Conclusie van de advocaat generaal
1. Met het onderhavige, krachtens artikel 230, eerste alinea, EG ingestelde beroep verzoekt de Italiaanse Republiek om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2000/197/EG van de Commissie van 1 maart 2000 tot wijziging van beschikking 1999/187/EG betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1995 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven.
2. De Italiaanse Republiek vecht de bestreden beschikking aan voorzover zij vijf reeksen financiële correcties oplegt met betrekking tot voor het begrotingsjaar 1995 gedeclareerde uitgaven. Die uitgaven hebben betrekking op de kosten van beheer en controle van de openbare opslag van granen. Het betreft de volgende correcties:
- specifieke financiële correcties ad 3 358 746 955 ITL, 807 967 249 ITL en 22 116 046 015 ITL op de uitgaven betreffende de opslag van durumtarwe;
- specifieke financiële correcties ad 54 518 294 818 ITL op de uitgaven betreffende de opslag van durumtarwe;
- een financiële correctie van 1 923 101 478 ITL, overeenkomend met het bedrag van een zekerheid die had moeten worden geïnd in het kader van een verkoop van durumtarwe naar Algerije;
- een financiële correctie van 9 965 368 843 ITL, overeenkomend met de waarde van de in de voorraden zachte tarwe, gerst en mais vastgestelde verschillen tussen het einde van begrotingsjaar 1994 en het begin van begrotingsjaar 1995, en
- een financiële correctie van 2 502 127 250 ITL, overeenkomend met het saldo van de correcties die de Commissie in een eerdere maandelijkse declaratie over zachte tarwe, gerst en mais had toegepast.
3. De Italiaanse Republiek komt eveneens op tegen de weigering van de Commissie om haar 11 952 457 079 ITL te betalen in verband met de definitieve regularisering van facturen betreffende de verkoop van granen door de interventiebureaus.
4. De motivering voor de toegepaste correcties is beknopt samengevat in het syntheseverslag over de resultaten van de controles voor de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie", voor het begrotingsjaar 1995. Hierna zal ik de specifieke aspecten van de verschillende correcties bespreken (punten I tot en met VII).
I - Specifieke financiële correcties ad 3 358 746 955 ITL, 807 967 249 ITL en 22 116 046 015 ITL op de uitgaven betreffende de opslag van durumtarwe
A - Feiten
5. Tijdens ter plaatse uitgevoerde controles heeft de Commissie wat betreft de interventievoorraden durumtarwe aanzienlijke verschillen vastgesteld tussen de jaardeclaratie van de Italiaanse autoriteiten voor het begrotingsjaar 1995 en de werkelijke omvang van de voorraden. Op basis van de beschikbare gegevens heeft de Commissie besloten:
- de onder begrotingspost 1011.003 gedeclareerde uitgaven te verminderen met een bedrag van 3 358 746 955 ITL;
- de onder begrotingspost 1012.003 gedeclareerde uitgaven te verminderen met een bedrag van 807 967 249 ITL, en
- de onder begrotingspost 1013.003 gedeclareerde uitgaven te vermeerderen met een bedrag van 22 116 046 015 ITL.
B - Argumenten van de Italiaanse Republiek
6. De Italiaanse Republiek stelt dat de bestreden correctie onwettig is. Tot staving van haar standpunt voert zij de volgende argumenten aan:
[...] de hoeveelheid opgeslagen granen, zoals deze is teruggerekend tot 1 oktober 1994 (derhalve tot het begin van het begrotingsjaar 1995) [bedroeg] 715 241,791 ton en was op de volgende wijze onderverdeeld:
Per 1 oktober vastgestelde voorraad
(op basis van inventariscontroles) 639 282,836 t
+ voorraad bij de vennootschap Casillo 91 664,845 t
+ voorraad bij de vennootschap Federconsorzi 117,980 t
+ voorraad bij de vennootschap Molini Nuova Daunia 7 681,500 t
Minus de ontbrekende hoeveelheden bij de
vennootschap CO.GE.A 23 505,900 t
____________
Voorraad per 1 oktober 1994 715 241,251 t
De diensten van de Commissie hebben met betrekking tot de door de Italiaanse autoriteiten gedeclareerde voorraad opgemerkt dat deze 174 640,558 ton hoger was dan de hoeveelheid die eerder was vermeld in de EOGFL-overzichten per 30 september 1994 (einddatum van het begrotingsjaar 1994), welke 540 601,233 ton bedroeg. Dit verschil werd volgens hen verklaard door een vermeerdering van de voorraden met 198 146,458 ton door de Italiaanse autoriteiten en een overeenkomstige vermindering van dezelfde voorraden met 23 505,900 ton.
Opgemerkt moet worden dat onafhankelijk van de motieven voor de doorgevoerde specifieke correcties, de diensten van de Commissie [...] bij brief nr. 4014 van 9 februari 2000 [...] hebben verklaard dat zij de verhoging van de durumtarwevoorraad met 174 640,558 ton vanaf het begrotingsjaar 1995 hebben aanvaard, hoewel zij vervolgens de negatieve correctie hebben bevestigd.
Het door de Commissie ingenomen standpunt leidt tot een ongerechtvaardigde verrijking aan haar zijde, gezien de verschillende door de Italiaanse staat gedragen opslagkosten met betrekking tot genoemde voorraden gedurende het gehele begrotingsjaar 1995.
[...]
De voorgestelde negatieve correctie ad 26 282 760 219 ITL dient bijgevolg [...] nietig te worden verklaard."
C - Beoordeling
7. Zoals bekend, moet volgens artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Volgens vaste rechtspraak dient deze uiteenzetting zo duidelijk en precies te zijn, dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen, eventueel zonder bijkomende informatie. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk, dat de essentiële feitelijke en juridische gronden van het beroep - althans summier, maar coherent en begrijpelijk - uit het verzoekschrift zelf blijken.
8. Ik ben van mening dat het verzoekschrift in het onderhavige geval niet aan die minimale voorwaarden voldoet.
9. Het is niet mogelijk om uit het betoog van de Italiaanse Republiek duidelijk op te maken op welke juridische en feitelijke gronden zij haar vordering tot nietigverklaring baseert. Hoewel de Commissie zichzelf doeltreffend heeft kunnen verweren dankzij haar kennis van het dossier en de rol die zij vervult tijdens de precontentieuze procedure, is daarentegen het Hof mijns inziens niet in staat om uitsluitend op basis van de gegevens in het verzoekschrift zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen. Het is niet de taak van de gemeenschapsrechter om zelf, in plaats van de verzoeker of zijn advocaat, uit de stukken van het dossier de elementen te zoeken en te distilleren die als grondslag voor de in het verzoekschrift geformuleerde vorderingen in aanmerking zouden kunnen komen.
10. Ik geef het Hof derhalve in overweging, het eerste middel niet-ontvankelijk te verklaren.
II - Specifieke financiële correcties ad 54 518 294 818 ITL op de uitgaven betreffende de opslag van durumtarwe
A - Rechtskader
11. Verordening (EEG) nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 beoogt de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de sector granen, en met name de stabiliteit van de markten, te realiseren. Artikel 7 bepaalt dat de door de lidstaten aangewezen interventiebureaus verplicht zijn de hun aangeboden granen te kopen, voorzover de aanbiedingen voldoen aan bepaalde voorwaarden met betrekking tot de kwaliteit van de producten. Om in aanmerking te komen moeten de producten van gezonde handelskwaliteit" zijn. De kwaliteit van de producten wordt vastgesteld aan de hand van monsters die op het moment van aanbieding van de granen aan het interventiebureau, worden genomen.
12. De aankoop en opslag van granen door de interventiebureaus wordt gefinancierd door het EOGFL overeenkomstig verordening (EEG) nr. 3492/90 van de Raad van 27 november 1990.
13. Deze verordening bepaalt dat de nationale bureaus jaarrekeningen dienen op te stellen voor elk product waarvoor een interventiemaatregel inzake openbare opslag wordt vastgesteld. De jaarrekeningen dienen met name de uitgaven met betrekking tot de opslag van de producten te bevatten. Artikel 2 bepaalt dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om de goede bewaring te waarborgen van de producten. Ingevolge artikel 5 dienen de hoeveelheden waarvan ten gevolge van de materiële omstandigheden van de opslag of een te lange bewaring de kwaliteit is verminderd, als uitgeslagen te worden geboekt op de dag waarop het verlies of de kwaliteitsvermindering is vastgesteld.
14. De toepassing van deze bepalingen is nader geregeld bij verordening (EEG) nr. 3597/90 van de Commissie van 12 december 1990. Artikel 2, lid 3, sub c, bepaalt dat indien de kwaliteitsvermindering of vernietiging van het product het gevolg is van slechte bewaringsomstandigheden, de waarde van het product wordt geboekt zoals voorzien in lid 1. Dat bepaalt dat de waarde van ontbrekende hoeveelheden wordt berekend door de betrokken hoeveelheden te vermenigvuldigen met de basisinterventieprijs die geldt voor de standaardkwaliteit op de eerste dag van het lopende boekjaar, vermeerderd met 5%". Bovendien bepaalt artikel 7 dat wanneer het product niet aan de voor de opslag vastgestelde voorwaarden voldoet, de betrokken hoeveelheid dan dient te worden geboekt als een verkoop tegen de prijs waartegen zij zijn aangekocht. De voor elk van de geweigerde hoeveelheden reeds geboekte kosten van inslag, uitslag en opslag worden afgetrokken en in de rekeningen afzonderlijk geboekt. Met het oog hierop worden de opslagkosten berekend door de geweigerde hoeveelheden te vermenigvuldigen met het aantal maanden tussen inslag en uitslag, met het forfaitaire bedrag en met de voor de maand van uitslag geldende landbouwomrekeningskoers.
B - Feiten
15. Uit een in maart 1995 uitgevoerde controle door het Consorzio Controlli Integrati in Agricoltura (landbouwcoöperatie voor geïntegreerde controles, hierna: CCIA") is gebleken dat 122 709,192 ton durumtarwe in de opslagplaatsen van de vennootschap Coop. San Giorgio van zeer slechte kwaliteit was.
16. De Commissie heeft vastgesteld dat 84 481,128 ton tarwe niet voldeed aan de gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor interventie. Volgens haar was het product reeds vanaf de aankoop van slechte kwaliteit. Overeenkomstig artikel 7 van verordening nr. 3597/90 heeft zij derhalve de aankoopprijs van de litigieuze hoeveelheden evenals de geboekte opslagkosten vanaf het begin van het seizoen 1990/1991 tot en met het eind van het begrotingsjaar 1995 ten laste van de Italiaanse autoriteiten gebracht.
17. Wat betreft de resterende 38 228,064 ton was de Commissie van mening dat de kwaliteitsvermindering een gevolg was van de slechte bewaringsomstandigheden. Overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub c, van verordening nr. 3597/90 heeft zij derhalve de tegenwaarde van deze hoeveelheid evenals de geboekte opslagkosten vanaf maart 1995 tot en met het eind van het begrotingsjaar 1995 ten laste van de Italiaanse autoriteiten gebracht. Het totale bedrag van de opgelegde correctie bedraagt 54 518 294 818 ITL.
C - Beroep
18. De Italiaanse Republiek vecht deze correctie aan. Zij voert twee reeksen argumenten aan, die zijn ontleend aan respectievelijk:
- schending van de artikelen 2 en 7 van verordening nr. 3597/90, en
- een beoordelingsfout bij de raming van de hoeveelheid van de betrokken goederen.
19. Ik zal beide punten achtereenvolgens bespreken.
1. Schending van de artikelen 2 en 7 van verordening nr. 3597/90
20. De Italiaanse Republiek stelt dat de 84 481,128 ton durumtarwe op het ogenblik dat zij aan het interventiebureau werd aangeboden, aan alle door de gemeenschapswetgeving gestelde kwaliteitseisen voldeed. Daartoe overlegt zij 37 analysecertificaten van het particuliere laboratorium Consulchimica de Crotone (Italië), die de kwaliteit van het product ten tijde van aankoop door de opslaghouder zouden aantonen. De Italiaanse Republiek is van mening dat de Commissie in die omstandigheden artikel 7 van verordening nr. 3597/90 niet mocht toepassen en niet de aankoop- en opslagkosten vanaf de aankoop van de producten te haren laste mocht brengen. Zij zou artikel 2, lid 3, sub c, van verordening nr. 3597/90 hebben moeten toepassen en uitsluitend de tegenwaarde en de opslagkosten vanaf de vaststelling van de kwaliteitsvermindering van het product hebben mogen aftrekken.
21. Alvorens dit argument te bespreken, breng ik de in de rechtspraak van het Hof ontwikkelde principes wat betreft de bewijslast in zaken met betrekking tot de goedkeuring van rekeningen van het EOGFL in herinnering.
22. Zoals bekend financiert het EOGFL enkel interventies die volgens de communautaire regels in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten hebben plaatsgevonden. In geval van een geschil is het aan de Commissie om een schending van de regels van de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten te bewijzen. De Commissie moet dus haar beschikking waarbij het ontbreken van controles of tekortkomingen in de door de betrokken lidstaat verrichte controles worden vastgesteld, rechtvaardigen".
23. De betrokken lidstaat van zijn kant kan de bevindingen van de Commissie niet ontkrachten zonder bij zijn argumentatie het bewijs te leveren van het bestaan van een betrouwbaar en operationeel controlesysteem. Slaagt de lidstaat niet in het bewijs dat de bevindingen van de Commissie onjuist zijn, dan mag op grond van die bevindingen ernstig worden betwijfeld, dat een afdoend en doeltreffend stelsel van toezicht en controle is ingevoerd.
24. De Commissie voert verschillende factoren aan ter rechtvaardiging van de litigieuze correctie. Zo blijkt uit het dossier dat 84 481,128 ton durumtarwe in opslag bij de vennootschap Coop. San Giorgio niet voldeed aan de voorwaarden van verordening nr. 1569/77. De kwaliteit van de tarwe was slecht op het moment van aankoop door de opslaghouder. Uit het dossier blijkt eveneens dat deze vaststelling is gebaseerd op het resultaat van de analyses van de in maart 1995 door het CCIA bij de vennootschap Coop. San Giorgio genomen steekproeven.
25. Met de Commissie ben ik van mening dat de 37 door de Italiaanse Republiek overlegde certificaten die vaststelling niet kunnen ontkrachten.
26. Verordening nr. 1569/77 is bij verordening nr. 1022/90 vanaf het verkoopseizoen 1990/1991 gewijzigd teneinde de noodzaak te benadrukken dat de onafhankelijkheid van de persoon die de steekproeven bij granen neemt, wordt gewaarborgd. De derde overweging van de considerans van verordening nr. 1022/90 zegt uitdrukkelijk dat het interventiebureau, wanneer het zijn controlebevoegdheid aan een derde persoon overdraagt, zich ervan moet vergewissen dat deze de nodige waarborgen biedt wat betreft zijn onafhankelijkheid ten opzichte van de aanbieder".
27. In het onderhavige geval is echter niet voldaan aan dit onafhankelijkheidsvereiste. Het staat namelijk vast dat de door het particuliere laboratorium Consulchimica de Crotone geanalyseerde steekproeven door de opslaghouder zelf zijn genomen en niet door een onafhankelijk persoon. De Italiaanse Republiek erkent overigens dat deze omstandigheid de objectiviteit van de resultaten van de analyses kan schaden, aangezien de opslaghouder jegens het AIMA aansprakelijk is voor de beslissing tot aankoop van de granen alsmede voor de mogelijke kwaliteitsvermindering van de producten gedurende de opslag.
28. In deze omstandigheden ben ik van mening dat de door verzoekster overlegde analysecertificaten de vaststellingen van de Commissie niet kunnen ontkrachten. Ik geef het Hof bijgevolg in overweging, de eerste grief af te wijzen.
2. Beoordelingsfout bij de raming van de hoeveelheid van de betrokken goederen
29. De Italiaanse Republiek stelt dat de Commissie een beoordelingsfout heeft gemaakt bij de raming van de overige 38 228,064 ton tarwe. Zij benadrukt dat het CCIA tijdens de controle van maart 1995 uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat de hoeveelheid tarwe in het bezit van de vennootschap Coop. San Giorgio 37 042,795 ton bedroeg, ofwel 1 185,269 ton minder dan door de Commissie in aanmerking is genomen. Hoewel de Italiaanse autoriteiten dit getal in maart 1999 aan de Commissie hebben meegedeeld, heeft zij de litigieuze correctie op de voorgestelde hoogte, namelijk 38 228,064 ton, gehandhaafd. Genoemde correctie is in die omvang derhalve niet gerechtvaardigd.
30. De argumentatie van de Italiaanse Republiek kan niet worden aanvaard.
31. Uit het dossier blijkt dat tijdens de in maart 1995 uitgevoerde controle het CCIA heeft vastgesteld dat 37 042,795 ton durumtarwe in opslag bij de vennootschap Coop. San Giorgio van slechte kwaliteit was en dat een hoeveelheid van 1 185,269 ton ontbrak. De Commissie heeft derhalve voor deze beide hoeveelheden een financiële correctie opgelegd en aan de hoeveelheid van verminderde kwaliteit en de ontbrekende hoeveelheid dezelfde waarde toegekend.
32. De Italiaanse Republiek heeft in het onderhavige geval geen enkel bewijs van haar stellingen geleverd. Zij beperkt zich tot de opmerking dat het rapport van het CCIA in het bezit is van de Commissie. Aangezien verzoekster er niet in slaagt te bewijzen dat de vaststellingen van de Commissie onjuist zijn, dient de tweede grief te worden afgewezen.
III - Verkoop van durumtarwe naar Algerije
A - Rechtskader en feiten
33. Verordening (EEG) nr. 2131/93 van de Commissie van 28 juli 1993 bepaalt dat door de interventiebureaus aangekocht graan wordt verkocht via openbare inschrijvingen.
34. Bij verordening (EG) nr. 2668/94 van 31 oktober 1994 heeft de Commissie het Italiaanse interventiebureau gemachtigd om 148 000 ton durumtarwe bij openbare inschrijving te koop aan te bieden voor uitvoer in de vorm van gries en griesmeel naar Algerije. Artikel 11, lid 2, bepaalde dat de koper de naleving van de verplichting tot uitvoer uit de Gemeenschap en invoer in Algerije diende te garanderen door middel van een zekerheid ten bedrage van 50 ecu per ton durumtarwe. Volgens datzelfde artikel diende een bedrag van 25 ecu per ton te worden gesteld bij de afgifte van het uitvoercertificaat en het saldo ten bedrage van 25 ecu per ton vóór het afhalen van het graan. Artikel 11, lid 2, bepaalde dat het totale bedrag van de zekerheid werd vrijgegeven binnen de 15 werkdagen na de datum waarop de koper het bewijs leverde dat het gries en het griesmeel in Algerije was aangekomen. Ten slotte preciseerde artikel 11, lid 4, dat de betaling van de aankoopprijs van de durumtarwe, alsmede de tijdige uitvoer van het gries en griesmeel van durumtarwe een primaire eis" in de zin van artikel 20 van verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 was. Laatstgenoemde verordening bevat de bepalingen die het stellen van de zekerheden die in verschillende communautaire landbouwverordeningen worden geëist, regelen.
35. De Commissie heeft verordening nr. 2668/94 gewijzigd bij verordening (EG) nr. 545/95. Volgens deze verordening werd het totale bedrag van de zekerheid vrijgegeven binnen 15 werkdagen na de datum waarop de koper het bewijs had geleverd dat de in lid 4 bedoelde primaire eis was vervuld.
36. De Commissie is van mening dat de Italiaanse administratie in het onderhavige geval de door een van de kopers, de vennootschap Italgrani SpA, gestelde zekerheid heeft vrijgegeven zonder dat laatstgenoemde het bewijs van betaling van de aankoopprijs van de producten heeft geleverd. Zij heeft derhalve een financiële correctie van 1 923 101 478 ITL opgelegd, welke overeenkomt met het bedrag van de zekerheid die had moeten worden geïnd.
B - Beroep
37. De Italiaanse Republiek stelt dat de Commissie het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden. Volgens haar is de litigieuze correctie gegrond op het feit dat de koper niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2668/94, zoals gewijzigd bij verordening nr. 545/95. Laatstgenoemde verordening was ten tijde van de litigieuze feiten echter niet toepasselijk. De Commissie heeft deze verordening derhalve met terugwerkende kracht en onrechtmatig toegepast.
38. Met de Commissie ben ik van mening dat dit argument ongegrond is.
39. In strijd met wat de Italiaanse Republiek stelt, blijkt uit het dossier dat de litigieuze correctie niet is gegrond op schending van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2668/94, zoals gewijzigd bij verordening nr. 545/95. Het standpunt van de Commissie is integendeel, dat de Italiaanse autoriteiten de zekerheid van de vennootschap Italgrani SpA niet mochten vrijgeven zonder dat deze had voldaan aan de verplichtingen van artikel 11, lid 4, van verordening nr. 2668/94. Laatstgenoemde bepaling is echter niet gewijzigd bij verordening nr. 545/95, zodat de grief inzake toepassing van de communautaire wetgeving met terugwerkende kracht dient te worden afgewezen.
40. Bovendien kan uit de gegevens in het dossier worden opgemaakt dat de litigieuze correctie rechtmatig was. Krachtens artikel 11, lid 4, van verordening nr. 2668/94 was betaling van de aankoopprijs van de durumtarwe alsmede daadwerkelijke uitvoer van het gries binnen de hiervoor gestelde termijn een primaire eis in de zin van artikel 20 van verordening nr. 2220/85. Artikel 21 van laatstgenoemde verordening, welke in het onderhavige geval toepasselijk is, bepaalt dat de zekerheid dient te worden vrijgegeven zodra het bewijs is geleverd dat aan alle primaire eisen is voldaan. Artikel 22 bepaalt daarentegen dat de zekerheid wordt verbeurd aan het interventiebureau wanneer een primaire eis niet is nagekomen.
41. In het onderhavige geval wordt niet betwist dat de vennootschap Italgrani SpA heeft verzuimd de aankoopprijs van de aan haar toegewezen hoeveelheid durumtarwe te betalen. Aangezien de koper niet heeft voldaan aan een primaire eis in de zin van artikel 20 van verordening nr. 2220/85, mochten de Italiaanse autoriteiten derhalve de door hem gestelde zekerheid niet vrijgeven.
42. In die omstandigheden geef ik het Hof in overweging, deze nietigheidsgrond te verwerpen.
IV - Financiële correctie van 9 965 368 843 ITL betreffende de verschillen in de voorraden zachte tarwe, gerst en mais
A - Feiten
43. De diensten van de Commissie hebben een financiële correctie opgelegd omdat zij tussen het eind van het begrotingsjaar 1994 en het begin van het begrotingsjaar 1995 verschillen hebben vastgesteld in de door de Italiaanse autoriteiten gedeclareerde voorraden zachte tarwe, gerst en mais.
44. Zo bedroeg wat zachte tarwe betreft de aan het eind van het begrotingsjaar 1994 gedeclareerde hoeveelheid 361 ton, terwijl de aan het begin van het begrotingsjaar 1995 gedeclareerde hoeveelheid 636,3 ton bedroeg (een verhoging met 275 ton). Voor wat betreft gerst bedroeg de aan het eind van het begrotingsjaar 1994 gedeclareerde hoeveelheid 80 039,67 ton, terwijl de aan het begin van het begrotingsjaar 1995 gedeclareerde hoeveelheid 52 195,07 ton bedroeg (een vermindering met 27 844,6 ton). Wat betreft mais tenslotte bedroeg de aan het eind van het begrotingsjaar 1994 gedeclareerde hoeveelheid 27 371,061 ton, terwijl de aan het begin van het begrotingsjaar 1995 gedeclareerde hoeveelheid 62 816,324 ton bedroeg (een verhoging met 35 446,263 ton).
45. De Commissie heeft derhalve besloten de overdrachtwaarde van de overtollige hoeveelheden zachte tarwe en mais en de tegenwaarde van de ontbrekende hoeveelheden gerst ten laste van de Italiaanse autoriteiten te brengen. Het totale bedrag van de correctie bedraagt 9 965 368 843 ITL.
B - Argumenten van de Italiaanse Republiek
46. De Italiaanse Republiek is van mening dat de litigieuze correcties ongegrond zijn. Ter ondersteuning van haar standpunt voert zij de volgende argumenten aan:
De Italiaanse regering merkt op [...] dat de bijstelling van de voorraden het gevolg was van het feit dat de Italiaanse administratie in oktober 1994 de geboekte voorraden had moeten aanpassen aan de werkelijke voorraden die bij een controle door [...] het CCIA waren vastgesteld.
[...]
[De aanpak van de Commissie is] opportunistisch, aangezien hij erin bestaat economisch voordeel te halen uit het feit dat de Italiaanse administratie de boekhoudkundige voorraden terecht heeft afgestemd op de voorraden die zich werkelijk in opslag bevonden. De Commissie profiteert immers enerzijds van [de] ,overdrachtwaarde wegens de verhoging van de voorraden zachte tarwe en mais, zonder de Italiaanse Staat op dezelfde manier te behandelen voor wat de gerst betreft [...], en, anderzijds haalt zij voordeel uit de op basis van verordening [...] nr. 3597/90 berekende waarde ten gevolge van de vermindering van de voorraden gerst, die niet voortvloeit uit het effectief verlies van het product.
[...] als de redenering van de Commissie dient te worden gevolgd, moeten ook de volgende positieve correcties aan de Italiaanse administratie worden toegekend:
1) Restitutie van de vermindering van de overdrachtwaarde, die voor het begrotingsjaar 1994 ten laste van de Italiaanse Staat was gebracht voor 27 844,600 ton gerst [...];
2) [d]e technische opslagkosten voor het begrotingsjaar 1994 (begrotingspost 1011.03) over de nader gedeclareerde 35 446,263 ton mais, teruggevonden bij de analyse van de inventariscontroles van de vennootschap CCIA, een verhoging die het gevolg was van het feit dat met deze hoeveelheid geen rekening was gehouden in de tabellen van het EOGFL over het begrotingsjaar 1994;
3) [d]e technische opslagkosten voor de begrotingsjaren 1992, 1993 en 1994 (begrotingspost 1011.03) over de 275 ton zachte tarwe die in opslag was gebleven omdat niet de totale 5 000 ton zachte tarwe die in december 1992 in het kader van de voedselhulp aan Albanië had moeten worden geleverd, was geleverd."
C - Beoordeling
47. Naar mijn mening voldoet de argumentatie van de Italiaanse Republiek niet aan de voorwaarden van artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Het is niet mogelijk om op grond van deze argumentatie vast te stellen op welke juridische en feitelijke omstandigheden verzoekster haar vordering baseert. Hoewel de Commissie zichzelf heeft kunnen verweren dankzij de rol die zij vervult tijdens de precontentieuze procedure, is daarentegen het Hof mijns inziens niet in staat om uitsluitend op basis van de gegevens in het verzoekschrift zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen. Zoals gezegd, is het niet aan het Hof om zelf, in plaats van de verzoeker of zijn advocaat, uit de stukken van het dossier de elementen te zoeken en te distilleren die als grondslag voor de in het verzoekschrift geformuleerde vorderingen in aanmerking zouden kunnen komen. Het vierde middel dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.
V - Correctie van 2 502 127 250 ITL, overeenkomend met het saldo van de correcties die in een eerdere maandelijkse declaratie zijn toegepast (zachte tarwe, gerst en mais)
A - Feiten
48. De diensten van de Commissie hebben een correctie van 2 052 127 250 ITL opgelegd, teneinde een vergissing van de Italiaanse autoriteiten in de jaarlijkse declaratie te corrigeren. De Italiaanse administratie heeft bij het opstellen van de jaarlijkse tabellen van het EOGFL voor het begrotingsjaar 1995 namelijk verzuimd rekening te houden met de correcties die door de Commissie op grond van artikel 9, lid 7, van verordening (EEG) nr. 2776/88 van de Commissie van 7 september 1988 in een maandelijkse declaratie waren aangebracht.
B - Argumenten van de Italiaanse Republiek
49. De Italiaanse Republiek is aangaande deze litigieuze correctie van mening dat de Commissie haar een dubbele sanctie oplegt. Zij voert de volgende argumenten aan:
1) In de twaalfde maandelijkse declaratie voor het begrotingsjaar 1995 heeft de Italiaanse administratie in de tabellen 8, regel 1, en 52, regel 30, de volgende gegevens verstrekt:
- voorraden mais op 1 oktober 1994 gelijk aan 27 371,061 ton;
- technische kosten (begrotingspost 1011.006): 472 481 200 ITL;
- financiële kosten (begrotingspost 1012.006): 141 376 660 ITL;
- andere kosten (begrotingspost 1013.006): 2 946 864 571 ITL;
2) [b]ij brief nr. 12367 van 19 maart 1996 (zie document E1) hebben de diensten van de Commissie de Italiaanse autoriteiten meegedeeld dat voor het begrotingsjaar 1995 de in verordening nr. 2776/88 bepaalde correcties moesten worden aangebracht. Het ging hierbij om correcties wegens de niet-erkenning door de Commissie van de hierboven aangegeven kosten [...], in vervolg op de mededeling van die diensten bij brief nr. 22990 van 14 juni 1995, dat de betrokken 27 371,061 ton niet voor de overheidsinterventie werden geaccepteerd wegens de kwaliteitsvermindering ervan ten gevolge van een natuurramp die de opslagplaatsen van de vennootschap Cavalli had getroffen;
3) [v]ervolgens werd bij de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1994 met betrekking tot de hoeveelheid mais in de opslagplaatsen van de vennootschap Cavalli na een bemiddelingsprocedure besloten om twee ,negatieve correcties (448 148 256 ITL en 123 262 537 ITL) en een ,positieve correctie van 8 132 491 172 ITL ten laste van de Italiaanse administratie toe te passen, correcties die, zoals dat hoort, werden opgenomen in punt 4.5.1.3.2 van het syntheseverslag (addendum II).
Daaruit volgt dat de krachtens artikel 9 van verordening nr. 2776/88 voorgestelde ,negatieve correctie ongegrond is omdat zij enerzijds in strijd is met de besluiten die tijdens de bemiddelingsprocedure voor het begrotingsjaar 1994 waren genomen, en anderzijds aan de Italiaanse administratie een dubbele sanctie oplegt ten belope van de volgende bedragen:
- 472 481 200 ITL voor begrotingspost 1011.006;
- 141 376 660 ITL voor begrotingspost 1012.006, en
- 2 946 864 571 ITL voor begrotingspost 1013.006."
C - Beoordeling
50. De argumentatie van de Italiaanse Republiek voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Het is niet mogelijk om op grond van deze argumentatie vast te stellen op welke juridische en feitelijke omstandigheden verzoekster haar vordering baseert. Hoewel de Commissie zichzelf heeft kunnen verweren dankzij de rol die zij vervult tijdens de precontentieuze procedure, is daarentegen het Hof mijns inziens niet in staat om uitsluitend op grond van de gegevens in het verzoekschrift zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen. Zoals wij hebben gezien, is het niet aan het Hof om zelf, in plaats van de verzoeker of zijn advocaat, uit de stukken van het dossier de elementen te zoeken en te distilleren die als grondslag voor de in het verzoekschrift geformuleerde vorderingen in aanmerking zouden kunnen komen. Het vijfde middel dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.
VI - Regularisering van facturen betreffende de verkoop van granen door de interventiebureaus
51. De Italiaanse regering voert een laatste middel aan, dat naar eigen zeggen geen betrekking heeft op de bestreden beschikking. Zij zet uiteen dat zij tijdens de bemiddelingsprocedure heeft verzocht om toekenning van 11 952 457 079 ITL voor de definitieve regularisering van de facturen betreffende de verkoop van granen door de interventiebureaus. Zij stelt dat wanneer dat bedrag haar door de Commissie niet wordt toegekend, zij het slachtoffer wordt van een dubbele sanctie.
52. Ingevolge artikel 38, lid 1, sub d, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dient ieder inleidend verzoekschrift de vorderingen van de verzoeker te bevatten. Het middel van de Italiaanse Republiek is echter gericht tegen een handeling waarvan in het verzoekschrift niet de nietigverklaring wordt gevorderd. Het middel is derhalve niet-ontvankelijk.
VII - Kosten
53. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien de Commissie heeft gevorderd de Italiaanse Republiek in de kosten te verwijzen en zij in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
VIII - Conclusie
54. Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging:
1) het beroep te verwerpen;
2) de Italiaanse Republiek in de kosten te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy