Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. In deze zaak verzoekt de Commissie het Hof krachtens artikel 226 EG vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland niet alle benodigde wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen heeft getroffen ter uitvoering van richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (hierna: richtlijn"). In het bijzonder verwijt de Commissie de Bondsrepubliek Duitsland dat zij, door werkgevers met tien of minder werknemers in het Arbeitsschutzgesetz vrij te stellen van de verplichting documenten bij te houden met de resultaten van een evaluatie van de risico's voor de veiligheid en gezondheid van werknemers, de krachtens de artikelen 9, lid 1, sub a, en 10, lid 3, sub a, van de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2. De Duitse regering betwist deze opvatting en stelt dat de documentatievereisten in de nationale wetgeving gelijkwaardig zijn aan de richtlijnverplichtingen ter zake. De documentatieverplichtingen zouden voor het kleinbedrijf niet zijn voorgeschreven in de specifieke wet ter omzetting van de richtlijn, maar in bijzondere regelingen. De Commissie is van mening dat deze bijzondere regelgeving lacunes bevat.
II - Juridisch kader
A - De gemeenschapsregeling
3. Volgens artikel 1 heeft de richtlijn tot doel maatregelen ten uitvoer te leggen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk. Daartoe bevat zij algemene beginselen betreffende de preventie van beroepsrisico's en de bescherming van de veiligheid en de gezondheid, het uitsluiten van risico- en ongevalsfactoren, voorlichting, raadpleging, evenwichtige deelneming overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken, de opleiding van de werknemers en hun vertegenwoordigers, alsmede algemene regels voor de tenuitvoerlegging van die beginselen. De richtlijn doet geen afbreuk aan nationale bepalingen die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk.
4. Artikel 6, lid 3, sub a, van de richtlijn bepaalt dat de werkgever, onverminderd de andere bepalingen van de richtlijn en rekening houdend met de aard van de activiteiten van het bedrijf en/of de inrichting, de risico's voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers moet evalueren, met inbegrip van de keuze van de werkuitrusting, de chemische stoffen of preparaten en de inrichting van de arbeidsplaatsen. Op grond van deze evaluatie en voorzover nodig moeten de preventie-activiteiten en de door de werkgever gebruikte werk- en productiemethoden een betere bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers verzekeren, en daarnaast geïntegreerd worden in het geheel van de activiteiten van het bedrijf en/of de inrichting en betrekking hebben op alle niveaus.
5. Artikel 9 van de richtlijn luidt als volgt:
Diverse verplichtingen van de werkgevers
1. De werkgever moet:
a) beschikken over een evaluatie van de risico's voor de veiligheid en de gezondheid op het werk, met inbegrip van de risico's voor de groepen werknemers met bijzondere risico's;
b) de te nemen beschermende maatregelen en, indien nodig, de te gebruiken beschermingsmiddelen vastleggen;
[...]
2. Rekening houdend met de aard van de activiteiten en de grootte van de bedrijven, bepalen de lidstaten aan welke verplichtingen de diverse categorieën bedrijven moeten voldoen voor wat betreft de opstelling van de in lid 1, onder a en b, bedoelde documenten en bij de opstelling van de in lid 1, onder c en d, bedoelde documenten."
6. Artikel 10 van de richtlijn, getiteld Voorlichting van de werknemers", bepaalt in lid 3 het volgende:
De werkgever neemt passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de werknemers met een specifieke taak op het gebied van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, of de werknemersvertegenwoordigers met een specifieke taak op dat gebied, voor de vervulling van hun taken, overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken, toegang hebben tot:
a) de evaluatie van de risico's en de beschermende maatregelen als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a en b;
[...]"
B - De omzetting van de betrokken richtlijnbepalingen in Duitsland
7. De richtlijn is in het Duitse recht omgezet bij het Gesetz zur Umsetzung der EG-Rahmenrichtlinie Arbeitsschutz und weiterer Arbeitsschutz-Richtlinien van 7 augustus 1996. Artikel 1 van deze wet heeft betrekking op het Gesetz über die Durchführung von Massnahmen des Arbeitsschutzes zur Verbesserung der Sicherheit und des Gesundheitsschutzes der Beschäftigten bei der Arbeit (hierna: Arbeitsschutzgesetz" of ArbSchG").
8. § 5 ArbSchG heeft betrekking op de beoordeling van de arbeidsomstandigheden en bepaalt in lid 1 dat de werkgever op grond van een beoordeling van de met de arbeid verbonden risico's moet onderzoeken welke arbeidsbeschermende maatregelen noodzakelijk zijn. Deze opdracht wordt in de leden 2 en 3 verder uitgewerkt.
9. § 6, lid 1, ArbSchG heeft als opschrift documentatie". De eerste volzin bevat de verplichting voor de werkgever om te beschikken over documenten die onder meer de resultaten bevatten van de evaluatie van de risico's voor de werknemers. De derde volzin van § 6, lid 1, ArbSchG kent een vrijstelling van deze documentatieplicht voor het kleinbedrijf (hierna: Kleinbetriebsklausel") en luidt als volgt: Voorzover in andere wetgeving niet anders is bepaald, is de eerste volzin niet van toepassing op werkgevers met tien of minder werknemers." Volgens § 6, lid 1, laatste volzin, ArbSchG, tellen bij het vaststellen van het aantal werknemers in de betekenis van de derde zin deeltijdwerkers die een reguliere werktijd hebben van niet meer dan 20 uur per week mee voor de factor 0,5; voor deeltijdwerkers van wie de werktijd niet meer dan 30 uur bedraagt, is deze factor 0,75.
10. Volgens § 2, lid 4, ArbSchG wordt onder andere wetgeving" in de zin van deze wet verstaan: regelingen tot bescherming van de werknemer in andere wetten en bestuursrechtelijke bepalingen alsmede in voorschriften ter preventie van ongevallen (hierna: Unfallverhütungsvorschriften").
11. Uit de stukken van de onderhavige procedure blijkt dat de andere wetgeving" in het bijzonder afkomstig is uit het Arbeitssicherheitsgesetz (wet inzake de veiligheid bij de arbeid; hierna ook: ASiG") en uit boek VII van het Sozialgesetzbuch (Duits sociaal wetboek; hierna ook: SGB"). Zij omvat tevens de op deze wetgeving gebaseerde uitvoeringsregelingen, de Unfallverhütungsvorschriften.
