Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Beroep tot schadevergoeding - Verjaringstermijn - Aanvang - Aansprakelijkheid uit hoofde van verordening nr. 857/84, waarin geen referentiehoeveelheid wordt toegekend aan melkproducenten die verbintenis tot niet-levering zijn aangegaan - In aanmerking te nemen datum
(Art. 235 EG en 288 EG, tweede alinea; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 43; verordeningen nrs. 1078/77 en 857/84 van de Raad)
2. Beroep tot schadevergoeding - Verjaringstermijn - Stuiting - Voorwaarden - Beroep bij gemeenschapsrechter of indiening van voorafgaand verzoek bij bevoegde instelling
(Art. 230 EG en 232 EG, tweede alinea; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 43; verordening nr. 2330/98 van de Raad)
3. Handelingen van de instellingen - Algemene verplichting, justitiabelen te informeren over rechtsmiddelen en voorwaarden - Geen
Samenvatting
1. De verjaringstermijn van artikel 43 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie voor beroepen tegen de Gemeenschap wegens niet-contractuele aansprakelijkheid kan niet ingaan voordat aan alle vereisten voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht is voldaan, en in het bijzonder, in gevallen waarin de aansprakelijkheid uit een normatieve handeling voortvloeit, niet voordat de nadelige gevolgen van die handeling zich hebben voorgedaan, met dien verstande dat die voorwaarden het bestaan van onrechtmatig gedrag van de gemeenschapsinstellingen, werkelijke schade en een causaal verband daartussen betreffen.
In dat verband is de schade als gevolg van de onmogelijkheid voor een melkproducent om een referentiehoeveelheid te exploiteren, geleden vanaf de dag waarop de betrokken producent na afloop van zijn uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane niet-leveringsverbintenis, de melkleveringen had kunnen hervatten zonder de extra heffing te moeten betalen, wanneer hem een dergelijke hoeveelheid niet was geweigerd krachtens verordening nr. 857/84. Vanaf die datum is dus aan alle voorwaarden voor een schadevergoedingsactie tegen de Gemeenschap voldaan. Aangezien het gaat om schade die niet in één keer is veroorzaakt, maar dagelijks opnieuw is ontstaan, strekt de verjaring van artikel 43 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie zich uit over de periode die meer dan vijf jaar voor de datum van de stuitingshandeling ligt, zonder de tijdens de latere periodes ontstane rechten te beïnvloeden.
( cf. punten 40-41, 44-45 )
2. Volgens artikel 43 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie wordt de verjaring enkel gestuit door de instelling van een beroep bij de gemeenschapsrechter of door de indiening van een voorafgaand verzoek bij de bevoegde instelling van de Gemeenschap, met dien verstande evenwel, dat er in dit laatste geval slechts sprake is van stuiting wanneer het verzoek wordt gevolgd door een beroep binnen de termijnen van de artikelen 230 EG of 232 EG.
Wanneer een melkproducent in het kader van verordening nr. 2330/98 een schadevergoedingsvoorstel ontvangt, moet hij kunnen profiteren van het feit dat in een antwoordbrief van de instellingen op een door verzoeker tot hen gericht verzoek om schadevergoeding werd afgezien van een beroep op verjaring, zodat de verjaring overeenkomstig artikel 43 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie op de datum van zijn verzoek om schadevergoeding werd gestuit, mits hij het beroep uiterlijk binnen twee maanden na afloop van de in de genoemde verordening gestelde termijn voor aanvaarding van het voorstel instelt.
( cf. punten 47, 51-53 )
3. Bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling in het gemeenschapsrecht kan niet worden aanvaard dat er voor de administratieve of rechterlijke instanties van de Gemeenschap een algemene verplichting zou bestaan de justitiabelen te informeren over de rechtsmiddelen die hun ten dienste staan en over de voorwaarden voor de uitoefening ervan.
