Conclusie van de advocaat generaal
1 De onderhavige prejudiciële zaak heeft betrekking op de vrijheid van vestiging van architecten.
2 Verzocht is om uitlegging van richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en van het vrij verrichten van diensten.(1)
I - De toepasselijke bepalingen
A - Het gemeenschapsrecht
3 Artikel 1 van de richtlijn bepaalt:
"1. Deze richtlijn is van toepassing op de werkzaamheden op het gebied van de architectuur.
2. In de zin van deze richtlijn worden onder werkzaamheden op het gebied van de architectuur de werkzaamheden verstaan die gewoonlijk onder de beroepstitel van architect worden verricht."(2)
4 De richtlijn beoogt niet de harmonisatie van de nationale regels op het gebied van de architectuur. Zij geeft geen definitie van het begrip architect. Evenmin bevat zij materiële criteria om het beroep af te bakenen.
5 Richtlijn 85/384/EEG voert twee regelingen in.
Voor de na de inwerkingtreding van de richtlijn behaalde diploma's voert hoofdstuk II van de richtlijn een definitieve regeling in, waarin de lidstaten zich ertoe verbinden door andere lidstaten afgegeven diploma's te erkennen voorzover deze aan de in de artikelen 3 en 4 gestelde voorwaarden inzake inhoud en opleidingsduur voldoen.(3) Elke lidstaat moet de lijst van de diploma's die aan deze criteria voldoen alsmede van de instellingen en autoriteiten die ze afgeven, meedelen en bijwerken.
Voor de diploma's die vóór de datum van betekening van de richtlijn zijn behaald of voor de studenten die hun opleiding ten laatste in de loop van het universitair jaar 1987/1988 hebben aangevat, is een overgangsregeling ingevoerd. De richtlijn voorziet in de automatische erkenning van een aantal diploma's, die zij nauwkeurig opsomt.
6 In artikel 11 van de richtlijn worden de in Duitsland afgegeven diploma's, certificaten en andere titels opgesomd die door de andere lidstaten moeten worden erkend.
7 Aangaande het in artikel 11, sub a, vierde streepje, bedoelde onderzoek op grond van bewijsstukken bepaalt artikel 13 van de richtlijn, dat dit "[...] de beoordeling behelst van plannen die de kandidaat tijdens een feitelijke praktijk van ten minste zes jaar op het gebied van de in artikel 1 bedoelde werkzaamheden heeft gemaakt en uitgevoerd".
B - Het Belgische recht
8 De titel en het beroep van architect zijn beschermd bij wet van 20 februari 1939.(4) Artikel 1 van deze wet bepaalt:
"1. Niemand mag de titel voeren van architect, noch het beroep ervan uitoefenen, indien hij niet in het bezit is van een diploma, waaruit blijkt dat hij met goed gevolg de examenproeven heeft afgelegd, welke vereist zijn voor het bekomen van dit diploma.
2. Onverminderd § 1 en de artikelen 7 en 12, mogen de Belgen en de onderdanen van de overige lidstaten van de Europese Gemeenschap of van een andere staat die partij is bij het Akkoord betreffende de Europese Economische Ruimte, in België de titel van architect voeren en het beroep ervan uitoefenen indien zij in het bezit zijn van een diploma, een certificaat of een andere titel als bedoeld in de bijlage bij deze wet.
3. De Belgen en de onderdanen van de overige lidstaten van de Europese Gemeenschap of van een staat die partij is bij het Akkoord betreffende de Europese Economische Ruimte die voldoen aan de in de bijlage bij deze wet gestelde voorwaarden mogen gebruik maken van hun wettige in de staat van oorsprong of herkomst gevoerde opleidingstitel en - eventueel - van de afkorting daarvan in de taal van deze staat.
[...]"
9 In de bijlage bij deze wet worden de in Duitsland afgegeven diploma's, certificaten en andere titels opgesomd, op grond waarvan in België de titel en het beroep van architect mogen worden gevoerd en uitgeoefend.
10 Tenslotte bepalen de artikelen 4 en 5 van de wet van 26 juni 1963(5) tot instelling van een orde van architecten respectievelijk, dat "niemand op een tabel van de Orde of op een lijst van stagiairs mag worden ingeschreven als hij niet voldoet aan de voorwaarden gesteld bij de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en het beroep van architect", en dat "niemand in België het beroep van architect in welke hoedanigheid ook mag uitoefenen als hij niet op één van de tabellen van de Orde of op een lijst van stagiairs is ingeschreven [...]".
II - De feiten en het procesverloop van het hoofdgeding
11 Dreessen, die de Belgische nationaliteit bezit, behaalde op 16 februari 1966 in Duitsland het diploma van ingenieur. Vijfentwintig jaar lang "werkte hij in loondienst bij verschillende architectenbureaus"(6) te Luik (België). Toen de vennootschap waarbij hij werkte, werd geliquideerd, verzocht hij in 1991 de Orde van Architecten van de provincie Luik om inschrijving op het tableau, teneinde zich als zelfstandige te kunnen vestigen.
12 Bij beslissing van 29 april 1993 werd zijn verzoek afgewezen op grond dat het door een afdeling "Allgemeiner Hochbau" afgegeven diploma niet uitdrukkelijk was genoemd in artikel 11, sub a, vierde streepje, van richtlijn 85/384/EEG, die bij wijzigend koninklijk besluit van 6 juli 1990 in nationaal recht werd omgezet.(7) De afdeling die dit diploma heeft afgeleverd, is namelijk geen afdeling architectuur.
13 Dreessen vocht deze beslissing aan bij de Franstalige Raad van Beroep van de Orde van Architecten, die het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de gelijkstelling van het aan verzoeker afgegeven diploma met de door de nationale wettelijke regeling bedoelde diploma's, certificaten en andere titels.(8)
14 In zijn arrest van 9 augustus 1994, Dreessen, "Dreessen I" genoemd, heeft het Hof geoordeeld, dat het aan Dreessen afgegeven diploma niet kon worden gelijkgesteld met de in artikel 11, sub a, vierde streepje, van de richtlijn uitputtend opgesomde diploma's, certificaten en andere titels.(9) In dit arrest heeft het Hof geoordeeld, dat "de overgangsregeling, die op het hoofdgeding van toepassing is, een uitputtende opsomming geeft van de diploma's, certificaten en andere titels van elke lidstaat die voor erkenning in aanmerking kunnen komen"(10), en dat "wat de Duitse ingenieursscholen betreft, die erkenning beperkt is tot de door de afdelingen architectuur afgegeven certificaten, en dat het diploma van betrokkene niet door een dergelijke afdeling is afgegeven".(11) Het Hof heeft derhalve ondubbelzinnig te kennen gegeven, dat het in 1966 door de afdeling "Allgemeiner Hochbau" van de "Staatliche Ingenieurschule für Bauwesen Aachen" afgegeven diploma niet kan worden gelijkgesteld met de in artikel 11, sub a, vierde streepje, van richtlijn 85/384 bedoelde certificaten.
15 Bij beslissing van 15 februari 1993 wees de Franstalige Raad van Beroep van de Orde van Architecten op grond van het arrest Dreessen I het beroep van verzoeker af.
16 Bij schrijven van 25 oktober 1997 verzocht Dreessen de Raad van de Orde van Architecten van de provincie Luik opnieuw om inschrijving op het tableau van de Orde van Architecten. Tot staving van zijn verzoek voerde hij twee argumenten aan. In de eerste plaats betoogde hij, dat zijn diploma niet op de lijst van artikel 11 van richtlijn 85/384 was opgenomen als gevolg van een vergissing van de Duitse federale autoriteiten. Voorts had de Raad van de Orde een vergelijkend onderzoek van de door hem gevolgde opleidingen moeten uitvoeren, overeenkomstig het in het arrest Vlassopoulou(12) geformuleerde beginsel.
17 Bij beslissing van 5 februari 1998 wees de Raad van de Orde van Architecten van de provincie Luik het verzoek van Dreessen af, op grond dat de Raad geen rekening hoefde te houden met betrokkenes kennis en bekwaamheden, noch deze hoefde te beoordelen, doch enkel de gelijkwaardigheid van zijn diploma moest nagaan, waarvan volgens hem in casu geen sprake was. Hij voegde hieraan toe, dat het verzoek op grond van artikel 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG) al eerder was ingediend en afgewezen.
18 De Franstalige Raad van Beroep van de Orde van Architecten vernietigde deze beslissing en stelde Dreessen bij beslissing van 16 juni 1999 in het gelijk, omdat hij zijns inziens de door de Belgische wet vereiste kennis en bekwaamheden kon aantonen.
19 Tegen deze beslissing stelde de Raad van de Orde van Architecten beroep in cassatie in met het betoog, dat de bevoegde autoriteiten de uitputtende opsomming van artikel 11 van richtlijn 85/384 niet mochten aanvullen door over te gaan tot een vergelijkend onderzoek.
III - De prejudiciële vraag
20 Het Belgische Hof van Cassatie is van oordeel, dat voor de oplossing van het geschil de uitlegging van een aantal bepalingen van gemeenschapsrecht vereist is. Bijgevolg heeft het besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
"Hebben de artikelen 5 en 52 EG-Verdrag tot gevolg, dat de lidstaat bij een bevoegde autoriteit waarvan een gemeenschapsonderdaan die houder is van een in een andere lidstaat behaald diploma, een verzoek heeft ingediend om een beroep te mogen uitoefenen dat volgens de nationale wettelijke regeling slechts toegankelijk is voor wie een diploma of een beroepskwalificatie bezit, verplicht is het diploma waarop de verzoeker zich beroept, in aanmerking te nemen, en de uit dit diploma blijkende kennis en bekwaamheden te vergelijken met die welke door de nationale regels worden vereist, ook al bestaat er voor het betrokken beroep een door de Raad krachtens artikel 57, eerste en tweede alinea, EG-Verdrag vastgestelde richtlijn en bevat deze richtlijn, wat de in de loop van een overgangsperiode aangevangen of voortgezette studiecycli betreft, een uitputtende opsomming van de in de verschillende lidstaten afgegeven diploma's of certificaten die de uitoefening van het betrokken beroep in de andere lidstaten mogelijk moeten maken, en ook al valt de verzoeker onder die overgangsregeling en komt het diploma waarop hij zich beroept, niet in die uitputtende opsomming voor?"
IV - Juridische beoordeling
21 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 52 EG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, bij wie een verzoek is ingediend om toelating tot het uitoefenen van het beroep van architect, waarvan de toegang volgens de nationale wettelijke regeling afhangt van het bezit van een diploma of een beroepskwalificatie, de uit een in een andere lidstaat behaald ingenieursdiploma blijkende kennis en bekwaamheden in aanmerking moeten nemen, ook al is dit diploma niet één van de in artikel 11 van de richtlijn opgesomde titels.
22 Om te beginnen dient een argument van de Raad van de Orde te worden afgewezen.
Volgens de Raad heeft het Hof de rechtsvraag al beantwoord in het arrest Dreessen I. In dit arrest heeft het Hof echter alleen maar uitspraak gedaan over de formele opname van het ingenieursdiploma op de uitputtende lijst in artikel 11 van de richtlijn. In de onderhavige zaak voert verzoeker in het hoofdgeding andere argumenten aan. Hij vraagt om een uitspraak over de materiële inhoud van het betrokken diploma. De vraag is, of de nationale autoriteiten moeten nagaan of het beroep van architect mag worden uitgeoefend op basis van uit een diploma blijkende kennis en bekwaamheden. Dreessen verzoekt om toepassing van het in het arrest Vlassopoulou, reeds aangehaald, geformuleerde beginsel, ook al voldoet het diploma waarvan hij houder is niet aan de voorwaarden van de richtlijn. De in het arrest Dreessen I gestelde vraag verschilt van de in de onderhavige zaak voorgelegde vraag. Ik stel derhalve voor het argument van verweerder in het hoofdgeding af te wijzen.
23 Vervolgens dienen de in het arrest Vlassopoulou, reeds aangehaald, en het arrest Hocsman(13) geformuleerde beginselen in herinnering te worden gebracht.
24 Het in het arrest Vlassopoulou, reeds aangehaald, geformuleerde beginsel staat centraal in de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vraag.
In dit arrest heeft het Hof geoordeeld, dat een lidstaat die moet beslissen op een verzoek om toelating tot een beroep dat naar nationaal recht slechts toegankelijk is voor degene die over een diploma of een beroepskwalificatie beschikt, rekening moet houden met de diploma's, certificaten en andere titels die de betrokkene met het oog op de uitoefening van hetzelfde beroep in een andere lidstaat heeft verworven, door de uit die diploma's blijkende bekwaamheden te vergelijken met de in de nationale regeling verlangde kennis en ervaring.(14)
25 De procedure van vergelijkend onderzoek moet de autoriteiten van de ontvangende lidstaat in staat stellen, er zich objectief van te overtuigen dat de houder van het buitenlandse diploma over kennis en bekwaamheden beschikt die zo niet identiek, dan toch ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke uit het binnenlandse diploma blijken. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van het buitenlandse diploma mag uitsluitend worden gelet op het niveau van de kennis en bekwaamheden dat de houder ervan mag worden geacht te bezitten(15), rekening houdend met de aard en de duur van de studie en de praktijkopleiding waarvan het de voltooiing bewijst.
26 Ten slotte heeft het Hof erop gewezen, dat de nationale autoriteiten bij hun onderzoek naar de vraag of de uit het buitenlands diploma blijkende kennis en bekwaamheden overeenkomen met die welke in de wettelijke regeling van ontvangende lidstaat zijn voorgeschreven, een procedure moeten volgen die in overeenstemming is met de eisen van het gemeenschapsrecht betreffende de effectieve bescherming van de door het Verdrag aan de gemeenschapsonderdanen verleende fundamentele rechten. Hieruit volgt, dat elk besluit vatbaar moet zijn voor beroep in rechte met het oog op de toetsing van de wettigheid ervan aan het gemeenschapsrecht en dat de belanghebbende kennis moet kunnen nemen van de redenen van het jegens hem genomen besluit.(16)
27 Het arrest Vlassopoulou, reeds aangehaald, ligt aan de basis van verdere ontwikkelingen(17), recentelijk nog in het arrest Hocsman, reeds aangehaald.
In deze zaak heeft het Hof het hierboven uiteengezette beginsel toegepast ten voordele van een gemeenschapsonderdaan, houder van een in een derde staat behaald diploma, aan wie het recht werd ontzegd zich op het grondgebied van een lidstaat als zelfstandige te vestigen, terwijl de bevoegde nationale autoriteiten hem wel hadden toegestaan zijn beroep als loontrekkende uit te oefenen in verschillende openbare ziekenhuizen. Het Hof heeft deze "tegenstrijdige"(18) situatie verholpen door te oordelen, dat "vaststaat dat de autoriteiten van een lidstaat [in dat geval] (...) rekening moeten houden met alle diploma's, certificaten en andere titels alsmede met de relevante ervaring van de betrokkene, door de uit die titels en ervaring blijkende bekwaamheden te vergelijken met de in de nationale wettelijke regeling verlangde kennis en bekwaamheden".(19)
28 Het Hof heeft dienaangaande overwogen, dat "in deze rechtspraak slechts een beginsel wordt weergegeven dat inherent is aan de in het Verdrag neergelegde fundamentele vrijheden".(20)
29 De feiten en het juridisch kader van deze nieuwe zaak Dreessen zijn specifiek.
Wat de werkingssfeer ratione loci betreft stel ik vast, dat verzoeker in het hoofdgeding al zijn beroepservaring heeft opgedaan in de lidstaat waarvan hij onderdaan is.
Evenwel heeft hij zijn diploma in Duitsland behaald. Verzoeker in het hoofdgeding heeft van zijn recht op vrij verkeer gebruik gemaakt, om zijn ingenieursdiploma in een andere lidstaat te behalen en vervolgens naar zijn staat van herkomst terug te keren en er beroepservaring op te doen.(21) De prejudiciële vraag betreft nu juist de inhoud van dit diploma met het oog op de uitoefening van het beroep van architect. Dit is onlosmakelijk verbonden met het feit dat Dreessen dit beroep gedurende vele jaren heeft uitgeoefend. De feiten van deze zaak vormen dus geen zuiver interne aangelegenheid.
30 Over het juridisch kader van de zaak kunnen ook twee opmerkingen worden gemaakt.
31 In de eerste plaats vormt het ingenieursdiploma geen diploma dat in het kader van de overgangsregeling van de richtlijn automatische onderlinge erkenning geniet. De situatie van verzoeker in het hoofdgeding is niet dezelfde als die welke in de arresten Vlassopoulou en Hocsman, reeds aangehaald, aan de orde waren. In de eerste zaak kon verzoekster in het hoofdgeding op geen enkele richtlijn inzake onderlinge erkenning bogen. Het vakgebied dat in deze zaak aan de orde is, was toen nog niet geregeld. In de zaak Hocsman, reeds aangehaald, viel het diploma van de betrokkene niet onder de werkingssfeer van de betrokken richtlijn, omdat het door de bevoegde autoriteiten van een derde staat was afgegeven. In casu heeft verzoeker in het hoofdgeding zijn diploma in een lidstaat behaald, doch is dit geen architectendiploma.
32 Voorts moeten de redenen waarom het diploma niet op de uitputtende lijst van artikel 11 van de richtlijn is opgenomen, in herinnering worden gebracht. In het arrest Dreessen I heeft het Hof geoordeeld, dat "niet kan worden geargumenteerd, dat de oude ingenieursscholen, die niet over een afdeling architectuur beschikten, vanaf 1971 zijn opgegaan in de Fachhochschulen waarvan de diploma's onder de erkenningsregeling van de richtlijn vallen".(22) Want "indien die benaming onjuist of onvolledig was, had de betrokken lidstaat, dat wil zeggen de Bondsrepubliek Duitsland, pogingen in het werk moeten stellen om rectificatie of aanvulling van de richtlijn op dit punt te verkrijgen".(23)
33 Volgens de Nationale Raad van de Orde van Architecten is het eenvoudigweg nooit de bedoeling geweest, dat het ingenieursdiploma onder de werkingssfeer van de richtlijn zou vallen. Dreessen zou geen toelating kunnen krijgen om zich als zelfstandige te vestigen, omdat hij niet de titel van architect heeft. Hij zou evenmin kunnen eisen, dat op grond van het in het arrest Vlassopoulou, reeds aangehaald, geformuleerde beginsel met zijn beroepservaring rekening wordt gehouden.
34 Deze argumentatie komt er dus op neer, dat wanneer de toegang tot een beroep bij een op artikel 57 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 47 EG) gebaseerde richtlijn is geregeld, zoals in het hoofdgeding het geval is, de nationale autoriteiten zich aan de letter van de bepalingen zouden moeten houden en in een vergelijkend onderzoek - dat met naleving van de nationale vereisten wordt uitgevoerd - de uit een diploma blijkende kennis en bekwaamheden niet in aanmerking zouden mogen nemen. Volgens deze oplossing somt de richtlijn de erkende diploma's op uitputtende wijze op. Door de verworven beroepservaring in aanmerking te nemen, zou de werkingssfeer van de richtlijn worden gewijzigd.
35 Evenzo zijn de Italiaanse en de Franse regering van oordeel, dat de richtlijn de lidstaten geen enkele discretionaire bevoegdheid laat. Zij stellen, dat de nationale autoriteiten zich aan de in artikel 11 van de richtlijn uitdrukkelijk opgesomde titels moeten houden. Door het enkele mechanisme van automatische erkenning van de in de lijst opgenomen titels, is elk vergelijkend onderzoek uitgesloten.
36 Deze argumenten strekken ten betoge, dat de toepassing van het in het arrest Vlassopoulou, reeds aangehaald, geformuleerde beginsel erop zou neerkomen, dat de tekst van de richtlijn wordt herzien, wat het prerogatief van de lidstaten is.
37 Deze reeks argumenten is mijns inziens in casu ongegrond.
38 Artikel 52 van het Verdrag beoogt de afschaffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat. In dit verband vormt de vrijheid van vestiging een fundamentele vrijheid in het stelsel van de Gemeenschap.(24)
39 De doelstelling van de richtlijn is duidelijk. De lidstaten hebben een aantal minimumvereisten inzake opleiding en bekwaamheid willen vaststellen waarvan de eerbiediging de lidstaten tot onderlinge erkenning verplicht. De beoogde doelstelling mag in geen geval ten koste van de vrijheid van vestiging worden bereikt. In het arrest Vlassopoulou, reeds aangehaald, heeft het Hof geoordeeld, dat artikel 52 van het Verdrag een nauwkeurig omschreven resultaatsverplichting oplegt, waarvan de nakoming moet worden vergemakkelijkt, maar niet geconditioneerd(25), door de invoering van communautaire maatregelen. De juridische draagwijdte van een in het Verdrag neergelegd fundamenteel beginsel kan immers niet worden gewijzigd door de vaststelling van een richtlijn inzake onderlinge erkenning.(26)
40 Gelet op de recente rechtspraak van het Hof(27), en in tegenstelling tot mijn conclusie in de zaak Erpelding(28), geef ik het Hof derhalve in overweging, het in het arrest Vlassopoulou, reeds aangehaald, geformuleerde beginsel toe te passen.
41 Het geval van Dreessen leent zich voor een nieuwe toepassing van de in de rechtspraak ontwikkelde criteria. Het ingenieursdiploma van verzoeker in het hoofdgeding komt niet in aanmerking voor de automatische erkenning van de richtlijn. Desondanks blijkt uit de feiten hoe paradoxaal zijn beroepssituatie is. De bevoegde nationale autoriteiten erkennen dat hij vijfentwintig jaar lang het beroep van architect heeft uitgeoefend, doch staan hem niet toe dit beroep als zelfstandige uit te oefenen. Buiten de werkingssfeer van de richtlijn valt Dreessen rechtstreeks onder artikel 52 van het Verdrag.
42 Mijns inziens dienen de nationale autoriteiten het ingenieursdiploma van Dreessen moeten onderzoeken evenals de relevante beroepservaring die hij heeft opgedaan op het grondgebied van de lidstaat waarvan hij onderdaan is, door de uit zijn titel blijkende bekwaamheden en zijn relevante ervaring te vergelijken met de in de Belgische wettelijke regeling verlangde kennis en bekwaamheden.
43 In dit verband dient nog het volgende te worden verduidelijkt. De Commissie heeft er ter terechtzitting aan herinnerd, dat het er in deze zaak in het geheel niet om gaat dat de nationale autoriteiten de gelijkwaardigheid van het ingenieursdiploma moeten erkennen. De verplichting ligt niet in het resultaat van het vergelijkend onderzoek, doch elders. De bevoegde autoriteiten moeten een vergelijkend onderzoek uitvoeren. De conclusie van hun onderzoek valt onder hun discretionaire bevoegdheid. Aldus zijn de letter en de geest van de richtlijn volledig geëerbiedigd. De toepassing van het arrest Vlassopoulou, reeds aangehaald, wijzigt geenszins het stelsel van automatische erkenning van de richtlijn. Zij omvat enkel de verplichting, de materiële inhoud van het betrokken diploma objectief te beoordelen.
44 Voor dit vergelijkend onderzoek gelden echter de in de rechtspraak ontwikkelde erkenningscriteria.
45 Om het vergelijkend onderzoek correct uit te voeren, moeten de nationale autoriteiten in de eerste plaats rekening houden met de kennis en bekwaamheden waarover de houder van een diploma mag worden geacht te beschikken.(29) Hierbij mogen de lidstaten rekening houden met objectieve verschillen zowel wat het juridisch kader van het betrokken beroep in de lidstaat van herkomst als wat het toepassingsgebied ervan betreft.
46 De Belgische autoriteiten moeten de materiële inhoud van het diploma van Dreessen onderzoeken. Zij moeten de inhoud van de gevolgde opleiding en de daaruit voortvloeiende bekwaamheden nagaan. Zij moeten beoordelen, of dit diploma, dat formeel als "ingenieursdiploma" wordt gekwalificeerd, alle waarborgen biedt, dat de betrokkene is opgeleid om materieel het beroep van architect uit te oefenen.
47 De bevoegde autoriteiten moeten de nationale criteria toepassen. Om discriminatie van onderdanen van andere lidstaten te voorkomen, moeten zij zich strikt houden aan de in het nationale recht opgelegde voorwaarden zoals deze voor eigen onderdanen gelden.
48 Zo het noodzakelijke vergelijkend onderzoek van de Belgische autoriteiten tot de conclusie mocht leiden, dat de titel van Dreessen niet volledig voldoet aan de vereisten om in België het beroep van architect uit te oefenen, moet hij overeenkomstig punt 19 van het arrest Vlassopoulou, reeds aangehaald, de mogelijkheid krijgen aan te tonen, dat hij de ontbrekende kennis en titels heeft verworven.(30)
49 Ook de beroepservaring van de betrokkene moet aan een vergelijkend onderzoek worden onderworpen. De beoordeling van de bekwaamheden van verzoeker in het hoofdgeding mag zich niet tot zijn titel beperken, maar moet zich ook uitstrekken tot de door zijn verschillende werkgevers afgegeven attesten.
50 Verder moet de weigering van de toelating duidelijk gemotiveerd zijn, met vermelding van de redenen van afwijzing. Tegen deze rechtshandeling moet beroep kunnen worden ingesteld bij de nationale rechter, die de wettigheid ervan aan het gemeenschapsrecht kan toetsen.
51 De conclusie luidt dus, dat de verwijzende rechter het ingenieursdiploma van Dreessen moet onderzoeken, evenals zijn relevante ervaring, door de uit deze titel blijkende bekwaamheden en die ervaring te vergelijken met de in de Belgische wettelijke regeling verlangde kennis en bekwaamheden.
52 Voor het maken van deze vergelijking moet hij de met inachtneming van het discriminatieverbod en het evenredigheidsbeginsel toegepaste nationale vereisten in aanmerking nemen.
Conclusie
53 Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, voor recht te verklaren:
"Artikel 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG) moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer een gemeenschapsonderdaan wiens diploma niet uitdrukkelijk is opgenomen in een richtlijn inzake de onderlinge erkenning van diploma's, toestemming vraagt een beroep uit te oefenen waarvan de toegang volgens de nationale wettelijke regeling afhangt van het bezit van een diploma of beroepskwalificatie, de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat het diploma en de relevante ervaring van de betrokkene moeten onderzoeken door de uit die titel en die ervaring blijkende bekwaamheden te vergelijken met de door de nationale wettelijke regeling verlangde kennis en kwalificaties.
Zo het diploma en de relevante ervaring niet aan de nationale vereisten voldoen, moeten de nationale autoriteiten de betrokkene, met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling, de mogelijkheid bieden aan te tonen, dat hij de ontbrekende kennis en kwalificaties bezit."
(1) - PB L 223, blz. 15 (hierna: "richtlijn").
(2) - Cursivering van mij.
(3) - De artikelen 3 en 4 bepalen de eisen waaraan de beroepsopleidingen die worden afgesloten met diploma's en andere architectuurcertificaten, moeten beantwoorden. Artikel 4 somt een aantal specifieke voorwaarden op, bijvoorbeeld inzake de minimumduur van de opleiding.
(4) - Belgisch Staatsblad van 25 maart 1939.
(5) - Belgisch Staatsblad van 5 juli 1963.
(6) - De nationale rechter gebruikt deze term in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing (zie blz. 3). Ter terechtzitting bestond er tussen partijen discussie over, of verzoeker als "loontrekkende architect" werkte, dan wel als "loontrekkende bij verschillende architectenbureaus". Dienaangaande brengen wij in herinnering, dat de in artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) bedoelde procedure op een duidelijke scheiding van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, en dat elke waardering van de feiten tot de bevoegdheid van de nationale rechter behoort (zie, met name, arresten van 19 december 1968, Salgoil, 13/68, Jurispr. blz. 661, 672; 16 maart 1978, Oehlschläger, 104/77, Jurispr. blz. 791, punt 4; 16 juli 1998, Dumon en Froment, C-235/95, Jurispr. blz. I-4531, punt 26, en 5 oktober 1999, Lirussi en Bizzaro, C-175/98 en C-177/98, Jurispr. blz. I-6881, punt 37). Het Hof mag alleen maar uitspraak doen over de uitlegging of de geldigheid van een gemeenschapstekst in het kader van de door de nationale rechter weergegeven feiten (zie, met name, arresten Oehlschläger, reeds aangehaald, punt 4; 2 juni 1994, AC-ATEL Electronics Vertriebs, C-30/93, Jurispr. blz. I-2305, punt 16, en 20 maart 1997, Phyteron International, C-352/95, Jurispr. blz. I-1729, punt 11). Ik geef derhalve het Hof in overweging zich aan de door de verwijzende rechter gebruikte term te houden.
(7) - Dit besluit wijzigt de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect. Formeel gezien bevat dit besluit een bijlage die met betrekking tot "diploma's, certificaten of andere titels die het voeren van de titel en het uitoefenen van het beroep van architect in België mogelijk maken" de bepalingen van richtlijn 85/384 overneemt.
(8) - In casu gaat het om de Belgische wet van 20 februari 1939.
(9) - C-447/93, Jurispr. blz. I-4087.
(10) - Ibidem, punt 11.
(11) - Ibidem, punt 12.
(12) - Arrest van 7 mei 1991, C-340/89, Jurispr. blz. I-2357.
(13) - Arrest van 14 september 2000 (C-238/98, Jurispr. blz. I-6623).
(14) - Punt 16.
(15) - Ibidem, punt 17.
(16) - Ibidem, punt 22.
(17) - Zie, bijvoorbeeld, arresten van 9 februari 1994, Haim (C-319/92, Jurispr. blz. I-425, punt 26), en 8 juli 1999, Fernández de Bobadilla (C-234/97, Jurispr. blz. I-4773, punt 29).
(18) - Arrest Hocsman, reeds aangehaald, punt 20.
(19) - Ibidem, punt 23.
(20) - Ibidem, punt 24.
(21) - Arrest van 31 maart 1993, Kraus (C-19/92, Jurispr. blz. I-1663, punt 15).
(22) - Punt 14.
(23) - Arrest Dreessen I, punt 14. Het is belangrijk erop te wijzen, dat in de huidige wijzigingen van de richtlijn nergens sprake is van de vóór 1973 door de "Fachhochschulen", afdeling "Allgemeiner Hochbau", afgegeven diploma's. Zie het voorstel voor een richtlijn 98/C 28/01 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de richtlijnen 89/48/EEG en 92/51/EEG betreffende het algemeen stelsel van erkenning van beroepskwalificaties en tot aanvulling van de richtlijnen 77/452/EEG, 77/453/EEG, 78/686/EEG, 78/687/EEG, 78/1026/EEG, 78/1027/EEG, 80/154/EEG, 80/155/EEG, 85/384/EEG, 85/432/EEG, 85/433/EEG en 93/16/EEG betreffende de beroepen van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, beoefenaar der tandheelkunde, dierenarts, verloskundige, architect, apotheker en arts (PB C 28, blz. 1), en het gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 20/2000 van 20 maart 2000, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de richtlijnen 89/48/EEG en 92/51/EEG van de Raad betreffende het algemeen stelsel van erkenning van beroepskwalificaties en tot aanvulling van de richtlijnen 77/452/EEG, 77/453/EEG, 78/686/EEG, 78/687/EEG, 78/1026/EEG, 78/1027/EEG, 80/154/EEG, 80/155/EEG, 85/384/EEG, 85/432/EEG, 85/433/EEG en 93/16/EEG van de Raad betreffende de beroepen van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger (verpleegkundige), beoefenaar der tandheelkunde, dierenarts, verloskundige, architect, apotheker en arts (PB C 119, blz. 1).
(24) - Arrest Kraus, reeds aangehaald, punt 16.
(25) - Punt 13.
(26) - Arrest Hocsman, reeds aangehaald, punt 31.
(27) - Arrest Hocsman, reeds aangehaald.
(28) - Arrest van 14 september 2000, C-16/99, Jurispr. blz. I-6821, punten 58 en verder.
(29) - In dit verband moeten de bevoegde nationale autoriteiten beoordelen, of de door studie of praktische ervaring verworven kennis volstaat voor het bewijs dat de ontbrekende kennis is verworven (zie arresten Vlassopoulou, reeds aangehaald, punt 20, en Fernández de Bobadilla, reeds aangehaald, punt 33).
(30) - Ik wijs erop dat de Raad van Beroep van de Orde van Architecten op 16 juni 1999 heeft beslist, dat Dreessen de vereiste kennis en bekwaamheden kon aantonen (zie beslissing nr. 389 van 16 juni 1999 van de Franstalige Raad van Beroep van de Orde van Architecten).
Full & Egal Universal Law Academy