12. Volgens § 1 ASiG dient de werkgever krachtens deze wet bedrijfsartsen en deskundigen in te schakelen die hem bij de arbeidsbescherming en bij het voorkomen van ongelukken behulpzaam zijn, om onder andere te bereiken dat de geldende voorschriften op gepaste wijze worden toegepast.
13. § 2, lid 1, ASiG legt de verplichting voor de werkgever vast om schriftelijk bedrijfsartsen (Betriebsärzte) in te schakelen en ze te belasten met de taken die in § 3 zijn omschreven. Volgens § 3, lid 1, ASiG moeten de bedrijfsartsen de werkgever ter zijde staan bij alle vraagstukken betreffende de bescherming van de gezondheid van werknemers en in het kader van het voorkomen van ongevallen. Zij dienen de werkgever en andere personen die verantwoordelijk zijn voor de bescherming op het werk onder andere te adviseren op het gebied van de beoordeling van de arbeidsomstandigheden, aldus § 3, lid 1, punt 1, sub g.
14. Daarnaast voorziet § 5, lid 1, ASiG erin dat de werkgever schriftelijk geschoolde deskundigen op het gebied van de arbeidsveiligheid (Fachkräfte für Arbeitssicherheit) inschakelt en hen belast met de in § 6 vermelde taken. De taken voor geschoolde deskundigen in § 6 komen in grote mate overeen met die voor de bedrijfsartsen in § 3. De taakstelling op het terrein van de beoordeling van de arbeidsomstandigheden voor bedrijfsartsen in § 3, lid 1, punt 1, sub g, ASiG is volledig gelijk aan de taakstelling terzake voor geschoolde deskundigen in § 6, punt 1, sub e, ASiG.
15. Op grond van § 15, lid 1, eerste zin, punt 6, SGB VII dienen de bedrijfsverenigingen (Unfallversicherungsträger"), zelfstandig, Unfallverhütungsvorschriften vast te stellen voor de maatregelen die de ondernemer moet nemen om te voldoen aan de verplichtingen van het Arbeitssicherheitsgesetz. De Duitse regering heeft in de precontentieuze fase als voorbeeld Unfallverhütungsvorschriften voor geschoolde deskundigen uit drie sectoren (machinebouw en metaal, textiel en bekleding, en de bouw) aan de Commissie overgelegd.
16. Van belang in deze inbreukprocedure zijn voorts enkele bepalingen in het Arbeitssicherheitsgesetz op grond waarvan de Bundesminister für Arbeit und Sozialordnung (bondsminister voor arbeid en maatschappelijke orde) vrijstellingen kan verlenen.
17. § 14, lid 1, ASiG machtigt de bondsminister bij administratieve regeling de werkgever maatregelen op te leggen om te voldoen aan de verplichtingen van het ASiG. Indien het om Unfallverhütungsvorschriften gaat kan de bondsminister echter slechts gebruikmaken van deze bevoegdheid wanneer de bedrijfsvereniging niet binnen de door hem gestelde termijn de benodigde Unfallverhütungsvorschriften heeft vastgesteld of aangepast.
18. Daarnaast bepaalt § 14, lid 2, punt 1, ASiG dat de bondsminister kan vaststellen dat voor bepaalde groepen ondernemingen, met inachtneming van met name vermelde omstandigheden die in het bijzonder het aantal werknemers betreffen, de in de §§ 3 en 6 genoemde taken geheel of gedeeltelijk niet vervuld hoeven te worden. Bovendien kan volgens § 14, lid 2, punt 2, ASiG de bondsminister vaststellen dat de in §§ 3 en 6 genoemde taken geheel of gedeeltelijk niet vervuld hoeven te worden, voorzover dat onvermijdelijk is vanwege het ontbreken van voldoende bedrijfsartsen of geschoolde deskundigen op het gebied van de arbeidsveiligheid.
III - Procedure en conclusies van partijen
19. De Commissie heeft bij brief van 19 november 1997 de Duitse regering een aanmaning gestuurd waarin zij stelt dat § 6, lid 1, derde zin, ArbSchG, waarbij werkgevers met tien of minder werknemers worden vrijgesteld van de verplichting documenten bij te houden met de resultaten van een evaluatie van de risico's, in strijd is met de richtlijn. Het betreft met name artikel 9, lid 1, sub a, van de richtlijn, die alle werkgevers verplicht om te beschikken over een dergelijke evaluatie, en artikel 10, lid 3, sub a, van de richtlijn, die de toegang tot deze evaluatie voor bepaalde categorieën personen verzekert. Nadat de Duitse regering deze stelling van de Commissie had afgewezen, heeft deze haar bij brief van 19 oktober 1998 een met redenen omkleed advies gezonden.
20. In een reactie heeft de Duitse regering bij mededeling van 26 januari 1999 betoogd dat de richtlijn niet zou voorzien in een algemene verplichting tot documentatie van de evaluatiegegevens. Daarnaast heeft zij uiteengezet dat op grond van de andere wetgeving" in de zin van § 6, lid 1, derde zin, ArbSchG de nationale wetgeving, in het bijzonder het Arbeitssicherheitsgesetz en de Unfallverhütungsvorschriften, alle kleine ondernemingen, per sector, al onderworpen zouden zijn aan de documentatieverplichting die de richtlijn voorschrijft. Als voorbeeld van overige regelgeving" verwijst de Duitse regering voorts nog naar een verordening betreffende biologische agentia (Biostoffverordnung").
21. Daarop heeft de Commissie bij het Hof het onderhavige verzoek ingediend, dat bij de griffie is binnengekomen op 4 januari 2000.
22. Verzoekster concludeert dat het den Hove behage:
- vast te stellen, dat de Bondsrepubliek Duitsland, door in § 6 ArbSchG werkgevers met tien of minder werknemers vrij te stellen van de verplichting documenten bij te houden met de resultaten van een evaluatie van de risico's, de krachtens de artikelen 10 EG en 249 EG en artikel 9, lid 1, sub a, en artikel 10, lid 3, sub a, van richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk, op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
- de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten van het geding te verwijzen.
23. De Duitse regering concludeert dat het den Hove behage:
- het verzoek af te wijzen;
- de Commissie in de kosten van het geding te verwijzen.
24. Er heeft in deze zaak geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
IV - Argumenten van partijen
A - De grieven van de Commissie
25. De Commissie betoogt in haar verzoekschrift om te beginnen dat artikel 9, lid 1, sub a, van de richtlijn voor de werkgever niet alleen de verplichting bevat om te beschikken over een evaluatie van de risico's voor de veiligheid en gezondheid op het werk, maar ook om die evaluatie te documenteren, in de zin dat de gegevens moeten worden geregistreerd en bewaard zodat zij voor derden toegankelijk en inzichtelijk blijven. Ter ondersteuning van deze stelling voert zij een aantal argumenten aan gebaseerd op de doelstellingen van de richtlijn en het gebruik van de term documenten" in artikel 9, lid 2, van de richtlijn.
26. Wat de feitelijke omzetting van de richtlijn betreft, handhaaft de Commissie in het verzoekschrift haar bezwaar dat de vrijstelling van § 6, lid 1, ArbSchG voor kleine ondernemingen onverenigbaar is met de reeds genoemde richtlijnbepalingen. De Commissie stelt vast dat de omzetting van de richtlijn gebreken vertoont, ondanks de door de Duitse regering aangevoerde bijzondere wetgeving.
27. Zo zou de verordening biologische agentia van toepassing zijn op werkzaamheden met biologische agentia, maar de regeling zou geen betrekking hebben op andere potentiële risico's op de werkplek, zoals die welke voortvloeien uit het gebruik van chemische en fysische agentia tijdens het werk.
28. Ook de door de Duitse regering ingeroepen Unfallverhütungsvorschriften bevatten, aldus de Commissie, diverse lacunes in verband met de implementatie van de richtlijn. Deze lacunes zouden, ten eerste, betrekking hebben op de gelijkwaardigheid van de documentatievereisten en, ten tweede, op de bevoegdheden van de minister om bepaalde werkgevers vrij te stellen van rapportageverplichtingen.
29. Waar het gaat om de gelijkwaardigheid van de in het kader van de Unfallverhütungsvorschriften opgestelde rapporten ten opzichte van de door de richtlijn verlangde documentatie, wijst de Commissie in repliek op problemen van structurele en inhoudelijke aard.
30. Bij het onderzoek naar de structurele gelijkwaardigheid, benadrukt de Commissie dat de in verschillende Unfallverhütungsvorschriften vastgelegde rapportageverplichtingen niet tot de werkgever zijn gericht, maar tot de bedrijfsartsen en de geschoolde deskundigen. Ten opzichte van de werkgever hebben zij overwegend adviserende taken. De Commissie betoogt dat de in het rapport aan de werkgever gesuggereerde adviezen om bepaalde maatregelen te nemen niet moeten worden gelijkgesteld met het gevolg dat de werkgever aan deze adviezen zal geven. De Duitse wetgeving verplicht de werkgever niet dwingend de in de rapportage opgenomen maatregelen als basis te nemen voor zijn verdere optreden. Artikel 9, lid 1, van de richtlijn zou echter verlangen, dat de werkgever zelf over een gedocumenteerde evaluatie van de risico's beschikt en deze evaluatie ook als grondslag neemt voor de door hem te treffen preventie- en beschermingsmaatregelen.
31. De Commissie heeft voorts bedenkingen over de inhoudelijke gelijkwaardigheid van de in het kader van de Unfallverhütungsvorschriften opgestelde rapporten in het licht van de door de richtlijn verlangde documentatie. Het rapport dient inhoudelijk aan veel eisen te voldoen. Daarbij kunnen bepaalde elementen van de evaluatie van de risico's in acht zijn genomen, maar andere wellicht niet. Om te voldoen aan de vereiste inhoudelijke gelijkwaardigheid, moet in elk individueel geval precies worden nagegaan of en in hoeverre de inhoud van het rapport overeenkomt met de door de richtlijn bedoelde gevaren en hun documentatie. Er kan, zo meent de Commissie, niet in zijn algemeenheid van worden uitgegaan dat ieder rapport een toereikende evaluatie van de risico's bevat in de zin van de richtlijn. Eveneens om die reden kan de grondslag van de te nemen preventieve en beschermende maatregelen onvolledig zijn. En daardoor kan ook de bewijslast van de werkgever tegenover de toezichthoudende autoriteiten dat hij aan zijn evaluatieplichten heeft voldaan, lastiger worden.
32. In de tweede plaats stelt de Commissie in haar verzoekschrift dat de bondsminister krachtens § 14, lid 1, punten 1 en 2, ASiG kan besluiten dat werkgevers bepaalde taken, zoals het opstellen van rapporten, op grond van het aantal werknemers niet hoeven uit te voeren. Door deze mogelijkheid wordt de gemeenschapsrechtelijke verplichting de richtlijn via dwingende maatregelen intern om te zetten, niet nageleefd.
33. Tot slot beschuldigt de Commissie de Bondsrepubliek Duitsland ervan de reikwijdte van de Kleinbetriebsklausel door de invoeging van de vierde zin van § 6, lid 1, ArbSchG, bij wet van 27 september 1996, zelfs nog te hebben uitgebreid.
B - Het verweer van de Bondsrepubliek
34. De Duitse regering zet uiteen dat de door de Commissie bestreden Kleinbetriebsklausel van § 6, lid 1, ArbSchG deel uitmaakt van de door de Duitse wetgever gekozen gelaagde omzettingsregeling. De Kleinbetriebsklausel heeft niet tot gevolg dat kleine ondernemingen geen schriftelijke documentatie van resultaten van de evaluatie van de risico's hoeven vast te stellen, maar verhindert slechts een onevenredige dubbele belasting voor kleine ondernemingen en is in dat opzicht in overeenstemming met het communautaire beleid. De door de richtlijn vereiste toereikende schriftelijke documentatieverplichting, die de werknemers de toegang tot de evaluaties mogelijk maakt, vloeit reeds volledig voort uit bijzondere regelingen. Daarbij benadrukt de Duitse regering dat, zelfs indien de verordening biologische agentia gebreken zou kennen, voor elke individuele werkgever in ieder geval de Unfallverhütungsvorschriften gelden. Zowel de bedrijfsverenigingen in de nijverheid en de landbouw als de vergelijkbare verenigingen voor werknemers in de openbare dienst zouden in dit opzicht volledig aan hun verplichtingen hebben voldaan.
