Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. In deze beide zaken is de uitleg van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (hierna: richtlijn") in het geding.
Zaak C-183/00 betreft een prejudiciële vraag met betrekking tot artikel 13 van de richtlijn, zaak C-52/00 betreft een door de Commissie tegen de Franse Republiek op grond van artikel 226 EG ingestelde inbreukprocedure omdat de Franse wetgeving die de richtlijn implementeert niet zou voldoen aan hetgeen is bepaald in de artikelen 3, lid 3, 7 en 9 van de richtlijn. De Franse regering heeft de vermeende inbreuk betwist onder andere door zich te beroepen op de redactie van artikel 13 van de richtlijn. De kernvraag in beide zaken is of de richtlijn een volledige harmonisatie dan wel een minimum harmonisatie van de productaansprakelijkheid binnen de Gemeenschap beoogt.
Hieronder zal ik eerst het relevante juridische en feitelijke kader schetsen.
II - De gemeenschapsrechtelijke bepalingen
2. Op grond van artikel 1 van de richtlijn geldt dat de producent aansprakelijk is voor de schade, veroorzaakt door een gebrek in zijn product. Artikel 3, lid 3, preciseert dat indien niet kan worden vastgesteld wie de producent van het product is, elke leverancier als producent ervan wordt beschouwd, tenzij hij de gelaedeerde binnen een redelijke termijn de identiteit meedeelt van de producent of van degene die hem het product heeft geleverd. Dit geldt ook voor geïmporteerde producten, als daarop de identiteit van de in lid 2 bedoelde importeur niet is vermeld, zelfs al is de naam van de producent wel aangegeven.
3. Artikel 7 bepaalt dat de producent uit hoofde van deze richtlijn aansprakelijk is, tenzij hij bewijst
[...]
d) dat het gebrek een gevolg is van het feit dat het product in overeenstemming is met dwingende overheidsvoorschriften;
e) dat het op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer bracht, onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken;
f) [...]"
4. Artikel 9 definieert de term schade" in de zin van artikel 1 van de richtlijn als volgt:
[...]
b) beschadiging of vernietiging van een andere zaak dan het gebrekkige product, met toepassing van een franchise ten belope van 500 [euro], indien deze zaak
i) gewoonlijk is bestemd voor ge- of verbruik in de privésfeer
en
ii) door de gelaedeerde hoofdzakelijk is gebruikt voor ge- of verbruik in de privésfeer.
[...]"
5. Artikel 13 luidt:
Deze richtlijn laat de rechten die de gelaedeerde ontleent aan het recht inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid of aan een op het ogenblik van de kennisgeving van deze richtlijn bestaande speciale aansprakelijkheidsregelgeving onverlet."
6. Artikel 15 bepaalt in lid 1 dat elke lidstaat
[...]
b) in afwijking van artikel 7, sub e, in zijn wetgeving de bepaling [kan] handhaven of, met inachtneming van de in lid 2 beschreven procedure, [kan] bepalen dat de producent ook aansprakelijk is als hij bewijst dat het op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer bracht, onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken".
III - De nationale wetgeving en de feitelijke context
A - Zaak C-52/00
1. De nationale wetgeving
7. Op grond van de Franse wet tot omzetting van de richtlijn, wet nr. 98-389 van 19 mei 1998, zijn onder andere de volgende bepalingen inzake productaansprakelijkheid in de Franse Code civil (hierna: C.civ.") opgenomen:
- Artikel 1386-1 bepaalt dat de producent aansprakelijk is voor de schade, veroorzaakt door een gebrekkig product.
- Artikel 1386-2 bepaalt dat de bepalingen van deze titel gelden voor vergoeding van schade ten gevolge van persoonlijk letsel of schade aan een ander goed dan het gebrekkige goed zelf.
- Artikel 1386-7, eerste alinea, bepaalt dat de verkoper, de verhuurder, met uitzondering van de lessor of een verhuurder die met een lessor is gelijk te stellen, en elke beroepsmatig werkzame leverancier aansprakelijk is voor een veiligheidsgebrek van zijn product onder dezelfde voorwaarden als de producent.
- Artikel 1386-11, eerste alinea, bepaalt dat de producent volledig aansprakelijk is tenzij hij kan bewijzen:
[...]
4° dat op grond van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer bracht, het niet mogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken;
5° dat het gebrek een gevolg is van het feit dat het product in overeenstemming is met dwingende overheidsvoorschriften.
[...]"
- Artikel 1386-12, tweede alinea, luidt:
De producent kan de exoneratieclausules als voorzien sub 4° en 5° van artikel 1386-11 niet inroepen indien hij bij het zich voordoen van een gebrek dat zich binnen tien jaar nadat het product in het verkeer is gebracht heeft geopenbaard, geen geschikte maatregelen heeft genomen om de schadelijke gevolgen ervan te voorkomen."
2. De feitelijke context
8. Ingevolge artikel 19 van de richtlijn moesten de lidstaten vóór 30 juli 1988 de richtlijn in hun nationale wetgeving hebben omgezet. Aangezien de Franse Republiek niet tot implementatie was overgegaan binnen de gestelde termijn, heeft het Hof haar bij arrest van 13 januari 1993 wegens nalatigheid veroordeeld. Met bijna tien jaar vertraging is uiteindelijk bij wet van 19 mei 1998 de richtlijn in nationale wetgeving omgezet. Deze wet voerde in Frankrijk een regiem van onbeperkte risicoaansprakelijkheid zonder bovengrens in.
9. Nadat in maart 1998 een notawisseling tussen de diensten van de Commissie en de Franse permanente vertegenwoordiging had plaatsgevonden, heeft de Commissie besloten bij brief van 6 november 1998 waarin Frankrijk in gebreke werd gesteld, de inbreukprocedure van artikel 226 EG te openen. Bij nota van 12 januari 1999 heeft de Franse regering gereageerd. Het met redenen omkleed advies is betekend op 6 augustus 1999. De Franse regering heeft op 6 oktober 1999 geantwoord.
10. Met haar verzoekschrift vraagt de Commissie het Hof vast te stellen dat de Franse Republiek door:
- in artikel 1386-2 C.civ. te bepalen dat de bepalingen inzake productaansprakelijkheid ook gelden voor gevallen waarin de schade minder dan 500 euro bedraagt;
- in artikel 1386-7 C.civ. op te nemen dat een leverancier van een gebrekkig product op dezelfde voet aansprakelijk is als de producent;
- in artikel 1386-12 C.civ. te voorzien dat een producent moet aantonen dat hij elke nodige maatregelen heeft getroffen om de schadelijke gevolgen te voorkomen teneinde zich te kunnen beroepen op de exoneratieclausules als voorzien sub d en e van artikel 7 van de richtlijn,
de op haar rustende verplichtingen ingevolge de artikelen 9, 3, lid 3, en 7 van de richtlijn niet is nagekomen.
B - Zaak C-183/00
1. De nationale wetgeving
11. De richtlijn is in Spaans recht omgezet bij wet nr. 22/94 van 6 juli 1994. De eerste slotbepaling van deze wet luidt als volgt:
De artikelen 25 tot en met 28 van de Algemene wet inzake de bescherming van de consumenten en gebruikers nr. 26 van 19 juli 1984 zijn niet van toepassing op de aansprakelijkheid voor producten met gebreken die voorkomen in artikel 2 van deze wet."
Het artikel 2 van de aangehaalde Spaanse wet is gelijk aan artikel 2 van de richtlijn, dat omschrijft wat voor de toepassing van de richtlijn onder product" wordt verstaan.
2. De feitelijke context en de prejudiciële vraag
12. Mevrouw V. González Sánchez heeft een bloedtransfusie ondergaan in de gezondheidsinstelling Centro Médico de Asturias", waarbij zij besmet is geraakt met het hepatitis-C virus. Dientengevolge heeft zij een schadevergoedingsactie ingesteld tegen Medicina Asturiana SA, eigenaresse van voornoemd gezondheidsinstituut.
13. Zij heeft haar vordering zowel gebaseerd op de algemene aansprakelijkheidsbepalingen van het Spaanse burgerlijk wetboek, als op de artikelen 25, 26 en 28 van wet nr. 26/84. Medicina Asturiana SA heeft de aansprakelijkheid betwist, op grond van, onder meer, het argument dat de artikelen 25, 26 en 28 van wet nr. 26/84 niet meer van toepassing waren, conform het bepaalde in wet nr. 22/94.
14. De verwijzende rechter stelt in zijn verwijzingsbeschikking vast dat bloed en bloedproducten producten zijn, zowel in de zin van wet nr. 26/84 als in de zin van wet nr. 22/94 en dat dus in beginsel beide wetten van toepassing zijn, hetzij wegens het tijdstip waarop de bloedtransfusie plaatsvond (voor wat betreft wet nr. 26/84), hetzij wegens het in de handel brengen van het product (voor wat betreft wet nr. 22/94), maar dat ingevolge wet nr. 22/94 de artikelen 25 en volgende van wet nr. 26/84 buiten toepassing moeten worden gelaten.
15. Gezien de gevolgen van de toepassing van de ene of de andere wet voor de waardering van de bewijslast wegens de in deze wetten opgenomen verschillende aansprakelijkheidsregelingen en met het oog op de vaststelling van de aansprakelijke subjecten heeft de Spaanse rechter het nodig geacht, alvorens vonnis te wijzen, eerst een prejudiciële vraag te stellen.
16. De rechter heeft nader gepreciseerd dat wet nr. 26/84 uitgaat van een objectieve aansprakelijkheidsregeling, waarbij de eisende partij slechts de schade en het causaal verband hoeft te bewijzen, terwijl de verwerende partij enkel van aansprakelijkheid wordt bevrijd wanneer hij bewijst dat er sprake is van uitsluitende schuld van het slachtoffer, dan wel overmacht of toeval.
17. De richtlijn en dientengevolge wet nr. 22/94 verlangen niet alleen dat de gelaedeerde schade en het causaal verband moet bewijzen, maar ook het gebrek van het product (artikel 4 van de richtlijn, artikel 5 van wet nr. 22/94), terwijl ingevolge de richtlijn en genoemde wet aan de verwerende partij meer mogelijkheden worden geboden om onder zijn aansprakelijkheid uit te komen (artikel 7 van de richtlijn, respectievelijk artikel 6 van de wet).
18. Een ander verschil tussen beide wetten is dat krachtens wet nr. 26/84 de eisende partij zich kan richten tegen de fabrikant, de importeur, de leverancier of de verkoper, die hoofdelijk jegens de consument aansprakelijk zijn, terwijl ingevolge de richtlijn, respectievelijk wet nr. 22/94, mevrouw González Sánchez in casu Medicina Asturiana SA niet aansprakelijk kan stellen, omdat laatstgenoemde de hoedanigheid van leverancier heeft en de identiteit van de fabrikant" of de producent" van de bloedproducten is vastgesteld, namelijk het Centro Comunitario de Transfusión del Principado de Asturias, dat niet is gedagvaard.
19. De verwijzende rechter constateert dat wet nr. 26/84 een betere consumentenbescherming biedt dan wet nr. 22/94. Dit blijkt ook, ofschoon voor het onderhavige geding niet van belang, als wordt gelet op aspecten als het bestaan van een franchise bij schade door het product (artikel 9, sub b, van de richtlijn) of het verval van de aansprakelijkheid tien jaar nadat het product in het verkeer is gebracht (artikel 11 van de richtlijn).
20. Hij stelt voorts vast dat de uitvoering van de richtlijn bij wet nr. 22/94 een beperking van de rechten heeft meegebracht, die de consumenten in Spanje op het tijdstip van de kennisgeving van de richtlijn hadden. Derhalve doet zich de vraag voor of bij omzetting artikel 13 van de richtlijn is geschonden, mede in verband met de verwijzing in de considerans van de richtlijn en het bepaalde in artikel 3, lid 1, sub t, EG.
21. Dit heeft hem aanleiding gegeven tot het stellen van de volgende prejudiciële vraag aan het Hof:
Moet artikel 13 van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderhavige aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, aldus worden uitgelegd, dat het eraan in de weg staat dat de rechten die de consumenten overeenkomstig de wetgeving van lidstaten genoten als gevolg van de omzetting van de richtlijn worden beperkt?"
IV - Het rechtskarakter van richtlijn 85/374/EEG
A - Inleiding
22. In beide zaken staat de vraag centraal of de richtlijn voorziet in harmonisatie op een minimumniveau dan wel in volledige harmonisatie. In de eerste hypothese behoudt de nationale wetgever de bevoegdheid consumenten een verder reikende bescherming ter zake van productaansprakelijkheid te geven dan die waarin de richtlijn voorziet. Nationale wetgeving die aan de richtlijn voorafgaat - zoals in zaak C-183/00 - en die de consument meer bescherming biedt dan de richtlijn kan dan in stand blijven. Daarnaast mag de nationale wetgever hetzij bij de omzetting van de richtlijn - zoals in zaak C-52/00 is gebeurd - hetzij daarna alsnog een verder reikende regeling treffen. In de tweede hypothese is de nationale wetgever bij de omzetting van de richtlijn volledig gebonden aan de keuzes die de gemeenschapswetgever daarin heeft gemaakt. Meer beschermende anterieure en posterieure nationale wetgeving is dan uitsluitend toegestaan voorzover de richtlijn daarin uitdrukkelijk voorziet.
23. In de zaak C-183/00 hebben behalve verzoekster in het hoofdgeding, mevrouw González Sánchez, ook de Spaanse, de Griekse, de Franse en de Oostenrijkse regering, alsmede de Commissie opmerkingen ingediend. Deze opmerkingen richten zich uitsluitend op de hierboven omschreven vraag.
In de zaak C-52/00 gaat het dispuut tussen de Commissie en de Franse regering verder. Partijen nemen daarin, behalve over de hier omschreven vraag, ook stelling over de drie in het verzoekschrift van de Commissie specifiek omschreven grieven.
24. In dit deel van mijn conclusie zal ik eerst de belangrijkste argumenten die op de hoofdvraag in beide zaken betrekking hebben, weergeven en die beoordelen. In het volgend deel (V) zal ik de argumenten samenvatten die in de zaak C-52/00 naar aanleiding van de specifieke grieven van de Commissie zijn gewisseld, en die vervolgens beoordelen.
B - Argumenten
25. In de zaak C-183/00 pleiten de verzoekster in het hoofdgeding, alsmede de Franse, de Griekse en de Oostenrijkse regering ervoor om de richtlijn zo uit te leggen dat zij in een harmonisatie op minimumniveau zou voorzien. Dat zou in deze zaak een bevestigend antwoord op de door de Spaanse rechter voorgelegde prejudiciële vraag indiceren. De Spaanse regering en de Commissie daarentegen bepleiten dat de richtlijn een volledige harmonisatie inhoudt, die de nationale wetgever volledig bindt. Uit dit standpunt vloeit een negatief antwoord op de voorliggende prejudiciële vraag voor.
26. In de zaak C-52/00 neemt de Franse regering evenals in de zaak C-183/00 het standpunt in dat de richtlijn slechts een harmonisatie op minimumniveau inhoudt, die de nationale wetgever niet zou beletten de consument meer bescherming te geven dan de richtlijn doet. De Commissie neemt een daaraan tegengesteld standpunt in. In deze zaak vloeit uit het standpunt van de Franse regering voort dat de litigieuze wetgeving ter implementatie van de richtlijn zonder meer rechtmatig is. Aan de door de Commissie aangevoerde specifieke grieven tegen deze wetgeving zou dan de basis ontvallen. Uit het standpunt van de Commissie vloeit voort dat de Franse wetgeving nauwkeurig moet worden getoetst aan de richtlijn, waarbij per grief moet worden nagegaan of het desbetreffende onderdeel van die wetgeving wel blijft binnen de marges die de richtlijn biedt.
27. Verzoekster in het hoofdgeding, de Griekse regering, de Oostenrijkse regering, alsmede de Franse regering (in de zaken C-183/00 en C-52/00) stellen dat zowel de tekst van de dertiende overweging als artikel 13 van de richtlijn pleiten voor de opvatting dat deze slechts in een harmonisatie op minimumniveau van de objectieve of risicoaansprakelijkheid voor producten zou voorzien.
28. In overweging dertien van de considerans van de richtlijn zou de gemeenschapswetgever zelf uitdrukkelijk hebben gesteld dat de met de richtlijn beoogde harmonisatie niet volledig was, noch kon zijn.
Overwegende dat volgens de rechtsstelsels van de lidstaten de gelaedeerde een recht op schadevergoeding kan hebben uit hoofde van een contractuele of uit hoofde van een andere buitencontractuele aansprakelijkheid dan die waarin deze richtlijn voorziet; dat wanneer dergelijke bepalingen ook een doeltreffende bescherming van de consument tot doel hebben, ze door deze richtlijn onverlet moeten worden gelaten; dat, wanneer een doeltreffende bescherming van de consument in de sector farmaceutische producten in een lidstaat ook reeds wordt gewaarborgd door een speciale aansprakelijkheidsregeling, maatregelen uit hoofde van die regeling eveneens mogelijk moeten blijven."
29. Indien artikel 13 van de richtlijn in het licht van deze overweging wordt uitgelegd zou daaruit voortvloeien dat de richtlijn geen wijzigingen meebrengt ten aanzien van de bepalingen waarop een slachtoffer zich kan beroepen, mits a) de bepalingen een effectieve bescherming van de consument tot doel hebben en b) mits de bepalingen een contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid of een speciale aansprakelijkheidsregeling als basis hebben. In het geval het om een aansprakelijkheidsregeling voor specifieke producten gaat, en alleen in dat geval, geldt nog een derde voorwaarde, namelijk dat de regeling reeds moest bestaan voor de kennisgeving van de richtlijn.
30. Voor de zaak C-183/00 trekken de verzoekster in het hoofdgeding en de genoemde regeringen hieruit de conclusie dat artikel 13 van de richtlijn toelaat een bevestigend antwoord op de door de verwijzende rechter gestelde vraag te geven. Voor de zaak C-52/00 leidt de Franse regering hieruit af dat de nationale wetgever de bevoegdheid houdt om in zijn nationale wetgeving te voorzien in een hoger niveau van bescherming dan de richtlijn biedt.
31. De Franse, de Griekse en de Oostenrijkse regering wijzen ter adstructie van hun stelling voorts op artikel 129A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 153 EG) dat bij het Verdrag van Maastricht in het EG-Verdrag is ingevoegd. Daarin krijgt het belang van de consumentenbescherming een nader accent, dat vooral tot uitdrukking komt in de bevoegdheid van de lidstaten om maatregelen te nemen of te handhaven die een hogere graad van bescherming aan de consument geven dan de gemeenschapswetgeving. Ook in het licht van deze rechtsontwikkeling zou de daaraan voorafgaande regeling van de richtlijn als een voor de bescherming van de consument minimaal nodige moeten worden beschouwd. Daaruit zou in beide zaken een keuze voortvloeien ten faveure van de voor de consument gunstigste regeling.
32. In zaak C-52/00 voegt de Franse regering hieraan nog toe dat de met de richtlijn mede beoogde belangen van de eenheid en goede werking van de gemeenschappelijke markt niet dienen te prevaleren boven het steeds actueler wordende belang van de bescherming van de consument.
33. De Commissie, hierin gesteund door de Spaanse regering, benadrukt dat voor een juiste uitleg van artikel 13 van de richtlijn een onderscheid moet worden gemaakt tussen de gewone" contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid die een producent ingevolge het nationale recht van de lidstaten kan hebben en het risicoaansprakelijkheidsregime voor producenten wegens het in het verkeer brengen van gebrekkige producten. Ingevolge artikel 13 mogen de lidstaten wel de voorwaarden voor de aansprakelijkheid van een product uit hoofde van contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid wijzigen, strenger of soepeler maken. Zij mogen echter niet tornen aan het regime dat de richtlijn voorziet voor de risicoaansprakelijkheid van de producent voor gebrekkige producten, behalve indien en voorzover de richtlijn dat zelf toelaat. De gemeenschapswetgever heeft destijds een onmiskenbare keuze voor volledige harmonisatie gemaakt, die slechts in een beperkt aantal gevallen keuzemogelijkheden opent voor de nationale wetgever. Deze staan in de artikelen 15, lid 1, en 16 van de richtlijn uitputtend opgesomd. De richtlijn laat echter niet toe dat lidstaten zelfstandig strengere normen voor de productaansprakelijkheid stellen. Dan zou de met de richtlijn tevens beoogde eenheid en goede werking van de gemeenschappelijke markt in gevaar komen. De eenmaal gemaakte keuze voor volledige harmonisatie houdt in dat verdere vooruitgang in de consumentenbescherming op dit terrein geharmoniseerd moet plaatsvinden.
34. Voorts wijst de Commissie erop dat de uitdrukking speciale aansprakelijkheidsregeling", zoals gebruikt in de tweede zinsnede van artikel 13 betrekking heeft op een speciaal risicoaansprakelijkheidsregime voor een bepaalde sector, zoals dat voor de sector farmaceutische producten in Duitsland bestond ten tijde van de kennisgeving van de richtlijn. Spaanse wet nr. 26/84 behelsde echter geen speciaal regime voor een specifieke productensector. Derhalve moest deze wet bij omzetting van de richtlijn in de Spaanse wetgeving worden aangepast. De Spaanse regering ondersteunt de Commissie in deze lezing, die ook zou worden bevestigd door de dertiende overweging in de considerans van de richtlijn.
C - Beoordeling
35. Richtlijn 85/374/EEG heeft een langdurige wetgevingsgeschiedenis gekend. Daarin moest een voor alle lidstaten aanvaardbaar evenwicht worden gevonden tussen de belangen van de consument en die van de producent. Omdat er aanvankelijk tussen de lidstaten onderling grote verschillen van inzicht bestonden over de vraag waar bij de regeling van de risicoaansprakelijkheid voor gebrekkige producten dit evenwicht precies moest worden gelegd, hebben de onderhandelingen daarover veel tijd in beslag genomen. Deze moeizame wordingsgeschiedenis heeft onmiskenbaar haar sporen in de considerans en in de tekst van de richtlijn zelf achtergelaten.
36. Ook nadien is de omzetting van de richtlijn in het nationale recht niet geruisloos verlopen. Zoals in punt 8 al aangegeven is Frankrijk eerder in gebreke gesteld en veroordeeld omdat het de richtlijn niet tijdig had uitgevoerd. Voor Spanje heeft een procedure wegens niet-nakoming gedreigd. Tussen de Commissie en het Verenigd Koninkrijk is het tot een procedure voor het Hof gekomen. Daarin heeft het Hof vastgesteld dat de door het Verenigd Koninkrijk aan de richtlijn gegeven uitvoering de nationale rechter voldoende ruimte liet om de desbetreffende nationale wetgeving in overeenstemming met de richtlijn te interpreteren. Naast de twee onderhavige procedures is thans nog een procedure wegens niet-nakoming tegen Griekenland bij het Hof aanhangig. Zeer onlangs is arrest gewezen in een prejudiciële procedure over de uitleg van de artikelen 7, sub a en c, en 9, sub a en b, van de richtlijn.
37. De Franse regering in zaak C-52/00 en de Griekse regering in zaak C-183/00 hebben gesuggereerd dat er een zekere spanning bestaat tussen de doelstellingen van artikel 100 EG-Verdrag (thans artikel 94 EG) - de instelling en de werking van de gemeenschappelijke markt - en de bescherming van de consument als één van de doelstellingen van de richtlijn.
38. Zoals in de considerans van de richtlijn staat uiteengezet, beoogt zij door het geven van een regeling voor de risicoaansprakelijkheid voor gebrekkige producten de belemmeringen weg te nemen die voor de eenheid van de gemeenschappelijke markt voortvloeien uit het naast elkaar bestaan van inhoudelijk verschillende nationale wettelijke regelingen. Door een uniforme regeling zouden bovendien de concurrentiedistorsies ten gevolge van dispariteiten tussen de nationale wetgevingen ter zake kunnen worden opgelost. Deze beide belangen indiceerden de keuze voor een verregaande uniformiteit van de binnen de gemeenschappelijke markt toepasselijke wetgeving.
39. Ik wil benadrukken dat de keuze voor eenheid in wetgeving volstrekt verenigbaar is met de keuze voor een bepaald - hoger of lager - beschermingsniveau voor de consument. De keuze voor artikel 94 EG heeft in geen enkel opzicht de keuze van de gemeenschapswetgever bij het vinden van een evenwicht tussen de consumenten- en producentenbelangen geprejudicieerd. Indien de lidstaten bij de totstandkoming van de richtlijn destijds voor een hoger beschermingsniveau hadden willen kiezen, was dat mogelijk geweest. Als zij dat naderhand hadden willen doen, had artikel 94 EG daarvoor alle ruimte geboden.
40. Het feit dat artikel 94 EG de rechtsbasis voor de onderhavige richtlijn vormt, heeft echter wel consequenties voor de beleidsvrijheid die de nationale wetgever na haar totstandkoming heeft behouden. Die beleidsvrijheid bestaat op het door de richtlijn beheerste gebied slechts voorzover deze daarin uitdrukkelijk voorziet. Anders dan artikel 100 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 95 EG) voorziet artikel 94 EG niet in een, overigens zwaar geclausuleerde, bevoegdheid voor de lidstaten van een communautaire harmonisatiemaatregelen afwijkende nationale bepalingen te handhaven dan wel in te voeren.
41. De Franse, de Griekse en de Oostenrijkse regering hebben betoogd dat de opvattingen over de risicoaansprakelijkheid van producenten voor gebrekkige producten sinds de totstandkoming van de richtlijn sterk zijn veranderd. Deze evolutie zou ook tot uitdrukking komen in artikel 153 EG dat na de totstandkoming van de richtlijn aan het Verdrag is toegevoegd. De veranderde rechtsopvatting die in dat artikel tot uitdrukking komt, zou ervoor pleiten de richtlijn te interpreteren als strekkend tot harmonisatie op een minimumniveau die verdergaande nationale maatregelen tot bescherming van de consument onverlet zou laten.
42. Deze opvatting acht ik niet houdbaar. In de eerste plaats wordt daarin over het hoofd gezien dat de bevoegdheid van de lidstaten om zelf verdergaande beschermingsmaatregelen te treffen of te handhaven slechts betrekking heeft op de in artikel 153, lid 3, sub b, EG genoemde maatregelen. Het gaat daarbij om andere maatregelen dan die welke nodig zijn voor de totstandbrenging van de interne markt. Voor maatregelen die worden genomen ter totstandbrenging van de interne markt blijft, zo valt uit artikel 153, lid 3, sub a, EG af te leiden, het regime van artikel 95 EG gelden. Ofschoon artikel 153 EG daarover zwijgt, moet worden aangenomen dat mutatis mutandis voor ingevolge artikel 94 EG te nemen harmonisatiemaatregelen op het gebied van de consumentenbescherming het regime van dat artikel van kracht blijft.
43. In de tweede plaats wordt miskend dat artikel 153 EG is geformuleerd als een voor de Gemeenschap geldende instructienorm met het oog op in de toekomst te voeren beleid. Op grond van deze bepaling zou de gemeenschapswetgever initiatieven kunnen nemen om het thans in de richtlijn neergelegde evenwicht tussen producenten- en consumentenbelangen ten gunste van de consument te verleggen. Het artikel schept echter geen bevoegdheid voor de lidstaten om zelfstandig maatregelen te nemen die in strijd zijn met het tot dusver in richtlijnen neergelegde gemeenschapsrecht. Ware het anders dan zou het acquis communautaire ter verwezenlijking van de eenheid en goede werking van de gemeenschappelijke markt onmiddellijk in gevaar komen. De formulering en opbouw van artikel 153 EG maken duidelijk dat de verdragswetgever dit risico uitdrukkelijk niet heeft willen lopen.
44. Derhalve kom ik tot de slotsom dat de marges waarover de lidstaten beschikken bij de regeling van de risicoaansprakelijkheid voor gebrekkige producten volledig worden bepaald door de richtlijn. Zij moeten worden afgeleid uit de bewoordingen en het systeem van de richtlijn. Daaraan zal de in de onderhavige zaken relevante Franse en Spaanse wetgeving moeten worden getoetst.
45. De argumenten die ervoor pleiten dat de richtlijn een volledige harmonisatie van de risicoaansprakelijkheid voor gebrekkige producten behelst, zijn sterk.
46. Anders dan bijvoorbeeld richtlijn 93/13/EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, waarvan artikel 8 met zoveel woorden bepaalt dat ter verhoging van het beschermingsniveau van de consumenten de lidstaten op het onder die richtlijn vallende gebied strengere maatregelen kunnen treffen of handhaven, bevat de richtlijn geen expliciete clausule waaruit het minimumniveau van de beoogde harmonisatie blijkt.
47. Weliswaar staan de artikelen 15, lid 1, en 16 van de richtlijn het de lidstaten toe op enkele limitatief omschreven onderdelen van de hoofdregels van de richtlijn af te wijken, maar het enkele bestaan van deze afwijkingsmogelijkheden alsmede de nauwkeurigheid waarmee zij omschreven zijn, pleiten meer voor de stelling dat de richtlijn een volledige harmonisatie beoogt dan daartegen.
48. Indien de richtlijn impliciet tot harmonisatie op een minimumniveau strekte, zou het niet nodig zijn geweest enkele specifieke, nauwkeurig omschreven bevoegdheden tot afwijking van de algemene normen te omschrijven. Evenmin ware het nodig geweest om in artikel 15, leden 2 en 3, de uitoefening van de in artikel 15, lid 1, sub b, omschreven afwijkingsbevoegdheid aan bijzondere procedurele en evaluatievoorschriften te onderwerpen.
49. Tegen de veronderstelling dat de richtlijn een harmonisatie op minimumniveau zou beogen spreken verder de eerste en de laatste twee overwegingen van de considerans van de richtlijn. In de eerste overweging wordt vastgesteld dat de harmonisatie in het huidige stadium niet volledig kan zijn en dat haar toepassing derhalve gepaard moet gaan met een evaluerende verslaglegging van de Commissie aan de Raad. Hierop vervolgt de laatste overweging:
Overwegende dat het met het oog daarop buitengewoon belangrijk is de bepalingen van deze richtlijn betreffende de afwijkingsmogelijkheden van de lidstaten opnieuw te bezien, en wel na het verstrijken van een periode die lang genoeg is om praktische ervaring op te doen met de gevolgen van die afwijkingen voor de bescherming van de consument en voor de werking van de gemeenschappelijke markt."
50. Het in de eerste en laatste overweging geëxpliciteerde belang van de eenheid en werking van de gemeenschappelijke markt staat, voorzichtig uitgedrukt, op gespannen voet met de hypothese dat de richtlijn een minimumharmonisatie zou behelzen. Uit de bewoordingen van de twee laatste overwegingen kan worden afgeleid dat de gemeenschapswetgever de harmonisatie met name onvoltooid achtte, omdat zij nog in afwijkingsmogelijkheden voor de lidstaten voorzag.
51. De stelling van de Franse regering dat artikel 13, eerste zinsnede, in samenhang gelezen met de dertiende overweging van de considerans, haar opvatting bevestigt dat de richtlijn een minimumharmonisatie beoogt, acht ik reeds in het licht van het bovenstaande niet houdbaar.
52. De tekst van deze bepaling, die stipuleert dat de richtlijn de rechten die de gelaedeerde ontleent aan het recht inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid onverlet laat, strekt ertoe te verduidelijken dat de door de richtlijn beoogde harmonisatie van de risicoaansprakelijkheid voor gebrekkige producten niet afdoet aan de rechten die de gelaedeerde in voorkomende gevallen verder kan ontlenen aan door hem gemaakte contractuele bedingen of aan het algemene nationale schuldaansprakelijkheidsrecht. Op dat recht heeft de richtlijn niet betrekking en ten aanzien daarvan beperkt zij niet de bevoegdheden van de nationale wetgever. De tekst van artikel 13 staat echter niet toe daarin een verbleven bevoegdheid voor de nationale wetgever te lezen op het gebied van de risico-aansprakelijkheid voor gebrekkige producten. Deze wordt door de richtlijn, behoudens de afwijkingsmogelijkheden van de artikelen 15, lid 1, en 16 volledig geharmoniseerd.
53. De door de Franse regering verdedigde uitleg is overigens ook onverenigbaar met het systeem van de richtlijn. Indien in artikel 13, eerste zinsnede, een algemene verbleven bevoegdheid voor de nationale wetgever ter zake van de risicoaansprakelijkheid voor gebrekkige producten zou worden gelezen, verliezen de bijzondere afwijkingsmogelijkheden van de artikelen 15, lid 1, en 16 hun zin.
54. In de zaak C-183/00 moet voor het antwoord op de gestelde prejudiciële vraag nog worden nagegaan wat de strekking van de uitzondering in de tweede zinsnede van artikel 13 is. Zij ziet op nationale regelingen van de risicoaansprakelijkheid voor een specifieke productiesector met bijzondere categorieën producten, die bij kennisgeving van de richtlijn bestonden. De rechten die de gelaedeerde aan een dergelijke bijzondere aan de richtlijn anterieure nationale regeling kan ontlenen, blijven onverlet. Uit de dertiende overweging van de considerans en de ontstaansgeschiedenis van de richtlijn kan worden afgeleid dat het de facto ging om een bijzondere Duitse regeling van de risicoaansprakelijkheid voor farmaceutische producten. Het betreft hier een beperkte uitzondering op de algemene verplichtingen die uit de richtlijn voortvloeien.
55. De Spaanse wet 26/86 inzake de bescherming van consumenten en gebruikers is ratione materiae van toepassing op alle goederen en diensten die aan particulieren worden aangeboden. Voorzover deze wet een van de richtlijn afwijkende regeling voor de productaansprakelijkheid bevatte, moest zij bij omzetting van de richtlijn worden aangepast, ook indien dat tot gevolg had dat voortaan een voor de bescherming van de consument minder gunstige regeling zou gaan gelden. Noch artikel 13, eerste zinsnede, noch artikel 13, tweede zinsnede, boden de Spaanse wetgever de mogelijkheid om aan deze consequenties te ontkomen, zoals ook de Spaanse regering terecht heeft opgemerkt. Op het terrein van de risicoaansprakelijkheid voor producten met gebreken is het aan de communautaire wetgever voorbehouden om het evenwicht tussen de belangen van consumenten, leveranciers en producenten te bepalen.
56. Dit leidt mij tot de volgende conclusie
- Richtlijn 85/374/EEG strekt tot een volledige harmonisatie inzake de risicoaansprakelijkheid voor producten met gebreken.
- De nationale wetgever kan slechts van de richtlijn afwijken, indien en voorzover bepalingen van de richtlijn dat uitdrukkelijk toestaan, met inachtneming van de daaraan in de richtlijn verbonden voorwaarden en voorschriften.
- Artikel 13, eerste zinsnede, van de richtlijn staat de nationale wetgever niet toe van de richtlijn afwijkende regelingen te treffen op het terrein van de risicoaansprakelijkheid voor producten met gebreken.
- Artikel 13, tweede zinsnede, van de richtlijn laat rechten onverlet die de gelaedeerde ontleent aan bij kennisgeving van de richtlijn bestaande nationale regelingen voor de productaansprakelijkheid voor een specifieke productiesector met bijzondere categorieën producten.
- In het licht hiervan moet de door de verwijzende rechter gestelde vraag ontkennend worden beantwoord.
V - Specifieke grieven in zaak C-52/00
A - De eerste grief: de incorrecte omzetting van artikel 9 van de richtlijn door in artikel 1386-2 C.civ. te bepalen dat de bepalingen inzake de productaansprakelijkheid ook gelden voor gevallen waarin de materiële schade minder dan 500 euro bedraagt
1. Argumenten van partijen
57. De Franse regering ontkent niet dat artikel 1386-2 C.civ. afwijkt van artikel 9 van de richtlijn, doordat niet is voorzien in een franchise van 500 euro. Zij heeft die beperking van de productaansprakelijkheid niet willen overnemen, omdat naar haar opvatting een dergelijke bepaling strijdig zou zijn met artikel 6, lid 1, Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM"), de Franse openbare orde zou schenden en, ten slotte, het evenwicht tussen de belangen van de consumenten onderling en die van de producenten onderling zou verstoren.
58. Ter adstructie van het eerste argument voert zij aan dat de door de richtlijn voorziene franchise de gelaedeerde de facto de toegang tot de rechter zou ontzeggen, indien de door een gebrekkig product veroorzaakte schade aan goederen minder dan 500 euro bedraagt. Een dergelijke rechtsweigering is strijdig met artikel 6, lid 1, EVRM. In dit verband verwijst de Franse regering nog naar het arrest van het Hof van 28 maart 2000, waarin het heeft bepaald dat een verdragsluitende partij zich op de openbare-ordeclausule van artikel 27, punt 1, van het Executieverdrag mag beroepen wanneer een kennelijke schending van het recht tot verweer door de oorspronkelijke rechter is vastgesteld. Voor het tweede argument beroept zij zich op het nationale burgerlijke recht, dat geen franchise zou toelaten.
59. Ter onderbouwing van het derde argument zet de Franse regering uiteen dat de franchise een onevenwichtige behandeling van zowel de consumenten als de producenten zou meebrengen. Immers gebruikers van producten die door hun gebreken slechts lichte schade kunnen aanrichten, zouden worden benadeeld ten opzichte van gebruikers van producten waarvan eventuele gebreken ernstige materiële schade kunnen veroorzaken. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor producenten van producten die bij gebreken gewoonlijk lichte schade aanrichten en producenten van producten waarvan ernstige materiële is te duchten.
60. De Commissie merkt op dat de franchise van 500 euro bij materiële bij de risicoaansprakelijkheid geen rechtsweigering impliceert, omdat voor de gelaedeerde in ieder geval een vorderingsmogelijkheid blijft bestaan uit hoofde van de gewone" buitencontractuele schuldaansprakelijkheid. Zij wijst er voorts op dat de bij de richtlijn ingevoerde productaansprakelijkheidsregels de rechten van de consument hebben versterkt ten opzichte van de rechten die hij aan het voordien al bestaande nationale schuldaansprakelijkheidsrecht kon ontlenen. Zij acht de verwijzing naar het arrest Krombach, dat betrekking heeft op het openbare ordebegrip van het Executieverdrag en op een situatie waarin het recht op verweer in het geding was niet klemmend. Tenslotte merkt zij op dat de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een proportionaliteitsbeginsel inhoudt, dat toelaat zekere beperkingen aan de toegang tot de rechter te stellen indien daarvoor legitieme redenen bestaan. In casu ligt die reden in de wenselijkheid om een excessieve hoeveelheid rechtsgedingen te voorkomen. Zij verwijst daartoe naar de achtste overweging van de considerans bij de richtlijn.
61. Bij het tweede verweer van de Franse regering merkt de Commissie op dat het vaste rechtspraak van het Hof is dat een lidstaat zich niet met beroep op een nationaal rechtsbeginsel kan onttrekken aan de verplichtingen die uit een bepaling van een richtlijn voor hem voortvloeien. Overigens had Frankrijk bij de voorbereiding van deze met unanimiteit vastgestelde richtlijn zich vooraf van de verenigbaarheid ervan met de nationale rechtsorde kunnen vergewissen.
62. Ten slotte acht de Commissie de discussie, die de Franse regering wil entameren over het belangenevenwicht in de richtlijn hier niet op haar plaats. Deze discussie had bij de voorbereiding van de richtlijn kunnen worden gevoerd; zij kan opnieuw worden gevoerd bij de herziening van de richtlijn. Echter waar de omzetting van een richtlijn in het nationale recht aan de orde is, kan de keuze die de gemeenschapswetgever heeft gemaakt bij het zoeken van een evenwicht tussen de verschillende in het geding zijnde belangen niet ter discussie worden gesteld.
2. Beoordeling
63. Een toetsing van artikel 1386-2 C.civ. aan artikel 9 van de richtlijn leert dat deze bepaling niet voorziet in de franchise van 500 euro die de richtlijn voorschrijft voor materiële schade door producten met gebreken. De richtlijn biedt de lidstaten niet de mogelijkheid van deze franchise geheel of gedeeltelijk te schrappen. Omdat de richtlijn naar hierboven, onder punt 56, reeds is geconcludeerd, voorziet in een volledige harmonisatie, behoudens enkele specifieke in de richtlijn zelf omschreven afwijkingsmogelijkheden, leidt deze toetsing op zichzelf al tot de vaststelling dat de Franse regering dit onderdeel onjuist heeft omgezet.
64. De verweren die de Franse regering tegen deze grief heeft aangevoerd kunnen, zo komt het mij voor, deze onjuiste omzetting niet rechtvaardigen.
65. Het belangrijkste verweer is het eerste. Dit kan kort worden omschreven in de volgende vraag: impliceert de franchise van artikel 9 van de richtlijn een weigering van recht en, zo ja, houdt het daarom een inbreuk op artikel 6, lid 1, EVRM in?
66. Bij het vinden van een antwoord op het eerste deel van deze vraag, moet de context van de rechtsontwikkeling in de West-Europese rechtsordes gedurende de laatste vijftig jaar worden betrokken. Die rechtsontwikkeling wordt gekenmerkt door een bijna continue aandacht van de wetgever ter bescherming van belangen die in het maatschappelijk verkeer kwetsbaar zijn gebleken. Dit leidde aanvankelijk tot een bijzonder arbeidsovereenkomstrecht, dat werknemers een bijzondere privaatrechtelijke bescherming toekent. Naderhand heeft die in de meeste lidstaten ook geleid tot een bijzondere bescherming van de huurder en de pachter. De laatste decennia is ook de positie van de consument het object van bijzondere aandacht van de wetgever geworden.
67. Deze op specifieke hoedanigheden van de justitiabele - werknemer, huurder, consument, etc. - toegesneden wetgeving kenmerkt zich door nauwkeurige omschrijvingen van haar werkingssfeer ratione materiae, ratione personae en, soms, ratione loci. Personen en belangen die buiten de door deze wetgeving omschreven werkingssfeer vallen, kunnen geen beroep doen op de bijzondere bescherming die zij biedt. Daarvoor zal men dan terug moeten vallen op algemene regels van het privaatrecht als ius commune.
68. De scherpe onderscheidingen die wetgevers in deze bijzondere" wetgeving aanbrengen, zijn de resultante van een meestal gecompliceerd afwegingsproces tussen tal van meestal tegenstrijdige belangen, waaronder ook de afweging tussen het materiële rechtsbelang en de doelmatigheid van de rechtsbedeling. Zo'n afweging heeft de gemeenschapswetgever bij het geven van de onderhavige richtlijn moeten maken tussen bescherming van de consument in gevallen van geringe materiële schade en het risico van overbelasting van de rechter. De consequentie van deze keuze was dat de consumenten in gevallen van geringe materiële schade niet het bewijsrechtelijke voordeel van de risicoaansprakelijkheid van de producent voor producten met gebreken hebben. Zij zullen moeten terugvallen op de mogelijkheden die het gewone buitencontractuele schuldaansprakelijkheidsrecht hun biedt.
69. Een rechtsweigering, in de zin dat de justitiabele geen weg - meer - openstaat tot de gewone rechter doet zich in casu dan ook niet voor. Derhalve kan er ook geen sprake zijn van een inbreuk op artikel 6, lid 1, EVRM. De door de Commissie aangehaalde uitspraak van het ECHR in de zaak Stubbings bevestigt overigens dat het Hof te Straatsburg zich heel wel van de differentiatie in rechtswegen en rechtsposities bewust is waartoe de rechtsevolutie in de sociale rechtsstaat heeft geleid. Ik zie dan ook in het op artikel 6, lid 1, EVRM gebaseerde verweer van de Franse regering geen rechtvaardiging voor het in casu niet juist omzetten van artikel 9 van de richtlijn.
70. Het tweede verweer treft evenmin doel. De Franse regering beroept zich hierover op de interne openbare orde" in het Franse privaatrecht. Naar vaste rechtspraak van het Hof faalt een dergelijk beroep op de nationale rechtsorde als rechtvaardiging voor het niet juist nakomen van de verplichtingen die uit voorschriften van gemeenschapsrecht voortvloeien.
71. Het is overigens onduidelijk of de Franse regering zich bij dit verweer ook beroept op een strijdigheid met het openbare ordebegrip zoals dat in de artikelen 30 EG en 46 EG voorkomt. Indien de Franse regering deze bepalingen al op het oog had, bieden zij in casu geen nadere steun voor haar stelling. Het is in de eerste plaats niet duidelijk hoe de in de richtlijn voorkomende franchise de in deze bepalingen limitatief opgesomde rechtsbelangen zou hebben kunnen schaden. In de tweede plaats had het voor de hand gelegen dat, indien de Franse regering als risico's voor een van de onder die bepalingen begrepen belangen duchtte, zij dat bij de voorbereiding van de richtlijn ter sprake had gebracht.
72. Het derde verweer, de onevenwichtige afweging van de belangen van consumenten onderling en producenten onderling, behelst een keuze die de gemeenschapswetgever heeft gemaakt en die in een bepaling van de richtlijn heeft geresulteerd, waarvan de geldigheid overigens niet wordt bestreden. In een geding waarin de correcte naleving van deze bepaling door de nationale wetgever ter beoordeling staat, treft een dergelijk verweer geen doel. Evenmin overigens het argument dat de gemeenschapswetgever mogelijk in de toekomst een met de litigieuze nationale wetgeving identieke belangenafweging zal maken. Het respect voor de bevoegdheden die de gemeenschapswetgever ingevolge het EG-Verdrag heeft, eist dat het Hof zich van uitspraken onthoudt die op diens oordeelsvorming vooruitlopen of kunnen vooruitlopen.
B - De tweede grief: onjuiste omzetting van artikel 3, lid 3, van de richtlijn
1. Middelen en argumenten van partijen
73. In afwijking van artikel 3, lid 3, van de richtlijn, die slechts in een subsidiaire aansprakelijkheid van de leverancier voorziet wanneer de producent onbekend is, stelt artikel 1386-7 C.Civ. de leverancier aan de producent gelijk ter zake van de aansprakelijkheid.
74. De Commissie erkent dat in het Franse systeem de leverancier de mogelijkheid heeft de vrijwaring van de producent in te roepen. Zij is niettemin van mening dat het aanspreken van de leverancier die vervolgens de vrijwaring van de producent inroept, niet gelijk is aan de rechtstreekse vordering van de gelaedeerde tegen de producent. Artikel 3, lid 3, van de richtlijn beoogde juist een opeenstapeling van vorderingen te voorkomen.
75. De Franse regering merkt op dat artikel 1386-7 C.civ. tot het door de richtlijn beoogde resultaat leidt, omdat uiteindelijk de producent de schadeloosstelling moet opbrengen. Overigens behelst deze bepaling niet meer dan de bevestiging van een regel van nationaal aansprakelijkheidsrecht, die reeds bij kennisgeving van de richtlijn bestond, zulks in overeenstemming met artikel 13 van de richtlijn. In ieder geval zou het hier om een regel van nationaal burgerlijk procesrecht gaan waaromtrent op het moment van de aanvaarding van de richtlijn niet onder de gemeenschapswetgever geen bevoegdheden had.
2. Beoordeling
76. Een toetsing van artikel 1386-7 C.civ. aan artikel 3, lid 3, van de richtlijn leert dat deze bepaling ter zake van de aansprakelijkstelling van de leverancier ruimer is geredigeerd dan de richtlijn. De grief van de Commissie is derhalve gegrond.
77. Aan deze vaststelling doen de door de Franse regering aangevoerde verweren niet af. Indien het bestreden artikel slechts een al voordien in het Franse buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht geldende regel zou bevestigen, is de Franse wetgever in gebreke gebleven door na te laten de door de richtlijn voorziene regeling over te nemen voor de aansprakelijkstelling bij schade ten gevolge van gebrekkige producten.
78. Het verweer dat de gemeenschapswetgever in casu onbevoegd was tot het vaststellen van procedurele regels voor de aansprakelijkstelling is, naar de Commissie terecht opmerkt, niet ontvankelijk. In zijn arrest van 27 oktober 1992, Commissie/Duitsland, heeft het Hof het beroep op de onrechtmatigheid van een regel van gemeenschapsrecht, waarvan het de niet-nakoming moest beoordelen, als niet-ontvankelijk van de hand gewezen.
79. Ten overvloede merk ik nog op dat dit verweer ook ten gronde niet houdbaar is. Indien de Gemeenschap onweersproken bevoegd is tot harmonisatie van het productaansprakelijkheidsrecht, is zij dit ook voor de harmonisatie van de aansprakelijkheidsstelling. Immers daarbij is ook het evenwicht tussen de verschillende in aanmerking te nemen belangen in het geding.
C - De derde grief: onjuiste omzetting van artikel 7 van de richtlijn
1. Middelen en argumenten van partijen
80. In afwijking van artikel 7, sub d en e, van de richtlijn, die voorzien in gevallen waarin de producent van zijn aansprakelijkheid onvoorwaardelijk wordt bevrijd, onderwerpen de artikelen 1386-11 en 1386-12, tweede alinea, C.civ. de toepasselijkheid van deze bevrijding van aansprakelijkheid aan de verplichting om, indien een gebrek zich voordoet, het nodige te doen om de gevolgschade daarvan te voorkomen.
81. De Franse regering merkt op dat de Commissie in haar verzoekschrift twee argumenten aanvoert die niet in het met redenen omkleed advies voorkomen. Het ene argument betreft de mededeling dat de Commissie niet voornemens was een voorstel tot wijziging van artikel 7, sub e, van de richtlijn in te dienen; het andere heeft betrekking op de omzetting van een andere richtlijn, namelijk richtlijn 92/59/EEG van de Raad van 29 juni 1992 inzake algemene productveiligheid. Zij concludeert daaruit dat deze grief niet ontvankelijk is.
82. De Commissie antwoordt dat de rechtspraak van het Hof wel eist dat grieven vervat in het verzoekschrift identiek zijn aan die welke voorkomen in de schriftelijke ingebrekestelling en het met redenen omkleed advies, maar dat deze eis niet inhoudt dat er steeds sprake moet zijn van een volledige gelijkheid, zolang het voorwerp van het geschil niet wordt uitgebreid of gewijzigd. Zij verwijst daarvoor naar het arrest van 9 november 1999, Commissie/Italië.
83. Ten gronde merkt de Franse regering op dat de derde grief betrekking heeft op een punt dat de Commissie zelf zou beogen te wijzigen. Overigens laat de richtlijn aan de lidstaten een zekere beleidsvrijheid bij de vrijstelling van de aansprakelijkheid wegens ontwikkelingsrisico's. Daarom zou het zijn toegelaten dat deze vrijstelling wordt uitgesloten voor bepaalde producten. De Franse regering acht het onbegrijpelijk waarom dan de vrijstelling niet zou kunnen worden onderworpen aan de verplichting om de in de handel gebrachte producten te volgen, het logische complement op het voorzorgsbeginsel. Deze verplichting die mede een verplichting inhoudt om producten te kunnen opsporen, zich op de hoogte te houden van nieuwe wetenschappelijke inzichten en de personen die zijn blootgesteld aan nieuw ontdekte risico's daarover te informeren, wordt, zo besluit de Franse regering, geëxpliciteerd door richtlijn 92/59.
84. De Commissie brengt hier tegenin dat de vrijstellingen voorzien door artikel 7, sub d en e, van de richtlijn niet onverenigbaar zijn met richtlijn 92/59, die niet de aansprakelijkheid van producenten voor door hen in het verkeer gebrachte producten regelt, doch betrekking heeft op hun algemene verplichtingen ter verzekering van de veiligheid van producten. Overigens, zo merkt zij verder op, kan de indiening van een beroep wegens nalatigheid niet afhangen van de stand van zaken van de beraadslagingen over eventuele toekomstige wijzigingen in de richtlijn, zoals deze bij het aanhangig maken van het beroep luidde.
2. Beoordeling
85. Over de ontvankelijkheidsvraag kan ik kort zijn. Een vergelijking van het met redenen omkleed advies en verzoekschrift leert dat het object van de grief, namelijk datgene wat de Franse regering wordt verweten, exact hetzelfde is gebleven. Dat de argumenten, die de Commissie ter adstructie van haar grief aanvoert in beide stukken niet helemaal identiek zijn, belet niet dat de Franse regering precies wist wat haar verweten werd, namelijk een onjuiste omzetting van artikel 7, sub d en e, van de richtlijn. Daarmee blijft de Commissie ruim binnen de eisen die het Hof aan de congruentie van het met redenen omkleed advies en het verzoekschrift heeft gesteld. Daarom dient de onderhavige exceptie van niet-ontvankelijkheid, zo komt het mij voor, te worden verworpen.
86. Ten gronde stel ik vast dat, evenals bij de eerste en de tweede grief, de Franse regering de desbetreffende bepalingen van de richtlijn niet nauwkeurig heeft gevolgd, door aan de bevrijding van de producent van diens aansprakelijkheid in verband met ontwikkelingsrisico's een nadere, door de richtlijn niet voorziene voorwaarde te verbinden. Daarmee heeft Frankrijk de richtlijn niet naar behoren uitgevoerd.
87. De rechtvaardigingsgronden die de Franse regering aanvoert vermogen niet te overtuigen. Het is inderdaad vaste rechtspraak van het Hof dat de verplichtingen van een lidstaat ingevolge het gemeenschapsrecht dienen te worden beoordeeld naar de stand van dat recht bij het indienen van het verzoekschrift. Verwachtingen omtrent de evolutie van het in het geding zijnde recht kunnen niet dienen als rechtvaardiging voor de verweten tekortkomingen. Evenmin baat een beroep op andere gemeenschapsrechtelijke regelingen dan die waarvan de onjuiste omzetting wordt verweten. Indien tussen dergelijke regelingen al ongewenste discrepanties zouden bestaan, is het aan de gemeenschapswetgever om die op te heffen. Zo'n situatie schept echter geen discretionaire bevoegdheid voor de lidstaten om bij de omzetting van richtlijnen naar eigen inzicht te handelen.
88. Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld en de Commissie heeft geconcludeerd tot haar veroordeling in de proceskosten, is er reden de Franse Republiek in de proceskosten te veroordelen.
VI - Conclusie
89. Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging om:
In zaak C-183/00 de door de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción nr. 5 de Oviedo gestelde vraag als volgt te beantwoorden:
Artikel 13 van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, belet niet dat de rechten die de consumenten overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat genoten, als gevolg van de omzetting van de richtlijn worden beperkt.
In zaak C-52/00 te verklaren dat:
a) de Franse Republiek de op haar rustende verplichtingen ingevolge de artikelen 3, lid 3, 7 en 9, van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten voor producten met gebreken niet is nagekomen;
b) de Franse Republiek ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de proceskosten te veroordelen.
Full & Egal Universal Law Academy