CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 22 november 2000 ( 1 )
1.
In de onderhavige zaak, die betrekking heeft op de berekening van de beroepservaring ten behoeve van de rangindeling van een tijdelijk functionaris op het tijdstip van aanwerving, is in het stadium van de hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (alleensprekende rechter) van 9 maart 2000, Libéros/Commissie ( 2 ), een belangrijke vraag van uitlegging van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht aan de orde; het gaat hierbij om de voorwaarden voor berechting van zaken door een alleensprekende rechter.
I — Rechtskader
A — Het Reglement voor de procesvoering vatt bet Gerecht
2.
Artikel 14, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, zoals gewijzigd bij besluit van 17 mei 1999 met het oog op de invoering van de enkelvoudige kamer ( 3 ), bepaalt het volgende:
„1.
De volgende zaken kunnen, wanneer zij aanhangig zijn bij een kamer bestaande uit drie rechters, door de rechterrapporteur als alleensprekende rechter worden berecht, indien zij, gelet op de geringe moeilijkheid van de gerezen rechtsvragen of feitelijke vragen, het geringe belang van de zaak en het ontbreken van andere bijzondere omstandigheden, zich daartoe lenen en zijn toegewezen op de wijze als voorzien in artikel 51:
a)
de zaken die aanhangig zijn gemaakt krachtens artikel 236 EG-Verdrag en artikel 152 EGA-Verdrag;
[...]
2.
Aan een alleensprekende rechter kunnen niet worden toegewezen:
a)
zaken waarin vragen betreffende de wettigheid van een handeling van algemene strekking rijzen;
[...]”
B — Het rechtskader van de besluiten van 15 maart 1996 en 5 november 1996
3.
Het rechtskader wordt door het Gerecht als volgt omschreven:
„1
Artikel 31 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: ‚Statuut’) luidt als volgt:
‚1.
De aldus gekozen kandidaten worden aangesteld:
—
in de aanvangsrang van hun categorie of groep, indien het ambtenaren betreft van categorie A of van de groep voor de talendienst;
[...]
2.
Het tot aanstelling bevoegde gezag kan echter van bovenstaande bepalingen binnen de volgende grenzen afwijken:
[...]
b)
voor de overige rangen [andere dan de rangen A 1, A 2, A 3 en LA 3]:
—
voor een derde van het aantal opengevallen plaatsen,
—
voor de helft van het aantal nieuwe plaatsen.
Behoudens voor rang LA 3 geldt deze bepaling per reeks van zes te bezetten ambten in iedere rang.’
2
Bij besluit van 1 september 1983 heeft de Commissie de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving nader omschreven (hierna: ‚besluit van 1 september 1983’). Behoudens uitdrukkelijk bepaalde uitzonderingen in de artikelen 1 en 5 van dit besluit, zijn de bepalingen ervan van toepassing op de aanwerving van zowel ambtenaren als tijdelijke functionarissen.
3
Artikel 2, tweede alinea, van het besluit van 1 september 1983 bepaalt het volgende:
‚De beroepservaring voor indeling in de eerste salaristrap van de aanvangsrang van elke loopbaan bedraagt ten minste:
—
12 jaar voor de rangen A 5 en LA 5
—
3 jaar voor de rangen A 7 en LA 7
[...]’
4
Artikel 2, derde alinea, van dit besluit bepaalt:
‚Bij de beoordeling van de beroepservaring wordt rekening gehouden met de voor de datum van aanbieding van het ambt verrichte bezigheden. [...]’
5
Artikel 2, zesde alinea, ten slotte luidt als volgt:
‚De beroepservaring wordt slechts aangerekend vanaf het tijdstip van het verkrijgen van het eerste diploma dat overeenkomstig artikel 5 van het Statuut toegang verleent tot de categorie waartoe het te vervullen ambt behoort, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 2 van bijlage I bij onderhavig besluit, en deze ervaring moet qua niveau met deze categorie overeenstemmen.’”
II — Feiten en procesverloop voor het Gerecht
4.
De feiten als beschreven in het bestreden arrest ( 4 ) kunnen als volgt worden samengevat: op 25 oktober 1993 heeft de heer Libéros, verzoeker en rekwirant in hogere voorziening (hierna: „rekwirant”), bij de Commissie gesolliciteerd in het kader van een selectieprocedure voor tijdelijke functionarissen. De aankondiging van de selectieprocedure specificeerde dat het om een A 7/A 4-post ging. Op 17 oktober 1994 bood de Commissie rekwirant een ambt aan van tijdelijk functionaris met de tijdelijke indeling in rang A 7, eerste salaristrap.
5.
Op 14 november 1994 aanvaardde rekwirant het aanbod van de Commissie; hij kon echter niet eerder dan op 1 juli 1995 in dienst van de Commissie treden. De aanwervingsovereenkomst werd op 23 juni 1995 ondertekend.
6.
Op 30 augustus 1995 verzocht rekwirant om te worden heringedeeld in rang A 5, gezien zijn beroepservaring op de datum van zijn aanwervingsovereenkomst. Bij besluit van 15 maart 1996 deelde de Commissie rekwirant definitief in in rang A 7, derde salaristrap (hierna: „besluit van 15 maart 1996”).
7.
De klacht van rekwirant tegen dit besluit is door de Commissie bij besluit van 5 november 1996 uitdrukkelijk afgewezen (hierna: „besluit van 5 november 1996”). De Commissie heeft dit besluit gemotiveerd met het argument dat de beroepservaring van rekwirant in aanmerking was genomen vanaf het behalen van het diploma tot de datum waarop het ambt was aangeboden. Voorts achtte zij geen reden aanwezig een afwijking toe te staan overeenkomstig het in het arrest van het Gerecht van 5 oktober 1995, Alexopoulou/Commissie ( 5 ), vervatte beginsel.
8.
In zijn beroep tegen de besluiten van 15 maart en 5 november 1996 heeft rekwirant primair schending van artikel 2, tweede alinea, van het besluit van 1 september 1983 aangevoerd, subsidiair, onwettigheid van dat besluit op grond dat het artikel 2, eerste alinea, toepasselijk acht op tijdelijke functionarissen die zijn aangeworven op basis van artikel 2, sub a, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: „RAP”).
9.
Overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 14, lid 2, en 51, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft de Eerste kamer de zaak op 9 november 1999 toegewezen aan de voorzitter van het Gerecht, zetelend als alleensprekende rechter.
II — Bestreden arrest, hogere voorziening en middelen
10.
Het Gerecht heeft eerst uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van het beroep. In zijn arrest stelt het vast dat het beroep te laat is ingesteld, maar oordeelt het dat rekwirant verschoonbaar heeft gedwaald door als aanvang van de beroepstermijn de datum te nemen waarop zijn klacht was ingeschreven, zich daarbij baserend op de door de Commissie gepubliceerde, verwarrende Mededelingen van de Administratie (hierna: „Mededelingen van de Administratie”) ( 6 ) inzake de wijze waarop de op grond van artikel 90 van het Statuut ingediende verzoeken en klachten worden behandeld, evenals op onjuiste informatie die was verstrekt door een ambtenaar van het directoraatgeneraal „Personeel en administratie”. Bijgevolg is het beroep ontvankelijk verklaard.
11.
Wat de zaak ten gronde betreft, heeft het Gerecht in het licht van de omstandigheden van de zaak onderzocht of artikel 2 van het besluit van 1 september 1983, zoals in casu individueel toegepast door de Commissie, waarbij enkel rekening is gehouden met de beroepservaring vóór de aanbieding van het ambt, strijdig is met artikel 31 van het Statuut.
12.
Het Gerecht heeft zich als volgt uitgesproken:
„49
Blijkens het arrest van het Gerecht van 9 juli 1997, Monaco/Parlement (T-92/96, JurAmbt. blz. I-A-195 en II-573, punt 46), kan ‚[de] uitoefening van de door artikel 31, lid 2, van het Statuut aan het tot aanstelling bevoegd gezag verleende discretionaire bevoegdheid [...], overeenkomstig de rechtspraak bij wege van intern besluit worden geregeld, zoals nieuwe interne richtsnoeren van het Parlement. In beginsel staat immers niets eraan in de weg, dat het tot aanstelling bevoegd gezag de uitoefening van de hem door het Statuut verleende discretionaire bevoegdheid regelt bij wege van een intern besluit met algemene strekking. [...] Een dergelijk intern richtsnoer moet worden beschouwd als een indicatieve gedragsregel die de administratie zichzelf oplegt en waarvan zij, op straffe van schending van het beginsel van gelijke behandeling, niet zonder vermelding van redenen kan afwijken, [...]’
50
Het besluit van 15 maart 1996 voert een intern besluit met algemene strekking uit, namelijk het besluit van 1 september 1983, dat in artikel 2, derde alinea, uitdrukkelijk bepaalt dat de datum van aanbieding van het ambt als peildatum wordt genomen voor de berekening van de beroepservaring die voor de indeling in aanmerking wordt genomen.
51
Dat richtsnoer is zowel om administratieve redenen als om redenen ten gronde in overeenstemming met het Statuut.
52
In de eerste plaats kan op het moment waarop het aanbod van het ambt wordt opgesteld, onmogelijk rekening worden gehouden met eventuele beroepservaring in de periode tussen dit aanbod en de daadwerkelijke indiensttreding van de sollicitant.
53
In de tweede plaats verstrijkt er normaal gezien slechts zeer weinig tijd tussen de opstelling van het aanbod en het tijdstip waarop dit aan de kandidaat wordt toegestuurd, net zomin als tussen dat toesturen en de aanvaarding of de afwijzing van het aanbod.
54
In de derde plaats verstrijkt er in de regel ook nauwelijks tijd tussen de ondertekening van de overeenkomst en de daadwerkelijke indiensttreding van de functionaris.
55
Ten slotte zou, indien de instelling gehouden was de voorwaarden van het aanbod te herzien nadat de aangeworven functionaris die heeft aanvaard, teneinde rekening te houden met beroepservaring die deze laatste heeft verworven tussen het tijdstip van het aanbod en de daadwerkelijke indiensttreding, de functionaris zonder objectieve redenen of zonder dat de instelling dit echt kan controleren, de indiensttreding kunnen uitstellen om een betere indeling te verkrijgen.
56
Aangaande het argument dat verzoeker baseert op het arrest [van het Gerecht van 7 februari 1991, Tagaras/Hof van Justitie, T-18/89 en T-24/89, Jurispr. blz. II-53], zij opgemerkt dat de omstandigheden van de onderhavige zaak verschillen van die in het aangevoerde arrest. In die zaak ontbrak onder meer een algemeen besluit inzake de aanstelling in rang en de indeling in salaristrap bij aanwerving. Bovendien had verweerder zich in die zaak gebaseerd op de datum van indiening van de sollicitatie — een andere en veel eerdere datum dan die welke de Commissie in het onderhavige geval heeft gehanteerd — om de beroepservaring van de betrokkene te beoordelen. Bijgevolg doet dat arrest hier niet ter zake.
57
Hieruit volgt dat de Commissie gerechtigd was om in haar besluit van 15 maart 1996 de datum waarop het ambt werd aangeboden te hanteren als uiterste datum om rekening te houden met de beroepservaring overeenkomstig haar besluit van 1 september 1983.”
13.
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep verworpen.
14.
De hogere voorziening is ingesteld op 10 mei 2000. Rekwirant verzoekt het Hof:
—
het bestreden arrest te vernietigen,
—
het in eerste aanleg gevorderde toe te wijzen,
—
de Commissie in de kosten te verwijzen.
15.
De Commissie verzoekt het Hof:
—
de hogere voorziening af te wijzen,
—
rekwirant in alle kosten te verwijzen.
16.
De hogere voorziening omvat drie middelen.
17.
Het eerste middel klaagt over schending van artikel 14, lid 2, punt 2, sub a, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, zoals gewijzigd bij besluit van 17 mei 1999 met het oog op de invoering van de enkelvoudige kamer. Rekwirant voert aan dat de zaak niet mocht worden berecht door de rechterrapporteur als alleensprekende rechter, aangezien de wettigheid van besluiten van algemene strekking aan de orde was. Het eerste middel omvat twee onderdelen. In het eerste benadrukt hij dat de ontvankelijkheid van het beroep de vraag deed rijzen naar de wettigheid van de Mededelingen van de administratie. In het tweede voert hij aan dat in het beroep ten principale de wettigheid van artikel 2, derde alinea, van het besluit van 1 september 1983 aan de orde was, inzake de criteria voor de aanstelling in rang en de indeling in salaristrap bij aanwerving.
18.
Het tweede middel berust op schending van artikel 2, tweede alinea, van het besluit van 1 september 1983 en op schending van de artikelen 31 en 32 van het Statuut, die bij artikel 5 van voormeld besluit toepasselijk zijn verklaard op tijdelijke functionarissen. Het derde middel berust op schending van de verplichting tot motivering van arresten.
IV — Uitlegging van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht
19.
Het eerste middel stelt in wezen de vraag aan de orde of interne handelingen die de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid van de communautaire instellingen regelen, moeten worden beschouwd als handelingen van algemene strekking in de zin van artikel 14, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
20.
Alvorens de twee onderdelen van dit middel successievelijk te behandelen, is een toelichting op de normatieve context van de bepaling in kwestie op zijn plaats.
A — Algemene opmerkingen over de betekenis en de draagwijdte van artikel 14, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht
1. Letterlijke en systematische uitlegging
21.
De versie van artikel 14 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht die van toepassing is op de onderhavige zaak, is vastgesteld bij besluit van het Gerecht van 17 mei 1999.
22.
De mogelijkheid om een zaak te berechten door een „afgeslankte” rechtsprekende formatie geldt als een uitzondering. Blijkens artikel 14, lid 2, eerste alinea, komt toewijzing aan de rechterrapporteur als alleensprekende rechter slechts in aanmerking bij bepaalde zaken ( 7 ) die aanhangig zijn gemaakt bij een kamer bestaande uit drie rechters.
23.
Deze bepaling bevat nog een tweede reeks beperkingen: alleen zaken die zich hiertoe lenen „gelet op de geringe moeilijkheid van de gerezen rechtsvragen of feitelijke vragen, het geringe belang van de zaak en het ontbreken van andere bijzondere omstandigheden”, kunnen door de kamer aan de rechterrapporteur als alleensprekende rechter worden toegewezen.
24.
Artikel 14, lid 2, punt 2, is derhalve te zien als een concretisering van deze tweede reeks beperkingen. Aan een alleensprekende rechter mogen geen zaken worden toegewezen waarin vragen rijzen betreffende de wettigheid van een handeling van algemene strekking (sub a), en evenmin zaken betreffende de toepassing van mededingingsregels en regels betreffende de controle op concentraties, overheidssteun, handelspolitieke beschermingsmaatregelen of geschillen betreffende de intellectuele eigendom en de gemeenschappelijke ordeningen der landbouwmarkten (sub b).
25.
Kortom, zaken waarin vragen betreffende de wettigheid van handelingen van algemene strekking aan de orde zijn, mogen niet door een alleensprekende rechter worden berecht, aangezien deze als zodanig worden geacht bijzonder moeilijk of van bijzonder belang te zijn.
2. Achtergrond
26.
De wijziging van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, die tot stand is gebracht bij besluit van het Gerecht van 17 mei 1999, vloeit voort uit een voorstel dat het Hof op 7 februari 1997 aan de Raad heeft voorgelegd overeenkomstig de artikelen 168 A, lid 2, EG-Verdrag (dians artikel 225, lid 2, EG), 32 quinquies van het EGKS-Verdrag en 140 A van het Euratom-Verdrag. ( 8 )
27.
Aan dit voorstel lagen verschillende overwegingen ten grondslag: de sterke toename van het aantal zaken dat ieder jaar bij het Gerecht aanhangig wordt gemaakt, de algemene trend in de lidstaten om alleensprekende rechters in te zetten ten einde het hoofd te bieden aan het stijgende aantal rechtszaken, en de mogelijkheid om van berechting door meerdere rechters af te zien in gevallen van beperkt belang die op basis van een vaste rechtspraak kunnen worden beslist. In het voorstel werd echter benadrukt dat wanneer de communautaire rechter zich uit dient te spreken over nieuwe en belangrijke vraagstukken, hij het gemeenschapsrecht verder moet ontwikkelen en richtsnoeren moet opstellen voor de uitlegging van de toepasselijke regels van algemene strekking, meerdere rechters afkomstig uit verschillende nationale rechtsstelsels vertegenwoordigd moeten zijn. ( 9 )
28.
Deze gedachten zijn terug te vinden in de eerste vier overwegingen van de considerans van besluit 1999/291/EGKS, EEG, Euratom. ( 10 )
29.
Dat dit voorstel van het Mof is aanvaard, wil niet zeggen dat er destijds geen principiële kritiek en twijfel aan de doelmatigheid ervan is geweest. Zo heeft de Commissie juridische zaken en rechten van de burger van het Europees Parlement het Hof aanbevolen om drie jaar na de inwerkingtreding van het besluit een evaluatieverslag aan het Parlement en de Raad voor te leggen. Voorts heeft zij erop gewezen dat de begrippen „belang van de zaak” en „bijzondere omstandigheden” niet erg nauwkeurig zijn. ( 11 )
3. Het begrip handeling van algemene strekking
30.
Zoals reeds gezegd, moet artikel 14, lid 2, punt 2, sub a, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht worden gezien tegen de achtergrond van het algemene beginsel dat aan de alleensprekende rechter geen bijzonder moeilijke of belangrijke zaken mogen worden toegewezen. Daarmee is echter nog niets gezegd over de concrete contouren van dit begrip, aangezien handelingen van algemene strekking zowel handelingen van algemene strekking in technische zin kunnen zijn, als handelingen waarvan de geldigheid of de uitlegging in een onbepaald aantal zaken van belang is. ( 12 ) Dit betekent voor ons geval dat interne richtsnoeren, ook al zijn zij in beginsel op een onbeperkt aantal zaken van toepassing, niet per se als handelingen van algemene strekking in technische zin zijn te beschouwen.
31.
Het begrip handeling van algemene strekking staat dus duidelijk tegenover het begrip individueel besluit. Op het eerste gezicht lijkt het mij zowel om materiële als om opportuniteitsredenen echter moeilijk hieruit a contrario af te leiden dat een intern besluit van een instelling, omdat het geen individueel besluit is, een handeling van algemene strekking is in de zin van artikel 14, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Ik zal daarom het begrip handeling van algemene strekking eerst in een bredere context bezien en vervolgens de doelstellingen die ten grondslag lagen aan de wijziging van dit Reglement.
De rechtspraak met betrekking tot de exceptie van onwettigheid van artikel 241 van het EG-Verdrag
32.
In het kader van artikel 241 EG-Verdrag heeft het begrip handeling van algemene strekking een precieze betekenis. In zijn arrest van 6 maart 1979, Simmenthal/Commissie ( 13 ), argumenteert het Hof dat in artikel 184 EG-Verdrag (thans artikel 241 EG) „een algemeen beginsel tot uitdrukking [komt], krachtens hetwelk iedere procespartij met het oog op de vernietiging van een haar rechtstreeks en individueel rakende beschikking de rechtsgeldigheid van eerdere, aan de bestreden beschikking ten grondslag liggende, handelingen der instellingen mag aanvechten, wanneer zij niet — krachtens artikel 173 van het verdrag — rechtstreeks tegen die handelingen in beroep mocht komen, zodat zij, zonder nietigverklaring te mogen vorderen, de gevolgen ervan heeft te dragen; [...] het toepassingsgebied van dit artikel strekt zich derhalve uit tot handelingen van de instellingen welke, ofschoon geen verordening in formele zin, soortgelijke gevolgen sorteren, zodat andere rechtssubjecten dan de instellingen en de lidstaten daartegen geen beroep krachtens artikel 173 konden instellen; [...] zulk een ruime uitlegging van artikel 184 is geboden ter verzekering van rechtmatigheidscontrole ten behoeve van degenen die volgens artikel 173, lid 2, tegen handelingen van algemene strekking niet rechtstreeks in beroep kunnen komen en door uitvoeringsbeschikkingen rechtstreeks en individueel worden geraakt” ( 14 ).
33.
Handelingen van algemene strekking in de zin van artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) zijn handelingen „die beogen rechtsgevolgen jegens derden teweeg te brengen”. Dit is niet het geval bij interne handelingen die dienen ter afbakening van de beoordelingsbevoegdheid waarover een instelling in voorkomend geval beschikt. Volgens vaste rechtspraak worden dergelijke interne besluiten „geacht een gedragsregel te zijn die de administratie zichzelf oplegt, en waarvan zij niet zonder vermelding van redenen kan afwijken, op straffe van schending van het beginsel van gelijkheid van behandeling”. ( 15 ) Zij leiden dus als zodanig niet tot een wijziging van de rechtspositie van de ambtenaren en andere functionarissen waarop zij door middel van individuele besluiten van toepassing zijn, maar begrenzen de beoordelingsbevoegdheid van de instelling bij het nemen van die besluiten.
34.
De door het Gerecht in punt 50 van het bestreden arrest gebezigde formulering „intern besluit met algemene strekking” doet, alhoewel zij onduidelijk is, geen afbreuk aan deze analyse: hiermee wordt uitsluitend aangegeven dat het bij de handeling in kwestie, ook al wordt deze aangeduid als „besluit”, niet om een besluit van individuele strekking ging.
35.
Omwille van de coherentie en bij gebreke van elementen waaruit duidelijk een afwijkende bedoeling blijkt, lijkt het mij zeer wenselijk de uitdrukking „handeling van algemene strekking” in artikel 14, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet anders uit te leggen dan het in het primaire recht gebezigde begrip „handeling van algemene strekking”.
Redenen voor de wijziging van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht
36.
Wanneer interne handelingen worden gekwalificeerd als handelingen van algemene strekking en vervolgens wordt geconcludeerd dat de alleensprekende rechter op grond van artikel 14, lid 2, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet bevoegd is de juistheid van de erin opgenomen beoordelingscriteria te toetsen, dan betekent dit tevens een ernstige aantasting van de met de wijziging van dit Reglement nagestreefde doelstellingen.
37.
Het gaat er hier niet om of de alleensprekende rechter werkelijk de oplossing is voor de problemen waarmee het Gerecht te kampen heeft. Ik wil enkel erop te wijzen dat de uitlegging van het Reglement voor de procesvoering ertoe kan bijdragen dat de praktische betekenis van dit instrument aanzienlijk wordt beperkt, alhoewel dit op initiatief van het Hof zelf is geschapen en zijn nut nog niet is geëvalueerd.
38.
Van de 31 zaken die tot dusver aan een alleensprekende rechter zijn toegewezen, waren er slechts drie geen ambtenarenzaken. Geschillen in ambtenarenzaken hebben echter gewoonlijk betrekking op besluiten over indeling en promotie, die over het algemeen op basis van interne besluiten worden genomen.
4. Tussenresultaat
39.
Interne besluiten van de instellingen die de uitoefening van hun beoordelingsbevoegdheid beogen af te bakenen, onderscheiden zich van handelingen van algemene strekking doordat zij, behoudens voor de instelling die ze vaststelt, geen verplichtingen scheppen en als zodanig geen wijziging brengen in de rechtspositie van de personen waarop zij door middel van besluiten van individuele strekking toepassing moeten vinden. Met het oog op handhaving van de eenheid van de communautaire rechtsorde en gezien het met de wijziging van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht beoogde doel dient het begrip handeling van algemene strekking in de zin van artikel 14, lid 2, tweede alinea, sub a, van het voornoemde Reglement voor de procesvoering zo te worden uitgelegd dat dit niet van toepassing is op dergelijke interne besluiten.
B — Eerste middelonderdeel
1. Ontvankelijkheid
a) Argumenten van partijen
40.
De Commissie voert aan dat het Gerecht, door het beroep ontvankelijk te verklaren, een voor rekwirant gunstige beslissing heeft genomen. Aangezien het eerste onderdeel van het eerste middel gericht is tegen een niet-bezwarend besluit, is het volgens de Commissie niet-ontvankelijk.
b) Beoordeling
41.
Om te beginnen stel ik vast dat het eerste middel in essentie betrekking heeft op de formele rechtmatigheid van het bestreden arrest, aangezien dit ten onrechte door een alleensprekende rechter zou zijn gewezen. Nu het beroep van rekwirant in het bestreden arrest is verworpen, moet dit volgens vaste rechtspraak als ongunstig voor rekwirant worden beschouwd.
42.
De Commissie benadrukt terecht dat de ontvankelijkverklaring voor rekwirant gunstig is, gegeven het feit dat het beroep te laat was ingesteld. Juist in dat kader heeft het Gerecht de handeling onderzocht die naar wordt beweerd van algemene strekking is. Dit neemt echter niet weg dat het uitspraak heeft gedaan in een formatie die door rekwirant niet adequaat wordt geacht. De vraag of het Gerecht op de juiste wijze was samengesteld, komt echter een dermate groot belang toe, dat hierover in voorkomend geval ambtshalve kan worden beslist.
43.
Aangezien rekwirant bezwaar aantekent tegen de samenstelling van de kamer, is het feit dat het bestreden arrest voor hem ten dele gunstig was in die zin dat het Gerecht zijn beroep ontvankelijk heeft verklaard, van ondergeschikt belang. In dit opzicht verschilt de onderhavige zaak met de zaak Raad/Boehringer (C-23/00 P), die bij het Hof aanhangig is en waarin advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer onlangs conclusie heeft genomen. ( 16 ) In deze zaak gaat het om de ontvankelijkheid van een hogere voorziening tegen een arrest waarin de vorderingen van verzoeksters tot nietigverklaring van een verordening van de Raad werden verworpen. Het Gerecht had ten principale uitspraak gedaan zonder de door de Raad opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid in aanmerking te nemen. De advocaatgeneraal heeft, onder verwijzing naar de conclusie van advocaatgeneraal Mischo in de zaak Frankrijk/Comafrica e.a. ( 17 ), voorgesteld de hogere voorziening ontvankelijk te verklaren, onder meer omdat zijns inziens kon worden aangenomen dat het Gerecht de ontvankelijkheid impliciet had erkend door ten gronde uitspraak te doen. ( 18 ) In dit geval kan een dergelijk onderscheid evenwel niet worden gemaakt, aangezien rekwirant niet de beslissing over de ontvankelijkheid, maar de samenstelling van de kamer zelf aanvecht.
44.
Het eerste onderdeel van het eerste middel dient derhalve ontvankelijk te worden verklaard.
2) Ten gronde
a) Argumenten van partijen
45.
Rekwirant verklaart dat de zaak ten onrechte is berecht door de rechterrapporteur als alleensprekende rechter, aangezien de ontvankelijkheid van het beroep de vraag naar de wettigheid van de Mededelingen van de administratie aan de orde stelde.
46.
De Commissie is van haar kant van mening dat de ontvankelijkheid van het beroep niet de vraag naar de wettigheid van de in de Mededelingen van de administratie gepubliceerde regels opwierp, maar de vraag of rekwirant verschoonbaar had gedwaald en de overschrijding van de beroepstermijn daarom vergeeflijk was.
47.
Zij stelt subsidiair dat dit document geen „handeling van algemene strekking” in de zin van artikel 14, lid 2, tweede alinea, sub a, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht is, maar een interne handeling van een instelling, die uitsluitend van toepassing is op haar ambtenaren en tijdelijke functionarissen. Het feit dat deze bepaling een uitzondering vormt op de regel van artikel 14, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering, maakt volgens de Commissie een strikte uitlegging van het begrip handeling van algemene strekking noodzakelijk.
b) Beoordeling
48.
Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep heeft het Gerecht onderzocht of rekwirant de in artikel 91 van het Statuut bepaalde beroepstermijn had laten verstrijken ten gevolge van een verschoonbare dwaling. Daartoe onderzocht het Gerecht het gedrag van de betrokken instelling, en met name of dit gedrag „bij een burger te goeder trouw, die alle zorgvuldigheid aan de dag legt die van een persoon met normale kennis van zaken mag worden verwacht, tot een begrijpelijk misverstand heeft geleid”. ( 19 )
49.
Het Gerecht heeft vastgesteld dat de informatie in de Mededelingen van de administratie van dien aard was dat zij bij rekwirant voor verwarring heeft gezorgd ( 20 ), aangezien die informatie niet overeenstemde met de statutaire regels en deze informatie door een ambtenaar van de Commissie was bevestigd. Uit het bestreden arrest blijkt dus niet dat het Gerecht zich heeft uitgesproken over de „wettigheid” van de in de Mededelingen van de administratie gepubliceerde regels.
50.
In dit opzicht zouden vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de normativiteit van de informatie in kwestie. Het gaat hier om de berekening van de termijnen voor klachten en beroepen, en de Commissie is op geen enkele wijze bevoegd de vigerende, eenduidige statutaire regels te wijzigen. De in dit verband verstrekte informatie kon dus alleen maar een puur indicatief karakter hebben.
51.
Het is derhalve niet noodzakelijk na te gaan of de regels in kwestie een handeling van algemene strekking in de zin van artikel 14, lid 2, tweede alinea, sub a, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht vormden. Het eerste onderdeel van het eerste middel dient derhalve als niet gegrond te worden afgewezen.
C — Het tweede onderdeel van het eerste middel
1. Argumenten van partijen
52.
Rekwirant is verder van mening dat de zaak ten onrechte is berecht door de rechterrapporteur als alleensprekende rechter, aangezien het beroep de vraag deed rijzen naar de rechtmatigheid van artikel 2, derde alinea, van het besluit van 1 september 1983 inzake de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving.
53.
De Commissie verwerpt dit argument onder verwijzing naar het bestreden arrest, waaruit zou blijken dat rekwirant een besluit van individuele strekking aanvecht en niet de rechtmatigheid van een handeling van algemene strekking. De Commissie betwijfelt daarenboven dat het besluit van 1 september 1983 een „handeling van algemene strekking” in de zin van artikel 14, lid 2, tweede alinea, sub a, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht is.
2) Beoordeling
54.
In confesso is dat de rechtmatigheid van de bestreden besluiten van individuele strekking is onderzocht inzoverre zij toepassing geven aan de criteria van het besluit van 1 september 1983. De vraag of het middel inzake schending van artikel 14, lid 2, tweede alinea, sub a, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht gegrond is, hangt derhalve af van het rechtskarakter van dit besluit.
55.
Volgens vaste rechtspraak vormt het besluit van 1 september 1983 een intern besluit dat de regels vastlegt voor de uitoefening van de door het Statuut aan de Commissie toegekende discretionaire bevoegdheid. ( 21 ) Aangezien het hierbij gaat om een indicatieve gedragsregel die de instelling zichzelf oplegt, vormt het besluit om de reeds genoemde redenen ( 22 ) geen „handeling van algemene strekking” in de zin van artikel 14, lid 2, tweede alinea, sub a, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
56.
Aangezien het voornoemde besluit een indicatieve gedragsregel vormt, moet de rechtmatigheid van de bestreden besluiten van individuele strekking van 15 maart en 5 november 1996 niet worden getoetst aan deze regel, maar aan de statutaire bepalingen, waarvan deze niet mag afwijken, dan wel aan het beginsel van gelijke behandeling, ingeval de administratie afwijkt van de regels die zij zichzelf heeft opgelegd.
57.
Het tweede onderdeel van het eerste middel dient derhalve als ongegrond te worden afgewezen.
V — De overige middelen
58.
Met zijn tweede middel vordert rekwirant vernietiging van het bestreden arrest wegens schending van artikel 2, tweede alinea, van het besluit van 1 september 1983, en van de artikelen 31 en 32 van het Statuut, die in artikel 5 van voormeld besluit toepasselijk zijn verklaard op tijdelijke functionarissen. Zijn derde middel klaagt dat de motivering van het arrest in ieder geval ontoereikend is ten aanzien van de conformiteit van artikel 2, derde alinea, van ditzelfde besluit met het Statuut.
A — Ontvankelijkheid
1. Argumenten van partijen
59.
Volgens de Commissie is het tweede middel niet-ontvankelijk. De vermeende schending van artikel 2, tweede alinea, van het besluit van 1 september 1983 zou als nieuw middel dat voor het eerst in het stadium van de hogere voorziening is aangevoerd, niet-ontvankelijk zijn. Bovendien geeft rekwirant volgens haar niet aan op welke wijze het bestreden arrest deze bepaling zou schenden.
60.
Tegen de stelling dat een bepaling die verbiedt dat de beroepservaring die is verworven tussen de datum van het aanbod van het ambt en de datum van de indiensttreding bij de Gemeenschappen in aanmerking wordt genomen, in strijd is met de artikelen 31 en 32 van het Statuut, voert de Commissie aan dat rekwirant in eerste aanleg het middel inzake vermeende schending van artikel 31, lid 2, van het Statuut heeft ingetrokken. In hogere voorziening is dit dus een nieuw middel en als zodanig niet-ontvankelijk.
61.
Ten slotte is de Commissie van mening dat de hogere voorziening niet duidelijk genoeg is. De toelichting citeert arresten en statutaire bepalingen, maar geeft niet aan in hoeverre de overwegingen van het Gerecht in de punten 49 en volgende van het bestreden arrest in strijd zouden zijn met de aangehaalde rechtspraak.
62.
Met betrekking tot het derde middel betoogt de Commissie dat de argumentatie van rekwirant zicht keert tegen de constateringen en feitelijke waarderingen in de punten 52 en 55 van het bestreden arrest en om deze reden niet-ontvankelijk is. De opmerkingen betreffende het arrest van 7 april 1991, Tagaras/Hof van Justitie ( 23 ), vormen volgens de Commissie een herhaling van hetgeen rekwirant reeds voor het Gerecht heeft aangevoerd, hetgeen een tweede reden voor niet-ontvankelijkheid zou zijn.
2. Beoordeling
63.
Rekwirant is in essentie van mening dat een regel die de bevoegde autoriteit de mogelijkheid ontneemt om de kwalificaties en de beroepservaring die een ambtenaar of tijdelijk functionaris heeft verworven voorafgaande aan de indiensttreding bij de Gemeenschappen in hun geheel in aanmerking te nemen, strijdig is met het doel van de artikelen 31 en 32 van het Statuut. Aangezien het Gerecht in het bestreden arrest tot de tegenovergestelde conclusie komt, klaagt hij over schending van artikel 2, tweede alinea, van het besluit van 1 september 1983 juncto de artikelen 31 en 32 van het Statuut.
64.
Dientengevolge lijkt de ontvankelijkheid van het tweede middel geen bijzondere moeilijkheid op te leveren, aangezien het gaat om een rechtsvraag die als zodanig aan de toetsing door het Hof is onderworpen.
65.
Rekwirant stelt geen schending van artikel 2, tweede alinea, van het besluit van 1 september 1983, maar een fout bij de beoordeling van de volgens deze bepaling voor de indeling in rang vereiste beroepservaring, gelet op de doelstellingen van het Statuut. Voor het overige heeft rekwirant in zijn verzoekschrift primair de onjuiste toepassing van deze regel gelaakt. Het gaat hier dus niet om een nieuw middel.
66.
Aangaande het argument dat rekwirant het middel inzake schending van artikel 31, lid 2, van het Statuut in eerste aanleg heeft ingetrokken, wil ik slechts opmerken dat deze intrekking betrekking had op een middel dat berustte op schending van het artikel in kwestie ten gevolge van een kennelijke beoordelingsfout ten aanzien van het vermeende uitzonderlijke karakter van de beroepservaring van rekwirant. De intrekking betrof echter niet de eventuele implicaties van artikel 31 van het Statuut voor de berekening van de volgens artikel 2, tweede alinea, van het besluit van 1 september 1983 vereiste beroepservaring.
67.
In het door rekwirant ontwikkelde betoog kan ik geen andere reden voor niet-ontvankelijkheid zien. Rekwirant heeft duidelijk aangegeven waarom hij de aangehaalde rechtspraak voor zijn standpunt relevant acht.
68.
Met het derde middel tracht rekwirant aan te tonen dat de motivering door het Gerecht van zijn oordeel dat artikel 2, derde alinea, van het besluit van 1 september 1983 strookt met het Statuut, ontoereikend is. In dit verband voert hij aan dat de genoemde argumenten afwijking van het arrest Tagaras/Hof van Justitie niet kunnen dragen. ( 24 ) Op dit punt zie ik geen enkele reden voor niet-ontvankelijkheid. ( 25 )
69.
Het eerste en het tweede middel zijn derhalve ontvankelijk.
B — Gegrondheid
70.
Overeenkomstig artikel 31, lid 1, van het Statuut worden de gekozen kandidaten aangesteld in de aanvangsrang van hun categorie of groep indien het ambtenaren betreft van categorie A of van de groep voor de talendienst. Artikel 31, lid 2, van het Statuut biedt de mogelijkheid om binnen bepaalde grenzen af te wijken. Uit de rechtspraak blijkt dat deze bepaling de bevoegde autoriteit een ruime discretïonaire bevoegdheid biedt „teneinde eveneens de beroepservaring van de betrokkenen met het oog op hun indeling in de rang te kunnen beoordelen”. ( 26 )
71.
Om te beginnen merk ik op dat de Commissie artikel 31 van het Statuut eigener beweging ( 27 ) toepast op de indeling in rang van tijdelijke functionarissen. Voor de indeling van tijdelijke functionarissen verwijst artikel 15 RAP immers uitsluitend naar artikel 32 van het Statuut.
72.
Het arrest Tagaras/Hof van Justitie ( 28 ) verduidelijkt de modaliteiten voor de beoordeling van de beroepservaring van de betrokkenen ten behoeve van de toepassing van artikel 32, lid 2, van het Statuut. Het Gerecht herinnert eraan dat „het tot aanstelling bevoegd gezag in het kader van artikel 32, tweede alinea, ten aanzien van de bij aanwerving aan de ambtenaar toe te kennen salarisanciënniteit in verband met de vroegere beroepservaring van de betrokkene, over een ruime beoordelingsvrijheid [beschikt] zowel met betrekking tot de aard en de duur van die ervaring als met betrekking tot de mate waarin deze relevant is voor het te bekleden ambt [...]”, en verklaart dat „rekwirants opleiding en bijzondere beroepservaring hadden moeten worden beoordeeld naar het tijdstip van zijn aanstelling en niet naar dat van zijn sollicitatie”.
73.
Of dit arrest voor de onderhavige zaak relevant is, kan vanuit verschillende invalshoeken worden onderzocht: het had betrekking op de indeling in salaristrap — en niet in rang — van een ambtenaar — en niet van een tijdelijk functionaris. Bovendien kende de verwerende instelling, zoals de Commissie opmerkt, geen intern besluit waarin de indelingscriteria waren geregeld. Maar ook wanneer dit arrest relevant zou zijn, zou voor de toepassing hiervan op een tijdelijk functionaris een besluit moeten worden gedetermineerd dat equivalent is aan het benoemingsbesluit.
74.
Het arrest Tagaras/Hof van Justitie heeft betrekking op artikel 32, tweede alinea, van het Statuut, hetgeen echter niet van invloed lijkt voor de beslissing in de onderhavige zaak, aangezien het in beide gevallen om de beoordeling van de beroepservaring gaat. ( 29 ) In dit arrest heeft het Hof van Justitie, in zijn hoedanigheid van verweerder, meegedeeld welke criteria het voor de indeling toepast, zodat het ontbreken van een intern besluit waarin deze criteria zijn vastgelegd, geen invloed had op de argumentatie van het Gerecht. Ook het feit dat rekwirant de status van tijdelijk functionaris heeft, doet niet af aan de relevantie van het arrest in kwestie, aangezien de Commissie op rekwirant de criteria heeft toegepast, die bestemd zijn voor de uitvoering van artikel 31 van het Statuut.
75.
Voor de berekening van de duur van de beroepservaring met het oog op de indeling van een ambtenaar is het arrest Tagaras/Hof van Justitie in zoverre van belang, dat hierin is vastgesteld dat de dies ad quem de datum van het aanstellingsbesluit is en niet die van de indiening van de sollicitatie. Artikel 3 van het Statuut luidt als volgt: „In het besluit tot aanstelling [...] wordt de datum bepaald, waarop de aanstelling ingaat; deze datum mag in geen geval een vroegere zijn dan die waarop de betrokkene in dienst treedt”. Uit voornoemd arrest blijkt derhalve dat voor de indeling in ieder geval rekening moet worden gehouden met de beroepservaring die belanghebbende tot het tijdstip van zijn indiensttreding heeft verworven.
76.
Met betrekking tot tijdelijke functionarissen moet derhalve, ongeacht welke handeling ook als gelijkwaardig aan het aanstellingsbesluit is te beschouwen, bij de definitieve indeling zo ruim mogelijk rekening worden gehouden met de beroepservaring. Zonder mij in dit stadium reeds precies vast te leggen op de dies ad quem die bij de berekening van de beroepservaring van een tijdelijk functionaris met het oog op zijn indeling in aanmerking moet worden genomen, lijkt het in ieder geval in strijd met het doel van de artikelen 31 en 32 van het Statuut, wanneer overeenkomstig artikel 2, derde alinea, van het besluit van 1 september 1983 geen rekening wordt gehouden met de beroepservaring die is verworven na het aanbod van het ambt.
77.
Door besluiten van individuele strekking die toepassing geven aan artikel 2, derde alinea, van het besluit van 1 september 1983 in overeenstemming te achten met het Statuut, heeft het Gerecht dientengevolge de artikelen 31 en 32 van het Statuut onjuist toegepast. Het tweede middel treft dus doel en het bestreden arrest moet worden vernietigd.
78.
Het derde middel klaagt in essentie dathet Gerecht de afwijzing van verzoekers stellingen onvoldoende heeft gemotiveerd. Daar ik voorstel het tweede middel te aanvaarden, zal ik mij tot een aantal subsidiaire opmerkingen aangaande het derde middel beperken.
79.
Aangezien de definitieve indeling van een tijdelijk functionaris niet wordt bepaald op het tijdstip waarop het ambt wordt aangeboden, kan de beslissing van het Gerecht in het bestreden arrest niet worden gerechtvaardigd met het argument dat op dat tijdstip geen rekening kan worden gehouden met tussen dat tijdstip en de indiensttreding verworven beroepservaring en dat enige tijd kan verstrijken tussen het aanbod van het ambt en de indiensttreding. In dit opzicht is de situatie van een tijdelijk functionaris vergelijkbaar met die van een ambtenaar.
80.
Wat het geval betreft dat een functionaris zijn indiensttreding zou uitstellen met het oog op een betere indeling, wijs ik er slechts op dat het tot aanstelling bevoegde gezag over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt bij de beoordeling van de in aanmerking te nemen beroepservaring. Bovendien staat het de bevoegde autoriteit vrij in haar aanbod een precieze datum voor de indiensttreding te vermelden. Overigens wil ik eraan herinneren dat het vraagstuk van de indeling in een hogere loopbaan op grond van de beroepservaring van de betrokkene zich alleen maar stelt vanwege de administratieve praktijk van de Commissie om selectieprocedures te publiceren voor posten die meer dan één loopbaan omvatten. Tenslotte is niet gesteld dat de rekwirant zich aldus heeft gedragen, zodat de desbetreffende overwegingen van het Gerecht niet ter zake dienend zijn.
81.
Uit het voorgaande blijkt dat het Gerecht niet heeft onderbouwd waarom de beroepservaring van een tijdelijk functionaris voor de indeling in rang anders zou moeten worden bepaald dan die van een ambtenaar.
82.
Mocht het Hof het tweede middel niet aanvaarden, zou het dus het derde middel moeten aanvaarden en het bestreden arrest moeten vernietigen voorzover het beroep van rekwirant hierin als ongegrond is verworpen.
VI — Ten gronde
83.
Daar de zaak in staat van wijzen is, kan het Hof deze zelf afdoen overeenkomstig artikel 54 van 's Hofs Statuut-EG.
84.
De onderhavige zaak betreft in essentie de vraag welke datum bij de indeling van tijdelijke functionarissen de dies ad quern is voor de berekening van hun eerder verworven beroepservaring.
85.
In zijn verzoekschrift vordert rekwirant nietigverklaring van de bestreden besluiten van respectievelijk 15 maart en 5 november 1996 met als voornaamste argument dat, gezien de artikelen 31 en 32 van het Statuut, de duur van zijn beroepservaring ten onrechte volgens artikel 2, tweede en zesde alinea, van het besluit van 1 september 1983 is berekend.
86.
Artikel 32 van het Statuut is hier niet aan de orde, naar vaststaat. Het heeft uitsluitend betrekking op een eventuele toekenning van anciënniteit in salaristrap, waar het in casu niet om gaat.
87.
Wat de toepassing van artikel 31 van het Statuut op tijdelijke functionarissen betreft, vloeit de onregelmatigheid van de bestreden besluiten van individuele strekking van 15 maart en 5 november 1996 voort uit het beginsel dat ik hierboven heb behandeld. ( 30 ) Thans hoef ik alleen te bezien of de dies ad quem die in de onderhavige zaak voor de berekening van de beroepservaring in aanmerking moet worden genomen, de datum van de aanwervingsovereenkomst of die van de indiensttreding van de functionaris is.
88.
Uit de processtukken blijkt dat op de aanwervingsovereenkomst een datum is vermeld die vóór die van het aanbod van het ambt is gelegen. In het algemeen is het tijdstip waarop de aanwervingsovereenkomst door aanvaarding van het aanbod van de betrokken instelling totstandkomt, een referentiepunt dat aan variaties onderhevig is. Wanneer de datum van deze overeenkomst in aanmerking wordt genomen, dan kan dit problemen opleveren vanuit het oogpunt van het beginsel van gelijke behandeling. Bovendien zijn in de onderhavige zaak op de aanwervingsovereenkomst twee verschillende data vermeld ( 31 ), hetgeen tot verwarring kan leiden.
89.
De datum van de indiensttreding kan daarentegen gemakkelijker worden bepaald. Ten aanzien van het door de Commissie aangevoerde risico dat bepaalde functionarissen hun indiensttreding uitstellen teneinde op grond van de langere duur van hun beroepservaring hoger te worden ingeschaald, ben ik van mening dat de bevoegde autoriteit invloed op deze datum kan uitoefenen.
90.
Gezien hetgeen ik over de doelstellingen van artikel 31 van het Statuut ( 32 ) heb gezegd en gezien het voorgaande, heeft de Commissie artikel 31 van het Statuut onjuist toegepast door de bestreden besluiten van individuele strekking van 15 maart en 5 november 1996 te baseren op artikel 2, derde alinea, van het besluit van 1 september 1983. Om deze redenen moet het principale middel tot nietigverklaring van rekwirant worden aanvaard.
VII — Kosten
91.
Volgens artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de proceskosten, wanneer de hogere voorziening gegrond is en het zelf de zaak afdoet. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van Libéros behalve in haar eigen kosten te worden verwezen in alle kosten van Libéros, zowel in eerste aanleg als in hogere voorziening.
VIII — Conclusie
In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1)
het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 9 maart 2000, Libéros/Commissie (T-29/97), te vernietigen voorzover het beroep hierin als ongegrond is verworpen;
2)
ten gronde beslissend, de besluiten van de Commissie van 15 maart 1996 en 5 november 1996 nietig te verklaren, en
3)
de Commissie van de Europese Gemeenschappen te verwijzen in de kosten van Libéros in beide instanties.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) T-29/97, JurAmbt. blz. I-A-43 en II-185; hierna: „bestreden arrest”.
( 3 ) PB 1999, L 135, blz. 92.
( 4 ) Punten 7 tot en niet 14.
( 5 ) T-17/95, JurAmbt. blz. I-A-227 en II-683.
( 6 ) Mededelingen van de administratie, nr. 635 van 16 juli 1990.
( 7 ) Artikel 14, lid 2, eerste alinea, sub a, betreft zaken die aanhangig zijn gemaakt krachtens artikel 236 EG-Verdrag en artikel 152 EGA-Verdrag, dat wil zeggen geschillen tussen de Gemeenschap en haar functionarissen.
( 8 ) Zie het verslag van de heer Martin voor de Commissie juridiselle zaken en rechten van de burger van het Europees Parlement over het ontwerpbesluit van de Raad tot wijziging van Besluit 88/591/EGKS, EEG. Euratom tot instelling van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschap, dat het Gerecht in staat dient te stellen om in enkelvoudige kamers recht te spreken 16290/97 — C4 — 0218/97 — 97/0908ICNSI].
( 9 ) Zie presentatie van L. Rinuy „L'incursion prudente du juge unique au Tribunal dc première instance des Communautés” (De voorzichtige opkomst van de alleensprekende rechter bij het Gercent van eerste aanleg van de Gcmcciischappcnl, RAELEA 2000, hlz. 267.
( 10 ) Besluit van de Raad van 26 april 1999 tot wijziging van Besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom tot instelling van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen met het oog op de invoering van enkelvoudige kamers (PB L 114, biz. 52).
( 11 ) Document geciteerd in voetnoot 8.
( 12 ) Zie de formulering in hel voorstel lot wijziging van het Reglement voor de procesvoering, zoals geciteerd in E unt 27, en de evaluatie van hel voorstel in Je toelichting ij het in voetnoot 8 geciteerde verslag |A, 2, sub ijl: „alle zaken betreffende de nietigverklaring van een verordening, of zaken die nieuwe principiële of algemene vraagstukken opwerpen, ļinocienļ eveneens worden toegevoegd aan bovenstaande lijst” [bedoeld worth de lijst iu artikel 14, lid 2, punt 2, sub b, van hel Reglement voor de procesvoering van liet Gcrecht|.
( 13 ) 92/78, Jurispr. blz. 777, punten 39 e.V.
( 14 ) Cursivering van mij. Ik wijs erop dat het Hof in het Frans de begrippen „acte de portee générale” (punt 38) en „acte de caractere général” (punt 41) door elkaar gebruikt.
( 15 ) Arrest van 1 december 1983, Blomefield/Commissie (190/82, Jurispr. blz. 3981, punt 20).
( 16 ) Conclusie van 4 oktober 2001.
( 17 ) Arrest van 21 januari 1999 (C-73/97 P, Jurispr. blz. I-185, punt 13).
( 18 ) Conclusie geciteerd in voetnoot 16, punten 23 e.V.
( 19 ) Punt 30 van het bestreden arrest.
( 20 ) Punt 31 van het bestreden arrest.
( 21 ) In de arresten van 1 december 1983, Blomefield/Commissie, aangehaald in voetnoot 14, punt 20; Michael/Commissie (343/82, Jurispr. blz. 4023, punt 15), en van 6 juni 1985, De Santis/Rckcnkamcr (146/84, Jurispr. blz. 1723, punt 11), is deze kwalificatie aanvaard met betrekking tot besluiten over hetzelfde onderwerp. Aangaande het besluit van 1 september 1983 kan worden verwezen naar de arresten van het Gerecht van 7 februari 1991, Ferreira de Frcitas/Coinmissie (T-2/90, Jurispr. blz. II-103, punt 61), en van 21 oktober 1998, Vicente-Nuflez/Commissic (T-100/96, JurAmbt. blz. I-A-591 en II-1779, punt 67).
( 22 ) Zie punten 21 c.v.
( 23 ) T-18/89 en T-24/89, Jurispr. blz. II-53.
( 24 ) Aangehaald in voetnoot 23.
( 25 ) Ik wijs ook op de formulering die het Hof heeft gebruikt in zijn arrest van 11 januari 2001, Martínez del Peral Cagi gal/Co mmissi e (C-459/98 P, Jurispr. blz. I-135. punt 38): „Bijgevolg betekent het feit dat dezelfde argumenten reeds in eerste aanleg in het kader van de betwisting van de wettigheid van het besluit van een gemeenschapsinstelling zijn aangevoerd, nog niet dal deze niet-ontvankelijk zijn; er anders over oordelen, zou meebrengen dat hogere voorziening elke zin verliest.”
( 26 ) Arrest van 29 juni 1994, Klinke/Hof van Justitie (C-298/93 P, Jurispr. blz. I-3009, punt 15), onder verwijzing naar de arresten Michael/Commissie, aangehaald in voetnoot 21, punt 19, en van 5 oktober 1988, De Szy-Tarisse en Feyaerts/Commissie (314/86 en 315/86, Jurispr. blz. 6013, punt 26).
( 27 ) Zie artikel 5 van het besluit van 1 september 1985.
( 28 ) Aangehaald ín voetnoot 23, punten 63 t/m 66.
( 29 ) De stelling dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het doel van artikel 31, lid 2, van het Statuut, volgens hetwelk uitsluitend rekening mag worden gehouden met het belang van de dienst, en dat van artikel 32, tweede alinea (zie bijvoorbeeld het standpunt van de Commissie in punt 45 van het bestreden arrest) is door het Hof in het arrest Klinke/Hof van Justitie (reeds aangehaald, voetnoot 26, punt 16) uitdrukkelijk van de hand gewezen. Anders, het arrest van het Gerecnt van 30 maart 1993, Klinke/Hof van Justitie (T-30/92, Jurispr. blz. II-375, punt 26).
( 30 ) Zie punten 75 en volgende.
( 31 ) Uit het bestreden arrest (punt 10) en de processtukken blijkt dat de aanwervingsovereenkoiust door rekwirant op 23 juni 1995 is getekend en dat deze gedateerd is op 7 oktober 1994 (de zogenoemde datum van de opstelling van de overeenkomst, oic vroeger is dan de datum van het aanbod).
( 32 ) Zie punt 75 en volgende.
Full & Egal Universal Law Academy