Conclusie van de advocaat generaal
1. In deze zaak gaat het om de vraag, welk forum volgens artikel 5, punt 1, Executieverdrag bevoegd is kennis te nemen van een vordering in verband met een arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad der Nederlanden stelt die vraag naar aanleiding van een arbeidsovereenkomst tussen een Schotse vennootschap en een in Duitsland wonende werknemer van Duitse nationaliteit, die althans een deel van de periode 1987-1993 aan boord van schepen of booreilanden op of boven het Nederlands continentaal plat heeft gewerkt en vervolgens een aantal maanden aan boord van een drijvende bok in Deense territoriale wateren.
Executieverdrag
2. In 1994, toen het hoofdgeding aanhangig werd gemaakt, was de versie van het Executieverdrag van toepassing zoals gewijzigd bij het toetredingsverdrag van Spanje en Portugal, ondertekend te Donostia-San Sebastián op 26 mei 1989.
3. Volgens artikel 1 wordt het Executieverdrag toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Voor de bevoegdheid geldt het in artikel 2 vervatte algemeen beginsel, dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende staat, ongeacht hun nationaliteit, voor de gerechten van die staat worden opgeroepen. Ingevolge artikel 3 kunnen zij die op het grondgebied van een verdragsluitende staat woonplaats hebben, niet voor de rechter van een andere verdragsluitende staat worden opgeroepen dan krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 6 van de titel omtrent de bevoegdheid" gegeven regels. Van die bepalingen is artikel 5 voor deze zaak van belang.
4. Artikel 5 bepaalt onder meer:
De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, kan in een andere verdragsluitende staat voor de navolgende gerechten worden geroepen:
1. ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd [tot het toetredingsverdrag van 1989 ging de tekst van artikel 5, punt 1, niet verder]; ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst is dit de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht; wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, kan de werkgever tevens worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen."
5. Tot 1989 bepaalde artikel 60 dat het Executieverdrag van toepassing was op het Europese grondgebied van de verdragsluitende staat", met een aantal nadere bepalingen rond hun toepassing of eventuele toepassing op verschillende andere overzeese gebiedsdelen. Die bepaling werd echter na artikel 21 van het toetredingsverdrag van 1989 ingetrokken en sindsdien geldt er geen specifieke territoriale bepaling.
De Nederlandse wetgeving
6. In Nederland is de Wet arbeid mijnbouw Noordzee (hierna: WAMN") op 1 februari 1993 in werking getreden.
7. Artikel 2 van die wet bepaalt dat het Nederlandse arbeidsovereenkomstenrecht, met inbegrip van de daarop betrekking hebbende regels van internationaal privaatrecht, van toepassing is met betrekking tot de arbeidsovereenkomst van een werknemer die arbeid verricht op een mijnbouwinstallatie" op of boven het Nederlands deel van het continentaal plat. De Hoge Raad legt uit dat de term mijnbouwinstallatie" boorschepen omvat en betrekking heeft op alle, zowel vaste als (geïmmobiliseerde) drijvende inrichtingen voor opsporing of winning van delfstoffen, en dat continentaal plat" moet worden verstaan als gedefinieerd in het in 1958 te Genève gesloten Verdrag inzake het continentaal plateau, dat wil zeggen de zeebedding en de ondergrond van de onder water gelegen gebieden die aan de kust aansluiten doch buiten de territoriale wateren zijn gelegen, tot een diepte van 200 meter [...]". (Dat Verdrag werd getekend op 29 april 1958 en trad in werking op 10 juni 1964; het latere Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, getekend te Montego Bay op 10 december 1982, dat een iets andere definitie bevat, trad pas op 16 november 1994 in werking en werd door Nederland eerst op 28 juni 1996 geratificeerd.) Tevens bepaalt artikel 2 WAMN dat arbeid, verricht door een werknemer [in de zin van de WAMN], voor de toepassing van de regels van internationaal privaatrecht geldt als arbeid verricht op het grondgebied van Nederland.
8. Ingevolge artikel 10, lid 1, WAMN is de kantonrechter te Alkmaar bevoegd voor geschillen ter zake van arbeidsovereenkomsten als bedoeld in die wet. De Hoge Raad citeert echter de toelichting op dat artikel, volgens welke artikel 10 niet kan derogeren aan de internationale regeling van de rechtsmacht van de rechter zoals deze voortvloeit uit het Executieverdrag en dat de werknemer daarom indien de werkgever gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen, [...] dus geen gebruik zal kunnen maken van artikel 10 en zijn vordering in die lidstaat zal moeten indienen".
Procesverloop
9. H. Weber heeft de Duitse nationaliteit en was tussen juli 1987 en december 1993 als kok in dienst bij Universal Ogden Services Ltd (hierna: Ogden"). Zowel gedurende dat dienstverband als op het moment dat hij in 1994 de procedure aanhangig maakte, woonde hij in Duitsland. Ogden is een Schotse vennootschap (ofschoon kennelijk een dochtermaatschappij van een veel grotere multinational), gevestigd te Aberdeen.
10. Enkele feitelijke bijzonderheden van het dienstverband van Weber zijn voor de nationale rechter nog in geschil, maar in ieder geval schijnt vast te staan dat hij tot 21 september 1993 zijn werk voor Ogden voor een deel verrichtte aan boord van schepen of installaties in de zin van de WAMN (althans na de inwerkingtreding daarvan) in het Nederlands deel van het continentaal plat. Van 21 september tot 30 december 1993 werd Weber door Ogden ingezet op een drijvende bok in de Deense territoriale wateren.
11. Op 29 juni 1994 stelde Weber voor de kantonrechter te Alkmaar een vordering tegen Ogden ter zake van zijn arbeidsovereenkomst, op grond van artikel 10 WAMN. De kantonrechter verklaarde zich bevoegd, maar in hoger beroep, ingesteld door Ogden, ontzegde de rechtbank hem die bevoegdheid, hoofdzakelijk op grond dat alleen het na de inwerkingtreding van de WAMN (1 februari 1993) gelegen deel van het dienstverband daarvoor in aanmerking zou kunnen komen en dat Webers afwisselende perioden van werkzaamheid op het Nederlands continentaal plat na die datum niet opwogen tegen de daaropvolgende min of meer aaneengesloten periode van drie maanden waarin hij in Deense territoriale wateren heeft gewerkt. Weber stelde daarop cassatie in voor de Hoge Raad.
12. Volgens de Hoge Raad hadden de rechters in beide instanties niet mogen beslissen zonder het Executieverdrag in hun oordeel te betrekken, en omdat hij uitlegging van artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag voor de oplossing van het geschil nodig achtte, verzoekt hij om een prejudiciële beslissing op de volgende vragen:
1) Moet arbeid, op het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat onder de Noordzee verricht door een werknemer als omschreven in de WAMN, voor de toepassing van artikel 5, sub 1, EEX worden aangemerkt als, of gelijkgesteld met, arbeid die in Nederland is verricht?
2) Zo ja, moet dan voor het antwoord op de vraag of de werknemer geacht moet worden zijn arbeid ,gewoonlijk in Nederland te hebben verricht, de gehele periode van zijn dienstverband in aanmerking worden genomen of gaat het om de laatste periode van zijn dienstverband?
3) Dient voor de beantwoording van de tweede vraag onderscheid te worden gemaakt tussen het tijdvak waarin de WAMN nog niet in werking was getreden - en de Nederlandse wet dus voor een geval als het onderhavige nog geen territoriaal bevoegd Nederlands gerecht aanwees - en het tijdvak na de inwerkingtreding van de WAMN?
13. Er zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door partijen in het hoofdgeding, door de Nederlandse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie. Een mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden.
Analyse
14. De vragen van de Hoge Raad stellen twee punten aan de orde. De eerste vraag betreft het gerecht van de plaats waar een werknemer zijn arbeid gewoonlijk verricht - welke vraag, zoals we zullen zien, verband houdt met de territoriale bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staten - en de tweede de aanwijzing van die plaats, in het bijzonder met het oog op de betekenis van het woord gewoonlijk". Het tijdsaspect van de inwerkingtreding van een nationale wet waarbij een bijzonder gerecht als bevoegd wordt aangewezen, komt ook aan de orde in verband met de tweede vraag.
Territoriale bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staten
15. De vraag is, of een gerecht van een verdragsluitende staat voor de toepassing van het Executieverdrag kan worden beschouwd als het gerecht van" een plaats die niet is gelegen op het grondgebied of binnen de territoriale wateren van die staat, maar op of boven zijn continentaal plat. Alle partijen die opmerkingen hebben ingediend, behalve Ogden, zijn van mening dat dit inderdaad het geval is.
16. Bij bespreking van deze vraag moet voor ogen worden gehouden, ten eerste, dat al gaat het in deze zaak om de plaats van uitvoering van een arbeidsovereenkomst, het Executieverdrag nog andere verwijzingen kent naar het gerecht van een plaats, en de kwestie dus in ruimer verband van belang kan zijn, en ten tweede, dat het antwoord erop in geen geval kan afdoen aan het wezenlijke recht van Weber uit hoofde van artikel 2 van het Executieverdrag om de vordering tegen Ogden in te stellen voor het gerecht van het land waar deze is gevestigd, dus Schotland.
17. Behalve het Executieverdrag wordt in deze zaak verwezen naar het Verdrag inzake het continentaal plateau, het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht en het Verdrag inzake het recht van de zee.
18. Ik meen dat de eigenlijke tekst van het Verdrag inzake het recht van de zee, dat de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie meermaals aanhalen, hier niet in aanmerking kan worden genomen omdat dat verdrag in werking trad toen het hoofdgeding reeds aanhangig was, en Nederland het eerst twee jaar daarna heeft geratificeerd. Omdat de bepalingen ervan niet veel verschillen van die van het Verdrag inzake het continentaal plateau, kunnen de in dat verband aangevoerde argumenten wellicht op dit laatste verdrag worden overgedragen.
19. Die argumenten zijn ontleend aan de soevereiniteit over het continentaal plat dat krachtens het volkenrecht aan de kuststaat toekomt.
20. Enerzijds bepaalt het Verdrag inzake het continentaal plateau dat de kuststaat over het continentaal plateau soevereine rechten uit[oefent] ter exploratie en exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van het plateau" (artikel 2, lid 1) en dat de rechten van de kuststaat op het continentaal plateau niet afhankelijk zijn van [...] enige uitdrukkelijke proclamatie" (artikel 2, lid 3) en dat het de kuststaat is toegestaan op het continentaal plateau installaties en andere inrichtingen voor de exploratie van het plateau en de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van het plateau op te richten en te onderhouden of te laten werken" (artikel 5, lid 2), waarbij dergelijke installaties en inrichtingen onder de rechtsmacht van de kuststaat vallen" (artikel 5, lid 4).
21. In de Truman Proclamation van 28 september 1945 was reeds verklaard dat het continentaal plateau te beschouwen is als een verlenging van de landmassa van de kuststaat en daartoe dus van nature behoort". En in 1969 oordeelde het Internationale Hof van Justitie in zijn arrest North Sea Continental Shelf, evengenoemd document aanmerkend als het beginpunt van het positieve recht in deze materie", dat het continentaal plat waarover de kuststaat rechten kan uitoefenen een natuurlijke verlenging vormt van zijn grondgebied in en onder de zee" en dat die rechten bestaan ipso facto en ab initio, krachtens zijn soevereiniteit over het grondgebied, en bij wijze van uitbreiding ervan".
22. Anderzijds beperken die rechten zich duidelijk tot exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen en doen zij geen afbreuk aan de rechtstoestand van de bovengelegen wateren als volle zee of van het luchtruim boven die wateren" (artikel 3 van het Verdrag inzake het continentaal plateau). Bovendien hebben installaties en inrichtingen op het continentaal plat niet de status van eilanden, geen eigen territoriale wateren en zijn zij niet van invloed op de begrenzing van de territoriale zee van de kuststaat (artikel 5, lid 4). Hieruit concludeert Ogden dat de soevereiniteit is beperkt en het continentaal plat of de installaties en inrichtingen daarop geen deel uitmaken van het grondgebied" van de kuststaat. Omdat een verdrag in beginsel elke partij ten opzichte van haar gehele grondgebied" bindt (artikel 29 van het Verdrag van Wenen), en uit het Executieverdrag geen andere bedoeling blijkt, moet het continentaal plat van het toepassingsgebied van dat verdrag worden uitgesloten.
23. Ofschoon deze overwegingen met betrekking tot het grondgebied niet zonder belang zijn, is het volgens mij een vergissing te denken dat hier de vraag van het territoriale toepassingsgebied" van het Executieverdrag aan de orde is.
24. Het toepassingsgebied van het Executieverdrag wordt in artikel 1 alleen afgebakend naar de soort zaken waarop het wordt toegepast. Wat bevoegdheid betreft, is het ingevolge artikel 2 van toepassing wanneer iemand die woonplaats heeft in een verdragsluitende staat, voor het gerecht van een verdragsluitende staat wordt opgeroepen, zoals hier het geval is. In zoverre heeft het Executieverdrag geen specifiek territoriaal toepassingsgebied", de aanwezigheid van artikel 60 in de versies van vóór 1989 ten spijt. Die bepaling betrof enkel de vraag van toepassing op een aantal met de verdragsluitende staten op enigerlei wijze verbonden gebiedsdelen. Voor de bevoegdheid ging het daarbij om de vraag of de gerechten van die gebiedsdelen te beschouwen waren als gerechten van de verdragsluitende staat en personen die aldaar woonplaats hebben, moesten worden geacht in een verdragsluitende staat woonplaats te hebben. Artikel 60 had niets van doen met de aanwijzing van de gerechten van een bepaalde plaats of van de territoriale bevoegdheid van welk gerecht ook.
25. Die aanwijzing moet volgens mij in eerste instantie een aangelegenheid van nationaal recht blijven, mits daarbij geen regel van volkenrecht wordt overtreden.
26. Het is juist dat het Hof voor de in het Executieverdrag gebruikte termen zo veel mogelijk een autonome uitlegging kiest in plaats van te verwijzen naar nationaal recht. Dat is echter niet altijd de meest geschikte optie en het Hof kiest deze weg ook niet altijd. Ten slotte bevat ook het Executieverdrag zelf verwijzingen naar nationaal recht - zoals in de artikelen 52 en 53, met betrekking tot de vaststelling van de woonplaats. Evenzeer is juist dat voor de toepassing van artikel 5, punt 1, de plaats van de uitvoering van een arbeidsovereenkomst moet worden bepaald aan de hand van eenvormige criteria, vastgesteld op basis van de opzet en de doelstellingen van het Executieverdrag. Hier gaat het echter niet om aanwijzing van de plaats van uitvoering van een overeenkomst (dat is het onderwerp van de tweede vraag van de Hoge Raad die ik hierna zal behandelen) maar om aanwijzing van de gerechten van een bepaalde plaats.
27. Zolang het gaat om het grondgebied van een verdragsluitende staat is er geen discussie mogelijk. Het is niet de bedoeling van het Executieverdrag om het territoriale rechtsgebied van ieder gerecht afzonderlijk af te bakenen. Het is geheel een zaak van nationaal recht om binnen een bepaalde staat, als gerecht van een bepaalde plaats aan te wijzen de gerechten van, bijvoorbeeld Engeland, of van Schotland of van Noord-Ierland, of van deze of gene Duitse deelstaat of Spaanse provincie, en om binnen die gebieden het territoriale rechtsgebied van elk plaatselijk gerecht af te bakenen. Voorts blijkt uit het rapport over het toetredingsverdrag van 1989 dat ondanks de schrapping van artikel 60 er nog steeds een bedoeling bestond om de verdragsluitende staten toe te staan het Executieverdrag uit te strekken tot andere gebiedsdelen waarvoor zij verantwoordelijk zijn, overeenkomstig de regels van het volkenrecht.
28. Voor het Nederlandse deel van het continentaal plat wijst de Nederlandse wet, de WAMN, de Kantonrechter te Alkmaar aan als rechter in eerste aanleg voor arbeidsgeschillen in verband met arbeid die op aldaar aanwezige mijnbouwinstallaties wordt verricht. Omdat het Verdrag inzake het continentaal plateau de kuststaat voor de winning van delfstoffen soevereine rechten over het continentaal plat toekent en aldaar aanwezige mijnbouwinstallaties en inrichtingen tot de rechtsmacht van die kuststaat rekent, schijnt dit volledig in overeenstemming te zijn met het volkenrecht.
29. Hieraan doet niet af dat de rechten van de kuststaat beperkt zijn of dat de oppervlaktewateren de juridische status hebben van volle zee. De bevoegdheid waar het hier om gaat ligt duidelijk binnen de sfeer van de rechten die het Verdrag inzake het continentaal plateau had toegekend voordat het Executieverdrag werd ondertekend. Toen het Executieverdrag in werking trad viel het continentaal plat, wat delfstofwinning en installaties betreft, onder Nederlandse rechtsmacht. Men kan zich moeilijk voorstellen hoe geschillen, waaronder arbeidsgeschillen, die uit die mijnbouwactiviteiten voortvloeien, van die rechtsmacht zouden kunnen zijn uitgesloten, zelfs wanneer geen specifiek gerecht was aangewezen om daarvan kennis te nemen.
30. De zaak zou daarentegen anders kunnen liggen in het geval van bijvoorbeeld een schip onder de vlag van een andere staat dat de volle zee boven het continentaal plat bevaart. Ingevolge het Verdrag inzake de volle zee moet de vlaggenstaat doeltreffend zijn rechtsmacht en toezicht uitoefenen in administratieve, technische en sociale aangelegenheden over schepen die zijn vlag voeren" (artikel 5, lid 1) en zijn die schepen op volle zee aan zijn exclusieve rechtsmacht onderworpen" (artikel 6, lid 1). En zeker zou de analyse anders uitvallen indien het nationale recht een bepaald gerecht zou aanwijzen voor een plaats op volle zee waarover noch de betrokken staat noch een andere staat enige rechten aan het volkenrecht ontlenen. Wel kunnen andere internationale verdragen specifieke rechtsmacht aan de gerechten van de kuststaat toekennen.
31. Het gerecht van het Nederlands deel van het continentaal plat behoeft dus niet in alle omstandigheden de kantonrechter te Alkmaar te zijn of zelfs enige andere Nederlandse rechter - en niets wijst er bovendien op, dat het Nederlands recht dit wel zo beschouwt. Niettemin is de toewijzing aan dat gerecht van bevoegdheid voor arbeidsovereenkomsten in verband met arbeid op mijnbouwinstallaties in dat gebied volledig verenigbaar met het volkenrecht.
32. Naar mijn mening is er dus geen reden om aan te nemen dat voor de toepassing van het Executieverdrag de kantonrechter te Alkmaar niet het gerecht is van de plaats waar een arbeidsovereenkomst is of moet worden uitgevoerd, indien die plaats een mijnbouwinstallatie is in het Nederlands deel van het continentaal plat van de Noordzee en de Nederlandse wet dat gerecht de bevoegdheid toewijst om geschillen in zulke zaken te beslechten.
De plaats waar een werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht
33. Weber was tussen 1987 en 1993 in dienst van Ogden werkzaam aan boord van verschillende schepen en installaties, waarvan sommige binnen en andere buiten het Nederlands continentaal plat. Uit het dossier blijkt niet duidelijk om welke perioden het precies gaat, een vraag die thans nog in de hoofdprocedure in geschil schijnt te zijn. Naar hetgeen de rechtbank te Alkmaar omtrent de periode van 1 februari tot 21 december 1993 feitelijk heeft vastgesteld, is Weber in die periode ten minste afwisselend in dit gebied werkzaam geweest. Van 21 september tot 30 september 1993 werkte hij aan boord van een drijvende bok in Deense territoriale wateren.
34. De Hoge Raad vraagt, of hij voor de vraag waar Weber zijn arbeid gewoonlijk verrichtte in de zin van artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag, de gehele periode van zijn dienstverband in aanmerking moet nemen of alleen de laatste periode daarvan.
35. De vraag, op welke plaats een arbeidsovereenkomst wordt uitgevoerd indien de werknemer in verschillende rechtsgebieden arbeid verricht, heeft het Hof reeds in een drietal eerdere zaken moeten behandelen: Six Constructions, Mulox IBC en Rutten. Ofschoon in de zaken Six Constructions en Mulox IBC een vroegere versie van het Executieverdrag gold, waarin een specifieke bepaling inzake arbeidsovereenkomsten ontbrak, blijkt uit het arrest Rutten duidelijk, dat die arresten en de eerdere rechtspraak waarop zij waren gebaseerd, actueel zijn gebleven voor de uitlegging van de versie van na 1989.
36. De arbeid waarom het in de zaak Six Constructions ging, bracht uitzending naar verschillende landen met zich, waarvan geen partij was bij het Executieverdrag. De werknemer keerde regelmatig terug naar België, het land waar hij in dienst was genomen, maar alleen om verslag uit te brengen op het kantoor van zijn werkgever aldaar. Het Hof oordeelde dat nu de plaats van uitvoering van de overeenkomst niet in een van de verdragsluitende staten was gelegen, artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag geen toepassing kon vinden en de bevoegdheid van de rechter in dat geval overeenkomstig artikel 2 wordt bepaald door de woonplaats van de verweerder.
37. In de zaken Mulox IBC en Rutten daarentegen had de werknemer een kantoor in een van de verdragsluitende staten, van waaruit hij zakenreizen - die een aanzienlijk deel van zijn tijd in beslag namen - naar andere landen ondernam, waarvan sommige verdragsluitende staten. Het Hof definieerde de plaats waar de overeenkomst moest worden uitgevoerd in de zaak Mulox IBC als de plaats waar of van waaruit de werknemer hoofdzakelijk zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult" en in de zaak Rutten als de plaats waar de werknemer het werkelijke centrum van zijn beroepswerkzaamheden heeft gevestigd".
38. Op het eerste gezicht zou de formulering van de vraag van de Hoge Raad verwondering kunnen wekken. Het lijkt immers vanzelfsprekend dat voor de vraag waar een activiteit gewoonlijk wordt verricht, de duur van die activiteit in aanmerking wordt genomen.
39. Afgezien echter van de vraag van de inwerkingtreding van de WAMN, waar de derde vraag over handelt en waarop ik hierna zal ingaan, kan deze formulering gedeeltelijk zijn ingegeven door de volgende uitspraak in het arrest Mulox IBC: Verder zou de nationale rechter in aanmerking kunnen nemen dat op het moment waarop het hem voorgelegde geschil ontstond, de werknemer zijn werkzaamheden uitsluitend op het grondgebied van deze verdragsluitende staat verrichtte. Bij gebreke van andere bepalende factoren, moet deze plaats voor de toepassing van artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag worden beschouwd als de plaats van uitvoering van de verbintenis die ten grondslag ligt aan een op een arbeidsovereenkomst gebaseerde eis."
40. In ieder geval is de vraag naar de gewone plaats van arbeid, in welke bewoordingen ook gesteld, in de onderhavige omstandigheden niet gemakkelijk te beantwoorden, en om zo bruikbaar mogelijke voorlichting te geven, is het raadzaam deze kwestie tamelijk uitgebreid te behandelen.
41. De details van de door Weber verrichte arbeid zijn nog niet definitief vastgesteld, maar het lijkt erop dat zijn positie als werknemer in één opzicht meer overeenkomst vertoonde met die in de zaak Six Constructions dan die in Mulox IBC of Rutten. In het bijzonder schijnt hij geen werkstandplaats te hebben gehad van waaruit hij opereerde, maar zijn arbeid te hebben verricht op de verschillende schepen of installaties waarop hij van tijd tot tijd werd geplaatst, waarbij hij vrij was de rest van zijn tijd ongetwijfeld naar eigen believen te besteden. Het is dus niet gemakkelijk om deze zaak op te lossen aan de hand van hetgeen in die twee laatstgenoemde zaken werd beslist. Anderzijds heeft het Hof in de zaak Six Constructions de vraag beantwoord op grond van de bevinding dat de overeenkomst geheel buiten het grondgebied van de verdragsluitende staten werd uitgevoerd, zodat er in die staat geen gerecht van de plaats van uitvoering" aan te wijzen viel. In het onderhavig geval kunnen ten minste twee mogelijke rechters, de Nederlandse en de Deense, worden aangewezen. Er zijn evenwel enkele beginselen die het Hof in alle drie zaken heeft geformuleerd en die bruikbaar kunnen zijn als aanwijzing voor de hier te kiezen benadering.
42. Vooropgesteld moet worden, dat de plaats van uitvoering van een arbeidsovereenkomst moet worden vastgesteld aan de hand van eenvormige criteria die het Hof dient vast te stellen op basis van de opzet en de doelstellingen van het Executieverdrag, ofschoon de in het licht van die criteria te onderzoeken feiten uiteraard een zaak zijn voor de nationale rechter alleen. Bij de vaststelling van die eenvormige criteria heeft het Hof een aantal overwegingen betrokken die in het arrest Rutten het meest uitvoerig zijn uiteengezet.
43. Ten eerste is de bevoegdheidsregel van artikel 5, punt 1, Executieverdrag gerechtvaardigd door het bestaan van een bijzonder nauwe band tussen het geschil en de rechter die daar het beste kennis van kan nemen; in het geval van arbeidsovereenkomsten is het gerecht van de plaats waar de arbeid wordt verricht het meest geschikt.
44. Ten tweede moet rekening worden gehouden met het streven naar een passende bescherming van de werknemer als de sociaal zwakste contractpartij. Die bescherming kan het best worden verzekerd wanneer de gerechten van de plaats waar de werknemer zijn verplichtingen vervult, en waar de werknemer zich met (waarschijnlijk) de minste moeite tot de rechter kan wenden of zich kan verdedigen, bevoegd zijn ten aanzien van arbeidsgeschillen.
45. Ten derde is van belang, dat wanneer de arbeid in meer dan één verdragsluitende staat wordt verricht, het ontstaan van een veelvoud van bevoegde rechters wordt vermeden; artikel 5, punt 1, mag daarom geen concurrente bevoegdheid verlenen aan de gerechten van elke betrokken verdragsluitende staat.
46. Bijgevolg, zo concludeerde het Hof in het arrest Rutten, moet de plaats worden bepaald waarmee het geschil de meest bijzondere band heeft, waarbij naar behoren rekening moet worden gehouden met het streven naar een passende bescherming van de werknemer als de zwakste contractpartij.
47. Ik wil daar echter aan toevoegen (en hier wijk ik enigszins af van de door de Nederlandse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk naar voren gebrachte standpunten), dat dit laatstbedoelde streven niet zo ver kan gaan, dat de werknemer vrij is zijn forum te kiezen, of dat de bepaling van het forum af zou komen te hangen van wat die werknemer het best uitkomt. Integendeel, de noodzaak van eenvormige criteria, die de rechtszekerheid moeten waarborgen, en van voorkoming van een veelvoud van bevoegde rechters betekent, dat dit streven meer algemeen moet blijven en niet mag worden vastgeknoopt aan de omstandigheden van de individuele werknemer. Zo zal ook de noodzakelijke band tussen het geschil en de rechter die daarvan kennis neemt, niet altijd betekenen dat het gerecht van het land wiens recht op de overeenkomst van toepassing is, bevoegdheid heeft, hoe wenselijk dat resultaat ongetwijfeld ook is.
48. Het zal voor de nationale rechter uiteraard erg moeilijk zijn in dit geval tot een beslissing te komen, zonder nader vast te stellen waar Weber gedurende zijn dienstverband zijn arbeid in feite heeft verricht, en in het bijzonder welke tijdvakken hij heeft vervuld in de verschillende territoriale wateren of gebieden van het continentaal plat (of zelfs in gebieden waar geen enkele staat bevoegdheid kan uitoefenen, in welk geval de vlag van het schip of de schepen waarop hij werkte bepalend zou kunnen zijn).
49. Uit die feiten kan blijken, dat in de periode van 1987 tot 1993 over haar geheel genomen, de arbeid grotendeels in een gebied (of in omstandigheden) werd verricht waarover (of waardoor) een verdragsluitende staat bevoegdheid heeft. Indien dit zo is, dan is er een sterk vermoeden dat dat de staat is waar de arbeid gedurende die periode gewoonlijk werd verricht, zelfs al zou de werknemer daar geen individuele gewone standplaats hebben gehad.
50. Dat vermoeden zou kunnen worden weerlegd indien de situatie meer zou lijken op die in de zaken Mulox IBC en Rutten - dat wil zeggen als Weber een standplaats had gehad waar hij zijn werk deed, en van waaruit hij dienstreizen ondernam om daar steeds weer terug te keren. Een dergelijk daadwerkelijk centrum van zijn arbeidsactiviteiten" zou eventueel zelfs de doorslag kunnen geven indien de werknemer zijn meeste tijd in een andere verdragsluitende staat heeft doorgebracht, maar alle omstandigheden moeten in aanmerking worden genomen, niet alleen de vervulde tijd maar ook de aard en het belang van het werk dat op ieder van die plaatsen werd verricht. In de onderhavige zaak schijnt echter geen enkele factor te kunnen opwegen tegen het feit, dat de arbeidstijd grotendeels binnen het rechtsgebied van de gerechten van een enkele verdragsluitende staat is vervuld.
51. Mocht de nationale rechter echter tot de bevinding komen dat over het geheel genomen de in de verschillende rechtsgebieden vervulde arbeidsperioden alle ongeveer even lang en belangrijk waren, dan moet de alternatieve regel in artikel 5, punt 1, inzake arbeidsovereenkomsten toepassing vinden. Men herinnert zich dat de plaats van uitvoering van een individuele arbeidsovereenkomst de plaats is waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht; wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, kan de werkgever tevens worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen". Deze alternatieven sluiten elkaar logischerwijs uit, zo komt mij voor; het Executieverdrag houdt er rekening mee dat de plaats van gewone arbeid in sommige omstandigheden niet vast te stellen is en dat de procedure in zulke gevallen aanhangig moet worden gemaakt overeenkomstig artikel 2 of, voorzover althans de werknemer eisende partij is, in de gerechten van de plaats van de betrokken bedrijfsactiviteiten. Die laatste mogelijkheid staat echter niet open wanneer een plaats van gewone arbeid kan worden vastgesteld.
52. Een en ander mag niet worden gezien als enkel een rekensom. De situatie zou moeilijker worden indien zou blijken dat Weber minder dan de helft van de duur van zijn dienstverband in een en hetzelfde rechtsgebied heeft gewerkt, en de rest, het grootste deel, volledig in tijd en ruimte verspreid. Dan zou in één gebied een aanzienlijk deel van zijn werk te lokaliseren zijn, dat al zijn elders verrichte werk verre overtreft maar uiteindelijk minder dan de helft van de duur van het dienstverband uitmaakt.
53. In zulk een (vooralsnog zuiver hypothetisch) geval zou de nationale rechter alle omliggende omstandigheden nauwlettender moeten bekijken. Als bijvoorbeeld het hierboven bedoelde deel van het dienstverband de voornaamste werkzaamheden van de werknemer betrof en geheel op dezelfde plaats werd doorgebracht, terwijl alle elders verrichte werkzaamheden van bijkomstige of voorbijgaande aard waren, dan zou er grond kunnen zijn om die plaats aan te merken als de plaats waar de arbeid gewoonlijk werd verricht. Maar zouden de taken van de werknemer daarentegen alle even voorbijgaand en kortstondig van aard zijn en het alleen aan toeval toe te schrijven zijn dat in het bevoegdheidsgebied van de ene dan wel de andere verdragsluitende staat een aanzienlijk groter deel werd vervuld, dan denk ik niet dat die conclusie zo gemakkelijk te trekken is.
54. Uitgaande van deze algemene overwegingen kom ik dan op de vraag, welk belang moet worden gehecht aan de laatste periode van de arbeidsverhouding, waarop de tweede vraag van de Hoge Raad specifiek is gericht.
55. Zoals ik hierboven reeds aangaf, ben ik in het algemeen van mening dat het woord gewoonlijk" zelf reeds aangeeft dat de gehele periode van een dienstverband in aanmerking moet worden genomen. Zou men alleen rekening houden met de laatste paar maanden van een arbeidsverhouding die meer dan vijf jaar heeft geduurd, dan ontkent men de inherente betekenis van dat woord - en hetzelfde geldt wanneer het wordt uitgelegd, zoals ik voorstelde in mijn conclusies in de zaken Mulox IBC en Rutten, in de zin van hoofdzakelijk".
56. Hiermee wil ik niet ontkennen, dat het meest recente gedeelte van de arbeidsverhouding belangrijker kan zijn dan de daarvoor gelegen perioden, zoals Ogden in haar opmerkingen aanvoerde. Een werknemer kan bijvoorbeeld, na lange tijd in een verdragsluitende staat te hebben gewerkt, worden overgeplaatst naar een vestiging van dezelfde werkgever in een andere verdragsluitende staat. Wanneer die overplaatsing van specifiek tijdelijke aard is, omdat het de bedoeling is dat hij naar zijn eerdere standplaats terugkeert, hoeft dit niet rechtstreeks van invloed te zijn voor de plaats waar hij gewoonlijk zijn arbeid verricht. Moet de overplaatsing echter worden gezien als een duurzame stap in de loopbaan, die een wijziging van woonplaats en andere definitieve stappen met zich brengt, dan zou die plaats kunnen overgaan naar de tweede verdragsluitende staat op het moment waarop de overplaatsing plaatsvond. Een vaste standplaats na een reeks afwisselende tijdelijke detacheringen zou dit gevolg ook kunnen hebben, en men kan zich nog andere situaties voorstellen. Zulke algemene factoren heeft het Hof in de zaak Mulox IBC in aanmerking genomen, hoewel moet worden benadrukt dat de verwijzing naar de verdragsluitende staat waar de arbeid uitsluitend werd verricht op het moment waarop de zaak aanhangig werd gemaakt, een aanvullend element was naast andere factoren zoals de plaats waar de werknemer zijn woonplaats en kantoor had gevestigd sinds de aanvang van het dienstverband.
57. In deze zaak kan alleen de nationale rechter bepalen of de omstandigheden waaronder Weber in de Deense territoriale wateren heeft gewerkt, een zodanig onderscheid opleveren met zijn eerdere werkzaamheden dat er ondanks de korte tijdsduur ervan vergeleken met de gehele duur van het dienstverband, sprake is van overgang naar een nieuwe plaats waar hij gewoonlijk zijn arbeid verrichtte in de zin van artikel 5, punt 1, Executieverdrag. Tenzij dat het geval is moet voor het bepalen van die plaats de gehele duur van het dienstverband in aanmerking worden genomen.
Inwerkingtreding van de WAMN
58. De Hoge Raad wijst erop dat de Nederlandse wet eerst sinds 1 februari 1993 een gerecht aanwijst dat territoriale bevoegdheid heeft om van zaken als de onderhavige kennis te nemen, terwijl de uitvoering van de overeenkomst hoofdzakelijk vóór die datum haar beslag kreeg. Hij wil weten of voor de bepaling van de plaats waar Weber zijn arbeid gewoonlijk verrichtte, onderscheid moet worden gemaakt tussen de tijdvakken vóór respectievelijk na de inwerkingtreding van de WAMN, waarbij de kantonrechter te Alkmaar als bevoegde rechter werd aangewezen. Kennelijk houdt de Hoge Raad bij deze vraag rekening met de mogelijkheid dat de eerdere tijdvakken buiten beschouwing zouden moeten blijven.
59. De regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie beschouwen de inwerkingtreding van de WAMN als irrelevant, omdat deze als zuiver nationaalrechtelijke aangelegenheid geen invloed kan hebben op de eenvormige uitlegging van het Executieverdrag. Ogden en de Nederlandse regering verdedigen het tegengestelde standpunt, omdat de kantonrechter vóór dat tijdstip niet voor dat gebied bevoegd was. Weber wijst erop dat de WAMN het resultaat is van een langdurig proces en dat ook vóór de inwerkingtreding van deze wet Nederlandse wetgeving heeft bestaan met betrekking tot de bescherming van werknemers op het continentaal plat.
60. Ik ben het in beginsel eens met de regering van het Verenigd Koninkrijk en met de Commissie. De plaats waar een werknemer zijn arbeid gewoonlijk heeft verricht is een feitelijke kwestie (te beoordelen volgens eenvormige rechtsregels) en kan niet worden beïnvloed door een nationale wet waarbij het gerecht van die plaats wordt aangewezen. Die feitelijke kwestie is in zoverre van belang, dat aan de hand daarvan het gerecht wordt aangewezen dat bevoegd is van de zaak kennis te nemen op het moment waarop deze wordt aangebracht. Dat dat gerecht niet bevoegd zou zijn geweest, wanneer de zaak op een eerder tijdstip aanhangig was gemaakt, kan op zichzelf niet van invloed zijn voor zijn bevoegdheid op het moment waarop de zaak wordt aangebracht.
61. Weliswaar is in het Executieverdrag geen bepaling in die zin te vinden. Ingevolge artikel 54 evenwel is het Executieverdrag van toepassing op na zijn inwerkingtreding ingestelde rechtsvorderingen, hetgeen betekent dat het juiste forum volgens de bepalingen ervan kan worden vastgesteld, zelfs wanneer de feiten waarop de forumbepaling is gebaseerd, zich hebben voorgedaan voordat het verdrag toepasbaar werd. Hetzelfde beginsel moet mutatis mutandis gelden wanneer een gerecht binnen het werkingsgebied van het Executieverdrag een nieuwe territoriale of materiële bevoegdheid verkrijgt, en men kan zich dit ook nauwelijks anders voorstellen.
62. In het onderhavige geval lijkt het duidelijk dat bij het bepalen of de plaats waar de arbeid gewoonlijk werd verricht, binnen die territoriale bevoegdheid lag, er geen reden is om tijdvakken van arbeid van vóór de inwerkingtreding van de WAMN buiten beschouwing te laten. In ieder geval vielen mijnbouwactiviteiten en mijnbouwinstallaties op het Nederlands deel van het continentaal plat al sinds de inwerkingtreding van het Verdrag inzake het continentaal plateau onder Nederlandse rechtsmacht, zoals ik reeds vermeldde.
Conclusie
63. Ik geef het Hof in overweging de vragen van de Hoge Raad als volgt te beantwoorden:
1) De gerechten van de kuststaat moeten worden beschouwd als de gerechten van de plaats waar een arbeidsovereenkomst wordt of moet worden uitgevoerd in de zin van artikel 5, punt 1, Executieverdrag, wanneer de arbeid gewoonlijk werd verricht op of boven het continentaal plat van die staat in omstandigheden waaronder het volkenrecht rechtsmacht aan die staat toekent over de activiteiten waarvan de arbeid deel uitmaakt en/of over de installaties waarop die arbeid werd verricht. Het is aan het nationale recht om te bepalen aan welk gerecht in dat opzicht territoriale bevoegdheid (relatieve competentie) toekomt.
2) Voor het bepalen van de plaats waar een werknemer gewoonlijk zijn arbeid verrichtte, moet in beginsel de gehele duur van het dienstverband in aanmerking worden genomen. Er kan echter groter belang worden toegekend aan de meest recente periode, indien deze werd vervuld op een nieuwe, duurzame standplaats.
3) De bepaling van die plaats is een feitelijke beoordeling die de nationale rechter moet maken in overeenstemming met de door het Hof geformuleerde criteria. Dit kan niet worden beïnvloed door wijzigingen in de nationale bepalingen waarbij territoriale bevoegdheid (relatieve competentie) aan nationale gerechten wordt toegekend."
Full & Egal Universal Law Academy