( cf. punt 50 )
Partijen
In zaak T-332/99,
Paul Jestädt, woonachtig te Großenlüder (Duitsland), vertegenwoordigd door R. J. Seimetz, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. M. Colaert als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Niejahr als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerders,
betreffende een beroep krachtens de artikelen 235 EG en 288, tweede alinea, EG strekkende tot vergoeding van de schade die verzoeker heeft geleden omdat hij geen melk heeft kunnen leveren ingevolge verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 13), zoals aangevuld bij verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde heffing (PB L 132, blz. 11),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: P. Mengozzi, kamerpresident, V. Tiili en R. M. Moura Ramos, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Rechtskader
1 Ter beperking van de overproductie van melk in de Gemeenschap stelde de Raad in 1977 verordening (EEG) nr. 1078/77 van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelproducten en voor de omschakeling van het melkveebestand (PB L 131, blz. 1) vast. Deze verordening kende een premie toe aan producenten die gedurende een periode van vijf jaar een verbintenis tot niet-levering van melk of omschakeling van de veestapel aangingen.
2 Om een hardnekkige overproductie tegen te gaan, stelde de Raad in 1984 verordening (EEG) nr. 856/84 van 31 maart 1984 (PB L 90, blz. 10) vast, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (PB L 148, blz. 13). Bij het nieuwe artikel 5 quater van laatstgenoemde verordening is een extra heffing" ingesteld op de door producenten geleverde hoeveelheden melk die een bepaalde referentiehoeveelheid" overschrijden.
3 Bij verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 13) is de referentiehoeveelheid voor elke producent vastgesteld op basis van de productie die is geleverd in een referentiejaar, dat door de lidstaten uit de kalenderjaren 1981 tot 1983 is gekozen. De Bondsrepubliek Duitsland heeft 1983 als referentiejaar gekozen.
4 Bij arresten van 28 april 1988, Mulder, (120/86, Jurispr. blz. 2321) en von Deetzen (170/86, Jurispr. blz. 2355) verklaarde het Hof verordening nr. 857/84, zoals aangevuld bij verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB L 132, blz. 11), ongeldig wegens schending van het vertrouwensbeginsel.
5 Ter uitvoering van deze arresten stelde de Raad verordening (EEG) nr. 764/89 van 20 maart 1989 tot wijziging van verordening nr. 857/84 vast (PB L 84, blz. 2). Bij verordening nr. 764/89 is met name een artikel 3 bis aan verordening nr. 857/84 toegevoegd. Ingevolge deze wijzigingsverordening kregen de producenten die een verbintenis tot niet-levering of omschakeling waren aangegaan, een zogenoemde specifieke" referentiehoeveelheid (ook wel genoemd: quotum"). Deze producenten worden SLOM I-producenten" genoemd.
6 Voor de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid golden een aantal voorwaarden. Sommige van deze voorwaarden zijn door het Hof ongeldig verklaard bij arresten van 11 december 1990, Spagl (C-189/89, Jurispr. blz. I-4539), en Pastätter, (C-217/89, Jurispr. blz. I-4585).
7 Naar aanleiding van deze arresten stelde de Raad verordening (EEG) nr. 1639/91 van 13 juni 1991 tot wijziging van verordening nr. 857/84 (PB L 150, blz. 35) vast, waarna aan de betrokken producenten alsnog een specifieke referentiehoeveelheid kon worden toegekend. Deze producenten worden SLOM II-producenten" genoemd.
8 Artikel 3 bis van verordening nr. 857/84 bevatte overigens in lid 1, tweede streepje, een zogenoemde anti-cumulatiebepaling. Ingevolge deze bepaling kwamen de cessionarissen van een niet-leveringspremie slechts in aanmerking voor een specifieke referentiehoeveelheid, indien zij niet voordien voor een ander stuk grond waarvoor geen verbintenis tot niet-levering of omschakeling gold, een referentiehoeveelheid hadden ontvangen krachtens artikel 2 van verordening nr. 857/84. De particuliere producenten die geen referentiehoeveelheid konden ontvangen op grond dat hun reeds een dergelijke hoeveelheid voor een ander stuk grond was toegewezen, worden SLOM III-producenten" genoemd.
9 De anti-cumulatiebepaling van artikel 3 bis, lid 1, tweede streepje, van verordening nr. 857/84 is bij arrest van het Hof van 3 december 1992, Wehrs, (C-264/90, Jurispr. blz. I-6285) eveneens ongeldig verklaard wegens schending van het vertrouwensbeginsel.
10 Ter uitvoering van dit arrest stelde de Raad verordening (EEG) nr. 2055/93 van 19 juli 1993 houdende toewijzing van een aanvullende specifieke referentiehoeveelheid aan bepaalde producenten van melk en zuivelproducten (PB L 187, blz. 8) vast. Deze verordening wees een specifieke referentiehoeveelheid toe aan de producenten die als cessionaris van de niet-leveringspremie van het bij artikel 3 bis van verordening nr. 857/84 toegekende voordeel waren uitgesloten, omdat zij krachtens artikel 2 of artikel 6 van die verordening een referentiehoeveelheid voor een ander bedrijf hadden ontvangen.
11 Een van de producenten die het beroep hadden ingesteld dat tot de ongeldigverklaring van verordening nr. 857/84 bij het arrest Mulder (reeds aangehaald) heeft geleid, had intussen tezamen met andere producenten tegen de Raad en de Commissie een vordering ingesteld tot vergoeding van de schade die zij hadden geleden doordat hun ingevolge deze verordening geen referentiehoeveelheid was toegewezen.
12 Bij arrest van 19 mei 1992 Mulder e.a./Raad en Commissie, (C-104/89 en C-37/90, Jurispr. blz. I-3061) verklaarde het Hof de Gemeenschap aansprakelijk voor deze schade en verzocht het partijen, in gemeen overleg het bedrag van de vergoedingen vast te stellen, onder voorbehoud van een latere beslissing van het Hof.
13 Naar aanleiding van dit arrest en gelet op het grote aantal betrokken producenten en de moeilijkheid om over elk geval afzonderlijk te onderhandelen, stelde de Raad verordening (EEG) nr. 2187/93 van 22 juli 1993 inzake het vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk of zuivelproducten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen, (PB L 196, blz. 6) vast.
14 Bij arrest van 9 december 1997, Quiller en Heusmann/Raad en Commissie (T-195/94 en T-202/94, Jurispr. blz. II-2247), heeft het Gerecht de Gemeenschap aansprakelijk verklaard voor de schade die de SLOM III-producenten ten gevolge van de toepassing van de bij het arrest Wehrs (reeds aangehaald) ongeldig verklaarde anti-cumulatiebepaling hebben geleden.
15 Naar aanleiding van het arrest Quiller en Heusmann/Raad en Commissie stelde de Raad verordening (EG) nr. 2330/98 van 22 oktober 1998 inzake een vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk- en zuivelproducten die tijdelijk in de uitoefening van hun activiteiten zijn beperkt (PB L 291, blz. 4) vast.
De feiten
16 Verzoeker is melkproducent in Duitsland. Op 18 september 1979 pachtte hij, naast de reeds door hem geëxploiteerde gronden, landbouwgrond die deel uitmaakte van het bedrijf van Motz te Großenlüder (Duitsland).
17 Motz was een niet-leveringsverbintenis aangegaan die op 1 juli 1985 afliep. Op grond van deze verbintenis had verzoeker zelf ook afgezien van de productie van veevoeder voor de melkproductie op de door hem van Motz gepachte grond.
18 Na de inwerkingtreding van verordening nr. 857/84 is aan verzoeker een referentiehoeveelheid voor de hem toebehorende gronden toegekend. Na afloop van de niet-leveringsverbintenis op de van Motz in 1985 gepachte grond kon verzoeker daarvoor echter geen referentiehoeveelheid krijgen, omdat hij gedurende het jaar 1983 daarop geen melk had geproduceerd.
19 Na de inwerkingtreding van verordening nr. 764/89 hebben de bevoegde Duitse autoriteiten hem bij beschikking van 3 oktober 1989 met een beroep op de anti-cumulatiebepaling van artikel 3 bis, lid 1, tweede streepje, van verordening nr. 857/84 opnieuw geweigerd een referentiehoeveelheid voor die gronden toe te kennen.
20 Na de inwerkingtreding van verordening nr. 2055/93 en naar aanleiding van een arrest van het Verwaltungsgericht Kassel van 18 juni 1997 hebben de bevoegde Duitse autoriteiten verzoeker bij beschikking van 20 augustus 1997 een quotum voor de gepachte gronden toegekend.
21 Bij brief van 8 oktober 1997 aan de Commissie heeft verzoeker verzocht om vergoeding van de schade die hij zou hebben geleden tussen 1 juli 1985, de dag na de beëindiging van de niet-leveringsverbintenis voor de betrokken gronden, en 1 augustus 1993, de datum van de inwerkingtreding van verordening nr. 2055/93.
22 Bij brief van 3 november 1997 heeft de Commissie geantwoord:
Met betrekking tot het probleem van een mogelijke schadevergoeding van melkproducenten die op basis van verordening nr. 2055/93 een referentiehoeveelheid hebben ontvangen, is de Commissie van mening dat zij niet verplicht is om eventuele met de toekenning van een quotum gepaard gaande verliezen te vergoeden.
Zolang het Hof van Justitie in de standaardzaken Heusmann [...] en Quiller [...] niet anders beslist, is de Commissie niet in staat om de betrokken melkproducenten een schadevergoedingsvoorstel te doen."
23 Bij een ongedateerde brief, ingekomen bij de Commissie op 9 februari 1998, heeft verzoeker met een beroep op het inmiddels door het Gerecht gewezen arrest Quiller en Heusmann/Raad en Commissie, zijn verzoek om schadevergoeding herhaald.
24 Bij brief van 3 maart 1998 heeft de Commissie geantwoord dat zij bezig was met de bestudering van de praktische modaliteiten van de betaling van schadevergoeding aan de door het Gerecht in dat arrest bedoelde producenten. Om de instelling van een beroep voor het Gerecht te voorkomen nam zij jegens verzoeker de verplichting op zich om zich niet op de verjaring van artikel 43 van 's Hofs Statuut-EG te beroepen, voorzover zijn recht op schadevergoeding op de dag van ontvangst van haar brief nog niet was verjaard. Ook werd medegedeeld dat deze verbintenis gold tot een datum die verzoeker in het kader van de regeling van de genoemde modaliteiten zou worden medegedeeld.
25 Bij brief van 11 mei 1999 heeft de Bundesanstalt für Landwirtschaft und Ernährung (hierna: BLE") verzoeker namens en voor rekening van de Raad en de Commissie een vergoedingsvoorstel krachtens verordening nr. 2330/98 gedaan. Dat voorstel dekte de schade die hij tussen 9 februari en 1 augustus 1993 had geleden. In deze brief herinnerde de BLE er uitdrukkelijk aan dat het vergoedingsvoorstel binnen drie maanden na de datum van ontvangst moest worden aanvaard.
26 Bij brief van 9 juli 1999 heeft verzoeker de BLE verzocht om het voorstel van 11 mei 1999 te herzien, omdat hij het niet eens was met de vergoedingsperiode.
27 Bij brief van 27 juli 1999 heeft de BLE geantwoord dat zij weigerde om dat voorstel te herzien. Zij herinnerde aan de termijn voor aanvaarding ervan en adviseerde verzoeker zich rechtstreeks tot de Commissie te wenden.
28 Bij brief van 11 augustus 1999 aan de Commissie heeft verzoeker zijn verzoek om herziening van het vergoedingsvoorstel herhaald.
29 Bij brief van 22 september 1999 heeft de Commissie dat verzoek afgewezen omdat verzoeker dat voorstel niet binnen de gestelde termijn had aanvaard en zijn eventuele rechten op schadevergoeding volledig waren verjaard.
Procesverloop en conclusie van partijen
30 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 november 1999, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.
31 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
- verweerders te veroordelen tot betaling van het bedrag van 67 522,36 DEM, vermeerderd met interest vanaf 1 juli 1985;
- verweerders in de kosten te verwijzen.
32 De Raad en de Commissie concluderen dat het het Gerecht behage:
- primair het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- subsidiair het beroep ongegrond te verklaren;
- verzoeker in de kosten te verwijzen.
De ontvankelijkheid
33 Volgens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht kan het Gerecht, wanneer een beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, zonder de behandeling voort te zetten beslissen bij met redenen omklede beschikking.
34 In casu acht het Gerecht zich door de stukken van het dossier voldoende ingelicht om over de ontvankelijkheid van dit beroep te beslissen zonder de behandeling voort te zetten.
Argumenten van partijen
35 Verzoeker stelt dat hij recht heeft op vergoeding van de schade die hij als SLOM III-producent heeft geleden tussen 1 juli 1985, de dag nadat de niet-leveringsverbintenis voor de van Motz gepachte grond afliep en 1 augustus 1993, de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 2055/93.
36 Volgens hem ging de verjaringstermijn voor zijn verzoek pas in op 20 augustus 1997, de datum waarop hij een quotum van de bevoegde Duitse autoriteiten verkreeg. De verjaring had niet vóór die datum kunnen beginnen, omdat de Commissie op grond van verordening nr. 2330/98 weigerde de producenten die op de datum van hun verzoek om schadevergoeding geen referentiehoeveelheid hadden ontvangen, een vergoedingsvoorstel te doen. De verjaringstermijn kon dus pas beginnen op de dag waarop de Commissie het bestaan van een recht op schadevergoeding had erkend.
37 Bovendien kon verzoeker vóór deze datum geen schadevordering bij de Commissie indienen, omdat zijn recht op een quotum nog niet vaststond en elke desbetreffende aanvraag geen kans van slagen zou hebben gehad. Dienaangaande beroept hij zich op een arrest van het Bundesverwaltungsgericht van 9 december 1998 volgens hetwelk een verzoek dat te laat wordt ingediend, maar dat achterwege is gebleven omdat het geen kans van slagen had, niet te kwader trouw is wanneer de kans op succes is gewijzigd.
38 Verzoeker betwist het argument van verweerders dat de brief van de Commissie van 3 november 1997 een uitdrukkelijke afwijzing van zijn bij brief van 8 oktober 1997 gedane schadevergoedingsverzoek bevatte zodat hij, voor stuiting van de verjaring op die datum, tijdig beroep tot nietigverklaring had moeten instellen. Zijns inziens had de Commissie, indien zij het verzoek wilde afwijzen, daarvoor gedetailleerde redenen moeten geven en, in voorkomend geval, de mogelijke beroepswegen moeten vermelden. In casu kon uit de beknoptheid van de formulering van het antwoord van de Commissie redelijkerwijs worden afgeleid dat zij verzoeker zou opnemen onder degenen die voor vergoeding in aanmerking kwamen wanneer het Gerecht het beroep in de zaak Quiller en Heusmann/Raad en Commissie zou toewijzen.
39 Verweerders stellen dat de vordering van verzoeker is verjaard.
Beoordeling door het Gerecht
40 De verjaringstermijn van artikel 43 van 's Hofs Statuut-EG kan niet ingaan voordat aan alle vereisten voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht is voldaan, en in het bijzonder in gevallen waarin de aansprakelijkheid uit een normatieve handeling voortvloeit, niet voordat de nadelige gevolgen van die handeling zich hebben voorgedaan. Deze voorwaarden betreffen het bestaan van onrechtmatig gedrag van de gemeenschapsinstellingen, werkelijke schade en een causaal verband daartussen (arrest Gerecht van 16 april 1997, Hartmann/Raad en Commissie, T-20/94, Jurispr. blz. II-595, punt 107).
41 Volgens vaste rechtspraak is de schade als gevolg van de onmogelijkheid om een referentiehoeveelheid te exploiteren geleden vanaf de dag waarop de producent, na afloop van zijn niet-leveringsverbintenis, de melkleveringen had kunnen hervatten zonder de extra heffing te betalen, wanneer hem een dergelijke hoeveelheid niet was geweigerd. Vanaf die datum is dus aan alle voorwaarden voor een schadevergoedingsactie tegen de Gemeenschap voldaan (arresten Gerecht van 16 april 1997, Saint en Murray/Raad en Commissie, T-554/93, Jurispr. II-563, punt 87, en Hartmann/Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 130).
42 Bijgevolg is de verjaringstermijn in casu begonnen op 1 juli 1985, de dag nadat de niet-leveringsverbintenis voor de door verzoeker van Motz gepachte grond afliep.
43 In dit verband kan verzoeker niet stellen dat de verjaringstermijn niet kon beginnen voordat hij een quotum had verkregen, wat de Commissie als voorwaarde stelt voor de erkenning van het recht om in het kader van verordening nr. 2330/98 schadeloos te worden gesteld. Zoals het Gerecht immers reeds heeft verklaard met betrekking tot verordening nr. 2187/93 inzake een forfaitaire schadevergoeding van SLOM I en II-producenten, die als voorbeeld voor verordening nr. 2330/98 heeft gediend, heeft de Raad met die handeling de producenten die recht hadden op een schadevergoeding slechts een extra mogelijkheid willen bieden om hun schade vergoed te krijgen, in die zin dat deze producenten nog steeds een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in de artikelen 235 EG en 288, tweede alinea, EG konden instellen (arrest Saint en Murray/Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 40).
44 Wat de periode betreft waarin de schade is geleden, moet worden geconstateerd dat de schade niet in één keer is veroorzaakt. Verzoeker heeft aanhoudend schade geleden, gedurende een zekere tijd, namelijk zolang hij in de onmogelijkheid verkeerde om een referentiehoeveelheid te verkrijgen, in casu dus, zoals hij zelf vermeldt, tot 1 augustus 1993, de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 2055/93. Het gaat om voortdurende schade die dagelijks opnieuw is ontstaan (zie arrest Hartmann/Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 132). Het recht op schadevergoeding heeft dus betrekking op opeenvolgende periodes die zijn begonnen op elke dag waarop levering onmogelijk was.
45 Bijgevolg strekt de verjaring van artikel 43 van 's Hofs Statuut-EG zich uit over de periode die meer dan vijf jaar voor de datum van de stuitingshandeling ligt, zonder de tijdens de latere periodes ontstane rechten te beïnvloeden (arrest Hartmann/Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 132).
46 Uit het voorgaande volgt dat, om te bepalen in hoeverre de vordering tot schadevergoeding is verjaard, moet worden vastgesteld op welke datum de verjaringstermijn is gestuit.
47 Volgens artikel 43 van 's Hofs Statuut-EG wordt de verjaring enkel gestuit door de instelling van een beroep bij de gemeenschapsrechter of door de indiening van een eerder verzoek, gericht tot de bevoegde instelling van de Gemeenschap, met dien verstande evenwel, dat er in dit laatste geval slechts sprake is van stuiting wanneer het verzoek wordt gevolgd door een beroep binnen de termijnen van de artikelen 230 EG respectievelijk 232 EG (arrest Hof van 5 april 1973, Giordano/Commissie, 11/72, Jurispr. blz. 417, punt 6, en arrest Gerecht van 25 november 1998, Steffens/Raad en Commissie, T-222/97, Jurispr. blz. II-4175, punten 35 en 42).
48 Voor stuiting van de verjaring kan verzoeker zich niet beroepen op zijn brief aan de Commissie van 8 oktober 1997 die op 3 november daaraanvolgend door de Commissie is beantwoord, omdat haar antwoord niet is gevolgd door het instellen van beroep bij het Gerecht.
49 In dit verband kan verzoeker zich niet beroepen op het dubbelzinnige karakter van dit antwoord van de Commissie. Blijkens het citaat in punt 22 hierboven is dit antwoord immers geformuleerd in bewoordingen die duidelijk een afwijzing van verzoekers aanvraag tot uitdrukking brengen, ook al gaf de Commissie tevens stilzwijgend aan dat zij haar standpunt zou herzien ingeval het Gerecht in de zaak Quiller en Heusmann/Raad en Commissie (reeds aangehaald) de Gemeenschap aansprakelijk achtte voor de schade die de SLOM III-producenten hebben geleden. Bovendien is die afwijzing door verzoeker zelf erkend in zijn ongedateerde brief die de Commissie op 9 februari 1998 heeft ontvangen en waarin hij schrijft:
In uw brief van (3 november 1997) zegt u niet in staat te zijn gevolg te geven aan mijn verzoek om schadevergoeding [...]".
50 Om te rechtvaardigen dat hij niet binnen twee maanden na de afwijzing van zijn aanvraag bij de brief van 3 november 1997 beroep heeft ingesteld, kan verzoeker de Commissie ook niet verwijten dat zij heeft verzuimd de mogelijke rechtsmiddelen te vermelden, omdat volgens vaste rechtspraak niet kan worden aanvaard dat [...] waar in het gemeenschapsrecht een nadrukkelijke bepaling ontbreekt [...], er voor de administratieve of rechtelijke instanties van de Gemeenschap een algemene verplichting zou bestaan de justitiabelen te informeren over de rechtsmiddelen die hun ten dienste staan, en over de voorwaarden over de uitoefening ervan" (beschikking Hof van 5 maart 1999, Guérin automobiles/Commissie, C-153/98 P, Jurispr. blz. I-1441, punt 15).
51 Ten slotte, zoals het Gerecht reeds in het kader van de toepassing van verordening nr. 2187/93 heeft geoordeeld, was het feit dat de Commissie in haar brief van 3 maart 1998 verklaarde zich niet op verjaring te zullen beroepen, een eenzijdige handeling die, met het doel om het aantal beroepen te beperken, beoogde de producenten aan te moedigen om de nadere uitwerking van het stelsel van forfaitaire vergoeding als bedoeld in verordening nr. 2330/98 af te wachten (arrest Gerecht, Steffens/Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 38).
52 In dat verband bepaalde verordening nr. 2330/98, dat de betrokken producenten konden verzoeken om een vergoedingsvoorstel dat zij binnen drie maanden al dan niet konden aanvaarden. Gelet op het doel ervan gold voormelde verklaring van de Commissie dus niet meer na afloop van de termijn voor aanvaarding van het vergoedingsvoorstel. In casu was die termijn verstreken op 11 augustus 1999, zonder dat verzoeker het voorstel had aanvaard.
53 Om zich te kunnen beroepen op de afstand van een beroep op verjaring in de genoemde brief en derhalve de verjaring overeenkomstig artikel 43 van 's Hofs Statuut-EG te stuiten op 9 februari 1998, de datum van zijn verzoek om schadevergoeding, had verzoeker in deze omstandigheden het onderhavige beroep uiterlijk binnen twee maanden na afloop van de termijn voor aanvaarding van het voorstel moeten instellen, namelijk vóór 17 oktober 1999, daaronder begrepen de termijn wegens afstand.
54 Verzoeker heeft dit niet gedaan, zodat alleen het op 24 november 1999 ingestelde beroep de verjaring heeft kunnen stuiten. Aangezien verzoekers schade eindigde op 1 augustus 1993, de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 2055/93, is het beroep evenwel pas ingesteld toen de vordering tot schadevergoeding reeds was verjaard.
55 Hieruit volgt dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
56 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van de Raad en de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoeker wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy