CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 5 april 2001 ( 1 )
1.
Het Tribunale di Roma verzoekt het Hof krachtens artikel 234 EG om uitlegging van de artikelen 12 EG en 39, lid 2, EG, die elke vorm van discriminatie op grond van nationaliteit verbieden.
Wanneer een lidstaat met een derde land een overeenkomst inzake sociale zekerheid heeft gesloten, uit hoofde waarvan de onderdanen van zowel de ene als de andere staat voor de toekenning van het ouderdomspensioen recht hebben op samentel-ling van de in beide staten vervulde tijdvakken van bijdragebetaling, dan rijst de vraag of het die lidstaat op grond van voormelde gemeenschapsbepalingen is toegestaan dat hij een werknemer die onderdaan is van een andere lidstaat dat recht ontzegt. De reden die de betrokken staat voor de weigering van de samentelling aanvoert, is dat de werknemer geen eigen onderdaan is.
I — De feiten van het hoofdgeding
2.
E.Gottardo, Italiaanse van geboorte, verkreeg door haar huwelijk met een Franse onderdaan in februari 1953 de Franse nationaliteit. Zij heeft in Italië 100 wekelijkse socialezekerheidsbijdragen betaald, in Zwitserland 252 en in Frankrijk 429. Gottardo ontvangt in Zwitserland en in Frankrijk een ouderdomspensioen dat haar is toegekend zonder dat samentelling van tijdvakken daarvoor noodzakelijk was.
In september 1996 diende verzoekster bij het Istituto nazionale della previdenza sociale (hierna: „INPS”) een aanvraag in voor een ouderdomspensioen. Deze aanvraag werd in november 1997 afgewezen op grond dat zij Frans onderdaan was en dat de Italiaans-Zwitserse overeenkomst betreffende sociale zekerheid van 14 december 1962, bekrachtigd bij wet nr. 1781 van 31 oktober 1963 (hierna: „Italiaans-Zwitserse overeenkomst”), voor de samentelling van haar tijdvakken van bijdragebetaling niet van toepassing was. Verzoekster diende daarop tegen dat besluit een administratief bezwaar in, dat het INPS in juni 1998 om dezelfde redenen afwees.
3.
Zij wendde zich vervolgens tot de verwijzende rechter en stelde dat zij de nationaliteit van een lidstaat heeft, zodat Italië haar het recht op pensioen moet toekennen onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de eigen onderdanen, ook al betreft het de toepassing van een met een derde land gesloten overeenkomst. Het INPS concludeerde tot verwerping van het beroep, op grond dat de bepalingen van de Italiaans-Zwitserse overeenkomst niet op verzoekster kunnen worden toegepast, daar zij Frans onderdaan is.
4.
De nationale rechter stelt in zijn verwijzingsbeschikking dat de Italiaanse staat zijn eigen onderdanen die aantonen dat zij in Italië en Zwitserland verzekeringstijdvakken hebben vervuld, de mogelijkheid toekent om hun ouderdomspensioen te laten vaststellen door samentelling van die tijdvakken. Had Gottardo niet de Franse nationaliteit verkregen en daardoor de Italiaanse nationaliteit verloren, dan zou het INPS haar aanvraag zeker hebben ingewilligd, omdat zij in Italië, Frankrijk en Zwitserland bijdragen heeft betaald. De verwijzende rechter is van oordeel dat het verwerende Italiaanse socialezekerheids-orgaan de aanvraag van de werkneemster enkel op grond van de nationaliteit heeft afgewezen.
II — De prejudiciële vraag
5.
Het Tribunale di Roma meende dat het besluit van het INPS in strijd zou kunnen zijn met artikel 12 EG en artikel 39 EG, zodat het heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag voor te leggen:
„Heeft de werknemer die onderdaan is van een lidstaat, en die socialezekerheidsbijdra-gen heeft betaald aan de bevoegde instelling van een andere lidstaat, recht op vaststelling van een ouderdomspensioen door samentelling met de aan de instelling van een staat buiten de Unie betaalde bijdragen, krachtens een overeenkomst die de lidstaat met die staat heeft gesloten en die hij ten gunste van zijn eigen onderdanen toepast?”
III — Bepalingen van gemeenschapsrecht
6.
Artikel 12, eerste alinea, EG luidt:
„Binnen de werkingssfeer van dit Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.”
Artikel 39, lid 2, EG bepaalt:
„[Het vrij verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap] houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.”
7.
Artikel 7, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 ( 2 ) bepaalt:
„1.
Een werknemer die onderdaan is van een lidstaat mag op het grondgebied van andere lidstaten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.
2.
Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers.”
IV — De procedure voor het Hof
8.
In deze procedure hebben verzoekster in het hoofdgeding, het INPS, de Italiaanse regering, de Oostenrijkse regering en de Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend.
Ter terechtzitting van 6 maart 2001 zijn de vertegenwoordigers van Gottardo en het INPS, alsook de gemachtigden van de Italiaanse regering en de Commissie verschenen teneinde mondeling hun argumenten voor te dragen.
9.
Gottardo stelt dat de weigering van het INPS om haar een recht op een Italiaans ouderdomspensioen toe te kennen bij wege van samentelling van de door haar in Italië en Zwitserland vervulde verzekeringstijdvakken, in strijd met artikel 39 EG en de artikelen 12 EG en 17 EG een rechtstreekse discriminatie op grond van nationaliteit inhoudt. Het Italiaanse socialezekerheids-orgaan dat toepassing geeft aan de nationale wettelijke regeling, waarvan de bilaterale overeenkomst met Zwitserland deel uitmaakt, is op grond van het beginsel van gelijke behandeling gehouden de onderdanen van andere lidstaten op dezelfde wijze te behandelen als de Italiaanse onderdanen. Verder heeft de instelling van het burgerschap van de Unie bij het Verdrag het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit nog versterkt.
10.
Het INPS voert aan dat de Italiaans-Zwitserse overeenkomst niet voor Gottardo kan gelden, daar zij niet de nationaliteit van een van de overeenkomstsluitende staten heeft. Om diezelfde reden kan zij evenmin een beroep doen op de in 1980 ondertekende tweede aanvullende overeenkomst, die voorziet in de samentelling van de tijdvakken van bijdragebetaling die zijn vervuld in derde landen die zowel met Italië als met Zwitserland overeenkomsten inzake sociale zekerheid hebben gesloten.
11.
De Italiaanse regering stelt zich op het standpunt dat het beginsel van gelijke behandeling van de artikelen 12 EG en 39 EG uitsluitend relevant is in het kader van het gemeenschapsrecht. Indien zij de overeenkomst met Zwitserland eenzijdig op een Franse onderdaan zou toepassen, zou zij verordening (EEG) nr. 1408/71 ( 3 ) schenden, nu de lidstaten die de samentelling van tijdvakken wilden toepassen, in bijlage III daarbij de bepalingen hebben vastgelegd die reeds in bilaterale overeenkomsten van eerdere datum waren opgenomen. Bovendien zijn de lidstaten ook nog niet overeengekomen dat zij de bepalingen van verordening nr. 1408/71 uitbreiden tot de onderdanen van derde staten.
12.
De Oostenrijkse regering stelt dat het in artikel 12 EG vervatte non-discriminatie-beginsel bij artikel 3 van verordening nr. 1408/71 naar het gebied van de sociale zekerheid is overgebracht, zodat artikel 12 EG enkel kan worden ingeroepen indien de verordening van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding. De artikelen 39 EG en 42 EG en verordening nr. 1408/71 zien in beginsel op migrerende werknemers die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen en voorzien niet in de uitbreiding van deze bepalingen naar verzekeringstijdvakken die daarbuiten zijn vervuld. Men zou er alleen van kunnen uitgaan dat verordening nr. 1408/71 tot een gelijke behandeling van Italiaanse en Franse onderdanen verplicht, indien de Italiaans-Zwitserse overeenkomst inzake sociale zekerheid onder het begrip „wetgeving” of „wettelijke regeling” in de zin van deze verordening viel, aangezien artikel 3 uitsluitend in dat geval een non-discriminatieverplichting inhoudt.
13.
Volgens de Commissie heeft de nationale rechter niet om uitlegging van verordening nr. 1408/71 verzoent, zodat deze uitlegging niet ter zake dienend is voor de beslechting van het geschil. De verwijzende rechter wenst dat het Hof onderzoekt, of het feit dat alleen voor de Italiaanse burgers de in Zwitserland vervulde tijdvakken van bijdragebetaling kunnen worden meegeteld, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, niet bezien vanuit het begrip „socialezekerheidsuitkering”, maar vanuit het begrip „sociaal voordeel”. Hoewel de berekening van de tijdvakken van bijdragebetaling voor de toekenning van het recht op een ouderdomspensioen gekoppeld is aan een van de socialezekerheidsuitkerin-gen zoals bedoeld in artikel 4 van verordening nr. 1408/71, betwijfelt de nationale rechter terecht of het door de Italiaans-Zwitserse overeenkomst opgelegde nationaliteitsvereiste verenigbaar is met artikel 39, lid 2, EG. De erkenning van een tijdvak van bijdragebetaling met het oog op de toekenning van een ouderdomspensioen is een sociaal voordeel, dat liet Italiaanse recht de belanghebbenden moet toekennen, wil het voldoen aan het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit dat voormeld artikel 39, lid 2, EG de lidstaten oplegt.
Tot slot stelt zij dat Italië zich niet kan onttrekken aan de verplichting om ten aanzien van het recht op ouderdomspensioen een gelijke behandeling te waarborgen van de Italiaanse werknemers die in Zwitserland werkzaam zijn geweest en de werknemers van andere lidstaten die zich in dezelfde situatie bevinden.
V — Onderzoek van de prejudiciële vraag
14.
Zowel artikel 12 EG als artikel 39, lid 2, EG verbiedt de lidstaten elke discriminatie op grond van nationaliteit. Deze voorschriften verschillen van elkaar in die zin, dat de eerstgenoemde bepaling een verbod van algemene aard inhoudt dat de toepassingssfeer van het hele Verdrag bestrijkt, terwijl de laatstgenoemde bepaling binnen het kader van het hoofdstuk betreffende het vrije verkeer van werknemers valt.
15.
Overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof kan artikel 12 EG slechts autonoom toepassing vinden in gevallen waarin het gemeenschapsrecht geldt, maar waarvoor het Verdrag niet in een bijzonder discriminatieverbod voorziet. ( 4 ) Het beginsel van gelijke behandeling is op het gebied van het vrije verkeer van werknemers toegepast en nader uitgewerkt door artikel 39, lid 2, EG, dat de afschaffing voorschrijft van elke discriminatie wat de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden betreft.
Uit het dossier blijkt dat Gottardo de nationaliteit van een van de lidstaten bezit en dat zij kennelijk in Italië, Zwitserland en Frankrijk in loondienst werkzaam is geweest. Ik meen op grond daarvan dat zowel artikel 39 EG als verordening nr. 1612/68 op haar van toepassing is, gelijk dit in het arrest Scholz is erkend voor iedere gemeenschapsonderdaan die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer van werknemers en die een beroepswerkzaamheid in een andere lidstaat heeft uitgeoefend, ongeacht zijn woonplaats en nationaliteit. ( 5 )
Het ouderdomspensioen is een uitgesteld recht dat de werknemer in de loop van zijn werkzame leven verkrijgt. Wanneer de migrerende werknemer zich enkel binnen de lidstaten heeft verplaatst, geschiedt de berekening van zijn pensioenrechten aan de hand van verordening nr. 1408/71. Wanneer hij echter ook werkzaam is geweest in een derde land waarmee de lidstaat waar hij de pensioenaanvraag indient, een overeenkomst inzake sociale zekerheid heeft gesloten die voorziet in de samentelling van de in beide staten vervulde verzekeringstijdvakken, dan maakt het meetellen van de in dat derde land vervulde tijdvakken deel uit van de arbeidsvoorwaarden die de lidstaat de onderdanen van de andere lidstaten moet toekennen krachtens artikel 39, lid 2, EG zonder discriminatie op grond van nationaliteit.
In casu is een beroep op artikel 12 EG of artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 derhalve niet nodig voor het beantwoorden van de prejudiciële vraag die door het Tribunale di Roma is gesteld.
16.
Opgemerkt zij dat de verwijzende rechter, ondanks dat het hier het recht op ouderdomspensioen van een migrerende werknemer betreft, niet heeft verzocht om uitlegging van verordening nr. 1408/71, die, zoals bekend, de nationale socialezekerheidsstelsels van de lidstaten coördineert teneinde de in artikel 42 EG geformuleerde doelstellingen te bereiken. Hij maakt in de verwijzingsbeschikking zelfs in het geheel geen melding van deze verordening.
17.
De Italiaanse rechter heeft zorgvuldig een verwijzing naar verordening nr. 1408/71 vermeden. Enerzijds omdat hij er zeker van is dat de toepassing die het INPS geeft aan de socialezekerheids-overeenkomst met Zwitserland in casu een schending van artikel 39 EG oplevert. Anderzijds omdat hij zeer waarschijnlijk bekend is met de wijze waarop het Hof verordening nr. 1408/71 heeft uitgelegd in gevallen waarin een lidstaat die met een derde land een overeenkomst inzake sociale zekerheid heeft gesloten, weigert voor de erkenning van een recht op uitkeringen de tijdvakken in aanmerking te nemen die in dat derde land zijn vervuld door werknemers die onderdaan zijn van een andere lidstaat, en niet hetzelfde antwoord wil ontvangen.
A — Uitlegging van verordening nr. 1408/71 en weigering van de lidstaten om ten gunste van de onderdanen van andere lidstaten de tijdvakken van bijdragebetaling in aanmerking te nemen die zijn vervuld in een derde land waarmee deze een socialezekerheidsovereenkomst hebben gesloten
18.
Tot op heden zijn alle zaken die op dit gebied aan het Hof zijn voorgelegd, beslist door uitlegging van verordening nr. 1408/71, waarvan artikel 3 het beginsel van gelijke behandeling overbrengt naar het gebied van de sociale zekerheid van de migrerende werknemers. Overeenkomstig deze bepaling hebben personen die op het grondgebied van een lidstaat wonen en voor wie de bepalingen van de verordening gelden, de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de wetgeving van iedere lidstaat onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de eigen onderdanen.
19.
Het Hof heeft echter in alle gevallen waarin een prejudiciële vraag is gesteld in het kader van een geding waarin een migrerende werknemer zich in dezelfde of vergelijkbare omstandigheden bevond als Gottardo in Italië en een beroep deed op het in dat artikel vervatte beginsel van gelijke behandeling, een ontkennend antwoord gegeven.
De gevolgde redenering was dat een tussen een lidstaat en een derde staat gesloten bilaterale overeenkomst inzake sociale zekerheid, zelfs indien deze met rang van wet in de nationale rechtsorde was opgenomen, niet onder het begrip „wetgeving” of „wettelijke regeling” in de zin van artikel 1, sub j, van verordening nr. 1408/71 viel, zodat niet met een beroep op artikel 3 een gelijke behandeling kon worden verlangd. ( 6 ) In de meerderheid van de gevallen had de verwijzende rechter juist om uitlegging van die twee bepalingen van afgeleid recht verzocht. Ik bestrijd weliswaar niet dat de aldus geformuleerde vraag ontkennend kon worden beantwoord, maar ik moet toch blijk geven van mijn verbazing als ik constateer dat in sommige gevallen tevens was verzocht om uitlegging van bepalingen van primair recht als artikel 12 EG, dat, zoals gezegd, binnen de toepassingssfeer van het Verdrag discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt.
20.
De eerste van deze uitspraken dateert van 1972 ( 7 ) en gaf antwoord op een vraag van het Bundessozialgericht. De zaak had betrekking op verordening nr. 3 ( 8 ) (de voorgangster van verordening nr. 1408/71) en was vergelijkbaar met de zaak die voorwerp is van deze conclusie. ( 9 ) In tegenstelling tot Gottardo was de belanghebbende een Italiaanse onderdaan die het Duitse socialezekerheidsorgaan met een beroep op de Italiaans-Zwitserse overeenkomst inzake sociale zekerheid verzocht om inaanmer-kingneming van de in Zwitserland vervulde tijdvakken van bijdragebetaling.
Het Hof wees erop dat artikel 16 van verordening nr. 3 (dat de regels gaf voor de samentelling van tijdvakken voor ziekte- en moederschapsuitkeringen) zag op verzekeringstijdvakken die worden „vervuld krachtens de wettelijke regeling van elk van de lidstaten” en dat artikel 1, sub b, van de verordening, dat gelijkluidend is aan artikel 1, sub j, van verordening nr. 1408/71, onder „wetgeving” of „wettelijke regeling” enkel verstond „de bestaande en toekomstige wetten, reglementen en statutaire bepalingen van elke lidstaat met betrekking tot de [...] regelingen en takken van sociale zekerheid”. Het Hof leidde daaruit af dat de lidstaten voor de toekenning van het recht op uitkeringen niet gehouden zijn de verzekeringstijdvakken die in derde landen zijn vervuld, in aanmerking te nemen.
21.
De tweede uitspraak is van 1977 ( 10 ) en betrof een invaliditeitspensioen dat in België moest worden betaald aan de rechthebbenden van een Italiaanse werknemer die in Italië, België en Oostenrijk had gewerkt. In dit laatste land had hij een invaliditeitspensioen verworven dat berekend was overeenkomstig de bepalingen van een tussen Italië en Oostenrijk aangegane bilaterale overeenkomst inzake de sociale zekerheid. Volgens de Belgische wettelijke regeling dienden niet alleen de in de lidstaten, maar tevens de in derde staten vervulde tijdvakken in aanmerking genomen te worden, met als gevolg dat een korting op de verschuldigde uitkering werd toegepast. Het Hof bevestigde dat de bepalingen van verordening nr. 3 en van verordening nr. 4 ( 11 ) [de voorgangster van verordening (EEG) nr. 574/72 ( 12 )] inzake de samentelling van verzekeringstijdvakken enkel betrekking hebben op tijdvakken die krachtens de wettelijke regeling van de lidstaten zijn vervuld en dat tijdvakken vervuld in een derde staat, al dan niet door een overeenkomst inzake de sociale zekerheid aan een of meer lidstaten gebonden, niet vallen onder enigerlei bepaling van de communautaire verordeningen betreffende de tussen de lidstaten te betrachten coördinatie van socialezekerheidsstelsels.
22.
De derde uitspraak is in 1993 gedaan in de zaak Grana-Novoa ( 13 ) en geeft antwoord op een vraag van het Bundessozialgericht, dat moest beslissen op een beroep dat was ingesteld door een migrerende werkneemster aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering was geweigerd. Grana-Novoa, van Spaanse nationaliteit, was in haar land van herkomst niet verplicht verzekerd geweest, maar had wel een onder de verplichte verzekering vallende beroepswerkzaamheid verricht in Zwitserland en Duitsland. In dit laatste land werd zij blijvend arbeidsongeschikt en diende zij een aanvraag in voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering, die haar werd geweigerd op grond dat het aantal in Duitsland gewerkte jaren kleiner was dan de door het nationale recht vereiste wachttijd. Verzoekster ging daartegen in beroep bij de Duitse rechterlijke instanties. Vaststond dat verzoekster voor de uitkering in aanmerking kwam, indien de door haar in Zwitserland vervulde verzekeringstijdvakken werden meegeteld. Duitsland had een overeenkomst inzake sociale zekerheid gesloten met Spanje, waarin de gelijke behandeling van Duitse en Spaanse onderdanen was vastgelegd, alsook met Zwitserland, welke overeenkomst enkel voor Duitse en Zwitserse onderdanen gold, met daarin een vrijwaringsclausule die Grana-Novoa belette zich cumulatief te beroepen op de Duits-Zwitserse en de Spaans-Duitse overeenkomst.
De nationale rechter vroeg zich af of met ingang van 1 januari 1986, datum van toetreding van Spanje tot de Europese Gemeenschappen, het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit in de weg stond aan de toepassing van de vrijwaringsclausule, aangezien deze clausule een belemmering zou kunnen vormen voor het vrije verkeer van onderdanen van andere lidstaten in de lidstaat die partij bij die overeenkomst is.
De eerste vraag luidde, of ook als „wetgeving” in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 waren te beschouwen bepalingen van door een lidstaat met een derde land gesloten internationale overeenkomsten, die als wet deel zijn gaan uitmaken van de interne rechtsorde. In geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag wenste hij voorts te vernemen, of het beginsel van gelijke behandeling als bedoeld in artikel 12 EG en artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 zich ertegen verzette dat de Duitse socialezekerheids-instellingen waarbij een aanvraag voor een ouderdoms- of arbeidsongeschiktheidsuitkering was ingediend, de in Zwitserland vervulde verzekeringstijdvakken enkel ten gunste van de Duitse onderdanen in aanmerking namen en dit andere onderdanen van de Gemeenschap ontzegden.
Het Hof antwoordde ontkennend op de eerste vraag ( 14 ) en sprak zich bijgevolg niet uit over de tweede vraag.
23.
Grana-Novoa, die zich in nagenoeg dezelfde situatie bevond als Gottardo, moest dus vaststellen dat, ofschoon artikel 39, lid 2, EG elke discriminatie naar nationaliteit tussen werknemers van de lidstaten verbiedt ten aanzien van de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden, waarvan de sociale-zekerheidsrechten stellig deel uitmaken, zij die bepaling niet kon inroepen om in Duitsland dezelfde behandeling te verlangen als die welke gold voor de eigen onderdanen die tijdvakken van bijdragebetaling in Zwitserland hadden vervuld. ( 15 )
24.
Opgemerkt zij dat niet alle vijf lidstaten die in de zaak Grana-Novoa opmerkingen indienden, een ontkennend antwoord op de eerste van de twee voorgelegde vragen bepleitten. Italië en Portugal betoogden dat een lidstaat gehouden is te waarborgen dat de onderdanen van de Europese Unie die een werkzaamheid op haar grondgebied hebben verricht en gedurende die tijd verzekerd zijn geweest, op grond van de wettelijke regeling, met inbegrip van de met derde staten aangegane socialezeker-heidsovereenkomsten, op dezelfde wijze behandeld worden als de eigen onderdanen. ( 16 )
25.
Voorts zij nog opgemerkt dat Italië in de opmerkingen die het in de zaak Gottardo heeft ingediend, betoogt dat de door het Tribunale di Roma voorgelegde vraag ontkennend moet worden beantwoord, terwijl het in zijn opmerkingen in de zaak Grana-Novoa ( 17 ) nochtans stelde dat het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit de Duitse autoriteiten ertoe verplichtte, de in Zwitserland vervulde tijdvakken van bijdragebetaling ten gunste van de belanghebbende mee te tellen. ( 18 )
B — Recente jurisprudentie met betrekking tot het beginsel van nationale behandeling ten gunste van een in een lidstaat gevestigde kapitaalvennootschap met vaste inrichting in een andere lidstaat op het gebied van fiscale voordelen zoals voorzien in door de staat van vestiging met derde landen gesloten bilaterale verdragen inzake dubbele belasting
26.
De oorsprong van 's Hofs gewijzigde standpunt ten aanzien van het vrije verkeer van werknemers en de door lidstaten met derde landen gesloten bilaterale overeenkomsten die ik hierboven heb besproken, lijkt te liggen in het arrest Saint-Gobain ZN ( 19 ), dat merkwaardigerwijs zag op de vrijheid van vestiging en dienstverrichting in verband met aan kapitaalvennootschappen toegekende fiscale voordelen.
27.
Saint-Gobain ZN is een Duits filiaal van een vennootschap met zetel en commerciële leiding in Frankrijk en als zodanig in Duitsland voor de vennootschapsbelasting en vermogensbelasting beperkt belastingplichtig. De Duitse belastingautoriteiten ontzegden Saint-Gobain ZN drie fiscale voordelen die ertoe strekten te voorkomen, dat nogmaals belasting zou worden geheven over de dividenden die in Duitsland aan vennootschappen met deelnemingen in buitenlandse vennootschappen waren uitgekeerd en waarover in het buitenland reeds belasting was betaald. ( 20 )
In de loop van de procedure kwam vast te staan dat de Duitse wettelijke regeling de filialen van een buitenlandse vennootschap anders behandelde dan de filialen van binnenlandse vennootschappen, wat een beperking inhield van de vrije keuze van de vorm van de nevenvestiging.
28.
Ter rechtvaardiging van haar weigering beriep de Duitse regering zich op het feit dat het sluiten van bilaterale verdragen met een derde land buiten de bevoegdheidssfeer van de Gemeenschap valt. Haars inziens behoort de belastingheffing over inkomsten en winsten tot de bevoegdheid van de lidstaten, die derhalve vrij zijn om met derde landen bilaterale verdragen te sluiten ter vermijding van dubbele belasting.
Het Hof was van oordeel dat, ofschoon de directe belastingen tot de bevoegdheid van de lidstaten behoren, deze niettemin verplicht zijn die bevoegdheid uit te oefenen in overeenstemming met het gemeenschapsrecht. ( 21 ) In dit concrete geval, dat een door een lidstaat met een derde land gesloten verdrag ter vermijding van dubbele belasting betreft, verlangt het beginsel van de nationale behandeling dat de vaste inrichtingen van buitenlandse vennootschappen in de betrokken lidstaat dezelfde voordelen genieten als die welke in het verdrag zijn voorzien voor de binnenlandse vennootschappen.
Vervolgens zette het Hof deze overweging nog kracht bij door te stellen dat de verplichtingen die het gemeenschapsrecht Duitsland oplegt, de verplichtingen die voortvloeien uit zijn verbintenissen jegens de Verenigde Staten of Zwitserland geenszins in het gedrang brengen, en dat het evenwicht en de wederkerigheid van de met die twee landen gesloten verdragen niet in gevaar zouden worden gebracht door een eenzijdig besluit van Duitsland om de personele werkingssfeer van de in die verdragen voorziene fiscale voordelen uit te breiden, omdat die uitbreiding niets zou afdoen aan de rechten van de derde landen die partij zijn bij de verdragen, en hun geen nieuwe verplichtingen zou opleggen.
29.
Door dit arrest zijn de lidstaten verplicht aan buitenlandse kapitaalvennootschappen met een vaste inrichting op hun grondgebied, dezelfde fiscale voordelen toe te kennen als die welke zij onder dezelfde voorwaarden aan de nationale en de in het binnenland gevestigde vennootschappen verlenen. ( 22 )
Mijns inziens is met dit arrest tevens de hindernis weggenomen die een lidstaat die met een derde land een overeenkomst inzake sociale zekerheid was aangegaan waarvan de voordelen zich beperkten tot de onderdanen van beide landen, belemmerde deze voordelen uit te breiden naar migrerende werknemers die onderdaan van andere lidstaten waren, welke hindernis tot op heden onneembaar leek. ( 23 ) Het discriminatieverbod dat in artikel 39 EG ten gunste van werknemers is geformuleerd, kan immers niet minder inhouden dan het discriminatieverbod dat in artikel 43 EG is neergelegd met betrekking tot het recht van vestiging, of in artikel 50 EG voor de vrije dienstverlening.
Het lijkt derhalve evident dat een ommekeer moet plaatsvinden in de rechtspraak van het Hof in die zin dat artikel 39, lid 2, EG de strekking krijgt die het in dat artikel vervatte fundamentele non-discriminatie-beginsel verlangt. De oplossing die in het arrest Grana-Novoa van 2 augustus 1993 is bereikt, moet plaatsmaken voor de toepassing van het criterium dat dienaangaande is gegeven in het arrest Saint-Gobain ZN van 21 september 1999 en dat de lidstaten verplicht de buitenlandse kapitaalvennootschappen met een vaste inrichting op hun grondgebied dezelfde voordelen toe te kennen als die welke de nationale en de in het binnenland gevestigde vennootschappen genieten krachtens met derde landen gesloten verdragen.
C — Voorgestelde wijziging in de rechtspraak en invloed van de formulering van de prejudiciële vraag
30.
Ik wil wijzen op de paradox die het door mij voorgestelde antwoord aan de verwijzende rechter inhoudt, gelet op het antwoord dat het Hof nog geen acht jaar geleden aan het Bundessozialgericht gaf.
Het enige verschil dat ik tussen de zaak Grana-Novoa en de zaak Gottardo vaststel, is dat het Bundessozialgericht verzocht om uitlegging van verordening nr. 1408/71, terwijl het Tribunale di Roma niet stilstaat bij het afgeleid recht en rechtstreeks verzoekt om uitlegging van de verdragsbepalingen die discriminatie op grond van de nationaliteit onvoorwaardelijk verbieden.
31.
Ik vind het zorgelijk dat in omstandigheden die nagenoeg hetzelfde zijn en waarin identieke communautaire bepalingen gelden, uiteenlopende oplossingen worden bereikt. De enige reden hiervoor is te vinden in de afwijkende formulering van de prejudiciële vragen. Het zou echter niet voor het eerst zijn dat dit zich in de communautaire rechtspraak voordoet.
32.
Ter illustratie van deze verschillen verwijs ik naar twee zaken die door het Hof zijn beslist binnen een periode van nog geen twee jaar en waarin de vraag aan de orde was of een bepaald artikel van de Franse Code du travail (L 213-1), dat, een bepaald aantal uitzonderingen daargelaten, een verbod inhield om vrouwen nachtarbeid te laten verrichten in fabrieken en ateliers, in strijd kwam met artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG. ( 24 ) In de eerste zaak beperkte de prejudiciële vraag zich tot die kwestie; in de tweede zaak vermeldde de verwijzende rechter nog dat rekening moest worden gehouden met het door Frankrijk ondertekende Verdrag nr. 89 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) van 9 juli 1948, dat nachtarbeid van vrouwen verbood.
De feiten die tot beide gedingen hadden geleid, vertoonden grote gelijkenis: twee ondernemers werden strafrechtelijk vervolgd omdat zij in strijd met de Code du travail in hun fabrieken een aantal vrouwen in de nachtdienst hadden laten werken, op welke overtreding een boete stond.
33.
In de eerste van voormelde uitspraken, het arrest Stoeckel ( 25 ), ging het Hof ondanks het beroep van de Franse regering op de gelding van het IAO-Verdrag in zijn antwoord niet verder dan dat artikel 5 van de richtlijn voor de lidstaten de verplichting schept, het verbod op nachtarbeid door vrouwen niet als wettelijk beginsel vast te leggen, wanneer er geen verbod staat op nachtarbeid door mannen. ( 26 )
34.
In het arrest Levy ( 27 ) daarentegen was het de verwijzende rechter zelf die de aandacht van het Hof vestigde op de toepasselijkheid van het IAO-Verdrag voor Frankrijk. Nu het probleem aldus was gesteld, ging het erom of de verplichting van de nationale rechter om zorg te dragen voor de volle werking van de in het arrest Stoeckel neergelegde regel door elke daarmee strijdige nationale bepaling buiten toepassing te laten, ook gold wanneer de met de gemeenschapsnorm strijdige bepaling door de lidstaat is vastgesteld om uitvoering te geven aan een internationale overeenkomst als bedoeld in artikel 307 EG. Krachtens dit voorschrift tasten de bepalingen van het Verdrag noch de rechten van derde landen aan, noch de verplichtingen van de lidstaten die voortvloeien uit overeenkomsten die zij met derde landen hebben gesloten vóór de inwerkingtreding van het Verdrag.
Het Hof stelde in dit geval dat, ook al is de gelijke behandeling van mannen en vrouwen een in het gemeenschapsrecht erkend fundamenteel recht, de verwezenlijking ervan geleidelijk plaatsvindt op basis van richtlijnen, en dat deze richtlijnen tijdelijk bepaalde afwijkingen van het beginsel van gelijke behandeling toelaten. Daarom volstaat een beroep op het beginsel van gelijke behandeling niet om voorbij te kunnen gaan aan de verplichtingen die te dier zake krachtens een eerdere internationale overeenkomst op een lidstaat rusten en waarvan de nakoming door artikel 307, eerste alinea, EG wordt gewaarborgd.
Het Hof gaf vervolgens als concreet antwoord, dat de nationale rechter gehouden is de volledige eerbiediging van artikel 5 van richtlijn 76/207 te verzekeren door elke ermee strijdige bepaling van zijn nationale wetgeving buiten toepassing te laten, tenzij toepassing van een dergelijke bepaling noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de betrokken lidstaat voldoet aan verplichtingen die voortvloeien uit een vóór de inwerkingtreding van het Verdrag met derde landen gesloten overeenkomst. ( 28 )
35.
Het komt me bedenkelijk voor dat het Hof de Franse rechters die dat geheel van regels moesten toepassen, pas bij de tweede prejudiciële verwijzing de voor hen noodzakelijke volledige uitlegging met betrekking tot de gemeenschapswetgeving heeft gegeven, terwijl reeds in de loop van de prejudiciële procedure in de zaak Stoeckel was gebleken dat het IAO-Verdrag in Frankrijk gelding had. ( 29 )
36.
Ik ben me bewust van 's Hofs rechtspraak met betrekking tot de door artikel 234 EG bepaalde taakverdeling, volgens welke de nationale rechterlijke instantie die in het hoofdgeding uitspraak moet doen, op het concrete geval de communautaire regels moet toepassen. ( 30 ) Het Hof heeft voorts verklaard dat het, wanneer de prejudiciële vragen betrekking hebben op de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht, uitspraak doet zonder dat het in beginsel behoeft te onderzoeken wat de nationale rechterlijke instantie ertoe heeft gebracht de vragen te stellen en welke toepassing hij denkt te geven aan de communautaire bepaling die hij het Hof verzoekt uit te leggen. ( 31 )
De hermeneutische taak die het Hof in artikel 234 EG is toevertrouwd en die ertoe strekt een uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht in de lidstaten te waarborgen, kan zich evenwel niet beperken tot het mechanisch beantwoorden van de vragen, waarbij de bewoordingen waarin zij zijn gesteld strikt worden gevolgd. Het Hof zou als de ter zake van de uitlegging van het gemeenschapsrecht aangewezen instantie het probleem ruimer en flexibeler moeten analyseren, teneinde de verwijzende rechter en de overige rechterlijke instanties van de Europese Unie een antwoord te geven dat tegen de achtergrond van het geldende gemeenschapsrecht nuttig is. In het tegenovergestelde geval zou de in artikel 234 EG beoogde dialoog tussen rechterlijke instanties te veel kunnen afhangen van de verwijzende rechter, zodat hij al naargelang de formulering van de prejudiciële vraag het antwoord zou kunnen bepalen, zoals is geschied in de zaken die ik zojuist heb besproken.
D — Antwoord op de vraag van het Tribunale di Roma
37.
Ik heb in de bovenstaande overwegingen reeds laten doorschemeren, dat ik met de verwijzende rechter en de Commissie van mening ben dat met het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit van artikel 39 EG moet kunnen worden voorkomen dat het INPS voor de toekenning aan Gottardo van het recht op een ouderdomspensioen in Italië weigert de in Zwitserland vervulde tijdvakken van bijdragebetaling in aanmerking te nemen, op grond dat de belanghebbende niet voldoet aan het in de overeenkomst gestelde nationaliteitsvereiste.
38.
In deze procedure zijn geen argumenten aangevoerd waaruit blijkt dat het contractuele evenwicht tussen de twee overeenkomstsluitende staten zou worden verstoord wanneer Italië dit voordeel eenzijdig zou uitbreiden tot de onderdanen van de overige lidstaten, door hun dit voordeel toe te kennen onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de eigen onderdanen. Gelijk het Hof in het arrest Saint-Gobain ZN oordeelde, zou een dergelijke uitbreiding de rechten van het derde land geenszins aantasten en het geen nieuwe verplichtingen opleggen. Evenmin zou het evenwicht tussen de overeenkomstsluitende partijen of de wederkerigheid in gevaar komen. Tot slot zouden hierdoor ook niet de rechten van de Zwitserse Bondsstaat uit de overeenkomst in het gedrang komen, daar de aan de samentelling van de tijdvakken van bijdragebetaling inherente verplichtingen voor rekening van Italië komen en op geen enkele wijze de Zwitserse regeling van de ouderdomspensioenen raken.
39.
Een gemeenschapsonderdaan die niet de Italiaanse nationaliteit heeft, kan immers niet met een beroep op de voormelde overeenkomst verlangen dat Zwitserland de in Italië vervulde tijdvakken van bijdragebetaling in aanmerking neemt.
40.
Evenmin kan een gemeenschapsonderdaan jegens wie de in Zwitserland vervulde tijdvakken van aansluiting in Italië in aanmerking zijn genomen bij de toekenning van een recht op een uitkering, verlangen dat deze bijtelling in een willekeurige andere lidstaat gebeurt. Gelijk het Hof in het arrest Borowitz ( 32 ) bepaalde, is het niet zo dat dergelijke krachtens de wettelijke regeling van een derde staat vervulde tijdvakken als „krachtens de wettelijke regelingen van de lidstaten vervulde” tijdvakken in de zin van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 gaan tellen, enkel omdat zij door het Duitse orgaan op grond van een bilaterale overeenkomst in aanmerking worden genomen. De verordening bevat derhalve geen bepaling die de verzekeringsorganen van de andere lidstaten verplicht, bij hun berekeningen overeenkomstig artikel 46 dergelijke tijdvakken in aanmerking te nemen; dat de Duitse verzekeringsorganen die tijdvakken wel meetellen, brengt dus geen uitbreiding van hun verplichtingen mee.
41.
Italië merkt op dat in een met Gottardo vergelijkbaar geval, waarin het een Spaanse onderdaan betrof die in Italië, Spanje en Zwitserland had gewerkt, de autoriteiten van dit laatste land weigerden de Italiaanse autoriteiten de gegevens te verstrekken die zij nodig hadden voor de toekenning van een uitkering, op grond dat de belanghebbende niet voldeed aan het nationaliteitsvereiste.
Weliswaar strekken de verplichtingen tot samenwerking en tot toepassing van de nationale behandeling die respectievelijk door de artikelen 10 EG en 39, lid 2, EG zijn voorgeschreven, zich niet uit tot Zwitserland, maar kan Italië zich niet aan zijn verplichting onttrekken met een beroep op het gebrek aan medewerking door een derde staat die weigert de nodige gegevens te verschaffen, en de werknemer die onderdaan is van een andere lidstaat niet in minder gunstige omstandigheden laten verkeren dan de eigen onderdanen. Italië zal zich moeten bedienen van een ander bewijsmiddel dat het aantal tijdvakken van bijdragebetaling dat de werknemer in het derde land heeft vervuld, afdoende aannemelijk maakt. ( 33 )
42.
Ik ben derhalve van mening dat artikel 39, lid 2, EG zich ertegen verzet dat een lidstaat voor de erkenning van het recht op ouderdomspensioen van werknemers die onderdaan zijn van andere lidstaten, weigert rekening te houden met de tijdvakken van bijdragebetaling die zijn vervuld in een derde staat waarmee die lidstaat een overeenkomst inzake sociale zekerheid heeft gesloten, wanneer de eigen onderdanen die zich in dezelfde omstandigheden bevinden wel voor die samentelling in aanmerking komen.
VI — Conclusie
43.
Gelet op het bovenstaande, geef ik het Hof in overweging het Tribunale di Roma te antwoorden als volgt:
„Artikel 39, lid 2, EG verzet zich ertegen dat een lidstaat voor de erkenning van het recht op ouderdomspensioen van werknemers die onderdaan zijn van andere lidstaten, weigert rekening te houden met de tijdvakken van bijdragebetaling die zijn vervuld in een derde staat waarmee die lidstaat een overeenkomst inzake sociale zekerheid heeft gesloten, wanneer de eigen onderdanen die zich in dezelfde omstandigheden bevinden wel voor die samentelling in aanmerking komen.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Spaans.
( 2 ) Verordening van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, biz. 2).
( 3 ) Verordening van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6). De laatste geconsolideerde versie, waarin de talrijke wijzigingen van de verordening sinds de vaststelling ervan zijn opgenomen, is gepubliceerd in PB 1997, L 28, blz. 1.
( 4 ) Arresten van 23 februari 1994, Scholz (C-419/92, Jurispr. blz. I-505, punt 6); 17 mei 1994, Corsica Perries (C-18/93, Jurispr. blz. I-1783, punt 19), en 29 februari 1996, Starnivi en Chryssanthakopoulos (C-193/94, Jurispr. blz. I-929, punt 20).
( 5 ) Arrest Scholz, aangehaald in voetnoot 4, punt 9.
( 6 ) In zijn conclusie bij het arrest van 2 augustus 1993. Grana-Novoa (C-23/92, Jurispr. blz. I-4505, inzonderheief blz. I-4521, punt 6), geeft advocaatgeneraal Van Gervcn vier redenen waarom een bilaterale overeenkomst tussen een lidstaat en een derde land niet onder „wetgeving” of „wettelijke regeling” in de zin van de bepalingen van artikel 3, lid 1, in samenhang met die van artikel 1, sub j, van verordening nr. 1408/71 valt, namelijk de bewoordingen, het stelsel van de verordening, de rechtspraak van het Hof en de aard zelf van een dergelijke bilaterale overeenkomst.
( 7 ) Arrest van 16 november 1972, Ortskrankenkasse Hamburg (16/72, Jurispr. blz. 1141).
( 8 ) Verordening van de Raad inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers (PB 1958, 30, blz. 561).
( 9 ) Het beginsel van de nationale behandeling was in artikel 8 van verordening nr. 3 in dezelfde bewoordingen opgenomen als in artikel 3 van verordening nr. 1408/71.
( 10 ) Arrest van 10 maart 1977, Kaucic (75/76, Jurispr. blz. 495).
( 11 ) Verordening van de Raad van 3 december 1958 strekkende tot uitvoering en aanvulling van de bepalingen van verordening nr. 3 (PB 1958, 30, blz. 597).
( 12 ) Verordening van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71 (PB L 74, blz. 1), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 2001/83. De laatste geconsolideerde versie, waarin de talrijke wijzigingen van de verordening sinds de vaststelling ervan zijn opgenomen, is gepubliceerd in PB 1997, L 28, blz. 102.
( 13 ) Arrest aangehaald in voetnoot 6.
( 14 ) Garavagno, R.: Cahiers genevois el romands de sécurité sociale, 1993, nr. 11, blz. 82 cn 91, inzonderheid blz. 91, meent dat, alhoewel lottiseli en onbetwistbaar, deze oplossing afwijkt van eerdere beslissingen van het Hof, waarin het een ruime interpretatie van het hegrip „wetgeving” of „wettelijke regeling” voorstond. Hetzelfde standpunt is te vinden m Recue tie jurisprudence Sociale, 1994, biz.. 151 tot 152, waar nog wordt gesteld dat dankzij het arrest de talloze juridische cn praktische problemen konden worden voorkomen die de toepassing vait door een lidstaat met een of meer derde staten gesloten overeenkomsten op de onderdanen van de overige lidstaten zou hebben meegebracht, welke toepassing hoe dan ook slechts partieel zou zijn geweest daar zij niet tegen derde staten kon worden ingeroepen.
( 15 ) Het hoofdgeding eindigde met de intrekking van het beroep door verzoekster na het arrest van het I lof in ile prejudiciele zaak. Zie de brief van het Bundessozialgericht van 1 november 1993 in 's I lofs database „Nationale uitspraken”, referentie QP/02295-P1.
( 16 ) De andere drie, de Bondsrepubliek Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en het Koninkrijk der Nederlanden, meenden dat die uitlegging het evenwicht van de financiële lasten dat ten grondslag ligt aan elke tussen een lidstaat en een derde land gesloten bilaterale overeenkomst inzake sociale zekerheid, in gevaar zou brengen.
( 17 ) Letterlijk: „E' vero che l'Accordo [...] si applica cioè soltanto ai cittadini dei due Stati contraenti e non copre quindi i cittadini di altri Stati comunitari residenti in Germania. Ma tale esclusione è conforme al principio di non discriminazione che è uno dei fondamenti della Comunità [...]? Si può sostenere che il principio in questione impone agli organismi tedeschi di operare in favore dell'interessata la totalizzazione dei periodi compiuti dalla stessa in Svizzera se in condizioni analoghe la totalizzazione viene operata, sulla base del predetto accordo bilaterale, a favore di un cittadino tedesco che è stato occupato in Svizzera. [...] Il principio di non discriminazione imporrebbe quindi che all'atto stesso della conclusione di accordi bilaterali, tali interessi venissero tenuti presenti e che pertanto gli accordi coprissero non solo i cittadini dei due Stati contraenti, ma anche i cittadini degli altri Stati membri residenti nello Stato comunitario contraente”.
( 18 ) Ter terechtzitting door mij gewezen op een zo radicaal afwijkend standpunt en om een toelichting op die gewijzigde opstelling verzocht, antwoordde de gemachtigde van de Italiaanse regering dat dit niet te wijten was aan politieke redenen, maar was ingegeven door de in het arrest Grana-Novoa neergelegde rechtspraak van het Hof.
( 19 ) Arrest van 21 september 1999 (C-307/97, Jurispr. blz. I-6161).
( 20 ) Deze drie voordelen bestonden, in de eerste plaats, in de vrijstelling van vennootschapsbelasting voor dividenden die werden verkregen door deelnemingen in buitenlandse kapitaalvennootschappen, in casu Amerika en Zwitserland; die vrijstelling werd geweigerd op grond dat de door de Bondsrepubliek Duitsland met ieder van deze derde landen gesloten bilaterale belastingverdragen ter vermijding van dubbele belasting weliswaar in deze vrijstelling voorzagen, doch deze alleen verleenden aan Duitse vennootschappen en in Duitsland onbeperkt belastingplichtige vennootschappen. Het tweede voordeel bestond in de verrekening van de buitenlandse vennootschapsbelasting die was geheven over de winsten die waren uitgekeerd door de buitenlandse dochter- en kleindochtcrmaatschapnijen van Saint-Gobain SA in het land van vestiging. Het tierde voordcel bestond in de vrijstelling van vermogensbelasting voor dividenden die waren verkregen van vennootschap-Ecn waarin werd deelgenomen, door de deelneming in het apitaal van de Amerikaanse dochtermaatschappij op te nemen in het binnenlandse vermogen van de belasting-Elichtigc vaste inrichting. Dit voordeel was bij wet voor-chouden aan de nationale kapitaalvennootschappen.
( 21 ) Arresten van 14 februari 1995, Schumacker (C-279/93, Jurispr. blz. I-225, punt 21); 11 augustus 1995, Wielockx (C-80/94, Jurispr. blz. I-2493, punt 16); 27 juni 1996, Asschcr (C-107/94, Jurispr. blz. I-1089, punt 36); 15 mei 1997, Futura Participations en Singer (C-250/95, Jurispr. blz. I-2471, punt 19), en 16 juli 1998, ICI (C-264/96, Jurispr. blz. I-4695, punt 19).
( 22 ) Ik ben niet als enige deze mening toegedaan. Zie Lausterer, M.: „The Saint-Gobain Judgment of the EÇJ”, The EC Tax Journal, 1999, vol. 4, biz. 45-54, inzonderheid biz. 53; Martin Jiménez, A.J.: Revista Española de Derecho financiero, 2000, biz. 493-498, inzonderheid biz. 498; Kostense, H.E.: „The Saint-Gobain case and the application of tax treaties. Evolution or revolution?”, EC Tax Review, 2000, biz. 220-232, inzonderheid biz. 232; en Offermanns, R.: „Treaty Benefits for Permanent Establishments: The Saint-Gobain Case”, European Taxation, 2000, biz. 180-189, inzonderheid biz. 188.
( 23 ) Dit standpunt verwoordde advocaatgeneraal Van Gerven in punt 12 van de in voetnoot 6 aangehaalde conclusie als volgt: „[...] voor de hier voorgestane oplossing [pleit] ook het bijzonder karakter van een bilaterale overeenkomst tussen een lidstaat en een derde land. Een dergelijk akkoord is de resultante van een negotiatieproces tussen beide staten, waarbij de rechten en plichten die in hoofde van de respectieve verdragspartijen worden vastgesteld doorgaans zijn gegrondvest op het wederkerigheidsbcgin-sel. Dit betekent dat aan zulke overeenkomsten een welbepaald evenwicht — ook wat de financiële consequenties ervan betreft — ten grondslag ligt. Het lijdt geen twijfel dat het vinden van een dergelüK evenwicht ernstig zou worden bemoeilijkt, en dat de onderhandelingsruimte van lidstaten en derde landen sterk zou worden ingeperkt, wanneer de lidstaat in kwestie ervan moet uitgaan dat de rechten welke het ten gunste van zijn eigen onderdanen bedingt, tevens aan alle overige gemeenschapsonderdanen ten goede moeten komen. Ik denk daarbij niet uitsluitend aan de situatie van socialezeker-heidsakkoorden, doch eveneens aan andere bilaterale overeenkomsten waaraan een vorm van (financieel) evenwicht in de wederzijdse prestaties ten grondslag ligt, zoals bijvoorbeeld dubbele-belastingverdragen”.
( 24 ) Richtlijn van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40).
( 25 ) Arrest van 25 juli 1991 (C-345/89, Jurispr. blz. I-4047).
( 26 ) Een aantal auteurs heeft zijn verwondering of ongenoegen over dit uiterst magere antwoord van het Hof geuit. De Vos, D.: „Le travail de nuit: La ‚Realpolitik’ de l'égalité!”, Journal des tribunaux du travail, 1993, blz. I-7, inzonderheid blz. 5; Huglo, J.-G.: Recueil Dalloz-Sirey, 1991 Jur., blz. 445 en 446, inzonderheid blz. 446, „L'on ne peut que regretter que la Cour de Justice, dans son arrêt du 25 juillet dernier, n'ait pas examiné le problème [de droit international]”.
( 27 ) Arrest van 2 augustus 1993 (C-158/91, Jurispr. blz. I-4287).
( 28 ) Het Hof wees op 13 maart 1997 arrest in zaak C-197/96, waarin het Frankrijk veroordeelde wegens niet-nakoming, nu het ook na opzegging van IAO-Verdrag nr. 89 artikel L 213-1 van de Code du travail had gehandhaafd (Jurispr. blz. I-1489). Op dit moment is nog hangende bij het Hof zaak C-224/99, waarin de Commissie heeft geconcludeerd tot veroordeling van de Franse Republiek uit hoofde van artikel 228, fid 1, EG wegens niet-uit-voering van voormeld arrest. De Commissie vordert veroordeling tot betaling van een dwangsom van 142425 euro per dag.
( 29 ) Bertrand, V.: International Labour Reports, 1995, biz. 17-22, inzonderheid blz. 19, steh: „Since it did not deal with the problem of the conflict between article 5 of Directive 76/207 and article 3 of ILO Convention no 89, the judgement in the Stoeckel case left the French courts before a dilemma: either they applied the prohibition of night work prescribed by the French law and thus failed to comply with the Community Directive or they ignored the prohibition and violated the ILO Convention. In any case, the respite which the European Court thus gave itself was very short; several months later it was seized by another French Court [...)”; Roldán Barbero, J.: „Una revisión del artículo 234 del TCE: la sentencia Levy dictada por cl TJCE cl 2 de agosto de 1993”, Revista de instituciones Europeas, 1994, blz. 481-498, inzonderheid blz. 493, schriift dat het arrest Stoeckel geen opheldering gaf over de volledige communautaire dimensie clic voor de beslechting van het hoofdgeding nodig was.
( 30 ) Arresten van 5 oktober 1999, Lirussi en Bizzaro (gevoegde zaken C-175/98 en C-177/98, Jurispr. blz. I-6881, punt 381. en 18 november 1999, Teckal (C-107/98, Jurispr. blz. I-8121, punt 311.
( 31 ) Arresten van 16 juli 1992, Asociación Española de Banca Frivada ca. (C-67/91, Jurispr. blz. I-4785, pullten 25 en 26); 6 juli 1995, BP Suupergaz (C-62/93, Jurispr. blz. I-1883, punt 10), en 5 december 1996, Reisdorf (C-85/95, Jurispr. blz. I-6257, punt 15).
( 32 ) Arrest van 5 juli 1988 (21/87, Jurispr. blz. 3715, punt 26). Het betreft in casu een bevestiging van de rechtspraak die is neergelegd in het arrest Ortskrankenkasse Hamburg, aangehaald ín voetnoot 7.
( 33 ) Dit was mi het standpunt dat Italie verdedigde in zijn opmerkingen in de zaak Grana-Novoa: „Ma anche nel caso in cui tale copertura non fosse assicurata espressamente dagli accordi, lo Stalo membro contraente dovrebbe comunque, sulla base del principio di non discriminazione, applicare unilateralmente le disposizioni delľaccordo, operando quindi la totalizzazione con il concorso benevolo dello Stato Terzo oppure avvalendosi di documentazione ufficiale idonea prodotta dagli interessati”.
Full & Egal Universal Law Academy