Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Procedure - Inleidend verzoekschrift - Vormvereisten - Identificatie van voorwerp van geschil - Summiere uiteenzetting van aangevoerde middelen
('s Hofs Statuut-EG, art. 19, eerste alinea, en 46, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c en d)
Samenvatting
$$Ingevolge artikel 19, eerste alinea, van 's Hofs Statuut, dat krachtens artikel 46, eerste alinea, van dat statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, en artikel 44, lid 1, sub c en d, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet het verzoekschrift onder meer het voorwerp van het geschil, de conclusies en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Ongeacht de gebruikte terminologie moeten die elementen zo duidelijk en nauwkeurig zijn dat de verwerende partij haar verweer kan voorbereiden en het Gerecht op het beroep kan beslissen, in voorkomend geval zonder daarvoor verdere informatie te moeten vragen. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk, dat de essentiële feitelijke en juridische gronden van het beroep - althans summier, maar coherent en begrijpelijk - uit het verzoekschrift zelf blijken.
( cf. punten 18-19 )
Partijen
In zaak T-338/99,
L. K. Schuerer, gewezen ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te München (Duitsland), vertegenwoordigd door H. J. Winzen en M. Angermaier, advocaten aldaar, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Steil, advocaat aldaar, Rue d'Anvers 12,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Bauer en P. M. Cossu, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Morbilli, directeur-generaal van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen, dat de Raad het EG-Verdrag heeft geschonden door voor de berekening van verzoeksters pensioen een aanpassingscoëfficiënt voor Duitsland toe te passen die niet op basis van de kosten van levensonderhoud in Berlijn was vastgesteld,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, J. Azizi en M. Jaeger, rechters,
griffier: H. Jung, griffier,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Feiten
1 Ingevolge artikel 82, lid 1, tweede alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: Statuut") wordt op de ouderdomspensioenen een aanpassingscoëfficiënt toegepast die is vastgesteld voor het land waar de pensioengerechtigde aantoont zijn woonplaats te hebben. Volgens bijlage XI van het Statuut worden de nationale aanpassingscoëfficiënten vastgesteld op basis van de kosten van levensonderhoud in de hoofdstad van elke lidstaat.
2 Tot oktober 1990 was Bonn de hoofdstad van de Bondsrepubliek Duitsland en werd de aanpassingscoëfficiënt voor deze staat dus vastgesteld op basis van de kosten van levensonderhoud in deze stad.
3 Na de hereniging van Duitsland werd Berlijn op 3 oktober 1990 de hoofdstad van deze lidstaat.
4 De Commissie heeft bij de Raad verschillende voorstellen voor een verordening ingediend teneinde de aanpassingscoëfficiënt voor Duitsland op basis van de kosten van levensonderhoud in Berlijn vast te stellen.
5 Op 19 december 1994 stelde de Raad verordening (EGKS, EG, Euratom) nr. 3161/94 vast, houdende aanpassing, met ingang van 1 juli 1994, van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en andere personeelsleden der Europese Gemeenschappen alsmede van de aanpassingscoëfficiënten welke van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen (PB L 335, blz. 1). Artikel 6, lid 1, van deze verordening voorziet met ingang van 1 juli 1994 in een op de kosten van levensonderhoud te Berlijn gebaseerde aanpassingscoëfficiënt voor Duitsland, alsook in specifieke aanpassingscoëfficiënten voor Bonn, Karlsruhe en München.
6 Verzoekster is een in Duitsland wonende gewezen ambtenaar van de Commissie, die thans met pensioen is. Zij meent te zijn benadeeld door het feit dat na de hereniging van Duitsland de aanpassingscoëfficiënt voor dit land tot 30 juni 1994 werd berekend op basis van de kosten van levensonderhoud te Bonn.
Procesverloop en conclusies van partijen
7 Onder deze omstandigheden heeft verzoekster bij op 1 december 1999 ter griffie van het Gerecht ingeschreven verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
8 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- vast te stellen dat de Raad het EG-Verdrag heeft geschonden door vanaf 3 oktober 1990, de datum waarop Berlijn de hoofdstad van Duitsland is geworden, op haar pensioen niet de voor Berlijn maar de voor Bonn geldende aanpassingscoëfficiënt toe te passen;
- de Raad te verwijzen in de kosten.
9 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 januari 2000, heeft de Raad overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
10 In zijn exceptie concludeert de Raad, dat het het Gerecht behage:
- het beroep als kennelijk niet-ontvankelijk te verwerpen;
- verzoekster te verwijzen in de kosten.
11 Bij brief van 3 maart 2000 heeft verzoekster laten weten, dat zij geen opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid zou indienen.
De ontvankelijkheid
12 Volgens artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering geschiedt de verdere behandeling van de exceptie van niet-ontvankelijkheid mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. Het Gerecht is van oordeel dat het in casu voldoende is voorgelicht door de processtukken en dat niet tot de mondelinge behandeling behoeft te worden overgegaan.
Argumenten van partijen
13 De Raad voert in zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid om te beginnen aan dat de conclusies, voorzover zij kunnen worden geacht te strekken tot nietigverklaring van handelingen van de Raad, niet-ontvankelijk zijn. De bestreden handelingen, te weten de verordeningen waarbij de aanpassingscoëfficiënten voor alle ambtenaren, gewezen ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen worden vastgesteld, hebben immers het karakter van een verordening en raken verzoekster niet rechtstreeks en individueel. Bovendien werden alle betrokken verordeningen vóór 1994 vastgesteld, zodat in elk geval de termijn voor het instellen van een beroep krachtens artikel 230, vijfde alinea, EG is verstreken.
14 Voorzover de conclusies aldus moeten worden uitgelegd, dat zij ertoe strekken een verzuim van de Raad te doen vaststellen, is het beroep eveneens niet-ontvankelijk. Het beroep heeft immers de vaststelling van een verordening tot doel en bovendien heeft verzoekster nagelaten om de Raad overeenkomstig artikel 232, tweede alinea, EG tot handelen uit te nodigen.
15 Verzoekster betoogt in haar verzoekschrift dat het instellen van beroep mogelijk is geworden ingevolge de beslissing van de Raad om in de procedure waarin de beschikking van het Gerecht van 1 december 1999, Schuerer/Commissie (T-81/99, JurAmbt. blz. II-1193) is gegeven, aan de zijde van de Commissie tussen te komen, en de in dat verzoek tot tussenkomst tot uiting gebrachte weigering van de Raad om zijn foutieve verordening te verbeteren.
Beoordeling door het Gerecht
16 Er zij aan herinnerd, dat de conclusies ertoe strekken vast te stellen dat de Raad het EG-Verdrag heeft geschonden door vanaf 3 oktober 1990, de datum waarop Berlijn de hoofdstad van Duitsland is geworden, op [verzoeksters] pensioen niet de voor Berlijn maar de voor Bonn geldende aanpassingscoëfficiënt toe te passen". Aangezien de gemeenschapsrechter niet bevoegd is om beginselverklaringen af te leggen (zie beschikking Gerecht van 10 februari 1994, Frinil/Commissie, T-468/93, Jurispr. blz. II-33, punten 36 en 37, en arrest Gerecht van 9 juni 1998, Al e.a. en Becker e.a./Commissie, T-171/95 en T-191/95, JurAmbt. blz. I-A-257 en II-803, punt 37), zijn deze conclusies niet-ontvankelijk.
17 In haar verzoekschrift (punt 6) verklaart verzoekster evenwel, dat het beroep is gebaseerd op artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG).
18 Ingevolge artikel 19, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG, dat krachtens artikel 46, eerste alinea, van dat Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, en artikel 44, lid 1, sub c en d, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet het verzoekschrift onder meer het voorwerp van het geschil, de conclusies en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten.
19 Ongeacht de gebruikte terminologie moet die uiteenzetting zo duidelijk en nauwkeurig zijn, dat de verwerende partij haar verweer kan voorbereiden en het Gerecht op het beroep kan beslissen, in voorkomend geval zonder daarvoor verdere informatie nodig te hebben. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk, dat de essentiële feitelijke en juridische gronden van het beroep - althans summier, maar coherent en begrijpelijk - uit het verzoekschrift zelf blijken (beschikking Gerecht van 21 mei 1999, Asia Motor France e.a./Commissie, T-154/98, Jurispr. blz. II-1703, punt 49, en arrest Gerecht van 24 februari 2000, ADT Projekt/Commissie, T-145/98, Jurispr. blz. II-387, punt 66).
20 Zelfs indien de conclusies in ruime zin als conclusies tot nietigverklaring zouden worden uitgelegd, zou moeten worden vastgesteld, dat verzoekster nergens aangeeft, van welke handeling of handelingen de nietigverklaring wordt gevorderd.
21 Verzoekster spreekt immers in haar verzoekschrift zonder nadere precisering alleen van de bestreden maatregel" (punt 2), de onwettige verordening van de Raad" (punt 3), het onderhavige besluit van de Raad" (punt 5), de weigering van de Raad [...] om zijn foutieve verordening te verbeteren" (punt 5), de onwettige verordeningen" (punt 8), de weigering van de Raad om zijn foutieve verordeningen te verbeteren" (punt 8) en het besluit [van de Raad] om zijn foutieve verordeningen te handhaven" (punt 9).
22 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het verzoekschrift niet aan de formele vereisten van artikel 19, eerste alinea, van 's Hofs Statuut en van artikel 44, lid 1, sub c en d, van het Reglement voor de procesvoering voldoet.
23 Ten overvloede zij nog vastgesteld dat de Raad van mening was dat het verzoekschrift kon worden opgevat als strekkende tot nietigverklaring van verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 3736/90 van de Raad van 19 december 1990 houdende rectificatie met ingang van 1 juli 1989 en houdende aanpassing met ingang van 1 juli 1990 van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en andere personeelsleden der Europese Gemeenschappen, alsmede van de aanpassingscoëfficiënten welke van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen (PB L 360, blz. 1), van verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 3834/91 van de Raad van 19 december 1991 houdende aanpassing met ingang van 1 juli 1991 van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en andere personeelsleden der Europese Gemeenschappen alsmede van de aanpassingscoëfficiënten welke van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen (PB L 361, blz. 13), van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 3761/92 van de Raad van 21 december 1992 houdende aanpassing, met ingang van 1 juli 1992, van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en andere personeelsleden der Europese Gemeenschappen, alsmede van de aanpassingscoëfficiënten welke van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen (PB L 383, blz. 1), en van verordening (Euratom, EGKS, EG) Nr. 3608/93 van de Raad van 20 december 1993 houdende aanpassing met ingang van 1 juli 1993 van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en andere personeelsleden der Europese Gemeenschappen alsmede van de aanpassingscoëfficiënten welke van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen (PB L 328, blz. 1). Doch zelfs indien dit het geval is, zou het beroep toch niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat het niet binnen de in artikel 230, vijfde alinea, EG gestelde termijn van twee maanden zou zijn ingesteld. Anders dan verzoekster betoogt, is de beslissing van de Raad om tussen te komen in de procedure waarin de reeds aangehaalde beschikking Schuerer/Commissie is gegeven, geen grond om de termijnen voor het instellen van beroep tot nietigverklaring tegen onaantastbaar geworden handelingen opnieuw te doen ingaan.
24 Indien het beroep aldus moet worden begrepen, dat het strekt tot nietigverklaring van de beweerde weigering van de Raad om, met terugwerkende kracht tot 3 oktober 1990, voor Duitsland een op de kosten van levensonderhoud te Berlijn gebaseerde aanpassingscoëfficiënt vast te stellen, is het beroep eveneens niet-ontvankelijk. Een afwijzend besluit van de Raad moet immers worden beoordeeld met inachtneming van de aard van het verzoek waarop het een antwoord vormt (arrest Hof van 24 november 1992, Buckl e.a./Commissie, C-15/91 en C-108/91, Jurispr. blz. I-6061, punt 22). Verzoekster vordert een maatregel met een algemene strekking die bij vaststelling ervan verzoekster op dezelfde wijze als alle andere in Duitsland wonende gewezen ambtenaren van de Gemeenschap zou raken, zodat deze verzoekster niet individueel zou raken in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG.
25 Ten slotte kan het onderhavige beroep niet op basis van de bewoordingen van het verzoekschrift als op artikel 232 EG gebaseerd worden beschouwd. Dit wordt overigens bevestigd door het feit dat verzoekster de Raad vóór de inleiding van de onderhavige procedure niet formeel tot handelen heeft uitgenodigd.
26 Mitsdien moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
27 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Raad in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekster wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy