Conclusie van de advocaat generaal
1 Met deze hogere voorziening verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 februari 2000, Nederlandse Antillen/Commissie(1), waarbij het Gerecht de verordeningen (EG) nrs. 2352/97(2) en 2494/97(3) betreffende de invoer van rijst van oorsprong uit de landen en gebieden overzee(4) heeft nietig verklaard.
2 De Commissie stelt dat het Gerecht, voorzover het de beroepen van de regering van de Nederlandse Antillen ontvankelijk heeft verklaard, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens haar is deze overheid noch individueel, noch rechtstreeks geraakt door de betrokken verordeningen, en heeft zij bovendien geen enkel gerechtvaardigd procesbelang. Subsidiair betwist zij dat zij met de vaststelling van deze verordeningen blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
3 De onderhavige zaak kan worden vergeleken met het arrest van 22 november 2001, Nederlandse Antillen/Raad.(5) In die zaak heb ik nauwkeurig uiteengezet om welke redenen het Gerecht, door in het bestreden arrest de beroepen van de regering van de Nederlandse Antillen tegen de verordeningen nrs. 2352/97 en 2494/97 van de Commissie betreffende de invoer van rijst van oorsprong uit de LGO(6) ontvankelijk te verklaren, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
4 Mijn benadering werd overgenomen door het Hof dat, onder handhaving van zijn gebruikelijke uitlegging van het begrip "individueel geraakte natuurlijke of rechtspersonen" in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG(7), de beroepen van de regering van de Nederlandse Antillen niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het is nuttig om de punten 64, 67 en 70 tot en met 77 van dit arrest hier integraal aan te halen.
5 Het Hof stelt hierin:
"64 [...] het algemene belang dat een LGO, als bevoegde entiteit voor de economische en sociale vraagstukken op zijn grondgebied, kan hebben bij de verkrijging van een voor de economische welvaart van dit grondgebied gunstig resultaat, [kan] op zich niet volstaan om het als door de bepalingen van verordening nr. 1036/97 in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag geraakt of zelfs individueel geraakt te beschouwen.
[...]
67 [...] het feit dat de Raad of de Commissie op grond van specifieke bepalingen verplicht is rekening te houden met de gevolgen die de handeling die zij voornemens zijn vast te stellen, heeft voor de situatie van bepaalde particulieren, [kan] deze laatsten [...] individualiseren [...]
[...]
70 Blijkens voornoemd arrest Piraiki-Patraiki e.a./Commissie [arrest van 17 januari 1985, 11/82, Jurispr. blz. 207] is het bestaan van die verplichting evenwel onvoldoende bewijs, dat die LGO en die ondernemingen door deze maatregelen individueel worden geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag.
71 In punt 28 van dat arrest heeft het Hof weliswaar geoordeeld dat de Commissie zich op de hoogte diende te stellen van de negatieve gevolgen die haar beslissing kon hebben voor de economie van de betrokken lidstaat en de belanghebbende ondernemingen, doch het heeft niet op die enkele grond aanvaard dat alle belanghebbende ondernemingen individueel werden geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag. Het heeft integendeel overwogen, dat enkel de ondernemingen die waren betrokken bij reeds afgesloten overeenkomsten waarvan de uitvoering, die was voorzien tijdens de geldigheidsduur van de litigieuze beschikking, geheel of gedeeltelijk was verhinderd door die beschikking, individueel werden geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag [...]
72 Ook al behoorde de Raad ten tijde van de vaststelling van [de betrokken] verordening [...], voorzover de omstandigheden dit toelieten, rekening te houden met de negatieve gevolgen die deze verordening kon hebben voor de economie van de betrokken LGO en de belanghebbende ondernemingen, dit ontslaat verzoekster dus geenszins van de noodzaak om aan te tonen dat zij door die verordening wordt geraakt uit hoofde van een feitelijke situatie die haar ten opzichte van ieder ander karakteriseert.
73 Dat verzoekster veruit de meeste rijst van oorsprong uit de LGO naar de Gemeenschap uitvoerde, onderscheidt haar niet van elke andere LGO. Zelfs indien het juist zou zijn dat de bij [de betrokken] verordening [...] vastgestelde vrijwaringsmaatregelen grote sociaal-economische gevolgen voor de Nederlandse Antillen konden hebben, dan nog hadden de overige LGO met soortgelijke gevolgen te maken.
74 De economische activiteit waarom het in casu gaat, namelijk de bewerking van rijst uit derde landen in de LGO, is een handelsactiviteit die op elk willekeurig moment door elke willekeurige marktdeelnemer in elke willekeurige LGO kan worden uitgeoefend. Ook in andere LGO dan de Nederlandse Antillen zijn fabrieken voor de bewerking van rijst, te weten in Montserrat en op de eilanden Turks en Caicos. Deze economische activiteit karakteriseert de Nederlandse Antillen dus niet ten opzichte van elke andere LGO.
75 Gelet op het voorgaande heeft verzoekster niet aangetoond dat zij in haar rechtspositie wordt getroffen uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die haar ten opzichte van ieder ander karakteriseert en derhalve individualiseert.
76 Aangezien zij niet heeft aangetoond dat zij door [de betrokken] verordening [...] individueel wordt geraakt, behoeft niet te worden onderzocht of zij door die verordening rechtstreeks wordt geraakt.
77 Mitsdien moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard."
6 Aangezien deze motivering perfect kan worden toegepast op de onderhavige zaak, geef ik het Hof in overweging het bestreden arrest te vernietigen, zich uit te spreken over de zaak ten gronde, en de door de regering van de Nederlandse Antillen ingestelde beroepen tot nietigverklaring van de verordeningen nrs. 2352/97 en 2494/97 niet-ontvankelijk te verklaren.
7 Ter terechtzitting verzocht de regering van de Nederlandse Antillen het Hof de door het Gerecht in zijn arrest van 3 mei 2002, Jégo-Quéré/Commissie(8), gevolgde redenering over te nemen. In dit arrest oordeelde het Gerecht dat de strikte uitlegging van het begrip "individueel geraakte natuurlijke of rechtspersoon" in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG moet worden heroverwogen. Volgens het Gerecht moet "om een effectieve rechtsbescherming van particulieren te verzekeren, [...] een natuurlijke of rechtspersoon worden geacht door een hem rechtstreeks rakende gemeenschapsbepaling van algemene strekking individueel te worden geraakt, wanneer de betrokken bepaling zijn rechtspositie zeker en actueel aantast, door zijn rechten te beperken of hem verplichtingen op te leggen. Het aantal en de positie van andere personen die eveneens door de bepaling worden geraakt of kunnen worden geraakt, zijn dienaangaande niet relevant."(9)
8 Deze redenering werd evenwel door het Hof in volle samenstelling verworpen in het arrest van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad(10), dat werd gewezen na het hiervoor aangehaalde arrest van het Gerecht.
Conclusie
9 Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
- het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 februari 2000, Nederlandse Antillen/Commissie (T-32/98 en T-41/98), te vernietigen;
- de beroepen tot nietigverklaring van de verordeningen (EG) van de Commissie nrs. 2352/97 van 27 november 1997 tot vaststelling van specifieke maatregelen ten aanzien van de invoer van rijst van oorsprong uit de landen en gebieden overzee, en 2494/97 van 12 december 1997 betreffende de afgifte van invoercertificaten voor rijst van GN-code 1006 van oorsprong uit de landen en gebieden overzee, in het kader van de bij verordening nr. 2352/97 vastgestelde specifieke maatregelen, niet-ontvankelijk te verklaren, en
- de Nederlandse Antillen te verwijzen in de kosten van het geding, die betreffende de procedure in eerste aanleg daaronder begrepen.
(1) - T-32/98 en T-41/98, Jurispr. blz. II-201 (hierna: "bestreden arrest").
(2) - Verordening van de Commissie van 27 november 1997 tot vaststelling van specifieke maatregelen ten aanzien van de invoer van rijst van oorsprong uit de landen en gebieden overzee (PB L 326, blz. 21).
(3) - Verordening van de Commissie van 12 december 1997 betreffende de afgifte van invoercertificaten voor rijst van GN-code 1006 van oorsprong uit de landen en gebieden overzee, in het kader van de bij verordening nr. 2352/97 vastgestelde specifieke maatregelen (PB L 343, blz. 17).
(4) - Hierna: "LGO".
(5) - C-452/98, Jurispr. blz. I-8973.
(6) - Zie mijn conclusie in de zaak Nederlandse Antillen/Raad, reeds aangehaald (punten 99-113).
(7) - Zie arrest Nederlandse Antillen/Raad, reeds aangehaald (punten 60-77).
(8) - T-177/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.
(9) - Ibidem (punt 51).
(10) - C-50/00 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.
Full & Egal Universal Law Academy