Conclusie van de advocaat generaal
1. De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 96/24/EG van de Raad van 29 april 1996 tot wijziging van richtlijn 79/373/EEG betreffende de handel in mengvoeders, en aan richtlijn 96/25/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verkeer van voedermiddelen, tot wijziging van de richtlijnen 70/524/EEG, 74/63/EEG, 82/471/EEG en 93/74/EEG, en tot intrekking van richtlijn 77/101/EEG, de krachtens het EG-Verdrag en deze richtlijnen op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2. Dienaangaande herinnert de Commissie eraan, dat luidens artikel 249, derde alinea, EG de richtlijnen voor de lidstaten verbindend zijn ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch aan de nationale instanties de bevoegdheid laten vorm en middelen te kiezen. Zij voegt daaraan toe, dat volgens artikel 10, eerste alinea, EG de lidstaten algemene of bijzondere maatregelen treffen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit het Verdrag of uit handelingen van de instellingen van de Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren, en preciseert, dat daartoe de verplichting behoort om de in de richtlijnen gestelde termijnen te respecteren.
3. In de onderhavige zaak bepalen artikel 2 van richtlijn 96/24 en artikel 17 van richtlijn 96/25, dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 30 juni 1998 aan deze richtlijnen te voldoen, en dat zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
4. Dat standpunt wordt volledig gedeeld door de Helleense Republiek, die in haar verweerschrift bovendien erkent, dat de vereiste maatregelen niet binnen de in de richtlijnen 96/24 en 96/25 gestelde termijn en evenmin nadien zijn getroffen.
5. Zij voert echter aan, dat de bevoegde diensten van het ministerie van Landbouw de voorbereiding van de noodzakelijke omzettingsmaatregelen binnenkort zullen voltooien.
6. Evenwel moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld naar de situatie die bestond bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. Zoals gezegd, wordt echter niet betwist, dat verweerster op dat moment de krachtens de richtlijnen 96/24 en 96/25 op haar rustende verplichtingen nog niet was nagekomen.
7. Uit het voorgaande volgt, dat het beroep van de Commissie moet worden toegewezen, en dat de Helleense Republiek in de kosten moet worden verwezen.
Conclusie
8. Mitsdien geef ik het Hof in overweging vast te stellen:
Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 96/24/EG van de Raad van 29 april 1996 tot wijziging van richtlijn 79/373/EEG betreffende de handel in mengvoeders, en aan richtlijn 96/25/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verkeer van voedermiddelen, tot wijziging van de richtlijnen 70/524/EEG, 74/63/EEG, 82/471/EEG en 93/74/EEG, en tot intrekking van richtlijn 77/101/EEG, is de Helleense Republiek de krachtens deze richtlijnen op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
Verweerster wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy