Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. Onderhavige prejudiciële procedure is bij het Hof aanhangig gemaakt door het tribunal administratif de Châlons-en-Champagne (Frankrijk). Het gaat in deze zaak om de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van nationale wettelijke bepalingen die alleen vrouwen - dus met uitsluiting van mannen - aanspraak geven op een rustpensioen wanneer hun echtgenoot invalide of ongeneeslijk ziek is zodat hij geen beroepswerkzaamheden kan uitoefenen.
II - De feiten en de procedure
2. Verzoeker in het hoofdgeding (hierna: verzoeker") is leraar en in deze functie ambtenaar. Op grond van artikel L. 24-I-3° van de code des pensions civiles et militaires de retraite (wet inzake burgerlijke en militaire rustpensioenen; hierna: pensioenwet") heeft hij om toekenning van een rustpensioen met onmiddellijke ingang verzocht, teneinde zijn ongeneeslijk zieke echtgenote te kunnen verzorgen.
3. Bij besluit van de inspecteur d'académie de la Marne (onderwijsinspecteur) van 20 oktober 1998 werd dit verzoek vooreerst ingewilligd. Bij besluit van 10 november 1998 werd het echter ingetrokken onder verwijzing naar een brief van de minister van onderwijs en met als motivering, dat alleen vrouwelijke ambtenaren het recht hebben om met pensioen te gaan om hun echtgenoot te verzorgen.
4. Tegen dit tweede besluit is verzoeker opgekomen bij de verwijzende rechter. Het Syndicat général de l'éducation nationale et de la recherche publique CFDT de la Marne heeft zich aan verzoekers zijde gevoegd.
5. De verwijzende rechter heeft het dossier voorgelegd aan de Conseil d'État voor advies omtrent de verenigbaarheid van artikel L. 24-I-3° van de pensioenwet met artikel 6 van de wet van 13 juli 1983 over de rechten en verplichtingen van ambtenaren, dat bepaalt dat ambtenaren niet op grond van hun geslacht verschillend mogen worden behandeld. De Conseil d'État heeft geantwoord dat de wet van 13 juli 1983 artikel L. 24-I-3° van de pensioenwet niet heeft gewijzigd.
6. Teneinde de verenigbaarheid van de litigieuze bepaling van de pensioenwet met het gemeenschapsrecht te onderzoeken heeft de verwijzende rechter bij vonnis van 25 april 2000 een verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Hof gericht; dit verzoek is op 25 mei 2000 in het register van het Hof ingeschreven.
7. De verwijzende rechter refereert enerzijds aan artikel 119 van het E(E)G-Verdrag (de artikelen 117 tot 120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG tot 143 EG) en aan de ter uitvoering van dit artikel vastgestelde richtlijn 86/378/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, en anderzijds aan richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, met name de artikelen 4 en 7. De verwijzende rechter deelt mede dat in verzoekers opvatting de gunstigere behandeling van vrouwelijke ambtenaren in artikel L. 24-I-3° van de pensioenwet in strijd is met artikel 141 EG en met de doelstellingen van richtlijn 79/7.
8. De beoordeling van dit middel hangt volgens de verwijzende rechter af van het antwoord op de vraag,
1) of de pensioenen die uit hoofde van het Franse stelsel van ambtenarenpensioenen worden uitgekeerd, tot de beloningen behoren bedoeld in artikel 119 van het Verdrag van Rome, en zo ja, of artikel L. 24-I-3° van de pensioenwet in strijd is met het beginsel van gelijke beloning;
2) of, indien artikel 119 van het Verdrag van Rome niet van toepassing is, de bepalingen van richtlijn 79/7 er dan aan in de weg staan dat Frankrijk bepalingen handhaaft als die van artikel L. 24-I-3° van de pensioenwet.
9. De verwijzende rechter heeft derhalve het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:
1) Zijn de ingevolge de Franse rustpensioenregeling voor ambtenaren uitgekeerde pensioenen een beloning in de zin van artikel 119 EG-Verdrag, thans artikel 141 EG? Zo ja, is artikel L. 24-I-3° van de Code des pensions civiles et militaires de retraite in strijd met het beginsel van gelijke beloning?
2) Ingeval artikel 119 EG-Verdrag niet van toepassing is, staan de bepalingen van richtlijn 79/7/EEG van 19 december 1978 er dan aan in de weg, dat Frankrijk bepalingen als artikel L. 24-I-3° van de Code des pensions civiles et militaires de retraite handhaaft?"
10. Verzoeker (samen met het gevoegde Syndicat), de Franse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
III - Rechtskader
A - Gemeenschapsrechtelijke bepalingen
11. Artikel 119 EG-Verdrag luidt:
Iedere lidstaat verzekert gedurende de eerste etappe en handhaaft vervolgens de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid.
Onder beloning in de zin van dit artikel dient te worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris, en alle overige voordelen in geld of in natura die de werkgever direct of indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaalt.
Gelijkheid van beloning zonder onderscheid naar kunne houdt in:
a) dat de beloning voor gelijke arbeid in stukloon wordt vastgesteld op basis van een zelfde maatstaf;
b) dat de beloning voor arbeid in tijdloon dezelfde is voor een zelfde functie."
12. Na wijziging en vernummering van het EG-Verdrag door het Verdrag van Amsterdam is deze bepaling artikel 141 EG geworden. De leden 1 en 2 hiervan komen qua inhoud grotendeels met artikel 119 overeen, terwijl de leden 3 en 4 zijn toegevoegd. In de onderhavige zaak zijn hoofdzakelijk de leden 1 en 2 van belang. Artikel 141 luidt:
1. Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid wordt toegepast.
2. Onder beloning in de zin van dit artikel dient te worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt.
Gelijke beloning zonder onderscheid naar kunne houdt in:
a) dat de beloning voor gelijke arbeid in stukloon wordt vastgesteld op basis van een zelfde maatstaf;
b) dat de beloning voor arbeid in tijdloon dezelfde is voor een zelfde functie.
3. [...]
4. Het beginsel van gelijke behandeling belet niet dat een lidstaat, om volledige gelijkheid van mannen en vrouwen in het beroepsleven in de praktijk te verzekeren, maatregelen handhaaft of aanneemt waarbij specifieke voordelen worden ingesteld om de uitoefening van een beroepsactiviteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken of om nadelen in de beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren."
13. Artikel 141, lid 4, EG grijpt wat de inhoud betreft terug op artikel 6, lid 3, van de overeenkomst van 1 november 1993, gehecht aan protocol nummer 14 betreffende de sociale politiek, dat als volgt luidt:
Dit artikel belet niet dat een lidstaat maatregelen handhaaft of aanneemt waarbij specifieke voordelen worden ingesteld om de uitoefening van een beroepsactiviteit door vrouwen te vergemakkelijken of om nadelen in hun beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren."
14. De hier van belang zijnde bepalingen van richtlijn 79/7 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (hierna ook: richtlijn") zijn de volgende.
15. Artikel 3, lid 1, van deze richtlijn luidt:
1. Deze richtlijn is van toepassing op :
a) de wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen de volgende eventualiteiten:
- ziekte,
- invaliditeit,
- ouderdom,
- arbeidsongevallen en beroepsziekten,
- werkloosheid;
b) de sociale-bijstandsregelingen [...]"
16. Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:
Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot:
- de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot de regelingen,
- de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening,
- de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op de prestaties.
2. [...]"
17. Artikel 7, lid 1, sub a, en lid 2, van deze richtlijn luiden als volgt:
1. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om van haar werkingssfeer uit te sluiten:
a) de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties;
[...]
2. De lidstaten onderzoeken periodiek de gebieden die krachtens lid 1 zijn uitgezonderd, ten einde na te gaan of het, gelet op de sociale ontwikkeling ter zake, gerechtvaardigd is deze uitzonderingen te handhaven."
B - Nationale wettelijke bepalingen
18. Artikel L. 24-I-3° van de pensioenwet luidt als volgt:
I. - Het genot van het burgerlijk pensioen treedt onmiddellijk in:
[...]
3° voor de vrouwelijke ambtenaar:
[...]
b) wanneer onder de voorwaarden van artikel L. 31 is vastgesteld:
dat zij invalide of ongeneeslijk ziek is zodat zij haar vroegere functie niet meer kan uitoefenen;
of dat haar echtgenoot invalide of ongeneeslijk ziek is zodat hij geen beroepswerkzaamheden meer kan uitoefenen."
IV - Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
1. Verzoeker
19. Verzoeker vestigt er allereerst de aandacht op dat het Hof in de aanhangige prejudiciële zaak Griesmar (C-366/99) met dezelfde vragen met betrekking tot de kwalificatie van het Franse pensioenstelsel voor ambtenaren wordt geconfronteerd, zij het dat het niet om dezelfde bepaling van de pensioenwet gaat.
20. Voor de beantwoording van de vraag of pensioenen voor Franse niet-militaire ambtenaren beloningen in de zin van artikel 119 EG-Verdrag respectievelijk het thans geldende artikel 141 EG zijn, dient, aldus verzoeker, eerst de werking van het Franse pensioenstelsel onderzocht te worden. Het pensioen wordt berekend op de grondslag van het belastbare salaris over de laatste zes maanden voorafgaande aan de beëindiging van de dienst. De staat betaalt de pensioenen aan een bepaalde groep werknemers, namelijk zij die in staatsdienst werkzaam waren.
21. Verzoeker stelt vast dat dit juist de criteria van het arrest Beune zijn. Het lijdt volgens hem geen twijfel dat het ambtenarenpensioen een beloning is. Onder verwijzing naar de arresten Bilka, Ten Oever en Moroni betoogt verzoeker dat het Hof de in deze arresten doorslaggevende criteria in het arrest Beune niet meer van beslissende betekenis heeft geoordeeld. Daaruit volgt dat enkel het criterium dat is ontleend aan de vaststelling, dat het pensioen aan de werknemer wordt uitgekeerd op grond van de arbeidsverhouding tussen de betrokkene en zijn voormalige werkgever, dat wil zeggen het aan de bewoordingen van artikel 119 ontleende criterium van de dienstbetrekking, beslissend kan zijn".
22. De uitspraak van het Hof is, aldus verzoeker verder, algemeen geformuleerd en kan dan ook zonder meer op het Franse pensioenstelsel worden toegepast. De Franse ambtenarenpensioenen zijn derhalve als beloning" in de zin van artikel 119 EG-Verdrag te beschouwen. Overigens is de gelijkenis tussen het salaris in dienstbetrekking en het pensioen, zowel uit administratief als uit financieringsoogpunt, zeer groot zodat ook om deze reden artikel 119 van het Verdrag op dezelfde wijze op pensioenen dient te worden toegepast als op salarissen in actieve dienst.
23. Wat betreft het tweede deel van de prejudiciële vraag betoogt verzoeker het volgende.
Artikel L. 24-I-3° van de pensioenwet geeft vrouwelijke ambtenaren de mogelijkheid met vervroegd pensioen te gaan, wanneer haar echtgenoot invalide of ongeneeslijk ziek is zodat hij geen beroepswerkzaamheden meer kan uitoefenen. Vrouwelijke ambtenaren hebben dus het voordeel, eerder met pensioen te kunnen gaan dan een mannelijke ambtenaar die zich in dezelfde situatie bevindt. Dit is een regelrechte schending van artikel 141 EG, aldus verzoeker, die daarbij verwijst naar de arresten Beune en Evrenopoulos. Naar zijn mening kan de litigieuze bepaling noch in artikel 6 van het protocol nummer 14 betreffende de sociale politiek noch in artikel 141, lid 4, EG haar rechtvaardiging vinden.
24. Vanwege zijn standpunt inzake de eerste vraag gaat verzoeker alleen subsidiair op de tweede vraag in. Volgens artikel 4 van richtlijn 79/7 houdt het beginsel van gelijke behandeling de uitsluiting in van iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, in het bijzonder met betrekking tot de berekening van de prestaties. Weliswaar bepaalt artikel 7 dat de richtlijn geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten om de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties, van haar werkingssfeer uit te sluiten. In de onderhavige zaak gaat het echter niet om een verschil in pensioengerechtigde leeftijd, maar om de toekenning van een bepaald, niet van leeftijd afhankelijk voordeel wegens de gezondheidstoestand van een der echtelieden op een tijdstip dat de pensioengerechtigde leeftijd nog niet is bereikt. Een dergelijk onderscheid valt niet onder de uitzonderingsregeling van artikel 7 van de richtlijn.
2. De Franse regering
25. Wat de eerste vraag betreft, verwijst de Franse regering naar haar argumentatie in de zaak Griesmar (C-366/99). Deze vraag bestaat uit twee subvragen. Enerzijds gaat het om het verband tussen het ambtenarenpensioen en het begrip beloning en anderzijds, in voorkomend geval, om de toepasselijkheid op het bijzondere geval van ambtenaren. Zich baserend op het arrest Defrenne stelt de Franse regering in de eerste plaats vast dat rustpensioenen in het kader van een wettelijk systeem van sociale verzekering geen beloning in de zin van artikel 119 EG-Verdrag zijn en veeleer vallen onder de werkingssfeer van richtlijn 79/7, waarvan artikel 3 ze uitdrukkelijk noemt.
26. De kwalificatie van het Franse pensioenstelsel voor ambtenaren dient in het licht van het arrest Beune onderzocht te worden. Er zijn overeenkomsten en verschillen tussen het Franse en het Nederlandse pensioenstelsel dat in die zaak ter discussie stond. Hoewel de Franse regering deze verschillen aanzienlijk vindt, zoals bijvoorbeeld het feit dat het Nederlandse stelsel in tegenstelling tot het Franse een complementair stelsel is dat volgens de principes van kapitalisatie en paritair bestuur wordt beheerd, geeft zij toe dat het Franse ambtenarenpensioen beloning in de zin van artikel 119 (thans, na wijziging, artikel 141 EG) is, maar wijst erop dat het Hof alleen het verband tussen de uitkering en de beklede functie beslissend oordeelde.
27. Wat het antwoord op het tweede deel van de eerste vraag betreft neemt de Franse regering geen standpunt in. Zij wijst er alleen op dat haar betoog in de zaak Griesmar, dat de daar ter discussie staande bepaling diende ter compensatie van door het opvoeden van kinderen veroorzaakte vertraging in de beroepsloopbaan, niet opgaat voor het in casu relevante artikel L. 24-I-3° van de pensioenwet. De Franse regering vestigt er echter de aandacht op dat de Franse Conseil d'État ten aanzien van artikel L. 57 van de pensioenwet, dat de echtgenote van een vermiste ambtenaar een voorlopig pensioen toekent, in een arrest van 17 mei 1999 (le Briquir) heeft beslist dat deze voorlopige pensioenaanspraak aan iedere echtgenoot/echtgenote van een vermiste ambtenaar moet worden toegekend, dus ook aan de echtgenoot van een vermiste vrouwelijke ambtenaar. Sedert dit arrest past de Franse overheid zowel artikel L. 57 als artikel L. 24-I-3° van de pensioenwet in egalitaire zin toe. Artikel L. 24-I-3° van de pensioenwet is nog niet gewijzigd, zodat de Franse regering zich wat het antwoord op de vraag betreft refereert aan het oordeel van het Hof. Rekening houdend met het standpunt ten aanzien van de eerste vraag meent de Franse regering dat wat de tweede vraag betreft geen standpunt behoeft te worden ingenomen.
3. De Commissie
28. Voor de beantwoording van de eerste vraag verwijst ook de Commissie naar haar opmerkingen in de zaak Griesmar; haar slotsom was daar, dat het Franse pensioenstelsel voor ambtenaren onder artikel 141 EG valt. Dit is af te leiden uit de arresten Beune en Evrenopoulos. De Franse regering heeft overigens in een nota van 11 juli 2000 aan de Commissie erkend dat artikel L. 24 van de pensioenwet ook op mannelijke ambtenaren kan worden toegepast. De Commissie is derhalve van mening dat het niet nodig is nader op de toepasselijkheid van artikel 141 EG op de pensioenwet in te gaan.
29. Blijft alleen nog de vraag of het Barber-protocol" in deze zaak van toepassing is. Naar de mening van de Commissie moet men daar wel van uitgaan, zodat het pensioen op egalitaire wijze dient te worden berekend voor de tijd na 17 mei 1990.
V - Beoordeling
30. Het eerste deel van de eerste vraag is inderdaad inhoudelijk identiek met de eerste prejudiciële vraag in de zaak Griesmar. Gezien de omstandigheid dat verzoeker nog niet is gepensioneerd en een geslachtsneutrale toepassing verlangt van de voorwaarden voor pensionering met onmiddellijke ingang, zou een preliminaire vraag kunnen zijn of het, afgezien van de vraag of het Franse ambtenarenpensioen beloning is, hier überhaupt wel gaat om een geval van gelijke beloning. Het rustpensioen speelt slechts indirect een rol. Men zou zich dus kunnen afvragen of het niet om een kwestie van gelijke beloning gaat in plaats van een geval van gelijke behandeling.
31. In deze zaak zijn evenwel de vervroegde uittreding en de toekenning van een pensioen feitelijk, juridisch en economisch met elkaar verbonden. Verzoeker wil immers niet vervroegd uittreden zonder pensioenuitkering, maar wenst dat onder dezelfde voorwaarden en dezelfde financiële condities te doen als een vrouwelijke ambtenaar. Aangezien de vordering uiteindelijk is gericht op toekenning van pensioen, zal ik voornamelijk nagaan of het beginsel van gelijke beloning is geschonden.
32. Het in artikel 119 EG-Verdrag opgenomen beginsel van gelijke beloning" werd door richtlijn 75/117/EEG ten uitvoer gelegd en het beginsel van gelijke behandeling" door richtlijn 76/207/EEG, die in artikel 235 van het Verdrag (thans artikel 308 EG) haar grondslag vindt.
33. Artikel 1, lid 1, van richtlijn 75/117 gaat verder dan de definitie in artikel 119 EG-Verdrag en omschrijft het beginsel van gelijke beloning aldus:
Het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, neergelegd in artikel 119 van het Verdrag en hierna te noemen ,beginsel van gelijke beloning, houdt in dat voor gelijke arbeid of voor arbeid waaraan gelijke waarde wordt toegekend ieder onderscheid naar kunne wordt afgeschaft ten aanzien van alle elementen en voorwaarden van de beloning."
34. Zou blijken dat het Franse ambtenarenpensioen een beloning" in de zin van dit beginsel is, dan gaat het in onderhavige zaak in ieder geval over de voorwaarden waaronder deze beloning wordt toegekend, wat neerkomt op de in de zaak Griesmar opgeworpen vraag inzake het beloningskarakter van de Franse ambtenarenpensioenen.
35. In de zaak Griesmar heb ik ter terechtzitting van 22 februari 2001 conclusie genomen. Aangezien in het kader van de onderhavige zaak geen kritiek op mijn beoordeling van deze rechtsvraag is aangevoerd, verwijs ik integraal naar de daar in de punten 46 tot en met 61 gemaakte opmerkingen.
36. Artikel 119 van het Verdrag schrijft in de eerste alinea voor dat iedere lidstaat de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid verzekert. Krachtens de tweede alinea van dit artikel dient onder beloning" in de zin van dit artikel te worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werkgever direct of indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaalt. Aangezien het in casu niet een betaling in het kader van een actieve dienstbetrekking, doch een rustpensioenuitkering betreft, kan het hier alleen gaan om een overig voordeel" dat de werkgever aan de werknemer uit hoofde van de dienstbetrekking betaalt.
37. De werkgever in de overheidsdienst is de staat. Ook in de Franse overheidsdienst worden de beloningen door de overheid betaald; de betalingen vloeien voort uit de begrotingswet. Voorzover het bij de pensioenen om een algemeen stelsel van ouderdomsverzekering voor ambtenaren gaat, rijst de vraag of het arrest Defrenne I zich niet verzet tegen opneming van deze uitkeringen in het begrip beloning. Het Hof heeft daarin immers geoordeeld dat men onder dit begrip niet de stelsels of uitkeringen van sociale zekerheid en met name de ouderdomspensioenen kan brengen, die zonder enig overleg binnen de betrokken onderneming of bedrijfstak rechtstreeks bij de wet worden vastgesteld en verplicht van toepassing zijn op algemene categorieën werknemers".
38. Uitkeringen op grond van een contractuele bedrijfspensioenregeling, waarmee de krachtens het algemeen geldende wettelijke stelsel van sociale zekerheid verschuldigde uitkeringen werden aangevuld, heeft het Hof wel onder het begrip beloning gebracht. Ook het feit dat een bedrijfspensioenregeling wettelijk is voorgeschreven en gedeeltelijk in de plaats komt van de algemene wettelijke regeling, heeft het Hof er niet van weerhouden de in het kader een dergelijk stelsel betaalde pensioenen onder het begrip beloning te brengen. Zelfs de omstandigheid dat intussen richtlijn 86/378/EEG betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid in werking is getreden, heeft geen enkele wijziging gebracht in de opvatting van het Hof dat uitkeringen van een aanvullend bedrijfspensioen als beloning" in de zin van artikel 119 EEG-Verdrag moeten worden beschouwd en dat ongelijke behandelingen, die reeds als zodanig zijn te herkennen met behulp van de in dat artikel vermelde criteria gelijke arbeid" en gelijke beloning", als een verboden discriminatie moeten worden gezien.
39. In de zaak Beune moest het Hof voor het eerst een stelsel van ouderdomsverzekering voor ambtenaren beoordelen. Het betrof in dit geval de Nederlandse wettelijke pensioenregeling voor ambtenaren. Deze regeling was aldus gestructureerd dat gepensioneerde ambtenaren in de eerste plaats waren aangewezen op uitkeringen krachtens de algemene wettelijke pensioenregeling, voorzover zij daarop recht hadden, en vervolgens op uitkeringen krachtens een pensioenregeling voor ambtenaren.
40. Advocaat-generaal Jacobs heeft in zijn conclusie in deze zaak op basis van de eerdere rechtspraak vijf criteria opgesteld, aan de hand waarvan de kwalificatie van de uitkering met het oog op artikel 119 EEG-Verdrag kan plaatsvinden. Deze betreffen de wettelijke grondslag, het karakter van overeenkomst, de financiering, de algemeenheid van de bepaalde categorie werknemers waarvoor de regeling geldt, en het aanvullend karakter van de regeling. Het Hof heeft bovendien gewezen op de betekenis van de samenhang tussen de uitkering en de dienstbetrekking van de werknemer.
41. Bij de kwalificatie van de uitkering in de zaak Beune heeft het Hof uiteengezet dat een wettelijke grondslag alleen niet volstaat om een uitkering van de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag uit te sluiten. Het criterium van overleg tussen werkgevers en vertegenwoordigers van de werknemers is echter alleen vervuld wanneer dit uitmondt in een formele overeenkomst. In de openbare dienst bestaan ook overlegprocedures die niet noodzakelijk tot een overeenkomst leiden. De toepasselijkheid van artikel 119 EEG-Verdrag is ook niet afhankelijk van de voorwaarde dat het om een aanvullende uitkering gaat. Aangaande de financiering van de regeling stelde het Hof vast dat de pensioenregeling weliswaar autonoom wordt beheerd overeenkomstig soortgelijke bepalingen als gelden voor bedrijfspensioenfondsen, maar dat zij zich door deze kenmerken niet wezenlijk onderscheidt van onder richtlijn 79/7/EEG vallende stelsels. In dit verband is, aldus het Hof, ook de mogelijkheid van aanvullende financiering door de staat van belang.
42. Wat het begrip algemene categorieën van werknemers" betreft, erkent het Hof dat dit moeilijk [kan] worden toegepast op een bijzondere groep van werknemers als die van de ambtenaren".
43. Uiteindelijk was alleen beslissend het criterium dat het pensioen aan de werknemer wordt uitgekeerd op grond van de arbeidsverhouding tussen de betrokkene en zijn voormalige werkgever". Het pensioen, dat slechts geldt voor een bijzondere categorie van werknemers, indien het rechtstreeks afhankelijk is van het aantal dienstjaren en indien het bedrag ervan wordt berekend op basis van het eindloon van de ambtenaar", is een door de werkgever in de openbare sector betaalde uitkering die vergelijkbaar is met het pensioen dat een werkgever in de particuliere sector aan zijn voormalige werknemers zou toekennen, en moet derhalve als beloning" in de zin van artikel 119 EEG-Verdrag worden beschouwd.
44. Het Hof bevestigde deze rechtspraak in het arrest Evrenopoulos. In deze zaak ging het om de kwalificatie van een pensioenregeling voor het personeel van een overheidslichaam. Zij was bij wet ingesteld en werd uitsluitend daarin geregeld. Het Hof beschouwde een overlevingspensioen van deze ondernemingspensioenregeling" op grond van de in het arrest Beune genoemde beginselen als beloning" in de zin van artikel 119 EEG-Verdrag.
45. In tegenstelling tot de zaak Beune ging het in de zaak Evrenopoulos niet om een pensioenregeling voor ambtenaren, doch om een ondernemingspensioenregeling, waarbij de arbeidsverhoudingen privaatrechtelijk waren bepaald. Relevant voor het onderhavige geval kan daarom uiteindelijk slechts het arrest Beune zijn, omdat het Hof zich tot dusverre nog niet behoefde uit te spreken over het beloningskarakter in de zin van artikel 119 EEG-Verdrag van pensioenen, uitgekeerd in het kader van een pensioenregeling voor ambtenaren. Het arrest Beune kan in onderhavige zaak evenwel enkel als richtsnoer gelden wanneer de wezenlijke kenmerken van de Franse pensioenregeling overeenkomen met de in de zaak Beune beoordeelde pensioenregeling.
46. De in casu toepasselijke pensioenregeling berust volgens de ontvangen inlichtingen volledig op de wet. Zoals uit het arrest Beune volgt, is dit alleen echter niet voldoende om de regeling aan de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag te onttrekken. De wettelijke grondslag van de regeling veronderstelt dat zij niet op een formele overeenkomst tussen werkgevers en vertegenwoordigers van werknemers berust, ook al zouden consultatieprocedures hebben plaatsgevonden en nog plaatsvinden. De Franse ambtenarenpensioenregeling heeft, zoals onweersproken vaststaat, geen aanvullend karakter maar vormt de basisregeling voor het daaronder vallend personeel. Krachtens het arrest Beune hangt evenwel de toepasselijkheid van artikel 119 EEG-Verdrag niet ervan af of het om het basispensioen dan wel om een aanvullend pensioen gaat.
47. De financiering van de pensioenregeling berust op de begrotingswet. In zoverre bestaat er een wezenlijk verschil, zowel met een bedrijfspensioenfondssysteem als ook met de pensioenregeling waarover in de zaak Beune moest worden geoordeeld, die nochtans als een bedrijfspensioenfonds werd beheerd. Hoe dan ook is de staat, als werkgever, met de hem ten dienste staande middelen - dat wil zeggen de wettelijke regeling en de uitvoering daarvan in de begrotingswet - eveneens garant voor de financiering van de pensioenregeling. De financiering verschilt in zoverre zowel van die van een bedrijfspensioenfonds als van die van het algemene pensioenverzekeringsstelsel, dat in de regel wordt gevoed door bijdragen van werkgevers en werknemers, met dien verstaande dat de staat verplicht kan zijn tot aanvullende financiering.
48. Het is niet gemakkelijk om de pensioenregeling alleen op grond van de wijze waarop zij wordt gefinancierd, onder het beloningsbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag te brengen dan wel haar daaraan te onttrekken. Het staat vast dat de staat, als werkgever, voor de financiering van de pensioenen instaat. Anderzijds kan de staat niet met een particuliere werkgever worden vergeleken en zijn het overheidsmiddelen waaruit de financiering van de uitkeringen plaatsvindt. De pensioenregeling is hoe dan ook een wettelijk verplicht stelsel van ouderdomsverzekering voor ambtenaren in overheidsdienst. Zij heeft facetten die in zoverre zeer wel vergelijkbaar zijn met de algemene wettelijke pensioenregeling voor de werknemers in de particuliere sector.
49. De vraag of het bij ambtenaren om een bijzondere categorie werknemers" gaat, heeft het Hof zelf in de zaak Beune slechts aarzelend beantwoord; het erkende dat de specifieke beroepsgroep" van ambtenaren moeilijk" als een algemene categorie werknemers beschouwd kan worden.
50. Voorzover het gaat om een verplicht stelsel van ouderdomsverzekering voor werknemers in overheidsdienst kan men zeker betwijfelen of ambtenarenpensioenen met een bedrijfspensioenregeling kunnen worden gelijkgeschakeld. Aangezien het Hof echter in de zaak Beune alleen de dienstbetrekking" in de zin van artikel 119 EEG-Verdrag als beslissend criterium heeft aanvaard en daarmee de eerdere rechtspraak aangaande de verschillende criteria heeft gerelativeerd, moet ook in deze zaak dit criterium worden gehanteerd.
51. In de zin van deze rechtspraak komt het er derhalve in beslissende mate op aan, of de pensioenuitkeringen alleen op de grondslag van de rechtstreeks uit artikel 119 EEG-Verdrag voortvloeiende criteria gelijke arbeid" en gelijke beloning" kunnen worden gedefinieerd. Zoals de Franse ambtenarenpensioenregeling in de onderhavige zaak werd beschreven, moet er wel van worden uitgegaan dat het gaat om een ouderdomsverzekering voor een bijzondere categorie van werknemers", die rechtstreeks afhankelijk is van het aantal dienstjaren" en waarvan het bedrag wordt berekend op basis van het eindloon van de ambtenaar". Met het oog op het vervolg van het onderzoek moet er daarom van worden uitgegaan, dat het bij de Franse ambtenarenpensioenen om beloning" in de zin van artikel 119 EEG-Verdrag gaat.
52. Daarom moet worden nagegaan of de litigieuze bepaling van artikel L. 24-I-3° van de pensioenwet een ongelijke behandeling op grond van geslacht oplevert met betrekking tot de voorwaarden voor het als beloning aan te merken ambtenarenpensioen. Artikel L. 24-I-3° , sub b, tweede alternatief, ruimt vrouwelijke ambtenaren bij een bepaalde gebeurtenis - invaliditeit of ongeneeslijke ziekte van de echtgenoot waardoor hij geen beroepsbezigheden kan uitoefenen - de mogelijkheid in om onmiddellijk in het genot van pensioen te worden gesteld. Aangezien deze bepaling alleen voor vrouwelijke ambtenaren geldt, zijn formeel evenwel mannelijke ambtenaren die in een vergelijkbare situatie belanden - invaliditeit of ongeneeslijke ziekte van de echtgenote waardoor zij haar beroepsbezigheden niet kan uitoefenen - van deze mogelijkheid uitgesloten.
53. De voorwaarden voor de toekenning van rustpensioen, dat wij hierboven als beloning" hebben aangemerkt, zijn dus alleen op grond van geslacht voor vrouwelijke en mannelijke ambtenaren verschillend. Het betreft hier derhalve een duidelijk geval van discriminatie op grond van geslacht. Wanneer de feiten met betrekking tot mannen en vrouwen te vergelijken zijn, zoals het beginsel van gelijke behandeling vooronderstelt, is hier sprake van een op grond van geslacht verboden discriminatie. Formeel gezien zijn de situatie van een mannelijke en van een vrouwelijke ambtenaar van wie de echtgenote/echtgenoot ongeneeslijk ziek is, vergelijkbaar. Het doel van de bepaling zou eventueel opheldering kunnen verschaffen over de vraag of en waarom de wetgever verschillende voorwaarden voor vrouwelijke en mannelijke ambtenaren heeft gesteld.
54. In de onderhavige zaak gaat het om de verzorging van de zieke echtgenoot, hetgeen geen aanvaardbaar criterium is voor een gedifferentieerde benadering. Immers, zowel een vrouw heeft tijd en financiële armslag nodig voor het verplegen van haar man, alsook omgekeerd een man voor het verplegen van zijn vrouw.
55. Het is niet uitgesloten dat bij de conceptie van de litigieuze bepaling economische motieven een overwegende rol hebben gespeeld. Een argument daarvoor is de context waarin artikel L. 24-I-3° , sub b, eerste alternatief, van de pensioenwet is geplaatst. Luidens deze bepaling treedt het genot van het pensioen voor een vrouwelijke ambtenaar onmiddellijk in wanneer zij door invaliditeit of ongeneeslijke ziekte haar vroegere functie niet meer kan uitoefenen. Economische motieven zouden dus zowel bij het eerste als bij het tweede alternatief van artikel L. 24-I-3° , sub b, een doorslaggevende rol kunnen spelen. Maar ook vanuit dit oogpunt is arbeidsongeschiktheid van een echtgenoot in beginsel voor beide echtgenoten vergelijkbaar.
56. Aangezien er derhalve geen enkele reden bestaat om ervan uit te gaan dat de ongelijke behandeling in artikel L. 24-I-3° , sub b, tweede alternatief, van de pensioenwet verband houdt met verschillende situaties, moet men wel tot de slotsom komen dat het hier een verboden ongelijke behandeling op grond van geslacht in de zin van artikel 119 EEG-Verdrag, respectievelijk artikel 141 EG betreft.
57. Het onderzoek van het doel van de litigieuze bepaling geeft evenmin aanleiding om deze te toetsen aan artikel 141, lid 4, EG respectievelijk het oudere artikel 6, lid 3, van de overeenkomst behorende bij het protocol nr. 14 betreffende de sociale politiek. De Franse Republiek heeft niets gesteld ten aanzien van de vraag of en in hoeverre de regeling bestemd en geschikt zou kunnen zijn om de beroepsactiviteit van vrouwen respectievelijk van het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken; ook uit de bepaling zelf blijkt hiervan niets.
58. Samengevat is het resultaat van het onderzoek derhalve dat artikel L. 24-I-3° , sub b, tweede alternatief, van de pensioenwet in strijd is met het in artikel 119 EG-Verdrag respectievelijk artikel 141 EG neergelegde beginsel van gelijke beloning, aangezien het de mogelijkheid van onmiddellijke pensionering onder de daarin vastgestelde voorwaarden alleen aan vrouwelijke ambtenaren voorbehoudt.
59. Op grond van de overwegingen met betrekking tot de eerste vraag behoeft de tweede vraag niet meer te worden beantwoord. De nu volgende opmerkingen zijn derhalve van subsidiaire aard.
60. Voor het geval het Hof de Franse ambtenarenpensioenen niet als beloning" in de zin van artikel 119 EG-Verdrag respectievelijk 141 EG zou beschouwen of ervan uit zou gaan dat het materieel niet om een vraag van gelijke beloning gaat, dan rijst de vraag of richtlijn 79/7 van toepassing is. Artikel 3 omschrijft de werkingssfeer van de richtlijn; volgens lid 1 is de richtlijn van toepassing op de wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen onder andere het risico van ouderdom. Zoals ik in het voorgaande al heb gezegd, berust het Franse stelsel van ambtenarenpensioenen op de wet.
61. Nog een argument om een pensioenstelsel voor ambtenaren als een wettelijk stelsel van sociale zekerheid te beschouwen is te vinden in verordening (EG) nr. 1606/98 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van verordening (EEG) 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) 1408/71 met het oog op de uitbreiding ervan tot bijzondere stelsels voor ambtenaren en met hen gelijkgestelden. Deze verordening, die bijzondere stelsels voor ambtenaren en met hen gelijkgestelde personen binnen de algemene context van verordening 1408/71 brengt, heeft tot gevolg dat deze stelsels onder de materiële werkingssfeer van verordening (EEG) nr. 1408/71 vallen en dat de eraan ten grondslag liggende wettelijke bepalingen als wettelijke regelingen betreffende [...] takken van de sociale zekerheid" in de zin van artikel 4 van verordening nr; 1408/71 beschouwd moeten worden, die een van de daar opgesomde prestaties betreffen, te weten de uitkeringen bij ouderdom.
62. Het is daarom logisch, bijzondere stelsels voor ambtenaren ook te beschouwen als wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen ouderdom in de zin van richtlijn 79/7.
63. Artikel 4, lid 1, van de richtlijn bepaalt: het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht [...] is uitgesloten [...]". Ik heb al uiteengezet dat artikel L. 24-I-3° , sub b, tweede alternatief, van de pensioenwet een ongelijke behandeling op grond van geslacht behelst. Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 somt enkele voorbeelden van de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling op:
[...] in het bijzonder met betrekking tot:
- de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot de regelingen,
- de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening,
- de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op de prestaties".
64. In onderhavige zaak gaat het weliswaar niet om de voorwaarden inzake toegang tot de regelingen of de berekening van de prestatie, maar om de voorwaarden inzake toegang tot de prestatie. Dit speelt echter geen enkele rol, omdat artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG geen limitatieve, maar alleen een indicatieve opsomming geeft van gevallen waarin het beginsel van gelijke behandeling toepasselijk is.
65. Men kan er derhalve van uitgaan dat - bij toepassing van richtlijn 79/7 op het Franse pensioenstelsel voor ambtenaren - het bepaalde in artikel L. 24-I-3° , sub b, tweede alternatief, van de pensioenwet een op grond van het geslacht verboden discriminatie in de zin van artikel 4 van richtlijn 79/7/EEG inhoudt. Weliswaar doet deze richtlijn volgens artikel 7, lid 1, sub a, geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen van haar werkingssfeer uit te sluiten. In onderhavige zaak betreft het echter niet de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd, maar de vaststelling van de voorwaarden voor onmiddellijke pensionering, onafhankelijk van de bij wet voorgeschreven pensioengerechtigde leeftijd. De litigieuze bepaling verschilt in zoverre van andere regelingen voor vervroegd pensioen, die veelal met de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd verband houden.
66. Aangezien de uitzonderingsregeling van artikel 7 van richtlijn 79/7 niet van toepassing is, stel ik vast dat artikel L. 24-I-3° , sub b, tweede alternatief, van de pensioenwet een met het beginsel van gelijke behandeling als bedoeld in artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG onverenigbare discriminatie op grond van geslacht inhoudt.
67. Derhalve dient, zolang de met het gemeenschapsrecht strijdige norm het enig geldige referentiekader is, het benadeelde geslacht net zo behandeld te worden als het bevoordeelde geslacht door de litigieuze bepaling wordt behandeld.
VI - Conclusie
68. Op grond van bovenstaande overwegingen stel ik voor als volgt op de prejudiciële vragen te antwoorden:
De ingevolge de Franse ambtenarenpensioenregeling uitgekeerde pensioenen zijn een beloning in de zin van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG tot 143 EG). Een bepaling als artikel L. 24-I-3° van de Code des pensions civiles et militaires de retraite is in strijd met het beginsel van gelijke beloning.
subsidiair:
voor het geval dat de ingevolge de Franse ambtenarenpensioenregeling uitgekeerde pensioenen geen beloning zijn in de zin van artikel 119 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 141 EG):
Een bepaling als artikel L. 24-I-3° van de Code des pensions civiles et militaires de retraite is in strijd met het beginsel van gelijke behandeling, neergelegd in artikel 4 van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid."
Full & Egal Universal Law Academy