Conclusie van de advocaat generaal
Feiten en omstandigheden
1. In deze zaak verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg:
- door na te laten de nodige wettelijke of administratieve maatregelen te treffen ter uitvoering van richtlijn 97/36/EG,
- of, in ieder geval, door na te laten de Commissie over deze maatregelen te informeren,
haar verplichtingen ingevolge deze richtlijn niet is nagekomen.
2. Artikel 2, lid 1, van richtlijn 97/36 verplicht de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om uiterlijk op 30 december 1998 aan de richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
3. Bij brief van 12 maart 1999 heeft de Commissie het Groothertogdom Luxemburg in gebreke gesteld, aangezien zij niet was geïnformeerd over de maatregelen die in het groothertogdom waren genomen ter uitvoering van de genoemde richtlijn. In reactie op deze ingebrekestelling heeft de Luxemburgse regering in een brief van 27 mei 1999 laten weten dat zij doende was met de voorbereiding van de nodige maatregelen ter uitvoering van de richtlijn. Bij haar brief heeft zij een ontwerp gevoegd van een wet, waarvan de inwerkingtreding was voorzien per november 1999. Vervolgens heeft de Commissie op 9 juli 1999 een met redenen omkleed advies verzonden. Op 8 november 1999 heeft de Luxemburgse regering geantwoord. In dit antwoord verwees zij naar haar eerdere brief van 9 juli.
4. Op basis van deze informatie heeft de Commissie op 27 maart 2000 de zaak bij het Hof aanhangig gemaakt. In haar verweerschrift, ontvangen door het Hof op 6 juni 2000, bestrijdt de Luxemburgse regering de juistheid van de inbreuk niet, wat betreft het te laat omzetten van richtlijn 97/36. Niettemin wijst zij wederom op het evengenoemde wetsontwerp. De vertraging bij de vaststelling van de wet hangt, zo stelt zij, samen met het ingewikkelde technische karakter van de wet en met de benodigde consultaties. Zij verwacht dat de wet nu binnen enkele maanden tot stand zal komen, en dat de inbreukprocedure bij het Hof derhalve zonder voorwerp is geraakt.
De inbreuk
5. Er zij aan herinnerd dat volgens vaste jurisprudentie van het Hof een lidstaat zich niet kan beroepen op nationale bepalingen, praktijken of situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen. Deze jurisprudentie is recentelijk nog eens bevestigd door het Hof in de zaak Commissie/Griekenland.
6. Ook de verwachting dat de desbetreffende nationale wetgeving ter omzetting van de richtlijn ten tijde van de beoordeling door het Hof inmiddels tot stand is gekomen, doet aan de inbreuk niet af.
Conclusie
7. In het licht van de hier weergegeven feiten en omstandigheden geef ik het Hof in overweging:
1) te verklaren dat het Groothertogdom Luxemburg,
- door na te laten de nodige wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen te treffen ter uitvoering van richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 tot wijziging van richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten,
- of, in ieder geval, door na te laten de Commissie over deze maatregelen te informeren,
haar verplichtingen ingevolge bedoelde richtlijn niet is nagekomen;
2) het Groothertogdom Luxemburg ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de proceskosten te veroordelen.
Full & Egal Universal Law Academy