnemer in de landbouwsector, zoals verzoekers die, na een lening bij de BGL te hebben gesloten en wegens overmacht hun verplichtingen niet hebben kunnen nakomen, zich in een identieke situatie bevinden.
Beoordeling door het Gerecht
25 De bestreden beschikking is gericht tot de Helleense Republiek en overeenkomstig artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag kan een natuurlijk of rechtspersoon slechts beroep tegen een tot een ander gerichte beschikking instellen, indien die beschikking hem rechtstreeks en individueel raakt.
26 Wat het vereiste betreft om individueel te worden geraakt, volgt uit vaste rechtspraak dat degenen die niet de adressaten van een beschikking zijn, slechts kunnen stellen individueel te worden geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag, indien deze beschikking hen betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat (arresten Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 205, 232; 28 januari 1986, Cofaz e.a./Commissie, 169/84, Jurispr. blz. 391, punt 22, en arrest Gerecht van 15 december 1999, Freistaat Sachsen e.a./Commissie, T-132/96 en T-143/96, Jurispr. blz. II-3663, punt 83).
27 In casu is niet aan deze voorwaarden voldaan. Ter ondersteuning van de ontvankelijkheid van hun beroep voeren verzoekers immers slechts aan dat zij een beroepsopleidingsactiviteit in een landbouwgebied uitoefenen, waardoor zij tot de economische en culturele ontwikkeling van dat gebied bijdragen, en dat zij wegens die activiteiten een lening bij de BGL hebben gesloten die zij niet konden terugbetalen. Het is volkomen duidelijk dat deze omstandigheden op zich niet voldoende zijn om verzoekers te karakteriseren ten opzichte van iedere andere insolvabele debiteur van de BGL die een economische activiteit in een Grieks landbouwgebied uitoefent en niet op de lijst van de begunstigden van de litigieuze steun voorkomt.
28 Hieruit volgt dat verzoekers niet kunnen stellen individueel te worden geraakt door de beschikking van de Raad waarbij die steun verenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.
29 Het beroep moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de andere door verweerder opgeworpen middelen van niet-ontvankelijkheid.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd.
31 Aangezien verzoekers in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij te worden verwezen in hun eigen kosten en in die van verweerder, zoals door hem gevorderd.
32 Overeenkomstig artikel 87, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering zal de Helleense Republiek, interveniënte ter ondersteuning van verweerder, haar eigen kosten dragen.
Dictum
HET GERECHT (Vierde kamer - uitgebreid),
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoeksters worden verwezen in hun eigen kosten en in die van verweerder.
3) De Helleense Republiek zal haar eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy