Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
1 Kort geding - Voorwaarden voor ontvankelijkheid - Ontvankelijkheid van beroep in hoofdzaak - Irrelevant - Grenzen
(Art. 242 EG en 243 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 1)
2 Kort geding - Opschorting van uitvoering - Voorlopige maatregelen - Voorwaarden - Ernstige en onherstelbare schade - Bewijslast - Afweging van alle betrokken belangen
(Art. 242 EG en 243 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, leden 1 en 2)
3 Kort geding - Opschorting van uitvoering - Voorlopige maatregelen - Voorwaarden - Spoedeisendheid - Afweging van betrokken belangen - Bescherming van volksgezondheid - Onderzoek uit hoofde van spoedeisendheid - Voorwaarde
(Art. 242 EG en 243 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, leden 1 en 2)
4 Kort geding - Opschorting van uitvoering - Opschorting van uitvoering van beschikking tot verlening van vergunning voor in handel brengen van geneesmiddel - Voorwaarden - Afweging van alle betrokken belangen
(Art. 242 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 1)
Samenvatting
1 De ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak mag in beginsel weliswaar niet worden onderzocht in het kader van een kort geding, teneinde niet op de hoofdzaak te prejudiciëren, doch wanneer wordt gesteld dat het beroep in de hoofdzaak in verband waarmee het verzoek in kort geding is ingediend, kennelijk niet-ontvankelijk is, kan het noodzakelijk zijn het bestaan van bepaalde elementen vast te stellen op grond waarvan aanvankelijk tot de ontvankelijkheid van dit beroep kan worden geconcludeerd. (cf. punt 59)
2 De spoedeisendheid van een verzoek in kort geding moet worden getoetst aan de vraag, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt. Die partij moet het bewijs leveren dat zij niet op de uitspraak in de hoofdzaak kan wachten zonder dergelijke schade te lijden. Om uit te maken of is aangetoond dat de gevraagde opschorting noodzakelijk is, moet de kortgedingrechter de gestelde schade evenwel onderzoeken tegen de achtergrond van alle betrokken belangen. (cf. punten 126, 137)
3 Weliswaar kan de schade aan derden of aan het milieu waarop een partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, zich beroept, in het kader van een verzoek in kort geding slechts in aanmerking worden genomen bij de belangenafweging, doch met betrekking tot een verzoek om opschorting van de uitvoering van een beschikking van de Commissie tot het verlenen van de vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel kan verzoekster, wegens haar bijzondere positie als onderzoeker bij het klinisch onderzoek dat wordt beschreven in bij de vergunningsaanvraag gevoegde rapporten, - voor welke vergunning is vereist dat zij die rapporten ondertekent -, niet de mogelijkheid worden ontzegd om zich voor de spoedeisendheid te beroepen op het gevaar voor de menselijke gezondheid dat kan voortvloeien uit het gebrek aan werkzaamheid en uit de toxiciteit van het toegelaten geneesmiddel. (cf. punt 135)
4 Aangaande een verzoek om opschorting van de uitvoering van een beschikking van de Commissie tot het verlenen van de vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel, kan de kortgedingrechter, wanneer verzoekster niet afdoende heeft aangetoond dat het werkzame bestanddeel van dit geneesmiddel niet noodzakelijk is, hetgeen het geval zou zijn indien er een echt therapeutisch alternatief voor de thans beschikbare farmacologische behandeling bestond, zijn afweging van de voordelen en risico's van het toegelaten geneesmiddel voor de betrokken patiënten niet in de plaats van die van de Commissie stellen. (cf. punten 144-145)
Partijen
In zaak T-326/99 R,
N. F. Olivieri, wonende te Toronto (Canada), vertegenwoordigd door P. Sands en J. Marks, barristers, en R. Stein, solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Nathan & Noesen, advocaten aldaar, Rue des Glacis 18,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. Wainwright en door H. Støvlbæk, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van deze dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Apotex Europe Ltd, gevestigd te Leeds (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door P. Bogaert en M. Le Berre, advocaten te Brussel, S. Fries, advocaat in Baden-Württemberg, en G. Castle, solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Lutgen, advocaat aldaar, Rue Jean-Pierre Brasseur 1,
interveniënte,
betreffende een verzoek om opschorting van de uitvoering van de beschikking van de Commissie van 25 augustus 1999 tot het verlenen van de vergunning voor het in de handel brengen van het geneesmiddel Ferriprox" (PB C 270, blz. 2),
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Rechtskader
Relevante bepalingen van verordening (EEG) nr. 2309/93
1 Artikel 5 van verordening (EEG) nr. 2309/93 van de Raad van 22 juli 1993 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen voor en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling (PB L 214, blz. 1), bepaalt:
Het bij artikel 8 van richtlijn 75/319/EEG opgerichte Comité voor farmaceutische specialiteiten, (...) wordt belast met de opstelling van het advies van het [Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling] over elk vraagstuk inzake de ontvankelijkheid van de volgens de gecentraliseerde procedure ingediende dossiers, de afgifte, de wijzigingen, de schorsing of de intrekking van een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel voor menselijk gebruik, overeenkomstig de bepalingen van deze titel, alsmede de geneesmiddelenbewaking."
2 Artikel 6, lid 1, bepaalt:
De aanvraag van een vergunning voor een geneesmiddel voor menselijk gebruik gaat vergezeld van de in de artikelen 4 en 4 bis van richtlijn 65/65//EEG, in de bijlage van richtlijn 75/318/EEG en in artikel 2 van richtlijn 75/319/EEG bedoelde gegevens en bescheiden."
3 Artikel 7 luidt als volgt:
Ter voorbereiding van zijn advies:
a) gaat het Comité [voor farmaceutische specialiteiten] na of de overeenkomstig artikel 6 ingediende gegevens en bescheiden in overeenstemming zijn met de voorschriften van de richtlijnen 65/65/EEG, 75/318/EEG en 75/319/EEG en of aan de bij deze verordening gestelde voorwaarden voor de afgifte van een vergunning voor het in de handel brengen van het betreffende geneesmiddel is voldaan;
(...)"
4 Artikel 11 bepaalt:
Onverminderd andere bepalingen van het gemeenschapsrecht wordt de in artikel 3 bedoelde vergunning geweigerd, indien na verifiëring van de krachtens artikel 6 ingediende gegevens en bescheiden blijkt dat de kwaliteit, de veiligheid of de werkzaamheid van het geneesmiddel niet afdoende of voldoende door de aanvrager is aangetoond (...)"
5 Artikel 13, lid 2, bepaalt:
In uitzonderlijke omstandigheden en na overleg met de aanvrager kunnen aan de vergunning specifieke verplichtingen worden verbonden die jaarlijks door het Bureau opnieuw worden bezien.
Dergelijke uitzonderlijke besluiten kunnen uitsluitend worden genomen op grond van objectieve en controleerbare argumenten en alleen om één van de in deel 4, onder G, van de bijlage bij richtlijn 75/318/EEG vermelde redenen."
6 Artikel 68, lid 2, luidt als volgt:
Een vergunning voor het in de handel brengen van een onder de werkingssfeer van deze verordening vallend geneesmiddel mag slechts volgens de in deze verordening vermelde procedures worden verleend (...)"
Relevante bepalingen van de bijlage bij richtlijn 75/318/EEG
7 De tekst van de bijlage bij richtlijn 75/318/EEG van de Raad van 20 mei 1975 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de analytische, toxicologisch-farmacologische en klinische normen en voorschriften betreffende proeven op farmaceutische specialiteiten (PB L 147, blz. 1) is vervangen door die van de bijlage bij richtlijn 91/507/EEG van de Commissie van 19 juli 1991 (PB L 270, blz. 32).
8 Deel 4 van de bijlage bij richtlijn 75/318 stelt de vereisten vast waaraan de gegevens en bescheiden moeten voldoen die bij de aanvraag voor een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel moeten worden gevoegd.
9 Volgens de tweede overweging van de considerans van deel 4 van deze bijlage is een klinisch onderzoek een systematische bestudering van geneesmiddelen bij menselijke proefpersonen, patiënten of gezonde vrijwilligers, om van experimentele producten de effecten te weten te komen of te controleren en/of eventuele bijwerkingen te signaleren en/of de absorptie, de distributie, het metabolisme en de uitscheiding te bestuderen om de werkzaamheid en de veiligheid van deze producten vast te stellen".
10 Punt C van deel 4 van de bijlage regelt de presentatie van de resultaten van het klinisch onderzoek. Punt C, lid 1, luidt als volgt:
De gegevens over elk klinisch onderzoek moeten voldoende gedetailleerd zijn om een objectief oordeel mogelijk te maken:
(...)
- het eindrapport, getekend door de onderzoeker, en voor multicenter-onderzoek, door alle onderzoekers of door de coördinerende (hoofd)onderzoeker."
11 Punt G van deel 4 van de bijlage betreft de documentatie die in uitzonderlijke omstandigheden voor vergunningsaanvragen moet worden overgelegd. Het luidt als volgt:
Wanneer de aanvrager voor bepaalde therapeutische indicaties kan aantonen dat hij geen volledige gegevens over de kwaliteit, de werkzaamheid en de veiligheid bij normaal gebruik kan verschaffen omdat:
- de indicaties waarvoor het desbetreffende product is bedoeld, zo zelden voorkomen dat van de aanvrager niet redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij volledige gegevens verstrekt,
of
- volledige gegevens vanwege de stand van de wetenschappelijke kennis op dat moment niet kunnen worden verstrekt,
(...)
kan de vergunning voor het in de handel brengen worden afgegeven op de volgende voorwaarden:
a) de aanvrager voltooit een gespecificeerd onderzoekprogramma binnen een bepaalde periode, die door de bevoegde instantie wordt vastgesteld; op basis van dit programma wordt het baten/risico-profiel opnieuw beoordeeld;
b) het desbetreffende geneesmiddel mag alleen op medisch voorschrift worden verstrekt en mag in bepaalde gevallen alleen onder streng medisch toezicht, eventueel in een ziekenhuis, (...) worden toegediend;
c) in de bijsluiter en alle overige medische informatie moet de arts erop attent worden gemaakt dat er over het desbetreffende geneesmiddel tot op heden in bepaalde gespecificeerde opzichten nog onvoldoende gegevens beschikbaar zijn."
Feiten
12 Thalassaemia major is een genetische aandoening die wordt gekenmerkt door ernstige bloedarmoede. De verzorging ervan vereist veelvuldige bloedtransfusies. Deze leiden evenwel tot ijzerstapeling in de organen van de patiënt. Aangezien het lichaam het overtollige ijzer niet langs natuurlijke weg kan afvoeren, leidt dit geleidelijk toenemend ijzergehalte tot beschadiging van in het bijzonder het hart en de lever, waardoor de levensverwachting van de patiënt daalt.
13 De huidige farmacologische behandeling van een teveel aan ijzer is deferoxamine. Deferoxaminebehandeling is evenwel belastend omdat de stof wordt toegediend via een subcutaan infuus, meermaals per week en soms gedurende bijna twaalf uur per dag. Verder kan overgevoeligheid voor de stof optreden.
14 Dokter N. F. Olivieri is een wereldwijd erkende specialiste in deze ziekte. In het kader van haar onderzoek naar de behandeling van patiënten die aan deze ziekte lijden, verrichtte zij vanaf 1989 diepgaand onderzoek naar en belangrijke proeven met deferipron, een oraal toegediende ijzerchelator.
15 Van 1989 tot mei 1996 nam verzoekster als onderzoekster deel aan drie klinische proeven met deferipron die gedeeltelijk door de vennootschap Apotex werden gefinancierd en de refertes LA-01, LA-02 en LA-03 droegen. Zij was hoofdonderzoeker voor de proeven LA-01 en LA-03.
16 Proef LA-01, een gerandomiseerde proef met deferipron en met deferoxamine, beoogde de relatieve werkzaamheid van de twee stoffen te beoordelen. Proef LA-03 beoogde de werkzaamheid en de veiligheid van het gebruik van deferipron op lange termijn te beoordelen. Op 24 mei 1996 maakte Apotex voortijdig een einde aan de proeven LA-01 en LA-03.
17 Proef LA-02 was een gericht veiligheidsonderzoek van de beenmerg- en articulatiestoornissen. Verzoekster nam niet tot aan het einde deel aan de proef.
18 Geen enkel van de rapporten van de drie klinische proeven is door verzoekster ondertekend.
19 In het kader van een onderzoek na de proeven LA-01 en LA-03 kwam verzoekster tot de conclusie dat deferipron toxisch was voor hart en lever, daar het gebruik ervan een aanzienlijk risico van ontwikkeling van hartziekten en leverfibrose opleverde. Zij onderbrak onmiddellijk de proeven van het product op mensen.
20 Op 6 februari 1998 diende Apotex Europe Ltd (hierna: Apotex") bij het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling (hierna: Bureau") krachtens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2309/93 een aanvraag in voor een vergunning voor het in de handel brengen van het geneesmiddel Ferriprox" met het werkzame bestanddeel deferipron. Met dit geneesmiddel, dat het voordeel heeft oraal te worden toegediend, wordt zoals met deferoxamine een teveel aan ijzer tegengegaan.
21 Voor dit geneesmiddel is de gecentraliseerde vergunningprocedure gevolgd.
22 Tijdens de beoordelingsprocedure verschafte Apotex schriftelijke en mondelinge toelichtingen en op 27 januari 1999 bracht het Comité voor farmaceutische specialiteiten (hierna: CFS"), gelet op de in artikel 13, lid 2, van verordening nr. 2309/23 en punt G van deel 4 van de bijlage bij richtlijn 75/318 bedoelde uitzonderlijke omstandigheden", een gunstig advies uit voor de afgifte van de vergunning voor het in de handel brengen van het geneesmiddel.
23 Aangezien Apotex niet is opgekomen tegen het gunstige advies van het CFS, werd dit advies als definitief beschouwd en op 4 maart 1999 door het Bureau aan de Commissie toegezonden. Deze informatie is in april 1999 openbaar gemaakt.
24 Toen verzoekster kennis kreeg van deze informatie, deelde zij het Bureau reeds op 28 april 1999 mee dat zij vreesde dat het in de handel brengen van Ferriprox gezondheidsrisico's zou meebrengen. Zij wees in het bijzonder op het risico van leverfibrose bij met deferipron behandelde patiënten.
25 Op 20 mei 1999 deelde de voorzitter van het CFS de Commissie mee dat hij nieuwe, potentieel belangrijke inlichtingen had ontvangen over de veiligheid van deferipron en dat die inlichtingen snel tegen de achtergrond van de eerdere gegevens zouden worden geanalyseerd om na te gaan of het baten/risico-profiel daardoor werd gewijzigd. Het CFS vroeg de Commissie welke procedure in dat geval moest worden gevolgd. Tegelijkertijd werd Apotex uitgenodigd het dossier van de vergunningsaanvraag met alle beschikbare extra informatie aan te vullen of te bevestigen dat alle thans beschikbare gegevens over het risico van leverfibrose aan het Bureau waren verstrekt.
26 Bij brief van 15 juni 1999 verzocht de Commissie het CFS te onderzoeken of er belangrijke nieuwe wetenschappelijke of technische vragen waren die het Bureau in zijn advies niet had behandeld".
27 In de maanden mei en juni 1999 was verzoekster geregeld via haar advocaten of rechtstreeks in contact met het Bureau over haar vrees omtrent deferipron.
28 Op 21 juni 1999 kwam een binnen het Bureau opgerichte ad-hocwerkgroep van deskundigen (hierna: ad-hocgroep") bijeen om de nieuwe informatie over de veiligheid van het product en de gevolgen van die informatie te bespreken.
29 Gelet op de aanbevelingen van de ad-hocgroep concludeerde het CFS tot handhaving van het gunstig advies voor de afgifte van de vergunning voor het in de handel brengen van Ferriprox wegens uitzonderlijke omstandigheden"; het stelde evenwel voor de ontwerpen van samenvatting van de technische kenmerken van het product en het ontwerp van de bijsluiter te herzien om de informatie over het risico van leverfibrose aan te vullen. Op 23 juni 1999 stelde het CFS een herzien advies vast, waarvan het Bureau de Commissie op 7 juli 1999 in kennis stelde.
30 Het herziene advies van het CFS is opgenomen in een herzien ontwerp van beschikking. Nadat het in artikel 73 van verordening nr. 2309/93 bedoelde Permanent comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik op 13 augustus 1999 een gunstig advies over het ontwerp van beschikking had uitgebracht, gaf de Commissie op 25 augustus daaraanvolgend de beschikking tot verlening van de vergunning voor het in de handel brengen van het geneesmiddel voor menselijk gebruik Ferriprox (hierna: litigieuze beschikking"), die op 2 september 1999 aan Apotex is betekend. Overeenkomstig artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2309/93 is die beschikking op 24 september 1999 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB C 270, blz. 2).
Procedure
31 Bij op 19 november 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster een beroep ingesteld tot nietigverklaring van enerzijds de beschikking van de Commissie van 25 augustus 1999 tot verlening van de vergunning voor het in de handel te brengen van het geneesmiddel Ferriprox en anderzijds van het herziene advies van het CFS van 23 juni 1999.
32 Bij een op dezelfde dag neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoekster het onderhavige verzoek om opschorting van de uitvoering van de litigieuze beschikking ingediend.
33 Op 9 december 1999 heeft de Commissie haar opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend.
34 Op 17 januari 2000 heeft verzoekster een schriftelijk antwoord op de opmerkingen van de Commissie ingediend. De Commissie die was verzocht haar standpunt te bepalen over een bijzonder punt van verzoeksters antwoord, diende op 28 januari 2000 nieuwe opmerkingen in.
35 Bij brief van 4 februari 2000, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 7 februari daaraanvolgend, heeft verzoekster verzocht dat de Commissie verschillende in haar opmerkingen genoemde documenten alsook een aantal andere documenten zou overleggen.
36 Op 7 februari 2000 heeft verzoekster een gewijzigde versie van haar antwoord op de opmerkingen van de Commissie van 28 januari 2000 alsmede nieuwe bijlagen neergelegd.
37 Op 10 februari 2000 heeft de Commissie een aantal in verzoeksters brief van 4 februari 2000 genoemde documenten overgelegd. Zij heeft er evenwel op gewezen dat andere documenten niet konden worden overgelegd omdat de erin vervatte gegevens vertrouwelijk waren, of omdat zij niet over die documenten beschikte.
38 Bij op 1 december 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft Apotex verzocht in het kort geding te mogen interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
39 Dit verzoek tot tussenkomst is overeenkomstig artikel 116, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht betekend aan partijen, die binnen de gestelde termijn hun opmerkingen hebben gemaakt.
40 Bij beschikking van 1 februari 2000 heeft de president van het Gerecht de interventie van Apotex toegestaan. Apotex heeft ter terechtzitting mondeling opmerkingen mogen maken.
41 Partijen zijn op 15 februari 2000 in hun toelichtingen gehoord.
42 Op 16 februari 2000 heeft de Commissie een niet-vertrouwelijke versie neergelegd van het document dat als bijlage 1 bij haar opmerkingen was gevoegd. Dat document is in die versie onmiddellijk aan de andere partijen betekend.
In rechte
43 Krachtens de artikelen 242 EG en 243 EG juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB L 144, blz. 21), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
44 Volgens artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bevatten de verzoeken tot verkrijging van voorlopige maatregelen een duidelijke omschrijving van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk (fumus boni juris) gerechtvaardigd voorkomt. Deze voorwaarden zijn cumulatief, zodat een verzoek om opschorting van de uitvoering moet worden afgewezen wanneer aan één voorwaarde niet is voldaan (beschikking van de president van het Gerecht van 30 juni 1999, Alpharma/Raad, T-70/99 R, Jurispr. blz. II-2027, punt 42). De kortgedingrechter weegt in voorkomend geval ook de betrokken belangen tegen elkaar af (beschikking van de president van het Hof van 29 juni 1999, Italië/Commissie, C-107/99 R, Jurispr. blz. I-4011, punt 59, en beschikkingen van de president van het Gerecht van 21 juli 1999, DSR-Senator Lines/Commissie, T-191/98 R, Jurispr. blz. 2531, punt 22, en van 25 november 1999, Martinez en de Gaulle/Parlement, T-222/99 R, Jurispr. blz. II-3397, punt 22).
De ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
45 Verzoekster stelt dat zij procesbevoegdheid heeft.
46 In de eerste plaats is zij individueel geraakt omdat zij het recht heeft deel te nemen aan de procedure tot vaststelling van de litigieuze beschikking. Dit recht volgt uit de toepasselijke regeling, namelijk deel 4, punt C, lid 1, van de bijlage bij richtlijn 75/318 volgens hetwelk het eindrapport van elk klinisch onderzoek door de onderzoeker getekend moet zijn.
47 Zij herinnert eraan dat het CFS zijn beoordeling van Ferriprox heeft gebaseerd op de proeven LA-01 en LA-03, waarvan zij de hoofdonderzoeker was en waarvan het resultaat is overgenomen in rapporten die zij niet heeft ondertekend. Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2309/93, dat bij wege van verwijzing naar de bijlage bij richtlijn 75/318 voorschrijft dat de aan het Bureau verstrekte rapporten door de onderzoeker moeten zijn ondertekend, is dus niet in acht genomen.
48 Bovendien heeft de ad-hocgroep het belang van verzoeksters rol bij de beoordelingsprocedure alsook de ernst van de door haar opgeworpen vragen erkend.
49 In de tweede plaats is verzoekster individueel geraakt uit hoofde van een aantal bijzondere hoedanigheden. De vergunning is namelijk verleend op basis van de door haar verrichte proeven. Zij is dus de enige persoon die kan bevestigen dat het resultaat van het klinisch onderzoek in de vergunningsaanvraag van Apotex correct is weergegeven. Zij is ook de enige persoon wier reputatie wordt geschaad door het vertrouwen dat de Commissie heeft gesteld in de rapporten van het klinisch onderzoek, waarvoor zij de hoofdverantwoordelijke was en waarvan de conclusies verkeerd zijn voorgesteld.
50 De Commissie stelt dat verzoekster geen procesbevoegdheid heeft omdat zij door de litigieuze beschikking niet individueel wordt geraakt in de zin van het arrest van het Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, Jurispr. blz. 207), en zij door die beschikking evenmin rechtstreeks wordt geraakt.
51 In de eerste plaats verleent de toepasselijke regeling derden niet het recht deel te nemen aan de procedure tot verlening van de vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel. Zij verleent een derde geen enkele procedurele garantie dat hij zijn wettige belangen geldend kan maken, zodat hij zich in voorkomend geval op schending van die garantie kan beroepen (met name arresten Hof van 28 januari 1986, Cofaz e.a./Commissie, 169/84, Jurispr. blz. 391, punt 23, en van 22 oktober 1986, Metro/Commissie, 75/84, Jurispr. blz. 3021, punt 22; arresten Gerecht van 18 mei 1994, BEUC en NCC/Commissie, T-37/92, Jurispr. blz. II-285, punt 36, en 27 april 1995, CCE de la Société générale des grandes sources e.a./Commissie, T-96/92, Jurispr. blz. II-1213, punten 31 en volgende). De door artikel 6 van verordening nr. 2309/93 bij wege van verwijzing naar de bijlage bij richtlijn 75/318 aan de onderzoeker opgelegde verplichting om de rapporten te ondertekenen waarin het door hem verrichte onderzoek wordt beschreven, vormt geen procedurele waarborg" te zijnen behoeve. Dat verzoekster heeft deelgenomen aan de procedure van vaststelling van de litigieuze beschikking, is op zich dus geen element waardoor verzoekster, wat die beschikking betreft, wordt geïndividualiseerd, aangezien de toepasselijke regeling niet voorziet in een subjectief recht om te worden gehoord of om te verkrijgen dat zijn belangen in aanmerking worden genomen (beschikking Gerecht van 3 juni 1997, Merck e.a./Commissie, T-60/96, Jurispr. blz. II-849, punt 73).
52 Voorts waren de resultaten van de proeven LA-01 en LA-03, die in de door verzoekster niet ondertekende rapporten zijn opgenomen, niet beslissend voor de beoordeling door het CFS. Het ontbreken van de handtekening vindt zijn verklaring in de ontdekking van problemen bij het verrichten van de proeven, die rechtvaardigden dat Apotex ze beëindigde. Volgens de toepasselijke regeling was Apotex hoe dan ook gehouden alle inlichtingen betreffende de beoordeling van het betrokken geneesmiddel, waaronder de door de onderzoeker niet ondertekende rapporten, te verstrekken.
53 Aangezien de vergunning voor het in de handel brengen werd verleend wegens uitzonderlijke omstandigheden", kon zij worden verleend zonder dat alle vereiste klinische gegevens beschikbaar waren.
54 In de tweede plaats wordt verzoekster niet individueel geraakt wegens bijzondere hoedanigheden en/of een feitelijke situatie.
55 De gevolgen van de litigieuze beschikking voor verzoeksters reputatie kunnen verzoekster niet individualiseren. Dienaangaande wijst de Commissie erop dat verordening nr. 2309/93 haar niet toestaat rekening te houden met elementen als die welke verzoekster aanvoert. Blijkens artikel 68 van deze verordening mogen bij de beslissing over het verlenen van de vergunning alleen de criteria veiligheid, werkzaamheid en kwaliteit van het product worden gehanteerd (arresten Hof van 26 januari 1984, Clin-Midy, 301/82, Jurispr. blz. 251; 7 december 1993, Pierrel e.a., C-83/92, Jurispr. blz. I-6419, en 2 april 1998, Norbrook Laboratories, C-127/95, Jurispr. blz. I-1531).
56 Al was verzoekster de enige persoon die kan bevestigen dat de resultaten van de proeven die zij heeft verricht, door Apotex niet zijn verdraaid, toch wordt zij daardoor, wat de litigieuze beschikking betreft, nog niet geïndividualiseerd, daar de door haar opgeworpen bezwaren door het Bureau zijn onderzocht en het CFS een herzien advies heeft uitgebracht.
57 Evenmin wordt verzoekster door de litigieuze beschikking rechtstreeks geraakt. Zij heeft namelijk niet aangetoond dat die beschikking haar reputatie rechtstreeks schaadt. Verzoeksters vrees is onvoldoende gestaafd en dus onvoldoende concludent om een kennelijk causaal verband tussen de litigieuze beschikking en de gestelde voor haar ongunstige gevolgen ervan aan te tonen. De schade aan verzoeksters reputatie vloeit hoe dan ook niet voort uit die beschikking, doch uit de gestelde verdraaiing van de conclusies van haar door Apotex overgelegde rapporten.
Beoordeling door de kortgedingrechter
58 Volgens artikel 104, lid 1, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering kan een verzoek tot verkrijging van een voorlopige maatregel slechts worden ontvangen indien de verzoeker partij is in een voor het Gerecht aanhangige zaak. Deze regel is geen zuivere formaliteit, doch onderstelt dat het beroep in de hoofdzaak in verband waarmee het verzoek in kort geding is ingediend, daadwerkelijk door het Gerecht kan worden onderzocht.
59 Volgens vaste rechtspraak mag de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak in beginsel niet worden onderzocht in het kader van een kort geding, teneinde niet op de hoofdzaak te prejudiciëren. Wanneer evenwel, zoals in casu, wordt gesteld dat het beroep in de hoofdzaak in verband waarmee het verzoek in kort geding is ingediend, kennelijk niet-ontvankelijk is, kan het toch noodzakelijk zijn het bestaan van bepaalde elementen vast te stellen op grond waarvan aanvankelijk tot de ontvankelijkheid van het beroep kan worden geconcludeerd (beschikking van de president van het Hof van 27 januari 1988, Distrivet/Raad, 376/98 R, Jurispr. blz. 209, punt 21; beschikkingen van de president van het Gerecht van 30 juni 1999, Pfizer Animal Health/Raad, T-13/99 R, Jurispr. blz. II-1961, punt 121, en 15 februari 2000, Hölzl e.a./Commissie, T-1/00 R, Jurispr. blz. II-0000, punt 21).
60 In casu was de litigieuze beschikking niet tot verzoekster gericht. Verzoekster moet dus elementen aantonen op grond waarvan kan worden aangenomen dat die beschikking haar rechtstreeks en individueel raakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG.
61 Om aan te tonen dat de litigieuze beschikking haar individueel raakt, beroept verzoekster zich met name op het door de toepasselijke regeling verleende recht om deel te nemen aan de procedure van vaststelling van de handeling.
62 Dienaangaande is het vaste rechtspraak dat het feit dat een persoon die op enigerlei wijze deelneemt aan de procedure die leidt tot de vaststelling van een gemeenschapshandeling, deze persoon alleen dan individualiseert, wat de betrokken handeling betreft, wanneer de gemeenschapsregeling hem bepaalde procedurele garanties toekent (beschikkingen Gerecht van 9 augustus 1995, Greenpeace e.a./Commissie, T-585/93, Jurispr. blz. II-2205, punten 56 en 63, en 8 juli 1999, Areacova e.a./Raad en Commissie, T-12/96, Jurispr. blz. II-2301, punt 59; arresten Gerecht van 13 december 1995, Exporteurs in Levende Varkens e.a./Commissie, T-481/93 en T-484/93, Jurispr. blz. II-2941, punt 55, en 5 juni 1996, Kahn Scheepvaart/Commissie, T-398/94, Jurispr. blz. II-477, punten 48 en 49).
63 Opgemerkt zij dat de toepasselijke gemeenschapsregeling nergens bepaalt dat de Commissie, alvorens de vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel af te geven, een procedure moet volgen waarin anderen dan de vergunningsaanvrager met name het recht hebben te worden gehoord.
64 Volgens deel 4, punt C, lid 1, van de bijlage bij richtlijn 75/318 moeten de over een klinisch onderzoek verstrekte gegevens evenwel voldoende gedetailleerd zijn om een objectief oordeel mogelijk te maken en moet het eindrapport ondertekend zijn door de onderzoeker, en voor multicenter-onderzoek, door alle onderzoekers of door de hoofdonderzoeker.
65 Al vormt deze bepaling geen procedurele garantie omdat zij niet voorschrijft dat de onderzoeker voor het Bureau en de Commissie deelneemt aan de procedure die tot de vaststelling van de handeling leidt, het valt niet uit te sluiten dat de niet-inachtneming ervan de onderzoeker wiens handtekening niet op het aan het Bureau overgelegde eindrapport staat, kan individualiseren wat de handeling tot verlening van de vergunning voor het in de handel brengen van het betrokken geneesmiddel betreft. Het verrichten van klinisch onderzoek door de onderzoeker vormt immers een noodzakelijke voorwaarde voor elke vergunningsaanvraag en de handtekening van de onderzoeker op het eindrapport garandeert de authenticiteit van de erin vervatte gegevens.
66 Dienaangaande zij ook opgemerkt dat verordening nr. 2309/93 en de handelingen waarnaar zij verwijst, nauwkeurige regels geven over de indiening van aanvragen voor vergunningen voor het in de handel brengen, het onderzoek daarvan en de beslissingen daarop. Met name bepaalt artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2903/93: De aanvraag van een vergunning voor een geneesmiddel voor menselijk gebruik gaat vergezeld van de in de artikelen 4 en 4 bis van richtlijn 65/65/EEG, in de bijlage van richtlijn 75/318/EEG en in artikel 2 van richtlijn 75/319/EEG bedoelde gegevens en bescheiden." De inachtneming van het in artikel 6, lid 1, van deze verordening bepaalde is van wezenlijk belang om de verwezenlijking van de fundamentele doelstelling van bescherming van de volksgezondheid te garanderen (naar analogie, arrest Norbrook Laboratories, reeds aangehaald, punten 40 en 41).
67 In casu dient, uitsluitend ter beoordeling of het beroep in de hoofdzaak op het eerste gezicht ontvankelijk voorkomt, te worden vastgesteld dat de rapporten van de proeven LA-01 en LA-03 waarvan verzoekster de hoofdonderzoeker was, door haar niet zijn ondertekend.
68 Bovendien is geoordeeld dat een verzoeker kan stellen dat hij door een handeling wordt geraakt op een wijze die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert, wat ook de aard is van de belangen - economische of andere - waarin hij wordt getroffen (beschikking Greenpeace e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 50). Derhalve valt niet uit te sluiten dat verzoekster, een erkende specialiste op het gebied van de behandeling van patiënten die aan thalassaemia major lijden, een hoofdonderzoeker van de proeven LA-01 en LA-03, zich kan beroepen op een belang in verband met de bescherming van de gezondheid van deze patiënten.
69 Aangezien de toepasselijke regeling is vastgesteld om een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te garanderen en verzoekster zich beroept op haar belang om de volksgezondheid te beschermen, dient derhalve te worden aangenomen, dat er elementen zijn op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat verzoekster door de litigieuze beschikking individueel kan worden geraakt.
70 Aangezien het risico van aantasting van de volksgezondheid rechtstreeks voortvloeit uit het in de handel brengen van Ferriprox, wordt verzoekster op het eerste gezicht rechtstreeks geraakt door de litigieuze beschikking. Het lijdt immers geen twijfel dat Apotex van plan is gebruik te maken van de vergunning voor het in de handel brengen van Ferriprox (naar analogie, arrest Gerecht van 27 april 1995, ASPEC e.a./Commissie, T-435/93, Jurispr. blz. II-1281, punt 60).
71 Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld, dat er elementen zijn op grond waarvan kan worden aangenomen dat het beroep in de hoofdzaak in verband waarmee het verzoek in kort geding is ingediend, ontvankelijk zou kunnen worden verklaard.
De fumus boni juris
Argumenten van partijen
72 In haar verzoek in kort geding verwijst verzoekster naar de middelen die zij in het kader van haar beroep tot nietigverklaring heeft aangevoerd, om de opschorting van uitvoering van de litigieuze beschikking op het eerste gezicht te rechtvaardigen.
73 In de eerste plaats is de litigieuze beschikking gebaseerd op gegevens die in de door Apotex ingediende vergunningsaanvraag zijn vervat. In strijd met de artikelen 7 en 11 van verordening nr. 2309/93 zijn deze gegevens evenwel niet geverifieerd.
74 In de tweede plaats zijn bij de beoordeling van dit verzoek kennelijke vergissingen begaan. Er is namelijk geen of althans onvoldoende rekening gehouden met het bekende onderzoekswerk van verzoekster en onafhankelijke onderzoekers over de veiligheid en de werkzaamheid van deferipron.
75 In de derde plaats zijn de bepalingen van artikel 13 van verordening nr. 2309/93 volgens hetwelk in uitzonderlijke omstandigheden" een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel kan worden verleend, onjuist toegepast. In het bijzonder heeft de Commissie bij toepassing van deze bepalingen geen redelijke afweging gemaakt tussen enerzijds het verhoogde risico van schade door het gebruik van deferipron en anderzijds de therapeutische werkzaamheid van dit product voor de patiënt. De Commissie heeft ook niet voldoende rekening gehouden met het feit dat slechts een zeer klein aantal personen aan de ziekte lijden en dat de meesten van hen volgens reeds beproefde en veilige methoden kunnen worden verzorgd. De Commissie heeft het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden in casu dus niet aangetoond.
76 In de vierde plaats heeft de Commissie het evenredigheidsbeginsel geschonden door de procedure voor uitzonderlijke omstandigheden van artikel 13, lid 2, van verordening nr. 2309/93 toe te passen omdat deferipron noodzakelijk was voor de groep patiënten die geen andere producten kunnen gebruiken. Aangezien die groep wereldwijd slechts uit 40 patiënten bestaat, ware het aangewezen geweest het gebruik van deferipron tot die groep te beperken in het kader van een strikt gecontroleerde klinische proef. Op die manier zouden patiënten die geen deel uitmaken van de groep, niet nutteloos worden blootgesteld aan ernstige gezondheidsrisico's.
77 In de vijfde plaats ten slotte is het voorzorgsbeginsel geschonden. Dienaangaande wijst verzoekster erop dat de door haar verstrekte inlichtingen volgens de conclusies van de ad-hocgroep de reeds bestaande twijfel versterken (reinforce the already existing doubts"). De afgifte van de vergunning in die omstandigheden is onverenigbaar met het voorzorgsbeginsel, aangezien dit bij twijfel voorzichtigheid gebiedt.
78 In haar memorie van antwoord op de opmerkingen van de Commissie stelt verzoekster dat de Commissie de risico's van deferipron voor de menselijke gezondheid heeft onderschat. Haars inziens vormen desensibilisering en de behandeling met diaethyleen triamine penta azijnzuur (hierna: DTPA") therapeutische alternatieven voor deferipron voor de groep patiënten voor wie het gebruik van deferipron is toegestaan, namelijk de patiënten die allergisch of overgevoelig zijn voor deferoxamine. Hoewel DTPA daarvoor niet is toegelaten, kan het door artsen wettig worden voorgeschreven voor andere indicaties dan die waarvoor het is toegestaan.
79 Bovendien is niet bewezen dat patiënten bij wie deferoxamine een allergische of toxische werking heeft, later veiliger met deferipron zijn behandeld of zouden kunnen worden behandeld. De proeven die Apotex (op basis van de gegevens van een LA-06-test) overeenkomstig de voorwaarden van de vergunning voor het in de handel brengen moest verrichten, waren slechts de voortzetting van proef LA-02. Deze laatste had evenwel niet betrekking op patiënten die de behandeling met deferoxamine niet verdroegen, en proef LA-06 bood niet de mogelijkheid betrouwbare informatie te verkrijgen over de veiligheid van het gebruik van deferipron met betrekking tot leverfibrose en hartaandoeningen. Wegens dit gebrek aan bewijs had het CFS Apotex dus moeten verzoeken een nieuwe klinische proef te verrichten, alvorens het een gunstig advies gaf voor de vergunning voor het in de handel brengen.
80 Verder is verzoekster van mening dat de beoordeling van deferipron op onjuiste en misleidende gegevens van Apotex berust, namelijk op de gegevens van het bij de opmerkingen van de Commissie gevoegde rapport van proef LA-01, waarvan zij de hoofdonderzoeker was.
81 Verzoekster maakt ook bezwaar tegen het gebruik van serumferritine om de werkzaamheid van deferipron te beoordelen en tegen de conclusies die de Commissie daaruit trekt, en verder tegen het oordeel over de toxiciteit van deferipron voor lever en hart.
82 Al deze door verzoekster in haar memorie van antwoord genoemde vergissingen hadden kunnen worden voorkomen indien was nagegaan of de door Apotex aan het Bureau verstrekte informatie volledig en juist was.
83 Ter terechtzitting heeft verzoekster in antwoord op een vraag van de kortgedingrechter uitdrukkelijk bevestigd dat zij een middel inzake schending van wezenlijke vormvoorschriften aanvoerde op grond dat de rapporten van de proeven LA-01 en LA-03, waarvan zij de hoofdonderzoeker was, door haar niet zijn ondertekend.
84 In de eerste plaats is de Commissie van mening dat verzoekster geen kennelijke beoordelingsfouten heeft weten aan te tonen. Zij stelt dat in het beoordelingsrapport van het CFS van januari 1999 en in het addendum daarbij van juni 1999 naar behoren rekening is gehouden met de door verzoekster aangedragen gegevens. Het CFS heeft namelijk zowel de in de vergunningsaanvraag meegedeelde als de door verzoekster over de werkzaamheid en veiligheid van deferipron verstrekte gegevens grondig onderzocht en geverifieerd.
85 Anders dan verzoekster stelt, heeft het CFS de in de vergunningsaanvraag vervatte gegevens overeenkomstig de artikelen 7 en 11 van verordening nr. 2309/93 geverifieerd. De Commissie voegt daaraan toe dat geen onafhankelijk of bijzonder onderzoek wordt verlangd dat verder gaat dan de goedkeuring door het secretariaat van het Bureau.
86 Bovendien heeft het CFS met betrekking tot deferipron voldaan aan zijn verplichting om de in de aanvraag voor de vergunning vervatte gegevens volledig te onderzoeken teneinde de kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid van het geneesmiddel te controleren.
87 De Commissie betwist de stelling dat deferipron niet werkzaam is. Het bleek namelijk werkzaam te zijn bij de volledige onderzoeksgroep. In dit verband blijkt uit gepubliceerde gegevens dat het niet-overschrijden van een ferritinedrempel van 2500 mcg/l voor thalassemiepatiënten de voornaamste factor is om zonder hartziekte te overleven. Op basis van de gegevens van de vergunningsaanvraag van Apotex kwam het CFS tot de conclusie dat deferipron werkzaam was om een verhoging van de serumferritineconcentraties over een periode van ten minste een jaar te beletten. Inzonderheid bleek uit proef LA-02 dat deze concentraties na een jaar bij 54 % van de patiënten beneden 2500 mcg/l bleven, waarbij valt op te merken dat een soortgelijk percentage (58 %) van de patiënten die aan de proef deelnamen, bij het begin van de proef reeds een serumferritineconcentratie beneden 2500 mcg/l hadden. Na een jaar behandeling waren de gemiddelde serumferritineconcentraties bovendien daadwerkelijk gedaald.
88 Zij voegt eraan toe dat bij analyse van een subgroep bleek dat zelfs bij patiënten met het grootste teveel aan ijzer (meer dan 5000 mcg/l bij het begin van de proef) een geleidelijke daling van de gemiddelde serumferritineconcentraties optrad.
89 Verder betwist zij dat de toxiciteit van deferipron voor de hart- en leverfunctie bewezen is. Ondanks grondig onderzoek van de door verzoekster en Apotex verstrekte inlichtingen was de ad-hocgroep van mening dat uit de nieuwe gegevens niet kon worden geconcludeerd, dat er een verband bestaat tussen de behandeling met deferipron en leverfibrose. Zijns inziens was er dus geen reden voor herziening van het advies waarbij het verlenen van een vergunning voor het in de handel brengen in uitzonderlijke omstandigheden werd aanbevolen.
90 In zijn aanbevelingen aan het CFS stelde de ad-hocgroep dus voor de beperkingen van de indicaties te handhaven, de artsen mee te delen dat er geen definitieve conclusies zijn over het verband tussen leverfibrose en deferipron en de controle bij een specifieke bevolkingsgroep, namelijk hepatitis C-patiënten, aan te bevelen, van Apotex een schriftelijke bevestiging te verlangen dat zij haar in elke lidstaat behaalde verkoopcijfers zal meedelen om te garanderen dat deferipron niet buiten de toegelaten indicaties wordt voorgeschreven, en Apotex en andere bronnen te vragen nadere informatie over te leggen zodra die beschikbaar is. Het CFS nam al deze aanbevelingen op in zijn herzien advies.
91 Verder merkt de Commissie op, dat aangezien er geen risicoloze geneesmiddelen zijn, het niveau vanaf waar het risico aanvaardbaar is afhangt van de therapeutische waarde en van de uniciteit van het geneesmiddel. In casu zal het ontbreken van een behandeling van thalassemie tot de vroegtijdige dood van de patiënten leiden en kan de toediening van deferipron het leven verlengen van patiënten voor wie tot dan toe geen andere therapie dan deferoxamine bestond.
92 In de tweede plaats betwist de Commissie dat vergissingen zijn begaan bij de toepassing van artikel 13 van verordening nr. 2309/93. De daarin bedoelde uitzonderlijke besluiten kunnen uitsluitend worden genomen op grond van objectieve en controleerbare argumenten en alleen om één van de in deel 4, onder G, van de bijlage bij richtlijn 75/318/EEG vermelde redenen. De Commissie verwijst naar de eerste van de in dit deel bedoelde uitzonderingen (punt 11 hierboven) en beklemtoont, dat verzoekster heeft toegegeven dat thalassemie een zeldzame aandoening is. Derhalve was het gerechtvaardigd die bepalingen toe te passen.
93 Bovendien zijn de in het herziene advies van het CFS gestelde voorwaarden zeer restrictief. De categorie patiënten voor wie deferipron is toegelaten, is voldoende begrensd, enerzijds door de beperkingen inzake de afgifte, aangezien alleen in de behandeling van thalassemiepatiënten ervaren artsen deferipron kunnen voorschrijven, en anderzijds doordat het alleen mag worden toegediend aan patiënten voor wie een deferoxaminetherapie moet worden ontraden of sterke toxische gevolgen heeft. De Commissie wijst er ook op dat in de aanwijzingen voor het voorschrijven van Ferriprox de artsen erop worden gewezen dat de beschikbare gegevens niet concludent zijn met betrekking tot de vraag of deferipron leverfibrose kan verergeren en met betrekking tot de gevolgen die dit geneesmiddel kan hebben voor de hartfunctie. Op aanbeveling van de ad-hocgroep is een waarschuwing over het bestaan van een verband tussen leverfibrose en hepatitis C bij thalassemiepatiënten toegevoegd.
94 Voor de vergunning voor het in de handel brengen in uitzonderlijke omstandigheden moet de aanvrager ook binnen een bepaalde periode een gespecificeerd onderzoekprogramma voltooien op basis van de resultaten waarvan het baten/risico-profiel jaarlijks opnieuw zal worden beoordeeld. Bij niet-nakoming van deze verplichting kan de vergunning voor het in de handel brengen worden geschorst of ingetrokken. Bovendien moet Apotex gedetailleerd aantekening houden van alle binnen of buiten de Gemeenschap optredende vermoedelijke bijwerkingen die haar door beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg worden gemeld. Ten slotte kan de Commissie krachtens artikel 1, lid 3, van verordening (EG) nr. 542/95 van de Commissie van 10 maart 1995 betreffende het onderzoek van wijzigingen in de voorwaarden van een vergunning om een geneesmiddel in de handel te brengen, die binnen het toepassingsgebied van verordening (EEG) nr. 2309/93 van de Raad valt (PB L 55, blz. 15), zoals gewijzigd, urgente beperkende maatregelen" opleggen ingeval dringend moet worden opgetreden om de veiligheid van het product te garanderen.
95 In de derde plaats is de Commissie van mening dat het evenredigheidsbeginsel niet is geschonden. Wanneer een instelling op een bepaald gebied over een discretionaire bevoegdheid beschikt, kan de wettigheid van een op dit gebied vastgestelde maatregel slechts op losse schroeven komen te staan wanneer die maatregel kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het ermee nagestreefde doel (arrest Hof van 5 mei 1998, Verenigd Koninkrijk/Commissie, C-180/96, Jurispr. blz. I-2265, punt 97). Dat is niet het geval met de litigieuze beschikking. Onjuist is met name verzoeksters stelling dat de meeste patiënten die voor deferipronbehandeling in aanmerking komen, volgens beproefde, veilige en beschikbare methoden kunnen worden behandeld. De door verzoekster voorgestelde alternatieve behandelingen (DTPA-therapie en deferoxaminetherapie in lagere doses) zijn niet bevredigend. Ten slotte verklaart de Commissie dat voor de groep patiënten waarvoor dit geneesmiddel is toegestaan, geen ander product dan deferipron in aanmerking komt.
96 Ten slotte merkt de Commissie op dat, wat de vergunningen voor geneesmiddelen betreft, het voorzorgsbeginsel tot uiting komt in de in acht te nemen criteria veiligheid en werkzaamheid en in de talrijke gegevens die aan het CFS ter beoordeling moeten worden voorgelegd alvorens dit een vergunning kan aanbevelen. De inachtneming van dat beginsel valt onder de op de Commissie en het CFS rustende verplichting om de regels van verordening nr. 2309/93 te volgen.
97 Ter terechtzitting heeft Apotex verklaard dat zij de opmerkingen van de Commissie volledig onderschrijft.
Beoordeling door de kortgedingrechter
98 Verzoekster is in wezen van mening dat de litigieuze beschikking als gevolg van de gebreken in de procedure tot vaststelling ervan kennelijk verkeerde beoordelingen bevat. Een van de gestelde gebreken, namelijk het feit dat de bij de vergunningsaanvraag gevoegde rapporten over het klinisch onderzoek niet door de onderzoeker waren ondertekend, vormt volgens verzoekster een schending van een wezenlijk vormvoorschrift.
99 Dienaangaande wordt in de derde overweging van de considerans van deel 4 van de bijlage bij richtlijn 75/318 opgemerkt: De beoordeling van de aanvraag voor een vergunning voor het in de handel brengen wordt gebaseerd op klinisch onderzoek, met inbegrip van klinisch farmacologisch onderzoek, opgezet om, gelet op de therapeutische indicaties voor gebruik bij de mens, de werkzaamheid en veiligheid van het product bij normaal gebruik te bepalen". Volgens deel 4, punt C, van deze bijlage moet het bij elke vergunningsaanvraag te voegen eindrapport van elk klinisch onderzoek ondertekend zijn door de onderzoeker.
100 In casu staat vast dat de bij de vergunningsaanvraag van Apotex gevoegde rapporten over de klinische onderzoeken LA-01 en LA-03 niet door verzoekster in haar hoedanigheid van hoofdonderzoeker zijn ondertekend.
101 Derhalve moet worden uitgemaakt of de niet-ondertekening van deze rapporten op het eerste gezicht kan worden beschouwd als een schending van een wezenlijk vormvoorschrift in de zin van artikel 230, tweede alinea, EG, die nietigverklaring van de litigieuze beschikking rechtvaardigt. Daartoe dienen het doel van de beweerdelijk geschonden regel en de gevolgen van een eventuele schending voor de inhoud van de litigieuze beschikking te worden onderzocht.
102 De ondertekening van het eindrapport door de auteur van het klinisch onderzoek is een formaliteit die integrerend deel uitmaakt van het besluitvormingsproces dat tot de verlening van de vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel leidt en kan derhalve bepalend zijn voor geldigheid ervan. Deze formaliteit is noodzakelijk omdat zij de authenticiteit garandeert van de gegevens van het bij de vergunningsaanvraag gevoegde rapport, in het bijzonder de resultaten van de proeven; aldus garandeert de handtekening dat de beoordeling van het geneesmiddel niet op materiële onjuistheden berust. De niet-inachtneming van deze formaliteit kan dus gevolgen hebben voor de wettigheid van de aan het eind van de procedure gegeven beschikking, indien komt vast te staan dat het door de onderzoeker niet goedgekeurde eindrapport het Bureau en de Commissie wegens onjuistheden of weglatingen op een essentieel punt heeft misleid.
103 De regeling staat evenwel niet eraan in de weg dat door de onderzoeker niet-ondertekende rapporten van klinische onderzoeken in sommige gevallen als bijlage bij de vergunningsaanvraag worden gevoegd. Volgens de regeling moeten namelijk alle voor het product gunstige of ongunstige gegevens die voor de beoordeling van het betrokken product relevant zijn, bij de vergunningsaanvraag worden gevoegd. In de inleiding van de bijlage bij richtlijn 75/318 wordt uitdrukkelijk verklaard: In het bijzonder dienen alle relevante details omtrent onvolledige of gestaakte farmacologisch-toxicologische of klinische proeven of onderzoeken met het geneesmiddel te worden vermeld."
104 Het bij de vergunningsaanvraag gevoegde rapport van het klinische onderzoek is derhalve, ongeacht of het door de onderzoeker is ondertekend, steeds onmisbaar voor de beoordeling van de werkzaamheid en veiligheid van het betrokken geneesmiddel.
105 Een procedure tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel is dus dermate onregelmatig dat zij nietig kan worden verklaard, wanneer het Bureau, en dus de Commissie, niet in staat waren de voordelen en de gevaren van het geneesmiddel voor de gezondheid correct te beoordelen omdat het rapport van het desbetreffende klinische onderzoek op een of meer wezenlijke punten onjuiste of onvolledige informatie bevatte die niet kon worden gecorrigeerd door de tijdens de procedure aan het Bureau gezonden aanvullende gegevens.
106 In casu blijkt namelijk uit het dossier dat het rapport van het onderzoek LA-01 - samen met de rapporten van de onderzoeken LA-02 en LA-03 - bij de vergunningsaanvraag van Apotex was gevoegd. Daaruit blijkt ook dat het Bureau bij de beoordeling van de werkzaamheid van deferipron noodzakelijkerwijs rekening heeft gehouden met het onderzoek LA-01, zij het om het terzijde te leggen [zie het document van het Bureau van 2 december 1999 met de titel Ferriprox - Overview of the procedure", blz. 2: het beoordelingsrapport van het CFS van 27 januari 1999 (bijlage 1 bij het document van het Bureau, blz. 13 tot en met 15); en de wetenschappelijke bespreking in het Europees openbaar beoordelingsrapport" van het CFS van 25 augustus 1999 (bijlage 4 bij het document van het Bureau)].
107 Volgens verzoekster bevat het bij de opmerkingen van de Commissie gevoegde rapport van het onderzoek LA-01 een feitenrelaas en interpretaties die onjuist en misleidend zijn. In dit verband zij opgemerkt dat in de conclusies van 11 juni 1999 professor Olalla Marañón, de door het CFS aangewezen corapporteur om een beoordelingsrapport over de door verzoekster voorgelegde documentatie op te stellen, verklaart:
De door een hoofdonderzoeker van de belangrijkste klinische onderzoeken toegestuurde brieven zijn verontrustend. Nagegaan moet worden of alle feitelijke gegevens zijn voorgelegd en correct zijn. Dit punt moet worden besproken in het [CFS]" (punt 5).
108 Indien het Gerecht daadwerkelijk tot de bevinding komt dat de vergunning voor het in de handel brengen van Ferriprox is verleend op basis van een beoordeling door het Bureau die berust op een rapport van een klinisch onderzoek dat inhoudelijk onjuiste of onvolledige informatie bevat, is die bevinding van fundamenteel belang voor de beoordeling van de wettigheid van de litigieuze beschikking. Verzoeksters argumenten over de omstandigheden waarin het Bureau de werkzaamheid en veiligheid van Ferriprox heeft beoordeeld, moeten daarom grondig worden onderzocht. Dat onderzoek kan evenwel niet worden verricht in het kader van het onderhavige verzoek in kort geding.
109 Aangezien verzoeksters betoog op het eerste gezicht niet als volledig ongegrond kan worden beschouwd, moet de kortgedingrechter de andere voorwaarden voor het verlenen van opschorting van de uitvoering onderzoeken.
Spoedeisendheid en belangenafweging
Argumenten van partijen
110 Ten bewijze van de spoedeisendheid van de opschorting van de uitvoering van de litigieuze beschikking wijst verzoekster in de eerste plaats op het gevaar van deferipron voor de volksgezondheid en stelt zij in de tweede plaats dat de litigieuze beschikking haar reputatie ernstig en onherstelbaar schaadt.
111 Aangaande het eerste aspect is verzoekster van mening dat opschorting van de uitvoering de enige maatregel is die de volksgezondheid adequaat kan beschermen.
112 De drie door verzoekster of onder haar leiding verrichte klinische onderzoeken brachten haar tot de conclusie dat deferipron bij ongeveer de helft van de behandelde personen niet werkte. Welnu, wanneer overtollig ijzer niet kan worden afgevoerd, dreigen de patiënten vroegtijdig te sterven. Verder is de toxiciteit van de stof aangetoond. Bij langdurig gebruik van deferipron is er een groot risico van leverfibrose en hartaandoeningen en dus van een vroegtijdige dood van de betrokken patiënten.
113 Wegens die resultaten heeft verzoekster alle onderzoek op mensen gestaakt en toediening van deferipron onder haar toezicht stopgezet.
114 Voorts stelt verzoekster dat de aan de vergunning voor het in de handel brengen verbonden voorwaarden niet garanderen dat de passende voorzorgsmaatregelen zullen worden genomen om de schadelijke gevolgen van het innemen van deferipron te voorkomen. De aan de vergunning voor Ferriprox verbonden voorwaarden beperken onvoldoende de groep patiënten aan wie dit geneesmiddel mag worden voorgeschreven, garanderen niet dat patiënten en artsen behoorlijk worden voorgelicht over het bestaan en de ernst van het risico van leverfibrose en hartaandoeningen, en stellen geen passende eisen inzake controle van de werkzaamheid en toxiciteit van deferipron, inzonderheid met betrekking tot het ontstaan en de ontwikkeling van leverfibrose bij patiënten die het product innemen.
115 Aangaande het tweede aspect, betreffende de aantasting van haar reputatie, verklaart verzoekster dat de resultaten van haar onderzoek van de werkzaamheid en de veiligheid van deferipron en haar contacten met het Bureau bepalend waren voor de beoordelingsprocedure. In het bijzonder zit verzoekster erover in, dat de aard en de conclusies van haar onderzoek aan het Bureau en de Commissie onjuist zijn voorgesteld en/of door hen onjuist zijn begrepen. Zij betoogt dat, indien de resultaten van haar onderzoek het Bureau en de Commissie correct waren meegedeeld, de vergunning niet zou zijn verleend. Volgens verzoekster toont haar onderzoek aan dat deferipron niet als veilig kan worden beschouwd zolang geen verder bevredigend toxiciteitsonderzoek op dieren is verricht. Aangezien haar standpunt welbekend is in wetenschappelijke kringen, is de litigieuze beschikking rechtstreeks van invloed op de perceptie van de kwaliteit van haar onderzoek en op de credibiliteit ervan.
116 Subsidiair, indien verzoeksters ongerustheid over de veiligheid en werkzaamheid van deferipron wordt bewaarheid nadat het product in de handel is gebracht, zal dit, gelet op de natuurlijke en gewettigde overtuiging dat de vergunning voor het in de handel brengen althans gedeeltelijk op de resultaten van haar werk is gebaseerd, noodzakelijkerwijs negatieve gevolgen hebben voor haar positie in de medische en wetenschappelijke kringen.
117 Dit kan hoe dan ook in de toekomst van invloed zijn op haar mogelijkheden om geld in te zamelen voor haar onderzoek.
118 Ten slotte is haar reputatie blijvend en onomkeerbaar aangetast.
119 Volgens de Commissie, ondersteund door Apotex, is niet voldaan aan het vereiste van spoedeisendheid.
120 Aangaande het risico voor de volksgezondheid stelt de Commissie dat de litigieuze beschikking, waarin strenge voorwaarden zijn gesteld, gerechtvaardigd is wat de werkzaamheid en de veiligheid van het geneesmiddel betreft. De gestelde ernstige en onherstelbare schade kan door de kortgedingrechter slechts in aanmerking worden genomen voorzover zij kan worden berokkend aan de belangen van de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt [beschikking Pfizer Animal Health/Raad, reeds aangehaald, punt 136, en beschikking van de president van het Hof van 18 november 1999, Pfizer Animal Health/Raad, C-329/99 P(R), Jurispr. blz. I-8343, punt 94]. Verzoekster lijdt evenwel niet aan thalassemie. Zij heeft dus geen enkel belang dat kan worden aangetast door de handhaving van de litigieuze beschikking tot aan de uitspraak in de hoofdzaak.
121 Bovendien lopen de betrokken patiënten bij opschorting van de uitvoering van de beschikking een veel groter risico dan wanneer het product in de handel wordt gebracht, aangezien sommigen van hen hun huidige behandeling zouden moeten missen en anderen geen toegang tot het product zouden krijgen. Aangezien voor deze patiënten geen andere behandeling dan deferoxamine bestaat, is er groot gevaar dat zij vroegtijdig sterven.
122 Wat de schade door de aantasting van verzoeksters reputatie betreft, moet worden aangetoond dat het bestaan of de dreiging daarvan een bepaalde waarschijnlijkheid heeft (beschikking van de president van het Hof van 23 mei 1990, Comos-Tank e.a./Commissie, C-51/90 R en C-59/90, Jurispr. blz. I-2167, punt 29). Er is evenwel geen bewijs van immateriële of financiële schade aangedragen.
123 Verzoeksters vrees dat de vergunning voor deferipron ongunstige gevolgen heeft voor de wijze waarop haar gelijken en haar patiënten haar beroepsbekwaamheid, positie en integriteit zien, en voor haar mogelijkheden om in de toekomst geld in te zamelen voor haar onderzoek, is onvoldoende bewezen en derhalve onvoldoende concludent om een duidelijk causaal verband tussen de litigieuze beschikking en deze ongunstige gevolgen aan te nemen. Zoals verzoekster zelf erkent, is haar standpunt dat deferipron niet als veilig kan worden beschouwd zolang geen nader toxiciteitsonderzoek is verricht, welbekend in wetenschappelijke kringen. Door in wetenschappelijke kringen haar verzet tegen de litigieuze beschikking kenbaar te maken, kan verzoekster de gevreesde gevolgen voor de perceptie van de kwaliteit van haar onderzoek en voor de geloofwaardigheid ervan gemakkelijk voorkomen. Daarbij komt, dat ook al wordt haar reputatie door de litigieuze beschikking aangetast, die aantasting niet onherstelbaar is, aangezien de nietigverklaring van die beschikking aan het einde van de procedure in de hoofdzaak haar de mogelijkheid biedt haar reputatie te herstellen (beschikking van de president van het Gerecht van 8 oktober 1993, Branco/Rekenkamer, T-507/93 R, Jurispr. blz. II-1013, punten 23 en 24).
124 Ten slotte is de schade ten gevolge van de waarschijnlijke gevolgen voor haar mogelijkheid om in de toekomst geld in te zamelen voor haar onderzoek" van financiële aard; die schade volstaat derhalve niet om de spoedeisendheid aan te tonen (beschikking van de president van het Gerecht van 10 december 1997, Camar/Commissie en Raad, T-260/97 R, Jurispr. blz. II-2357, punt 42). Alleen in uitzonderlijke omstandigheden gelden uitzonderingen op dat beginsel (beschikking van de president van het Gerecht van 7 juli 1998, Van den Bergh Foods/Commissie, T-65/98 R, Jurispr. blz. II-2641, punten 65 e.v.).
125 Ongeacht welke belangen in aanmerking worden genomen, hetzij die van de Commissie die door de wetgever ermee is belast de vergunning voor het in de handel brengen te verlenen op basis van de werkzaamheden van het CFS en het Bureau, hetzij die van de thalassemiepatiënten voor wie deferipronbehandeling levensreddend kan zijn, deze belangen wegen zwaarder dan alle eventuele schade voor verzoeksters reputatie ten gevolge van de handhaving van de litigieuze beschikking tot aan de uitspraak in de hoofdzaak.
Beoordeling door de kortgedingrechter
126 Volgens vaste rechtspraak moet de spoedeisendheid van een verzoek in kort geding worden getoetst aan de vraag, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt. Die partij moet het bewijs leveren dat zij niet op de uitspraak in de hoofdzaak kan wachten zonder ernstige en onherstelbare schade te lijden (zie, onder meer, beschikking van de president van het Gerecht van 30 april 1999, Emesa Sugar/Raad, T-44/98 R II, Jurispr. blz. II-1427, punt 128).
127 In haar verzoek in kort geding stelt verzoekster dat, het niet-opschorten van de uitvoering van de litigieuze beschikking haar reputatie zal aantasten doordat die beschikking het in de handel brengen toestaat van Ferriprox, een gevaar voor de volksgezondheid oplevert.
128 Aangaande de schade die de litigieuze beschikking voor haar reputatie kan meebrengen, valt weliswaar niet uit te sluiten dat opschorting van de uitvoering dergelijke immateriële schade kan verhelpen, doch zij kan die schade niet meer verhelpen dan de nietigverklaring van de litigieuze beschikking aan het eind van de hoofdzaak zal doen. De kortgedingprocedure heeft hoe dan ook niet tot doel herstel te bieden voor schade, maar ervoor te zorgen dat het arrest in de hoofdzaak ten volle effect kan sorteren (beschikking van de president van het Hof van 25 maart 1999, Willeme/Commissie, C-65/99 P (R), Jurispr. blz. I-1857, punt 62).
129 Bovendien is die immateriële schade niet aangetoond. Verzoeksters kritiek op deferipron is, zoals zij zelf beklemtoont, welbekend in wetenschappelijke kringen. Verschillende stukken bevestigen dat verzoekster openbaarheid heeft gegeven aan haar standpunt dat deferipron niet werkzaam is.
130 Zo luidt het onderdeel Dankbetuiging" van het in het tijdschrift Annals New York Academy of Sciences gepubliceerde artikel A Multi-Center Safety Trial of the Iron Chelator Deferipron" (Een multicenter-onderzoek van de veiligheid van de ijzerchelator deferipron") als volgt:
Dit onderzoek werd gesponsord door Apotex Inc., Weston, Ontario, Canada. Dokters Nancy Olivieri en Garry Brittenham namen deel aan de organisatie en uitvoering van dit onderzoek, doch zij namen geen deel aan de analyse van de gegevens en aan de opstelling van het manuscript en gingen niet akkoord met de conclusies".
131 In een artikel van verzoekster en andere onderzoekers met het opschrift Long-Term safety and effectiveness of iron-chelation therapy with deferipron for thalassemia major" (Veiligheid en werkzaamheid op lange termijn van ijzerchelatietherapie met deferipron bij thalassaemia major"), dat in 1998 in het tijdschrift The New England Journal of Medicine werd gepubliceerd (bijlage 18 bij het verzoekschrift in kort geding), wordt geconcludeerd dat deferipron ijzerstapeling bij thalassemiepatiënten niet adequaat controleert en leverfibrose kan verergeren".
132 Aangezien verzoekster geen enkel van de door Apotex als bijlage bij de vergunningsaanvraag gevoegde rapporten van de klinische onderzoeken heeft ondertekend, kan haar niet worden verweten dat zij de voorlegging van deze rapporten aan het Bureau heeft goedgekeurd.
133 Wat ten slotte de eventueel uit de uitvoering van de litigieuze beschikking voortvloeiende moeilijkheden betreft om geld voor onderzoek te krijgen, behoeft er slechts op te worden gewezen dat die schade hypothetisch is.
134 Aangaande het gevaar dat het in de handel brengen van Ferriprox voor de menselijke gezondheid oplevert, voert de Commissie aan, dat een dergelijk gevaar van ernstige en onherstelbare schade verzoeksters belangen niet kan aantasten, zodat deze zich daarop niet kan beroepen om aan te tonen dat aan de voorwaarde van spoedeisendheid is voldaan.
135 Het is juist dat de kortgedingrechter reeds heeft geoordeeld dat de schade aan derden en aan het milieu waarop een partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, zich beroept, slechts in aanmerking mag worden genomen bij de belangenafweging (beschikking van de president van het Gerecht, Pfizer Animal Health/Raad, reeds aangehaald, punt 136; zie ook beschikking Alpharma/Raad, T-70/99 R, reeds aangehaald, punt 146). Wegens verzoeksters bijzondere positie als onderzoeker bij het klinisch onderzoek dat wordt beschreven in bij de vergunningsaanvraag gevoegde rapporten - voor welke vergunning vereist is dat zij die rapporten ondertekent -, kan haar evenwel niet de mogelijkheid worden ontzegd om zich voor de spoedeisendheid te beroepen op het gevaar voor de menselijke gezondheid dat kan voortvloeien uit het gebrek aan werkzaamheid en uit de toxiciteit van het toegelaten geneesmiddel.
136 Indien zou blijken dat deferipron de door verzoekster gestelde gevolgen heeft voor de gezondheid van patiënten aan wie het wordt toegediend, doordat het niet werkt of toxisch is, zouden die gevolgen niet kunnen worden hersteld wanneer verzoeksters beroep tot nietigverklaring wordt toegewezen.
137 Om uit te maken of verzoekster heeft aangetoond dat de gevraagde voorlopige maatregel noodzakelijk is, moet de gestelde schade evenwel worden onderzocht tegen de achtergrond van alle betrokken belangen (beschikkingen van de president van het Hof van 29 juni 1993, Duitsland/Raad, C-280/93 R, Jurispr. blz. I-3667, punt 29; 24 september 1996, Verenigd Koninkrijk/Commissie, C-239/96 R en C-240/96 R, Jurispr. blz. I-4475, punt 67, en Italië/Commissie, C-107/99 R, reeds aangehaald, punt 89).
138 Dienaangaande staat vast dat de verlening en de afwijzing van de gevraagde opschorting een evengroot risico van onomkeerbare gevolgen inhoud en ingeval het arrest in de hoofdzaak de Commissie in het gelijk stelt. De groep patiënten aan wie Ferriprox zal worden toegediend, is immers die waarvoor geen alternatieve behandeling voor deferoxamine bestaat. Zonder behandeling met deferipron kan het overtollige ijzer bij deze patiënten niet worden afgevoerd en dreigen zij vroegtijdig te sterven.
139 Dienaangaande zij erop gewezen dat de groep patiënten aan wie door medische specialisten een deferipronbehandeling kan worden voorgeschreven, beperkt is. Zoals blijkt uit het document met het opschrift Europees openbaar beoordelingsrapport" (bijlage 4 bij het door het Bureau opgestelde document).
Deferipron wordt gebruikt voor het behandelen van te hoge ijzerstapeling bij patiënten met thalassaemia major voor wie een behandeling met deferoxamine niet geschikt is. Deferipron mag niet worden gebruikt wanneer behandeling met deferoxamine mogelijk is." [rubriek Package leaflet" (bijsluiter)]
140 In hetzelfde document wordt over de therapeutische indicaties het volgende gezegd:
Behandeling van ijzerstapeling bij patiënten met thalassaemia major waarbij een behandeling met deferoxamine is gecontraïndiceerd of die ernstige toxiciteit vertonen bij behandeling met deferoxamine." [rubrieken Product Information" (informatie over het product) en Summary of Product Characteristics" (productkenmerken)]
141 Aangezien deferipron het voordeel heeft oraal te worden toegediend en niet parenteraal zoals deferoxamine, kan Ferriprox worden gebruikt door andere patiënten dan degenen die op het etiket en in de bijsluiter worden genoemd. Dienaangaande zij erop gewezen dat aan de vergunning voor het in de handel brengen de verbintenis is verbonden het Bureau de verkoopcijfers van Ferriprox in elke lidstaat over een minimumperiode van één jaar mee te delen [document van het Bureau Ferriprox-Overview of the procedure" (gevoegd bij de opmerkingen van de Commissie) en brief van Apotex aan het CFS van 23 juni 1999 (bijlage 1 bij het document van het Bureau)], hetgeen een middel is om daadwerkelijk toezicht te houden op het gebruik van het geneesmiddel.
142 Volgens verzoekster vormen de DTPA-behandeling en het densibiliseren voor deferoxamine alternatieven voor een deferoxaminebehandeling. Op dit punt zijn verzoeksters argumenten niet overtuigend. DTPA is daarvoor namelijk niet als geneesmiddel toegelaten. Een arts die DTPA daarvoor gebruikt, maakt derhalve een oneigenlijk en met risico's verbonden gebruik van dat geneesmiddel en doet dit op eigen verantwoording. Derhalve kan niet algemeen worden gesteld dat deze behandeling een beproefde en veilige therapeutische methode is.
143 Wat het desensibiliseren voor deferoxamine betreft, kunnen verzoeksters argumenten, die door de Commissie worden bestreden, evenmin de conclusie wettigen dat dit een alternatieve behandeling vormt, aangezien het precies bestaat in de toediening van deze stof in kleinere doses, hetgeen overigens noodzakelijkerwijs een verhoging van de ijzerstapeling en van de risico's daarvan voor de gezondheid van de patiënt meebrengt, zoals de Commissie heeft betoogd zonder op dit punt door verzoekster te zijn tegengesproken.
144 Daaruit volgt dat verzoekster niet afdoende heeft aangetoond dat deferipron niet noodzakelijk is, hetgeen het geval zou zijn indien er een echt alternatief voor behandeling met deferoxamine bestond.
145 In deze omstandigheden kan de kortgedingrechter zijn afweging van de voordelen en risico's van het toegelaten geneesmiddel voor de betrokken patiënten niet in de plaats van die van de Commissie stellen.
146 Uit een en ander volgt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van de gevraagde opschorting.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Full & Egal Universal Law Academy