Conclusie van de advocaat generaal
1. De Rechtbank van eerste aanleg te Brussel verzoekt krachtens artikel 234 EG om uitlegging van de artikelen 28 EG en 30 EG teneinde uit te maken, of de Belgische bepalingen die de verkoop verbieden van brood met een hoger zoutgehalte dan 2 %, en die reclame voor een voedingsmiddel verbieden die het doet voorkomen alsof het bijzondere kenmerken vertoont, hoewel alle soortgelijke voedingsmiddelen dezelfde kenmerken bezitten, en die bovendien de vermelding voorschrijven van de woorden volle melk" en gepasteuriseerd" op de verpakking van verse melk, kwantitatieve invoerbeperkingen of maatregelen van gelijke werking vormen.
I De feiten van het hoofdgeding
2. C. Bellamy exploiteert de NV English Shop Wholesale, die voedingsmiddelen uit het Verenigd Koninkrijk invoert en deze in de detailhandel in België verkoopt. Zij is in december 1998 bij verstek veroordeeld wegens overtredingen in 1994 en 1995 van de bepalingen van het koninklijk besluit van 2 september 1985 betreffende brood en andere bakkerijproducten (hierna: koninklijk besluit van 1985" of KB van 1985"), het koninklijk besluit van 17 april 1980 betreffende de reclame voor voedingsmiddelen (hierna: koninklijk besluit van 1980" of KB van 1980"), en artikel 14 van de wet betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers (hierna: wet van 1977").
De volgende feiten worden haar ten laste gelegd: de verkoop van brood met een zoutgehalte van 2,88 %, in strijd met het bepaalde in artikel 3, punt 2, van het KB van 1985; schending van artikel 4, punt 2, van het KB van 1980 door gepasteuriseerde verse volle melk voor te stellen alsof dit product bijzondere kenmerken vertoonde, met de vermelding dat het product geen additieven of bewaarmiddelen bevatte; en de verkoop van melk onder de naam Breakfast Milk" zonder de vermelding gepasteuriseerde verse volle melk".
3. Bellamy tekende tegen dit vonnis verzet aan, stellende dat de tenlasteleggingen in strijd zijn met de wettelijke regeling van de Europese Gemeenschap, en inzonderheid met artikel 28 EG.
II De prejudiciële vragen
4. Met het oog op de beslechting van het geding, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1) Zijn de artikelen 1, punt 3, en 8 van het koninklijk besluit van 2 september 1985 betreffende brood en andere bakkerijproducten, en artikel 14 van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten, waar zij verbieden dat brood in de handel wordt gebracht waarvan het keukenzoutgehalte, uitgedrukt in natriumchloride en ten opzichte van de droge stof, hoger is dan 2 %, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 28 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en kunnen zij worden gerechtvaardigd in de zin van artikel 30 van dit Verdrag?
2) Zijn de artikelen 1, punt 3, en 8 van het koninklijk besluit van 2 september 1985 betreffende brood en andere bakkerijproducten, en artikel 14 van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 28 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en kunnen zij worden gerechtvaardigd in de zin van artikel 30 van dit Verdrag?
3) Zijn de artikelen 4, punt 2, en 5 van het koninklijk besluit van 17 april 1980 betreffende de reclame voor voedingsmiddelen, en artikel 14 van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 28 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en kunnen zij worden gerechtvaardigd in de zin van artikel 30 van dit Verdrag?"
5. Ik wil preciseren, dat hoewel in de verwijzingsbeschikking wordt verzocht om uitlegging van de artikelen 28 en 30 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het in werkelijkheid gaat over de artikelen 28 en 30 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met de nummering en bewoordingen volgens het Verdrag van Amsterdam.
III De procedure voor het Hof van Justitie
6. Verzoekster in het hoofdgeding en de Commissie hebben in deze procedure binnen de in artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG voorgeschreven termijn schriftelijke opmerkingen ingediend. Aangezien geen van de belanghebbenden mondelinge opmerkingen wenste te maken, heeft het Hof overeenkomstig het bepaalde in artikel 104, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering besloten van mondelinge behandeling af te zien.
IV Bespreking van de prejudiciële vragen
A De eerste prejudiciële vraag
7. Met deze vraag wenst de Belgische rechter te vernemen, of artikel 28 EG in de weg staat aan de toepassing van een wettelijke regeling van een lidstaat waarbij de verkoop op zijn grondgebied van brood en andere bakkerijproducten met een zoutgehalte ten opzichte van de droge stof van meer dan 2 % wordt verboden, wanneer deze producten in een andere lidstaat rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht. Zo ja, wenst de nationale rechter te vernemen, of dit voorschrift kan worden gerechtvaardigd op grond van artikel 30 EG.
8. Volgens artikel 28 EG zijn kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten verboden. Volgens artikel 30 EG daarentegen, vormen de bepalingen van de artikelen 28 en 29 geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van onder meer de bescherming van de gezondheid en het leven van personen en dieren, mits zij geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen.
9. Deze vraag houdt volgens de verwijzingsbeschikking verband met de geldboete waartoe Bellamy is veroordeeld wegens schending van de artikelen 1, punt 3, en 8 van het KB van 1985, en van artikel 14 van de wet van 1977. Duidelijkheidshalve wil ik hieraan toevoegen, dat het vereiste inzake het maximum zoutgehalte in brood is neergelegd in artikel 3, lid 2, van het KB van 1985, en niet in artikel 1, punt 3, of artikel 8.
10. Het Hof van Justitie heeft deze vraag reeds beantwoord in het arrest Van der Veldt, in het kader van een prejudiciële verwijzing van een andere Belgische rechter, die over soortgelijke feiten als in casu uitspraak diende te doen.
11. In dat arrest verklaarde het Hof, dat bij ontbreken van gemeenschappelijke of geharmoniseerde regels inzake de vervaardiging en het in de handel brengen van brood en andere bakkerijproducten, het aan de lidstaten staat om te bepalen aan welke eisen inzake samenstelling, bereiding en in de handel brengen deze producten moeten voldoen, voorzover ingevoerde producten hierdoor niet worden gediscrimineerd of de invoer van producten uit andere lidstaten hierdoor niet wordt belemmerd.
12. Het voorschrift inzake het maximum zoutgehalte ten opzichte van de droge stof kan tot gevolg hebben, dat brood en andere bakkerijprodukten uit andere lidstaten in de betrokken lidstaat niet meer in de handel kunnen worden gebracht. Indien namelijk geen identieke bereidingscriteria gelden, zal de inachtneming van dat voorschrift tot gevolg hebben, dat naar gelang van de bestemming van de producten een verschillende bereidingswijze noodzakelijk is, zodat het verkeer van de producten zal worden belemmerd.
Daarom concludeerde het Hof, dat een wettelijke regeling van een lidstaat, waarbij de verkoop wordt verboden van brood en andere bakkerijproducten waarvan het zoutgehalte ten opzichte van de droge stof hoger is dan de bovengrens van 2 %, en die wordt toegepast op producten die in een andere lidstaat rechtmatig zijn bereid en in de handel gebracht, is te beschouwen als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van het huidige artikel 28 EG.
13. Ook de rechtsgronden waarop het Hof het argument afwijst dat het Belgische voorschrift kan worden gerechtvaardigd uit hoofde van bescherming van de volksgezondheid, zijn mijns inziens deugdelijk. De voor het gezondheidsbeleid verantwoordelijke nationale autoriteiten hadden immers aangevoerd, dat met de Nederlandse norm inzake het zoutgehalte in brood, de dagelijkse aanbrengst van dit chloride tot 3,1 g zou stijgen, hetgeen teveel zou zijn.
Volgens het arrest waren deze overwegingen zo algemeen, dat daaruit niet bleek dat een in die mate toegenomen zoutverbruik werkelijk een gezondheidsrisico voor de mens inhoudt. Hoewel het loutere bestaan van een risico voor de verbruikers volstaat om ervan uit te kunnen gaan, dat de wettelijke regeling voldoet aan de vereisten van het huidige artikel 30, mocht dit risico niet worden beoordeeld op basis van algemene overwegingen, doch alleen van relevant wetenschappelijk onderzoek. Aangezien niet was gepreciseerd op welke wetenschappelijke gegevens de Belgische wetgever zich had gebaseerd, concludeerde het Hof, dat de Belgische wetgever, in plaats van het in de handel brengen van brood met een hoger zoutgehalte dan 2 % te verbieden en daarop strafsancties te stellen, een aangepaste etikettering had kunnen voorschrijven, die de verbruikers de verlangde inlichtingen over de samenstelling van het product verstrekte. Deze oplossing zou hebben voldaan aan het vereiste van bescherming van de volksgezondheid en was minder beperkend geweest voor het vrije verkeer van goederen.
14. In de onderhavige zaak zijn geen nieuwe argumenten aangevoerd om aan te tonen, dat dit voorschrift noodzakelijk is voor de bescherming van de volksgezondheid en evenredig is aan het nagestreefde doel. Daarom moet worden geconcludeerd, dat artikel 28 EG in de weg staat aan de toepassing van een wettelijke regeling van een lidstaat waarbij de verkoop op zijn grondgebied wordt verboden van brood en andere bakkerijproducten waarvan het zoutgehalte ten opzichte van de droge stof hoger is dan 2 %, wanneer deze producten in een andere lidstaat rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht. Deze wettelijke regeling kan niet krachtens artikel 30 EG uit hoofde van bescherming van de volksgezondheid worden gerechtvaardigd.
B De tweede prejudiciële vraag
15. Ik ben verbaasd over de tekst van die vraag, die grotendeels overeenstemt met de eerste vraag, evenwel zonder de verwijzing naar het maximum zoutgehalte in brood.
Als ik de in de verwijzingsbeschikking aangehaalde nationale wettelijke regeling overloop, stelt ik vast dat artikel 1, punt 3, van het KB van 1985 de definitie van speciaal brood bevat; dat volgens artikel 8 de overtredingen van het besluit worden opgespoord, vervolgd en gestraft overeenkomstig de wet betreffende de bescherming van de verbruikers; en dat in artikel 14 van die wet is bepaald, dat met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van vijftig tot duizend frank, of met één van die straffen alleen, wordt gestraft, hij die voedingsmiddelen of andere in die wet bedoelde producten fabriceert of invoert en hij die, zonder de fabrikant of de invoerder te zijn, dergelijke producten in de handel brengt.
De nationale rechter wenst te vernemen, of deze wettelijke regeling verenigbaar is met artikel 28 EG en of zij op grond van artikel 30 EG gerechtvaardigd kan zijn.
16. Zoals de Commissie in haar opmerkingen terecht stelt, blijkt uit de omschrijving van de feiten door de rechter te Brussel, dat het in het geding waarover hij uitspraak moet doen, niet gaat over de vraag welke wettelijke regeling van toepassing is, noch over de aard van de aan de overtreders opgelegde straffen of het bedrag van de geldboetes, en dat de definitie van brood niet ter discussie staat.
17. Volgens het Hof moet de verwijzende rechter de precieze redenen aanduiden waarom hij twijfelt over de uitlegging van het gemeenschapsrecht en zich genoopt ziet prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen, en is het onontbeerlijk, dat de nationale rechter minstens beknopt uiteenzet waarom hij om uitlegging van bepaalde communautaire voorschriften verzoekt en welk verband er volgens hem bestaat tussen deze bepalingen en de in het geding toepasselijke nationale wettelijke regeling.
18. Nu de verwijzende rechter dergelijke toelichtingen niet heeft verstrekt en Bellamy en de NV English Shop Wholesale worden beschuldigd van overtreding van het verbod van artikel 3, punt 2, van voormeld koninklijk besluit, als bedoeld in de eerste prejudiciële vraag, ben ik van mening dat het Hof van Justitie de tweede prejudiciële vraag niet dient te beantwoorden.
C De derde prejudiciële vraag
19. Met deze vraag, die moet worden geherformuleerd, wenst de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel te vernemen, of artikel 28 EG in de weg staat aan een wettelijke regeling zoals die van artikel 4, lid 2, van het KB van 1980, die zich ertegen verzet dat men het bij de presentatie van een merkproduct laat voorkomen alsof het product bijzondere kenmerken vertoont, hoewel alle soortgelijke producten dezelfde kenmerken bezitten. De rechtbank wenst tevens te vernemen, of voornoemde bepaling van het Verdrag zich verzet tegen toepassing van een nationale bepaling als die van artikel 5 van dat koninklijk besluit, volgens hetwelk in iedere reclameboodschap voor voedingsmiddelen op duidelijke wijze een eventueel in wettelijke of reglementaire bepalingen vastgestelde benaming moet worden gebruikt, indien het weglaten van die benaming de verbruiker zou kunnen misleiden in verband met de aard van het voedingsmiddel. Zo ja, moet worden onderzocht of deze nationale wettelijke regeling gerechtvaardigd kan zijn op grond van artikel 30 EG.
20. Volgens de rechtspraak van het Hof zijn als door artikel 28 EG verboden maatregelen van gelijke werking aan te merken, belemmeringen van het vrije goederenverkeer die voortvloeien uit de toepassing van voorschriften betreffende de voorwaarden waaraan de goederen moeten voldoen (zoals voorschriften met betrekking tot hun benaming, vorm, afmetingen, gewicht, samenstelling, aanbiedingsvorm, etikettering of verpakking), ook indien die voorschriften zonder onderscheid op alle producten van toepassing zijn, wanneer die toepassing niet kan worden gerechtvaardigd door een doel van algemeen belang, dat zou moeten voorgaan boven de eisen van het vrije goederenverkeer.
Het Hof heeft tevens verklaard, dat uit artikel 28 EG volgt, dat de toepassing van een nationale regeling, die bij gebreke van gemeenschappelijke of geharmoniseerde regels is vastgesteld, op de uit andere lidstaten ingevoerde producten, die aldaar rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht, slechts verenigbaar is met genoemd Verdrag, voorzover zij noodzakelijk is om te voldoen aan de in het huidige artikel 30 opgesomde redenen van algemeen belang, of aan dwingende eisen, onder meer verband houdend met de eerlijkheid van de handelstransacties en met de bescherming van de consumenten.
Het beroep op voornoemd artikel 30 EG is evenwel niet meer gerechtvaardigd wanneer krachtens artikel 100 EG-Verdrag (thans artikel 94 EG) door communautaire richtlijnen is voorzien in de harmonisatie van de maatregelen die nodig zijn ter bescherming van de gezondheid van mens en dier, en daarbij gemeenschappelijke procedures zijn ingesteld voor het toezicht op de naleving daarvan. Binnen het kader van die harmonisatierichtlijnen moeten de geëigende controles worden uitgevoerd en de beschermende maatregelen worden getroffen.
21. Zoals door de Commissie in haar opmerkingen is gesteld, vormt richtlijn 79/112/EEG (hierna: richtlijn 79/112") de eerste etappe in een harmonisatieproces met het oog op de geleidelijke opheffing van alle belemmeringen van het vrije verkeer van levensmiddelen die te wijten zijn aan de verschillen tussen de wettelijke regelingen van de lidstaten inzake etikettering. Op dezelfde wijze harmoniseert richtlijn 92/46/EEG de voorschriften voor warmtebehandeling van voor menselijke consumptie bestemde melk, en in bijlage C, hoofdstuk III, bij die richtlijn zijn de voorschriften inzake presentatie en verpakking neergelegd.
22. Volgens artikel 2, lid 1, sub a, van richtlijn 79/112, mogen de etikettering en de wijze waarop deze is uitgevoerd, de koper niet kunnen misleiden, onder meer, i) ten aanzien van de kenmerken van het levensmiddel, en met name de aard, identiteit, hoedanigheden, samenstelling, hoeveelheid, houdbaarheid, oorsprong of herkomst, wijze van vervaardiging of verkrijging; ii) door aan het levensmiddel effecten of eigenschappen toe te schrijven die het niet bezit, en iii) door hem te suggereren dat het levensmiddel bijzondere kenmerken vertoont, hoewel alle soortgelijke levensmiddelen dezelfde kenmerken bezitten.
23. Artikel 4, punt 2, van het KB van 1980 heeft de bepaling van artikel 2, lid 1, sub a, punt iii, van richtlijn 79/112 in nationaal recht omgezet. Volgens die bepaling van het KB is het in reclame voor voedingsmiddelen verboden, te doen geloven dat het merkproduct bijzondere eigenschappen bezit, wanneer alle soortgelijke voedingsmiddelen dezelfde eigenschappen bezitten.
24. Artikel 28 EG en artikel 2 van richtlijn 79/112 moeten derhalve aldus worden uitgelegd, dat zij zich niet verzetten tegen een nationale bepaling als die van artikel 4, punt 2, van het KB van 1980.
25. In het hoofdgeding is inzake de gepasteuriseerde volle melk met de benaming Breakfast Milk", zonder vermelding van de woorden gepasteuriseerde verse volle melk", toepassing gemaakt van de in artikel 5 van het KB van 1980 neergelegde verplichting om in iedere reclameboodschap een vastgestelde benaming te gebruiken om te voorkomen dat de verbruiker zou worden misleid.
26. Ik ben het met de Commissie eens, dat blijkens de door de nationale rechterlijke instantie omschreven feitelijke context, artikel 5 van het KB in casu is toegepast op de etikettering van de verpakking van de melk. De opgelegde verplichting heeft betrekking op de kenmerken van het product en niet op een reclameboodschap. De reclameboodschap is onderscheiden van het product zelf en van de verpakking ervan, en vormt een verkoopmodaliteit" in de zin van punt 16 van het arrest Keck en Mithouard, die buiten de werkingssfeer van artikel 28 EG valt.
27. Volgens artikel 3, lid 1, punt 1, van richtlijn 79/112 is de benaming waaronder het product wordt verkocht, één van de gegevens die verplicht op de etikettering van levensmiddelen moeten worden vermeld. Wanneer artikel 5 van het KB van 1980 van toepassing is op de etikettering van een levensmiddel, vormt het dus niets anders dan de omzetting in nationaal recht van de bepaling van de richtlijn.
28. Ten slotte moet nog worden onderzocht, of de communautaire regeling eraan in de weg staat, dat een lidstaat voorschrijft dat de woorden volle melk" en gepasteuriseerd" worden vermeld in de verkoopbenaming van melk die onder de naam Breakfast Milk" wordt verkocht.
Krachtens artikel 5, lid 2, van richtlijn 79/112 mag een fabrieks- of handelsmerk of een fantasienaam niet in de plaats komen van de verkoopbenaming.
Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van verordening (EG) nr. 2597/97 (hierna: verordening nr. 2597/97") zijn de verkoopbenamingen voor zuivelproducten die welke zijn vastgesteld in artikel 3. Volgens artikel 3, lid 1, moet in de verkoopbenaming van melk worden aangeduid of het gaat om rauwe, volle, halfvolle of magere melk.
29. Wat de verplichte vermelding van het woord gepasteuriseerd" op de verpakking betreft, bepaalt artikel 5, lid 3, van richtlijn 79/112, dat de verkoopbenaming een aanwijzing dient te omvatten of vergezeld dient te zijn van een aanwijzing inzake de fysische toestand waarin het product zich bevindt of de specifieke behandeling die het heeft ondergaan (bijv. poeder, gevriesdroogd, diepvries, concentraat, gerookt), indien het weglaten van deze aanwijzing bij de koper verwarring zou kunnen doen ontstaan.
Hoewel pasteurisatie niet als voorbeeld wordt vermeld, ben ik het met de Commissie eens, dat pasteurisatie moet worden aangemerkt als een specifieke behandeling die op het product wordt toegepast, en waarvan de niet-vermelding in de verkoopbenaming bij de consument verwarring kan doen ontstaan.
30. Bovendien dienen de lidstaten krachtens artikel 5 van richtlijn 92/46 erop toe te zien, dat consumptiemelk alleen in de handel wordt gebracht indien zij onder meer voldoet aan de volgende eisen: zij moet zijn behandeld overeenkomstig bijlage C, hoofdstuk I, onderdeel A, en zij moet overeenkomstig bijlage C, hoofdstuk IV, geëtiketteerd en overeenkomstig bijlage C, hoofdstuk III, van een onmiddellijke verpakking zijn voorzien in een melkbehandelingsinrichting waar zij de eindbehandeling heeft ondergaan. Bijlage C, hoofdstuk III, bij die richtlijn, die de voorschriften inzake onmiddellijke verpakking en eindverpakking bevat, schrijft in punt 5 voor, dat de exploitant of de beheerder van de inrichting, voor controledoeleinden, naast de in hoofdstuk IV voorgeschreven gegevens, ook de volgende gegevens zichtbaar en leesbaar op de onmiddellijke verpakking van melk en producten op basis van melk vermeldt: de aard van de warmtebehandeling die de rauwe melk heeft ondergaan en de andere gegevens aan de hand waarvan de datum van de warmtebehandeling kan worden geïdentificeerd en, voor gepasteuriseerde melk, de temperatuur waarbij het product moet worden opgeslagen.
31. In het licht van deze overwegingen dringt de conclusie zich op, dat de in artikel 5 van het KB van 1980 neergelegde verplichting niet als onverenigbaar met het gemeenschapsrecht kan worden aangemerkt, nu de vermeldingen volle melk" en gepasteuriseerd" zijn opgelegd bij verordening nr. 2597/97 en richtlijnen 79/112 en 92/46, die met het oog op de harmonisatie van de wettelijke regelingen van de lidstaten zijn vastgesteld.
Het antwoord op de vraag van de nationale rechter dient derhalve te luiden, dat artikel 28 EG en artikel 5 van richtlijn 79/112 niet in de weg staan aan een nationale bepaling als die van artikel 5 van het koninklijk besluit van 17 april 1980, bepalende dat in iedere reclameboodschap voor voedingsmiddelen op duidelijke wijze een eventueel in wettelijke of reglementaire bepalingen vastgestelde benaming moet worden gebruikt.
Conclusie
32. Gelet op een en ander, geef ik het Hof van Justitie in overweging, de prejudiciële vragen van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel te beantwoorden als volgt:
1) Artikel 28 EG staat in de weg aan de toepassing van een wettelijke regeling van een lidstaat waarbij de verkoop op zijn grondgebied wordt verboden van brood en andere bakkerijproducten waarvan het zoutgehalte ten opzichte van de droge stof hoger is dan 2 %, wanneer deze producten in een andere lidstaat rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht. Deze wettelijke regeling kan niet krachtens artikel 30 EG uit hoofde van bescherming van de volksgezondheid worden gerechtvaardigd.
2) Artikel 28 EG en artikel 2 van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame, verzetten zich niet tegen een nationale bepaling als die van artikel 4, punt 2, van het koninklijk besluit van 17 april 1980, houdende een verbod op reclame waarbij het wordt voorgesteld alsof levensmiddelen bijzondere kenmerken bezitten, hoewel deze overeenkomen met die van alle soortgelijke levensmiddelen.
Artikel 28 EG en artikel 5 van richtlijn 79/112 staan niet in de weg aan een nationale bepaling als die van artikel 5 van het koninklijk besluit van 17 april 1980, bepalende dat in iedere reclameboodschap voor voedingsmiddelen op duidelijke wijze een eventueel in wettelijke of reglementaire bepalingen vastgestelde benaming moet worden gebruikt, zoals de vermeldingen volle melk" en gepasteuriseerd" voor een product dat die kenmerken bezit.
Full & Egal Universal Law Academy