35. Volgens de Duitse regering zijn het Arbeitsschutzgesetz en het Arbeitssicherheitsgesetz gezamenlijk en ondeelbaar gericht op dezelfde doelstellingen als de richtlijn. § 5 ArbSchG en de taken in §§ 3 en 6 ASiG houden rechtstreeks verband met elkaar. § 5 ArbSchG verplicht elke werkgever tot een beoordeling van de risico's van de werknemers op de werkplek. De §§ 3 en 6 ASiG stellen de werkgevers ter vervulling van deze plicht competente partners ter beschikking, te weten bedrijfsartsen en geschoolde deskundigen. De informatieverschaffing en de advisering door deze specialisten maken deel uit van de beslissingen van de werkgever. De rapporten in de zin van de §§ 3 en 6 ASiG zouden voor het kleinbedrijf altijd moeten voldoen aan de vereisten van de risicobeoordeling in de zin van § 6, lid 1, eerste zin, ArbSchG.
36. De Duitse regering bestrijdt het betoog van de Commissie dat er geen structurele en inhoudelijke gelijkwaardigheid zou bestaan tussen de documentatieverplichtingen van, enerzijds, de Unfallverhütungsvorschriften en, anderzijds, de richtlijn.
37. Betreffende de structurele gelijkwaardigheid wijst de Duitse regering erop dat artikel 9, lid 1, sub a, van de richtlijn uitsluitend verlangt dat de werkgever over een evaluatie moet beschikken. De auteur van het rapport wordt niet uitdrukkelijk vermeld en het is dus mogelijk dat meerdere personen gezamenlijk bij het opstellen van het rapport zijn betrokken. Derhalve kan uit artikel 9 van de richtlijn niet worden afgeleid, dat de werkgever de documenten volledig in eigen beheer moet opstellen. Aangezien in grotere ondernemingen de verplichtingen van de werkgever gewoonlijk worden gedelegeerd en niet alle verplichtingen door de ondernemer persoonlijk kunnen worden nagekomen, heeft de richtlijn, aldus de Duitse regering, terecht afgezien van een dergelijke verzwarende voorwaarde.
38. De evaluatie van de risico's is volgens de Duitse regering in de praktijk een proces waarbij alle verantwoordelijken in het bedrijf betrokken zijn en actief meewerken. Het doel van de documentatieplicht is daarbij te waarborgen dat alle in het kader van de evaluatie van de risico's relevante omstandigheden volledig in kaart worden gebracht en worden beoordeeld. De vraag of de werkgever de aanbevelingen overneemt, vereist een afwegingsproces dat uitgaat boven de eenvoudige documentatie. Die vervolgbesluiten van de werkgever kunnen niet zelf het onderwerp van de documentatieplicht zijn.
39. De Duitse regering voert daarnaast aan dat voor het opsporen en documenteren van de risico's ook de meningen van anderen dan de werkgever zelf moeten worden betrokken, zoals bedrijfsartsen en geschoolde deskundigen. Deze kunnen beter uitgerust en onafhankelijker zijn dan de werkgever en daardoor beter in staat om de evaluatie van de risico's uit te voeren. Dat is in overeenstemming met de strekking van een integrale aanpak van de arbeidsbescherming, die in de richtlijn tot uitdrukking is gebracht. De risicobeoordeling is daarin niet louter overgelaten aan de werkgever. Het feit dat de adressaat van de documentatieverplichting volgens het Arbeitsschutzgesetz de werkgever is, terwijl de rapportageverplichting krachtens het Arbeitssicherheitsgesetz zich richt tot gespecialiseerde personen, kan dan ook niet doorslaggevend zijn. Het gegeven dat de Unfallverhütungsvorschriften de ondernemer verplichten regelmatig verslagen te laten opstellen, toont overigens aan dat de werkgever zelf ook actief aan de samenstelling van het verslag moet bijdragen.
40. Betreffende de inhoudelijke gelijkwaardigheid hekelt de Duitse regering het uitgangspunt van de Commissie, die reeds lijkt uit te gaan van de veronderstelde mogelijkheid dat in een concreet geval een onvolledige evaluatie bestaat van de risico's. De maatstaf voor de inhoudelijke gelijkheid van de documentatieplicht moet volgens haar veel meer een op de beschermingsdoelstelling gerichte abstracte vergelijking van de documentatieplichten zijn. Naar haar mening voldoet deze vergelijking in casu en bestaat er in beginsel gelijkheid tussen de in het Arbeitsschutzgesetz voor werkgevers en de in het Arbeitssicherheitsgesetz voor bedrijfsartsen en geschoolde deskundigen geformuleerde taken. Met welke middelen de werkgever en de hem ter zijde staande adviseurs de beschermingsdoelstelling van de richtlijn vervolgens in concreto uitvoeren, kan, aldus de Duitse regering, niet het onderwerp zijn van een inbreukprocedure wegens de onjuiste omzetting van een richtlijn.
41. De Duitse regering betoogt daarnaast dat de Commissie ten onrechte uitgaat van lacunes in de omzetting van de richtlijn voor wat betreft § 14 ASiG. Uit het in § 14, lid 1, ASiG verankerde subsidiariteitsbeginsel volgt dat, indien de autonoom opgestelde Unfallverhütungsvorschriften voldoen aan de voorschriften van het Arbeitssicherheitsgesetz en boek VII van het Sozialgesetzbuch, geen nadere administratieve regeling van de betrokken minister is toegestaan. In casu hebben alle bedrijfsverenigingen op adequate wijze Unfallverhütungsvorschriften vastgesteld. Om dezelfde reden zou de bondsminister ook geen gebruik maken van de bevoegdheid op grond van § 14, lid 2, punt 1, ASiG. Bovendien stelt de Duitse regering vast dat de bondsminister sinds de inwerkingtreding van het Arbeitssicherheitsgesetz nog geen enkele maal gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid van § 14, lid 2, ASiG. In de praktijk zou de bondsminister ook niet dergelijke vrijstellingen van documentatieverplichting mogen uitvaardigen, aangezien dat met de bepalingen van de richtlijn in strijd zou zijn.
42. Aangaande het verwijt van de Commissie dat de reikwijdte van de uitzondering voor kleine bedrijven in § 6, lid 1, ArbSchG door de ingevoegde vierde zin zou zijn uitgebreid, overweegt de Duitse regering dat vanuit het oogpunt van het arbeidsvolume thans gelijkheid bestaat tussen werkgevers met en zonder deeltijdwerkers. Overigens zou deze toevoeging in de vierde zin niets afdoen aan de betekenis en het doel van § 6 ArbSchG.
V - Beoordeling
43. Bij de beoordeling van dit weerbarstige geschil is het nuttig eerst kort de omvang van het geding en de verplichtingen van de richtlijn te bepalen, alvorens in het licht van de aangevoerde argumenten het beroep van de Commissie te beoordelen.
A - Het voorwerp van het geschil
44. Het geschil beperkt zich tot de omzetting van de documentatieverplichtingen van de artikelen 9, lid 1, en 10, lid 3, van de richtlijn, voorzover het gaat om werkgevers met tien of minder werknemers. De Commissie gaat er kennelijk van uit dat de omzetting van de documentatieverplichtingen voor werkgevers met meer dan tien werknemers in § 6 van het Arbeitsschutzgesetz volledig en correct is geweest. Tevens kan worden vastgesteld dat de grieven van de Commissie zich beperken tot de verplichting van de betrokken werkgevers om te beschikken over een evaluatie van de risico's voor de veiligheid en gezondheid op het werk, alsmede hun verplichting om ervoor te zorgen dat de rechthebbenden toegang hebben tot deze evaluatie. Het beroep van de Commissie strekt zich niet uit tot maatregelen die de werkgever vervolgens op grond van deze evaluatie zou moeten treffen.
45. Overigens gaat het in deze procedure primair om de verplichting overeenkomstig artikel 9, lid 1, van de richtlijn, documenten aan te houden met de evaluatieresultaten. Indien de Bondsrepubliek Duitsland in gebreke blijkt te zijn met de correcte omzetting van deze bepaling in de nationale rechtsorde, volgt immers a fortiori dat ook artikel 10, lid 3, van de richtlijn onvoldoende is uitgevoerd. Wanneer de werkgever niet beschikt over een evaluatie van de risico's, kunnen de werknemers of werknemersvertegenwoordigers daartoe vanzelfsprekend ook geen toegang hebben.
B - De verplichtingen van de richtlijn
46. De richtlijn kent een brede werkingssfeer, maar tegelijkertijd beschikken de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van concrete verplichtingen over een zekere beoordelingsvrijheid.
47. Zoals het Hof recent heeft bevestigd, moet de reikwijdte van de richtlijn, die de algemene beginselen bevat ter bevordering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk, ruim worden opgevat. Dit volgt zowel uit het doel van de richtlijn als uit de bewoordingen van artikel 2. Volgens deze bepaling is de richtlijn van toepassing op alle particuliere of openbare sectoren en geldt zij alleen niet wanneer bijzondere aspecten die inherent zijn aan de publieke dienst de toepassing ervan in de weg staan. Hieruit vloeit eveneens voort dat de uitzonderingen op de werkingssfeer van de richtlijn restrictief moeten worden uitgelegd.
48. Ik leid uit deze rechtspraak af dat de richtlijn in beginsel bescherming biedt aan alle werknemers, ongeacht de omvang van de onderneming waarin zij werkzaam zijn. Artikel 9, lid 2, van de richtlijn, volgens welke de lidstaten bij het opstellen van de documentatieverplichtingen voor de werkgevers "rekening kunnen houden met de aard van de activiteiten en de grootte van de ondernemingen", moet mijns inziens niet worden uitgelegd als een bevoegdheid voor de lidstaten om bepaalde categorieën bedrijven van de in artikel 9, lid 1, van de richtlijn bedoelde verplichtingen uit te zonderen. In dat opzicht kan de doelstelling de fysieke arbeidsomstandigheden te verbeteren niet ondergeschikt worden gemaakt aan overwegingen van zuiver economische aard, zoals een eventuele onevenredige administratieve belasting van kleine ondernemingen.
49. Dat neemt niet weg, zoals door de Duitse regering terecht is aangevoerd, dat deze zinsnede de lidstaten de mogelijkheid biedt om voor verschillende groepen bedrijven uiteenlopende voorschriften vast te stellen voor wat betreft de uitvoering van de documentatieplicht van artikel 9 van de richtlijn. Elke werkgever moet als zodanig over een gedocumenteerde evaluatie beschikken, maar bij het concretiseren van deze verplichting kunnen de lidstaten de aard van de activiteiten en de omvang van ondernemingen in aanmerking nemen. Een dergelijke uitleg strookt met het toenmalige artikel 118 A, lid 2, tweede alinea, EG-Verdrag. Volgens deze bepaling moest in de richtlijnen gebaseerd op artikel 118 A van het Verdrag vermeden worden zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen, dat zij de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen zouden kunnen verhinderen.
50. Dat de beschermingsdoelstelling van de richtlijn ruim moet worden opgevat, blijkt bovendien uit de brede omschrijving van de risico's die in het kader van de richtlijn in acht moeten worden genomen. Uit de vijftiende overweging van de considerans volgt dat de bepalingen van de richtlijn van toepassing zijn op alle denkbare gevaren voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemer. Daaronder worden de gevaren begrepen die voortvloeien uit het gebruik tijdens het werk van chemische, fysische en biologische agentia, alsmede de gevaren op het gebied van de veiligheid op het werk, de arbeidshygiëne en de bescherming van de gezondheid van werknemers. Bij de omzetting en de toepassing van de rapportage- en documentatieplichten van de richtlijn moet met al deze elementen rekening gehouden worden.
51. De Duitse regering heeft in de precontentieuze fase van de procedure de stellingname van de Commissie betwist dat de evaluatie van de risico's door de werkgever duurzaam, dat wil zeggen schriftelijk of elektronisch vastgelegd moet zijn. In de contentieuze fase lijkt zij deze opvatting echter te aanvaarden. In het licht van de doelstellingen van de richtlijn komt het mij inderdaad ook voor dat de werkgever de in artikel 9 bedoelde evaluatie van de risico's op een zodanige manier moet vastleggen dat op elk moment de toegang is verzekerd voor de belanghebbenden, zoals de personen genoemd in artikel 10, lid 3, sub a, van de richtlijn, maar ook instanties zoals de arbeidsinspecties die toezien op de naleving van de arbeidsbeschermende maatregelen. De Commissie heeft mijns inziens met recht aangevoerd, dat slechts indien de evaluaties van de risico's daadwerkelijk geregistreerd staan, de voorlichting aan de werknemers optimaal kan plaatsvinden en de werkgever tegenover toezichthouders kan bewijzen dat hij aan zijn evaluatieverplichtingen heeft voldaan.
52. De richtlijn verplicht de werkgevers om de risico's te evalueren, in documenten vast te leggen, de informatie beschikbaar te houden voor rechthebbenden en op grond van de evaluatie beschermings- en preventiemaatregelen ter verbetering van de bescherming van de veiligheid en gezondheid van de werknemers in de bedrijfsvoering te verwerken. Volgens de Commissie zou degene die de evaluatie van de risico's vastlegt de werkgever moeten zijn. Ik ben het echter eens met de Duitse regering die in dupliek heeft betoogd dat de richtlijn geen nadere eisen stelt aan degenen die de evaluaties van de risico's moeten vastleggen. Artikel 9, lid 1, sub a, bepaalt slechts dat de werkgever moet beschikken over een evaluatie van de risico's. Deze bepaling belet niet dat de evaluatie van de risico's en de vastlegging ervan door derden kan worden verricht. Waar het uiteindelijk immers om gaat is dat de werkgever, conform artikel 6, lid 3, sub a, van de richtlijn, de evaluatie van de risico's gebruikt om een betere bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te verzekeren.
C - De beoordeling van het verzoek van de Commissie
53. Op grond van artikel 18, lid 1, van de richtlijn, juncto de artikelen 10 EG en 249 EG, behoorden de lidstaten uiterlijk op 31 december 1992 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te laten treden om aan de verplichtingen van de richtlijn te voldoen. De vraag is nu of de Bondsrepubliek Duitsland heeft nagelaten de verplichtingen van de artikelen 9, lid 1, sub a, en 10, lid 3, sub a, van de richtlijn op te leggen aan werkgevers met tien of minder werknemers.
54. De bezwaren van de Commissie behelzen in essentie dat het door de Bondsrepubliek Duitsland gekozen stelsel, waarbij specifieke regelingen voorzien in de documentatieverplichting voor kleine bedrijven, lacunes kent waardoor de betrokken bepalingen van de richtlijn niet volledig en bindend zijn omgezet. De Commissie wijst in dit verband op de onvolkomenheden in het Arbeitssicherheitsgesetz en de door de Duitse regering in haar mededeling van 26 januari 1999 als voorbeeld gestelde verordening betreffende biologische agentia.
55. De Duitse regering ontkent in de contentieuze fase de eventuele hiaten in de verordening biologische agentia niet, maar wijst erop dat de krachtens het Arbeitssicherheitsgesetz en boek VII van het Sozialgesetzbuch uitgevaardigde Unfallverhütungsvorschriften voorzien in een dekkend systeem van omzetting van de betrokken documentatieverplichting voor werkgevers met tien of minder werknemers. Ik beperk mij dan ook tot een beoordeling van laatstgenoemde regelingen.
56. De eerste vraag die zich voordoet is of het stelsel waarbij per sector door bedrijfsverenigingen Unfallverhütungsvorschriften worden vastgesteld, als zodanig kan volstaan om aan de omzettingsvereisten van de betrokken richtlijnbepalingen te voldoen.
57. Ik meen dat dat inderdaad het geval kan zijn. Volgens vaste rechtspraak dienen de lidstaten bij de uitvoering van een richtlijn in de zin van artikel 249, derde alinea, EG het resultaat van de richtlijn te bereiken door te zorgen voor een duidelijk wettelijk kader, zodat het nationale recht overeenstemt met de richtlijn en er geen onzekerheid kan bestaan omtrent de inhoud van de nationale wetgeving, de volledige verenigbaarheid ervan met de richtlijn, en de formele binding van die regelgeving. Binnen deze grenzen is het echter aan de lidstaten om vorm en middelen te kiezen. Evenzo als de Bondsrepubliek Duitsland de richtlijn door territoriaal gedecentraliseerde wetgeving kan uitvoeren, kan zij dat ook doen door functioneel gedecentraliseerde regelgeving, zoals in casu, op grond waarvan bedrijfsverenigingen - organen van publiek recht - de documentatieverplichting vastleggen in autonome reglementen die onderworpen zijn aan de goedkeuring van de bondsminister. De Unfallverhütungsvorschriften moeten worden gepubliceerd, en na goedkeuring door de minister en publicatie zijn ze verbindend voor de werkgevers en hun werknemers. De gelaagde Duitse omzettingswetgeving maakt in zijn algemeenheid weliswaar een complexe indruk, maar voor de individuele werkgever met tien werknemers of minder is het niet aan twijfel onderhevig dat hij moet voldoen aan de Unfallverhütungsvorschriften die voor zijn branche zijn vastgesteld.
58. De Unfallverhütungsvorschriften hebben derhalve de kwaliteit van publieke rechtsnormen en zijn derhalve geëigend om aan de richtlijnverplichtingen te voldoen. Overigens wordt dat door de Commissie ook niet bestreden. De vraag die zich vervolgens voordoet is of de in het kader van de Unfallverhütungsvorschriften vastgestelde rapporten ook daadwerkelijk gelijkwaardig zijn aan de door de richtlijn verlangde documentatie. De Commissie leidt uit het Duitse stelsel af dat daarvan geen sprake is. Het Duitse systeem zou het zowel ontbreken aan een uitdrukkelijke verklaring van de werkgever dat hij de voorstellen van het rapport overneemt en ze als grondslag voor de verdere beschermende maatregelen toepast (structurele gelijkwaardigheid), als aan een gelijkwaardige standaard betreffende de evaluatie van de risico's (inhoudelijke gelijkwaardigheid).
59. In het kader van een procedure wegens niet-nakoming in de zin van artikel 226 EG dient de Commissie, als eisende partij, het gestelde verzuim aan te tonen en het Hof de gegevens te verschaffen die het nodig heeft om te kunnen vaststellen of er inderdaad sprake is van een verzuim. Ik ben van mening dat de Commissie niet afdoende heeft aangetoond dat het Duitse systeem zowel structureel als inhoudelijk niet zou voldoen aan de betrokken bepalingen van de richtlijn.
60. Betreffende de structurele gelijkwaardigheid ben ik het, zoals eerder vermeld, eens met het verweer van de Duitse regering dat artikel 9, lid 1, sub a, van de richtlijn van de werkgever uitsluitend verlangt dat hij over een evaluatie van de risico's beschikt. De bepaling stelt geen enkele voorwaarde aan de auteur van de rapporten die de evaluatie bevatten. Het is goed voorstelbaar dat kleine bedrijven de evaluaties uitvoeren met behulp van derden die gedegen kennis bezitten van de materie, zoals bedrijfsartsen en andere geschoolde deskundigen. De kwaliteit van de evaluaties kan erdoor verbeteren en dat komt de realisering van de doelstellingen van de richtlijn ten goede. In dit verband is illustratief dat wanneer de mogelijkheden in de onderneming onvoldoende zijn om de beschermings- en preventieactiviteiten te organiseren, artikel 7, lid 3, van de richtlijn de werkgevers zelfs verplicht om een beroep te doen op deskundigen van buiten de onderneming.
61. De kritiek van de Commissie dat de Duitse wetgever de werkgever niet dwingend voorschrijft de in het rapport vermelde maatregelen als basis te nemen voor de door hem te treffen preventie- en beschermingsmaatregelen, deel ik evenmin. Een dergelijke verplichting lees ik niet af uit artikel 9, lid 1, sub a, van de richtlijn. Binnen de context van de richtlijn moet de evaluatie van de risico's uiteraard worden ingezet voor het treffen van maatregelen die een betere bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers verzekeren. De verplichting van de werkgever om die benodigde maatregelen ook daadwerkelijk te treffen is echter niet in artikel 9, maar in artikel 6 van de richtlijn neergelegd. In haar met redenen omkleed advies stelt de Commissie evenwel niet dat inbreuk op artikel 6 van de richtlijn is gemaakt zodat, naar mijn mening, aan het argument in deze procedure kan worden voorbijgegaan.
62. Wat de inhoudelijke gelijkwaardigheid betreft, heeft de Duitse regering gewezen op de overeenstemming tussen de documentatieplichten in het Arbeitssicherheitsgesetz en het Arbeitsschutzgesetz.
63. Overeenkomstig § 3, lid 1, punt 1, sub g, ASiG en § 6, punt 1, sub e, ASiG moeten de bedrijfsartsen en geschoolde deskundigen de werkgever adviseren bij het beoordelen van de arbeidsomstandigheden. § 5 ArbSchG heeft eveneens als opschrift Beoordeling van de arbeidsomstandigheden". Uit hoofde van laatstgenoemde bepaling moet de werkgever op grond van een beoordeling van de risico's van de veiligheid op het werk beschermende maatregelen treffen. In § 5, lid 3, ArbSchG worden bij wijze van voorbeeld de risico's vermeld die kunnen optreden, met inbegrip van de risico's die zich kunnen voordoen bij de inrichting en uitrusting van de arbeidsplaatsen; de fysieke, chemische en biologische uitrusting; de keuze en inzet van arbeidsmiddelen en de organisatie van fabricageprocessen en werktijden.
64. De bepalingen van § 3, lid 1, punt 1, sub g, ASiG en § 6, punt 1, sub e, ASiG zijn ingevoegd bij dezelfde wet als § 5 ArbSchG. Deze wet van 7 augustus 1996 strekte tot omzetting van de richtlijn in de Bondsrepubliek Duitsland. Ik leid hieruit af dat het de bedoeling van de Duitse wetgever moet zijn geweest het Arbeitssicherheitsgesetz en het Arbeitsschutzgesetz op het punt van de te beoordelen risico's op gelijke wijze uit te leggen. De omschrijving in § 5, lid 3, ArbSchG voldoet mijns inziens ook aan de ruime omschrijving van het risicobegrip waar de richtlijn van uitgaat. Derhalve kan er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat de rapportageverplichting volgens het ASiG, evenals die van § 5 ArbSchG, de evaluatie van de risico's voor werknemers in de betekenis van de richtlijn omvat. Het argument van de Commissie dat het rapport van de gecontracteerde deskundigen aan verschillende taakstellingen dient te voldoen, en dat er niet in algemene zin van kan worden uitgegaan dat de inhoud van de individuele rapporten overeenstemt met de evaluatievereisten van de richtlijn, wordt hierdoor weerlegd.
65. Er kleven echter nog twee potentiële bezwaren aan het stelsel van uitvoering van de richtlijn door middel van de Unfallverhütungsvorschriften.
66. Om te beginnen doet zich de vraag voor of de wijze waarin de rapportageverplichting van de Unfallverhütungsvorschriften moet worden gesteld, overeenkomt met de - schriftelijke en/of elektronische - documentatieplicht die de richtlijn voorschrijft. De drie door de Bondsrepubliek Duitsland aan de Commissie overgelegde Unfallverhütungsvorschriften bieden daarover geen zekerheid. Aangezien de Commissie op geen enkel moment heeft gesteld dat de vorm van de rapporten volgens de Unfallverhütungsvorschriften niet zou voldoen aan de vereisten van de richtlijn, ga ik aan dit mogelijke gebrek voorbij.
67. Daarnaast is het de vraag of voor elke branche in Duitsland, en daarmee voor elke individuele werkgever, daadwerkelijk Unfallverhütungsvorschriften zijn vastgesteld, goedgekeurd en in werking getreden. Indien dat niet het geval zou zijn, kan immers niet gesproken worden van een complete omzetting van de betrokken richtlijnbepalingen in de Duitse rechtsorde.
68. De Duitse regering heeft erop gewezen dat inmiddels voor elke branche in de private en publieke sector Unfallverhütungsvorschriften zijn vastgesteld. De Commissie heeft dat niet bestreden. Zij heeft zich in haar opmerkingen met name gericht op de door de Bondsrepubliek Duitsland gekozen omzettingsmethode, waardoor ik meen dat zij niet heeft aangetoond dat de Duitse omzettingswetgeving op dit punt niet volledig dekkend zou zijn. De Commissie heeft verzuimd in concreto duidelijk te maken dat voor een bepaalde branche geen Unfallverhütungsvorschriften zijn vastgesteld.
69. Rest nog te onderzoeken of de bevoegdheidsbepalingen van § 14 ASiG geen lacunes veroorzaken in het Duitse stelsel.
70. Naar mijn mening levert de door de Commissie betwiste afwijkingsmogelijkheid van § 14, lid 1, ASiG in casu geen problemen op voor de correcte omzetting van de richtlijn. Deze bepaling staat de bondsminister toe, de voorschriften te geven welke de werkgevers moeten naleven om te voldoen aan de vereisten van de ASiG. Daar waar de uitvoering is gedecentraliseerd naar de bedrijfsverenigingen kan de bondsminister deze bevoegdheid echter uitsluitend uitoefenen in de gevallen waarin die organen tekort zijn geschoten. Aangenomen dat voor elke sector inderdaad Unfallverhütungsvorschriften zijn vastgesteld, zoals de Duitse regering heeft betoogd en door de Commissie niet is weerlegd, is de subsidiaire regeling van § 14, lid 1, ASiG overbodig geworden. Overigens zou de minister reeds op grond van § 15, lid 4, SGB VII zijn goedkeuring moeten weigeren indien de hem voorgelegde Unfallverhütungsvorschriften ontoereikend zouden zijn.
71. Daarentegen doet de vrijstellingsmogelijkheid van § 14, lid 2, ASiG mijns inziens wel afbreuk aan een correcte en ondubbelzinnige uitvoering van de hier in het geding zijnde verplichtingen. Deze bepaling verleent de bondsminister de bevoegdheid om bepaalde groepen van ondernemingen vrij te stellen van de nakoming van de in §§ 3 en 6 ASiG genoemde verplichtingen. De Commissie stelt in haar verzoekschrift terecht dat de bondsminister onder andere de bevoegdheid bezit om op basis van het aantal werknemers te besluiten dat werkgevers geen zorg hoeven te dragen voor het opstellen van rapporten die evaluaties van risico's bevatten. Dat kan bijvoorbeeld geconcretiseerd worden door bepaalde ondernemingen te ontheffen van de verplichtingen die zijn voorzien in § 3, lid 1, sub g, ASiG en § 6, punt 1, sub e, ASiG. In dat geval is het systeem niet meer dekkend en kunnen werkgevers die op grond van de richtlijn zijn gebonden aan de betrokken documentatieverplichting ten onrechte daarvan worden uitgesloten. De richtlijn voorziet immers niet in zulke vrijstellingsmogelijkheden voor kleine bedrijven.
72. Het verweer van de Duitse regering acht ik niet houdbaar. Het betoog dat de bondsminister tot dusverre nog nooit gebruik heeft gemaakt van de vrijstellingsmogelijkheid, sluit een eventuele toepassing in de toekomst niet uit. Overigens kan in het kader van de omzetting van richtlijnen het argument niet worden aanvaard dat in de praktijk geen enkele inbreuk op een richtlijn is vastgesteld. Om de volledige toepassing van richtlijnen rechtens en niet alleen feitelijk te verzekeren, moeten de lidstaten zorgen voor een duidelijk wettelijk kader op het betrokken gebied, hetgeen door deze specifieke vrijstellingsmogelijkheid in § 14, lid 2, ASiG niet wordt gerealiseerd. Het argument dat de bevoegdheid niet zal worden toegepast omdat in dat geval strijdigheid met de richtlijn zou ontstaan, kan evenmin worden aanvaard. Dat zou in wezen neerkomen op de toepassing van een vorm van richtlijnconforme interpretatie van het nationale recht die niet de helderheid en de nauwkeurigheid kan hebben die bij de implementatie van richtlijnen met het oog op de rechtszekerheid noodzakelijk is.
73. Tot slot merk ik betreffende de werkingssfeer van de Kleinbetriebsklausel op dat het principieel geen verschil maakt of de uitzondering van § 6, lid 1, derde zin, ArbSchG door de Bondsrepubliek Duitsland is uitgebreid tot bedrijven met niet meer dan 20 deeltijdarbeiders. In de context van het Duitse stelsel betekent deze uitbreiding van de reikwijdte dat meer werkgevers zijn gebonden aan de documentatieverplichting op basis van de overige wetgeving", dus de Unfallverhütungsvorschriften, in plaats van de regeling van het Arbeitsschutzgesetz. De wijziging heeft weliswaar ook tot gevolg dat meer werkgevers door de bondsminister onder § 14, lid 2, ASiG kunnen worden vrijgesteld van hun verplichtingen, maar de uitbreiding van de Kleinbetriebsklausel houdt verder als zodanig geen verband met deze vrijstelling.
VI - Kosten
74. Nu ik de grieven van de Commissie slechts voor een deel gegrond acht, is het mijns inziens redelijk dat beide partijen hun eigen kosten dragen.
VII - Conclusie
75. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
a) Vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door in § 14, lid 2, Arbeitssicherheitsgesetz, de bondsminister bevoegd te verklaren om bepaalde groepen van ondernemingen, onder omstandigheden die in het bijzonder samenhangen met het aantal werknemers, vrij te stellen van de vervulling van de in de §§ 3 en 6 Arbeitssicherheitsgesetz genoemde taken, de krachtens de artikelen 10 EG en 249 EG en de artikelen 9, lid 1, sub a, en 10, lid 3, sub a, van richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk, op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
b) Het beroep voor het overige te verwerpen.
c) De Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Bondsrepubliek Duitsland hun eigen kosten te laten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy