CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
DÁMASO RUIZ-JARABO COLOMER
van 11 februari 2003 ( 1 )
Inhoud
I — De feiten
II — De procedure voor het Gerecht en het bestreden arrest
III — De procedure voor het Hof
IV — De hogere voorziening
1. Schending van het recht van de verdediging wat de toegang tot het administratief dossier betreft
A — Algemene beoordeling (eerste middel)
1) Het standpunt van partijen
2) De legitimiteit van de maatregelen tot organisatie van de procesgang en de bevoegdheid van het Gerecht om deze te gelasten
3) Het Gerecht heeft zijn eigen rechtspraak noch die van het Hof miskend
4) Geen omkering van de bewijslast
5) Redelijkheid van het door het Gerecht toegepaste criterium
B — Beoordeling van de rechten van de verdediging in het bijzonder
1) In verband met de Cembureau-overeenkomst (tweede onderdeel van het tweede middel)
a) Het standpunt van partijen
i) De nota van Toscano
ii) Andere elementen
b) Geen procedurele fout in eerste aanleg
c) De bewijskracht van de nota van Toscano en andere documenten.
2) De uitwisseling van informatie over de prijzen en de maatregelen ter bescherming van de Italiaanse markt (tweede onderdeel van het derde en het vierde middel)
a) Het standpunt van partijen
b) Een terugkerende, niet-ontvankelijke en ongegronde grief. Verwijzing
2. Onjuiste rechtsopvattingen en motiveringsgebreken
A — In het onderzoek van de Cembureau-overeenkomst (eerste onderdeel van het tweede middel)
1) Het standpunt van partijen
a) De convocatie voor de vergadering van de dclegatichoofdcn van 14 januari 1983
b) De documenten inzake het verloop van de vergadering van 14 januari 1983
i) De inleiding van de voorzitter
ii) Het ontbreken van notulen van de vergadering
iii) De nota's van Blue Circle
iv) De verklaring van Kalogeropoulos
c) De vergadering van de dclegatiehoofdcn van 19 maart 1984
d) De vergadering van de dclegatiehoofdcn van 7 november 1984
e) Andere beoordelingselementen
2) Een middel dat niet-ontvankelijk is
3) ... en ongegrond
a) De vergadering van 14 januari 1983
i) De convocatie
ii) Het verloop van de vergadering
b) De vergadering van 19 maart 1984
c) De vergadering van 7 november 1984
d) De andere beoordelingselementen
B — In het onderzoek naar de uitwisseling van informatie over de prijzen (eerste onderdeel van het derde middel)
1) Het standpunt van partijen
a) e ad-hocuitwisseling tijdens de vergaderingen van de delegatiehoofden (artikel 2, lid 1, van de beschikking)
b) De periodieke uitwisseling (artikel 2, lid 2, van de beschikking)
2) Cementir en de uitwisseling van informatie over de prijzen
C — In het onderzoek van de maatregelen ter bescherming van de Italiaanse markt (vierde middel)
1) De druk op Calcestruzzi (artikel 4, lid 3, sub a, van de beschikking)(eerste onderdeel)
a) Het standpunt van partijen
b) Cementir en de druk op Calcestruzzi
2) De overeenkomsten met Calcestruzzi (artikel 4, lid 3, sub b, van de beschikking) (tweede onderdeel)
a) Het standpunt van partijen
b) Cementir en de overeenkomsten met Calcestruzzi
D — In de kwalificatie als één enkele en continue overeenkomst (vijfde middel)
1) Het standpunt van partijen
a) De ene enkele en continue overeenkomst met betrekking tot de European Task Force (eerste onderdeel)
b) De ene enkele en continue overeenkomst met betrekking tot het Cembureau-beginsel (tweede onderdeel)
2) Het begrip één enkele en continue overeenkomst
3) De ene enkele en continue overeenkomst met betrekking tot de European Task Force en de uitvoeringsmaatregelen ervan
4) De ene enkele en continue Cembureau-overeenkomst
3. De geldboete (zesde middel)
A — Het standpunt van partijen
1) De duur van de inbreuken (eerste onderdeel)
2) De zwaarte van de inbreuk (tweede onderdeel)
3) Rectificatie van het bedrag van de geldboete (derde onderdeel)
4) De verjaring van de inbreuk die is beschreven in artikel 2, lid 1, van de beschikking (vijfde onderdeel)
B — De door de Commissie voor de oplegging van de geldboeten gehanteerde criteria
C — Het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel
D — Een onvoldoende gemotiveerde sanctie
E — De duur van de inbreuken, met name van de in artikel 4, lid 3, sub b, van de beschikking beschreven inbreuk
F — De verjaring van de inbreuk bestaande in de ad-hocuitwisscling van informatie over de prijzen
G — Rectificatie van de omzet
V — Kosten
VI — Conclusie
1.
Cementir — Cementerie del Tirreno SpA (hierna: „Cementir”) heeft hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van de Vierde kamer — uitgebreid van het Gerecht van eerste aanleg van 15 maart 2000 in de zaak die bekend staat onder de naam Cimenteries CBR e.a./Commissie. ( 2 )
I — De feiten
2.
Voor de hogere voorziening zijn de volgende feiten relevant, zoals deze blijken uit het bestreden arrest:
—
Van april 1989 tot en met juli 1990 hebben de diensten van de Commissie bij Europese cementproducenten en bedrijfstakorganisaties uit hoofde van artikel 14, leden 2 en 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag ( 3 ), bepaalde verificaties verricht. Op grond hiervan heeft de Commissie op 12 november 1991 besloten een administratieve procedure ( 4 ) in te leiden tegen een aantal ondernemingen, waaronder Cementir. ( 5 )
—
Op 25 november 1991 heeft de Commissie aan de 76 betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen punten van bezwaar meegedeeld. Cementir heeft de gelegenheid gehad schriftelijke opmerkingen in te dienen over deze punten van bezwaar. Tevens heeft zij mondelinge opmerkingen kunnen indienen op hoorzittingen, die gehouden zijn van 1 maart tot en met 1 april 1993. ( 6 )
—
De tekst van de punten van bezwaar, die in één enkel document is opgenomen, is niet integraal aan alle bij de procedure betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen toegezonden. Aan elke adressaat van de punten van bezwaar werden de volledige inhoudsopgave ervan en een lijst van alle stukken toegezonden, waarin was vermeld welke stukken hij kon inzien. Sommige ondernemingen en ondernemersverenigingen hebben de Commissie verzocht om hun alsnog de ontbrekende hoofdstukken van de punten van bezwaar te doen toekomen en hun toegang te verlenen tot alle stukken van het dossier, met uitzondering van interne of vertrouwelijke documenten. De Commissie heeft geweigerd dit verzoek in te willigen. ( 7 )
—
In beschikking 94/815/EG van 30 november 1994 ( 8 ) (hierna: „beschikking”) heeft de Commissie Cementir een aantal mededingingsverstorende praktijken verweten, die inbreuk maakten op artikel 85, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) ( 9 ), te weten haar deelneming
1)
vanaf 14 januari 1983, aan een overeenkomst genaamd „Cembureau-over-eenkomst”, die ertoe strekte de thuismarkten te eerbiedigen en het overbrengen van cement van het ene naar het andere land aan een regeling te onderwerpen (artikel 1).
2)
van 14 januari 1983 tot en met 14 april 1986, aan overeenkomsten inzake uitwisseling van informatie over de prijzen, met als oogmerk de uitvoering van de in artikel 1 van de beschikking bedoelde overeenkomst te vergemakkelijken (artikel 2, lid 1). De in casu bedoelde overeenkomsten waren gesloten tijdens de vergaderingen van de delegatiehoofden en van het uitvoerend comité van Cembureau — Association européenne du Ciment (hierna: „Cembureau”).
3)
van 1 januari 1984 tot en met 31 december 1988, met hetzelfde doel, aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot:
a)
de informatie-uitwisseling betreffende de minimumprijzen voor cementleveringen per vrachtwagen van de Belgische en de Nederlandse producenten en betreffende de prijzen, kortingen inbegrepen, van de Luxemburgse producent;
b)
de informatie-uitwisseling betreffende de individuele schalen voor de prijzen van de Deense en de Ierse producenten, betreffende de voor de bedrijfstak in Griekenland, Italië en Portugal geldende schalen en betreffende de gemiddelden van de in Duitsland, Frankrijk, Spanje en in het Verenigd Koninkrijk toegepaste prijzen (artikel 2, lid 2).
4)
vanaf 28 mei 1986, aan een overeenkomst tot de oprichting van Cembureau Task Force of European Task Force (artikel 4, lid 1).
5)
van 9 juni 1986 tot en met 26 maart 1993, aan een overeenkomst inzake de oprichting van de Joint Trading Company, Interciment S.A., die tot doel had jegens degenen die de stabiliteit van de markten in de lidstaten bedreigden, de overredings- en ontmoedigingsmaatregelen uit te voeren (artikel 4, lid 2).
6)
van 17 juni 1986 tot en met 15 maart 1987, aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen met als oogmerk aan de Griekse producenten en aan Titan Cement Company S.A. in het bijzonder, hun Italiaanse cliënt Calcestruzzi te onttrekken (artikel 4, lid 3, sub a).
7)
van 3 april 1987 tot en met 3 april 1992, aan een overeenkomst inzake de contracten en de afspraken die op 3 en op 15 april 1987 zijn ondertekend en tot doel hebben van de zijde van Calcestruzzi invoer van Grieks cement te voorkomen (artikel 4, lid 3, sub b).
8)
van 14 maart 1984 tot en met 22 september 1989, in het kader van het „European Cement Export Committee”, aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen inzake de uitwisseling van gegevens, de vraag-en-aanbodsituaties in invoerende derde landen, de bij de uitvoer te hanteren prijzen, de invoersituatie in de ledenlanden en de vraag-en-aanbodsituatie op de thuismarkten met het oogmerk binnendringen van concurrenten op de respectieve thuismarkten in de Gemeenschap te voorkomen (artikel 5).
—
De Commissie heeft Cementir gelast de bovengenoemde inbreuken onmiddellijk te beëindigen en zich voortaan voor de markten van „grijs” en van „wit” cement te onthouden van elke overeenkomst of onderling afgestemde gedraging (artikel 8). Zij heeft Cementir tevens een geldboete opgelegd van 8248000 ECU, te betalen binnen drie maanden vanaf de kennisgeving van de beschikking, over welk bedrag na het verstrijken van de genoemde termijn van rechtswege rente verschuldigd was (artikelen 9 en 11).
3.
Cementir was het niet eens met de beschikking van de Commissie en heeft daarom beroep ingesteld bij het Gerecht van eerste aanleg.
II — De procedure voor het Gerecht en het bestreden arrest
4.
In haar verzoekschrift heeft Cementir primair gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van de beschikking gevorderd. Subsidiair heeft zij intrekking van de geldboete gevorderd, of althans verlaging van het bedrag daarvan. Zij heeft het Gerecht verzocht de Commissie in elk geval in de kosten te verwijzen.
5.
Bij besluit dat tussen 19 januari en 2 februari 1996 aan de partijen in elke zaak is betekend, heeft het Gerecht de Commissie verzocht een aantal stukken over te leggen. De Commissie heeft daaraan op 29 februari 1996 voldaan en heeft overgelegd ( 10 )
1)
de mededeling van de punten van bezwaar zoals die is betekend aan de beschuldigde ondernemingen, naderhand verzoeksters;
2)
het procesverbaal van de hoorzitting met elk van hen;
3)
de lijst van de stukken van de dossiers;
4)
de dozen met de documenten waarop de Commissie de feitelijke constateringen heeft gebaseerd die zij in de mededeling van de punten van bezwaar had opgenomen, en
5)
de in de administratieve procedure gevoerde briefwisseling tussen de instelling en de verzoekende partijen.
6.
Het Gerecht heeft nog twee besluiten genomen; het eerste daarvan is op 2 oktober 1996 betekend, het tweede op 18 en 19 juni 1997. Bij deze besluiten heeft het Gerecht alle maatregelen gelast die noodzakelijk waren om de verzoeksters alle originele documenten van het dossier te kunnen laten inzien, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen of andere vertrouwelijke informatie bevatten, en met uitzondering van interne documenten van de Commissie. ( 11 )
7.
Na de verzoekende ondernemingen en ondernemersverenigingen toegang tot het gehele dossier te hebben verleend, heeft het Gerecht hen uitgenodigd een memorie in te dienen, waarin uitsluitend nauwkeurig de stukken mochten worden aangegeven waartoe zij geen toegang hadden gehad tijdens de administratieve procedure en die hun verweer hadden kunnen beïnvloeden, en waarin kort moest worden uiteengezet waarom de administratieve procedure een andere afloop had kunnen hebben als zij die stukken wel hadden kunnen inzien. Het Gerecht heeft hen tevens verzocht een kopie van elk becommentarieerd stuk aan hun eventuele memorie te hechten. Alle betrokken verzoekende partijen, op één na ( 12 ), hebben opmerkingen ingediend na raadpleging van het dossier van de Commissie. De Commissie heeft in elk van die zaken een memorie van antwoord ingediend. ( 13 )
8.
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep van Cementir gedeeltelijk toegewezen en als volgt uitspraak gedaan. Het Gerecht:
„—
verklaart artikel 1 van beschikking 94/815 nietig, voorzover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 3 april 1992 in aanmerking wordt genomen;
—
verklaart artikel 2, lid 1, van beschikking 94/815 nietig, voorzover daarin wordt vastgesteld dat tijdens de vergadering van het uitvoerend comité van Cembureau — Association européenne du ciment overeenkomsten tot uitwisseling van informatie over de prijzen tot stand zijn gekomen, en voorzover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk na 14 januari 1983 in aanmerking wordt genomen;
—
verklaart artikel 2, lid 2, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster, voorzover daarin wordt vastgesteld dat de periodieke uitwisseling van informatie tussen Cembureau — Association européenne du ciment en haar leden, wat de Belgische en de Nederlandse prijzen betreft, betrekking had op de minimumprijzen per vrachtwagen van de producenten uit die twee landen en, wat Luxemburg betreft, op de prijzen, kortingen inbegrepen, van de producent uit dat land;
—
verklaart artikel 4, leden 1 en 2, van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;
—
verklaart artikel 4, lid 3, sub a, van beschikking 94/815 nietig, voorzover daarin een deelneming van verzoekster aan de ten laste gelegde inbreuk vóór 9 september 1986 in aanmerking wordt genomen;
—
verklaart artikel 5 van beschikking 94/815 nietig ten aanzien van verzoekster;
—
bepaalt het bedrag van de bij artikel 9 van beschikking 94/815 aan verzoekster opgelegde geldboete op 7471000 EUR;
—
verwerpt het beroep voor het overige;
—
verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen alsmede een derde van de kosten van de Commissie;
—
verstaat dat de Commissie twee derde van haar eigen kosten zal dragen.”
9.
Met andere woorden, het Gerecht heeft Cementir schuldig verklaard aan mededingingsverstorende praktijken wegens deelneming
1)
van 14 januari 1983 tot en met 3 april 1992, aan de Cembureau-overeenkomst inzake de eerbiediging van de thuismarkten van grijs cement (artikel 1 van de beschikking);
2)
op 14 januari 1983 aan een ad-hocuitwisseling van informatie over de prijzen van grijs cement (artikel 2, lid 1, van de beschikking);
3)
tussen 1 januari 1984 en 31 december 1988, aan een periodieke uitwisseling van informatie betreffende de individuele schalen voor de prijzen van de Deense en de ïerse producenten, betreffende de voor de bedrijfstak in Griekenland, Italië en Portugal geldende schalen en betreffende de gemiddelden van de in Duitsland, Frankrijk, Spanje en het Verenigd Koninkrijk toegepaste prijzen (artikel 2, lid 2, sub b, van de beschikking);
4)
tussen 9 september 1986 en 15 maart 1987, aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen met als oogmerk aan de Griekse producenten hun cliënt Calcestruzzi te onttrekken (artikel 4, lid 3, sub a, van de beschikking);
5)
van 3 april 1987 tot en met 3 april 1992, aan een overeenkomst inzake de contracten en afspraken die op 3 en op 15 april 1987 zijn ondertekend en tot doel hebben van de zijde van Calcestruzzi invoer van Grieks cement te voorkomen (artikel 4, lid 3, sub b).
III — De procedure voor het Hof
10.
Na de indiening van het verzoekschrift en het einde van de schriftelijke procedure heeft het Hof, krachtens de hem in artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering ( 14 ) verleende bevoegdheid, bij beschikking van 5 juni 2002 het vierde en het zesde onderdeel van het zesde middel kennelijk ongegrond verklaard.
11.
Wat de andere middelen betreft, is op 4 juli 2002 een gezamenlijke terechtzitting voor de zes tegen het arrest van het Gerecht ingestelde hogere voorzieningen georganiseerd, waarop de rekwiranten en de Commissie zijn verschenen.
IV — De hogere voorziening
12.
Cementir verzoekt het Hof het bestreden arrest geheel of gedeeltelijk te vernietigen en de beschikking geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren of ten minste de haar opgelegde geldboete in te trekken dan wel te verlagen. Subsidiair verzoekt zij het Hof het bestreden arrest geheel of gedeeltelijk te vernietigen en de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen voor afdoening met inachtneming van de daartoe door het Hof te verstrekken aanwijzingen. Ten slotte verzoekt zij het Hof de Commissie in elk geval in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening te verwijzen.
13.
De Commissie heeft afwijzing van de hogere voorziening in haar geheel en bevestiging van het bestreden arrest gevorderd, alsmede verwijzing van Cementir in de kosten.
14.
Tot staving van haar vorderingen heeft rekwirante zes middelen aangevoerd, waarvan sommige uit een aantal onderdelen bestaan. Zoals gezegd zijn twee van deze onderdelen reeds afgewezen bij de beschikking van 5 juni 2002.
15.
Ik kom thans tot de grieven van Cementir en de antwoorden van de Commissie daarop, die ik achtereenvolgens zal onderzoeken ter onderbouwing van de door mij voorgestelde oplossing.
1. Schending van het recht van de verdediging wat de toegang tot het administratief dossier betreft
A — Algemene beoordeling (eerste middel)
1) Het standpunt van partijen
16.
Volgens Cementir maken de punten 142 tot en met 263 van het bestreden arrest het recht op toegang tot het administratief dossier geheel zinledig. De twee daarin gehanteerde criteria (de documenten moeten objectief verband houden met de feiten waarvoor een sanctie is opgelegd en moeten de directe belastende bewijzen kunnen ontkrachten) brengen een ernstige beperking van de uitoefening van de rechten van de verdediging mee, hetgeen gevolgen had moeten hebben voor de geldigheid van de eindbeschikking.
17.
Volgens haar dient de relevantie van een document als bewijsmiddel te worden beoordeeld tijdens het administratieve onderzoek, maar in geen geval tijdens de daaropvolgende rechterlijke toetsing. Wanneer dit niet gebeurt, „verplaatst” het debat tijdens de onderzoeksfase zich naar een kader waar het niet thuishoort, wat leidt tot „amputatie” van de rechten van de verdediging. Doordat het document dat tijdens de administratieve procedure niet kon worden geraadpleegd, de directe belastende bewijzen moest kunnen ontkrachten, was het Gerecht bovendien verplicht een onderzoek te verrichten dat de taak was van de Commissie, in wiens plaats het Gerecht zich aldus heeft gesteld. Door deze handelwijze blijven procedurele fouten als de niet-mededeling van documenten tijdens de administratieve fase zonder consequenties, daar zij kunnen worden „geregulariseerd” door een rechterlijke toetsing van de stukken waartoe de toegang was geweigerd.
18.
Cementir voegt hieraan toe dat het Gerecht de bewijslast heeft omgekeerd, door van haar te eisen dat zij aantoont dat de documenten die zij niet heeft kunnen raadplegen, de rechtstreekse bewijzen van de Commissie kunnen ontkrachten. Dit standpunt vindt geen steun in de rechtspraak, daar in de arresten Solvay/Commissie ( 15 ) en ICI/Commissie ( 16 ) het principe is neergelegd dat wanneer bewezen is dat een document dat dienstig is voor de verdediging niet kon worden geraadpleegd, moet worden vastgesteld dat de rechten van de verdediging zijn geschonden en de beschikking nietig moet worden verklaard. Er is geen specifiek rechterlijk onderzoek nodig van elk document dat niet is meegedeeld, noch hoeven deze documenten te worden vergeleken met de in de beschikking genoemde bewijzen. In de arresten Hercules Chemicals/Commissie ( 17 ) en Distillers Company/Commissie ( 18 ) is vastgesteld dat de documenten die niet konden worden geraadpleegd, niet kennelijk relevant waren om de inbreuk vast te stellen, zonder dat de inhoud ervan is onderzocht.
19.
Volgens de Commissie zouden de rechten van de verdediging van de beschuldigde ondernemingen slechts zijn geschonden wanneer de documenten waartoe hun geen toegang was verleend, nuttig waren geweest voor hun verdediging. Het Gerecht heeft niet getracht de gebreken van de administratieve procedure te verhelpen, maar heeft slechts getoetst of de rechten van de verdediging van de ondernemingen en ondernemersverenigingen waartegen de procedure was gericht, waren geschonden doordat zij niet alle stukken van het dossier konden raadplegen.
20.
Zij stelt dat de aanpak van het Gerecht door het Hof is bevestigd in zijn arrest Hercules Chemicals/Commissie. Punt 247 van het bestreden arrest is correct, daar het ontbreken van een objectief verband tussen een document dat niet kon worden geraadpleegd tijdens de administratieve procedure, en de in aanmerking genomen beschuldigingen ertoe leidt dat dit document buiten beschouwing wordt gelaten. De beoordeling van een dergelijk verband is een feitelijke kwestie waarvoor de rechter in eerste aanleg bevoegd is.
21.
De Commissie stelt voorts dat in het bestreden arrest de bewijslast niet is omgekeerd. De vaststelling van het nut van een niet-meegedeeld document is de taak van het Gerecht, zodat, indien de Commissie opnieuw met de beoordeling daarvan zou worden belast, sprake zou zijn van een schending van het beginsel van gelijkwaardigheid van de procedurele rechten („equality of arms”).
2) De legitimiteit van de maatregelen tot organisatie van de procesgang en de bevoegdheid van het Gerecht om deze te gelasten
22.
Om te kunnen reageren op de geuite kritiek op de regelmatigheid van de administratieve procedure en om de eventuele gebreken te kunnen verhelpen die het gevolg waren van het feit dat geen toegang tot bepaalde documenten was verleend, heeft het Gerecht de Commissie gevraagd hem het volledige dossier te verschaffen, zodat dit ter beschikking kon worden gesteld van de partijen ( 19 ), die vervolgens konden aangeven welke stukken zij tijdens het onderzoek niet hadden kunnen inzien en waarom de procedure een andere afloop had kunnen hebben als zij de betrokken documenten wel hadden kunnen raadplegen.
23.
Het Gerecht heeft de door de verzoeksters aangegeven documenten en ingediende opmerkingen in zijn arrest onderzocht. Zijn beslissing in punt 39 van het dictum ten aanzien van Cementir heb ik in punt 8 van deze conclusie vermeld. Daarbij is het Gerecht uitgegaan van het volgende beginsel: er zou sprake zijn van schending van de rechten van de verdediging indien er een — zelfs kleine — kans zou bestaan dat de administratieve procedure een andere afloop had gehad als een verzoeker zich had kunnen beroepen op het document waartoe hem de toegang was geweigerd ( 20 ).
24.
Cementir bekritiseert de handelwijze van het Gerecht omdat de door hem gehanteerde ongeschikte criteria ertoe leiden dat ernstige procedurele onregelmatigheden geen gevolgen hebben voor de eindbeschikking en ook omdat het Gerecht, door te beoordelen in hoeverre de documenten die niet bekend waren gemaakt in de administratieve procedure, de beschikking hadden kunnen beïnvloeden, zich in feite in de positie van de Commissie heeft geplaatst, waartoe het niet bevoegd was.
25.
De procedure inzake de vaststelling van inbreuken op de artikelen 81 EG en 82 EG is repressief. Het doel ervan is niet alleen het beëindigen van mededingingsverstorende praktijken, maar ook het bestraffen van gedragingen die daartoe leiden; de Commissie is in dit verband bevoegd de daders een geldboete op te leggen. Voor de uitoefening van haar taak beschikt de Commissie over ruime opsporings- en onderzoeksbevoegdheden, maar juist daardoor en door de cumulatie van onderzoeksen beslissingsbevoegdheden bij een en hetzelfde orgaan moeten de rechten van de verdediging van degenen die onderworpen zijn aan de procedure, onvoorwaardelijk worden erkend en geëerbiedigd. ( 21 )
26.
Dat is de betekenis van de bepalingen van verordening nr. 17, met name van artikel 19 ervan, en van verordening (EG) nr. 2842/98 van de Commissie van 22 december 1998 betreffende het horen van belanghebbenden en derden in bepaalde procedures op grond van de artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag ( 22 ) ook de rechtspraak van het Hof ( 23 ) en van het Gerecht ( 24 ) heeft daaraan geen andere betekenis gegeven. Het Europese Hof voor de rechten van de mens heeft de werkingssfeer van de waarborgen van artikel 6 van het Verdrag van Rome uitgebreid tot administratieve procedures van tuchtrechtelijke aard. ( 25 )
Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ( 26 ) gaat nog verder, omdat daarin niet alleen wordt gewaarborgd dat eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld ( 27 ), maar ook dat eenieder het recht heeft door de instellingen van de Europese Unie te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen, en het recht om toegang te krijgen tot het dossier hem betreffende. ( 28 )
27.
De raadpleging van het dossier is een aanvullend instrument in dienst van de rechten van de verdediging. ( 29 ) Het gaat daarbij niet om een doel op zich. ( 30 ) De formele waarborgen van de administratieve of gerechtelijke procedure zijn te verklaren aan de hand van dit doel, dat niets anders is dan het waarborgen van de doeltreffende bescherming van de rechten en legitieme belangen van eenieder. Een procedureel gebrek of een vormfout kan rechtsgevolgen teweegbrengen, indien de verweermiddelen daardoor worden beperkt. Met andere woorden, het begrip „zich niet kunnen verdedigen” is een materieel begrip, zodat procedurele gebreken, hoe talrijk ook, irrelevant zijn wanneer de betrokkene desondanks over passende middelen beschikte om zich te verdedigen.
28.
Het instrumentele karakter van het recht op toegang tot het dossier heeft echter nog een gevolg. Ook wanneer dit recht slechts onvoldoende of gebrekkig is geëerbiedigd en deze schending de mogelijkheden tot verweer van de betrokkene vermindert, kan de eindbeschikking in de procedure slechts nietig worden verklaard wanneer wordt vastgesteld dat het resultaat anders en gunstiger voor de betrokkene had kunnen uitvallen als de procedureregels zorgvuldig in acht waren genomen, of ook wanneer wordt vastgesteld dat juist vanwege die vormfout niet uit te maken is of de beschikking anders zou zijn uitgevallen. ( 31 ) In beide gevallen zou er aanleiding zijn geweest de eindbeschikking nietig te verklaren en, eventueel, de hele procedure opnieuw te voeren om de zaak recht te zetten.
29.
Kortom, vormfouten leiden geen eigen leven, dat los staat van het geschil ten gronde. Wanneer een na een formeel gebrekkige procedure gegeven beschikking nietig wordt verklaard omdat zij wegens gebreken in de voor de vaststelling ervan gevolgde weg materieel onjuist is, is de materiële onjuistheid van de beslissing en niet een vormfout bepalend voor de nietigverklaring. Vormfouten krijgen slechts een zelfstandig karakter wanneer op grond van deze fouten de gegeven beslissing niet kan worden beoordeeld.
30.
Uit de voorgaande overwegingen blijkt, wat de zin is van de door het Gerecht gelaste maatregelen tot organisatie van de procesgang.
31.
Omdat de Commissie de verzoekende ondernemingen en ondernemersverenigingen geen inzage in alle documenten had verleend, hebben zij geklaagd over deze procedurele fout, die vervolgens door de rechter is vastgesteld, zodat de gevolgen ervan voor de rechten van de verdediging moesten worden onderzocht. Daartoe moest kennis worden genomen van de ontlastende documenten die zij niet hadden mogen inzien, en van hun mening daarover. Gelet op deze factoren, heeft het Gerecht onderzocht in hoeverre de beschikking anders, dat wil zeggen gunstiger voor de beschuldigden, zou zijn geweest, indien de litigieuze stukken van het dossier hadden kunnen worden geraadpleegd en voor de Commissie hadden kunnen worden ingeroepen.
32.
Het Gerecht heeft dus niet de taak van de Commissie overgenomen en zich evenmin in haar plaats gesteld. Binnen zijn bevoegdheden heeft het juist enkel uiterst zorgvuldig gehandeld bij de uitoefening van zijn rechterlijke bevoegdheid, door te onderzoeken of de Commissie haar vervolgingsactiviteiten correct heeft uitgeoefend. En in die geest moet het oordeel dat wordt gegeven over het verleden, worden uitgesproken op basis van alle in het heden beschikbare gegevens, waardoor het aan rijkdom en juistheid wint. ( 32 )
3) Het Gerecht heeft zijn eigen rechtspraak noch die van het Hof miskend
33.
De handelwijze van het Gerecht wijkt in niets af van de rechtspraak van het Hof. In het arrest Hercules Chemicals/Commissie, reeds aangehaald, heeft het Hof geoordeeld dat de verlening van toegang tot het dossier in een later stadium de schending van de rechten van de verdediging niet kan corrigeren, omdat door de verlate kennisneming van bepaalde stukken van het dossier de verzoekende onderneming daaraan weliswaar middelen en argumenten voor haar vorderingen kan ontlenen, doch niet weer in de positie wordt gebracht waarin zij zou zijn geweest, wanneer zij zich vóór de indiening van haar schriftelijke en mondelinge opmerkingen bij de Commissie op die stukken had kunnen baseren. ( 33 )
34.
Het Gerecht heeft niet getracht een schending van de rechten van de verdediging die reeds heeft plaatsgevonden achteraf ongedaan te maken, maar is slechts nagegaan of inderdaad sprake is geweest van een dergelijke inbreuk. ( 34 ) Wanneer dit volgens het Gerecht het geval was, heeft het de beschikking nietig verklaard. ( 35 ) Toen de rechten van de verdediging volgens het Gerecht echter niet waren geschonden, heeft het verklaard dat de tijdens de samenstelling van het administratieve dossier gemaakte vormfout irrelevant was.
35.
Overigens is dit ook de strekking van het arrest Hercules Chemicals/Commissie zelf. Bij zorgvuldige lezing van punt 80 daarvan blijkt dat het beslissende element niet de in aanmerking genomen vormfout op zich is, maar de gevolgen daarvan voor de rechten van de verdediging, die nihil kunnen zijn als de betrokken onderneming zelf niet aantoont dat zij als gevolg van het feit dat zij geen kennis heeft kunnen nemen van bepaalde ontlastende documenten, niet kon beschikken over de instrumenten waarmee zij de Commissie van haar onschuld had kunnen overtuigen. Dit was ook de opvatting van het Hof in zijn arrest Distillers Company/Commissie, waarover ik reeds heb gesproken.
36.
Het Gerecht heeft evenmin zijn eigen leer, uiteengezet in de reeds aangehaalde arresten Solvay/Commissie en IQ/Commissie, miskend. Integendeel, het heeft deze volkomen juist toegepast.
37.
In deze twee arresten heeft het Gerecht op de respectieve beroepen beslist dat, gelet op de documenten die in de precontentieuze fase niet ter beschikking van de partijen waren gesteld, niet kon worden uitgesloten dat „de Commissie dan van een minder langdurige en minder ernstige inbreuk zou zijn uitgegaan, en dus een lagere geldboete zou hebben opgelegd”. ( 36 ) In een ander arrest, eveneens ICI/Commissie ( 37 ) genoemd, dat het Gerecht dezelfde dag heeft gewezen, heeft het een identieke grief echter verworpen op grond dat dezelfde procedurele fout die in deze zaak was gemaakt, de uitoefening van de rechten van de verdediging niet had geschaad. ( 38 )
38.
Het laatstgenoemde arrest toont aan dat het beslissende element voor het Gerecht is — en dat kan ook niet anders — dat het procedurele gebrek negatieve gevolgen heeft voor de rechten van de verdediging van de beschuldigde ondernemingen. Er is een duidelijke verklaring voor het feit dat het Gerecht in de zaken Solvay/Commissie en ICI/Commissie tot een andere oplossing is gekomen dan in de onderhavige zaak. In de twee eerstgenoemde arresten heeft het Gerecht een beschikking getoetst waarbij de Commissie de verzoekende ondernemingen een sanctie had opgelegd wegens hun deelneming aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen met het oog op de verdeling van de markten. Anders dan in de zaak die ik thans onderzoek, kon het gedrag van deze ondernemingen slechts worden aangetoond via indirecte bewijzen, hoofdzakelijk hun parallel en passief gedrag. ( 39 ) In een dergelijke situatie zouden de ontlastende bewijzen die tijdens de behandeling van de zaak niet hadden kunnen worden gebruikt, de bewijskracht van deze aanwijzingen hebben kunnen beïnvloeden, omdat zij een andere verklaring van het parallelle gedrag hadden kunnen geven. ( 40 ) De situatie van Cementir is anders. Haar deelneming aan de verweten gedragingen kon door de Commissie worden vastgesteld via directe en specifieke bewijzen ( 41 ), waarvan de inhoud volgens de soevereine beoordeling van het Gerecht niet kon worden ontkracht door de documenten die tijdens de administratieve fase niet voor deze onderneming toegankelijk waren.
4) Geen omkering van de bewijslast
39.
Deze benadering houdt geen omkering van de bewijslast in. Dat procesrechtelijke beginsel staat ten dienste van het materieelrechtelijke grondrecht op het vermoeden van onschuld, waarmee het niet mag worden verward.
40.
Het vermoeden van onschuld impliceert dat geen bestraffing mogelijk is als de schuld niet is bewezen. Daaruit vloeit voort dat degene die iemand beschuldigt, moet bewijzen dat de beschuldigde de bestanddelen van de inbreuk heeft vervuld, en dat ook de overige feitelijke en juridische elementen aanwezig zijn die voor een schuldigverklaring nodig zijn. Dit is het raakvlak van het vermoeden van onschuld en de bewijslast. De Commissie heeft rekwiranten bepaalde mededingingsverstorende gedragingen verweten en heeft diverse bewijzen gebruikt om haar beschuldiging te staven. Zij heeft dus in beginsel aan deze procedurele regel — de bewijslast — voldaan. Een andere zaak is of de door haar gebruikte documenten dit vermoeden kunnen ontkrachten, maar dat is op dit moment niet aan de orde.
41.
Zodra de beschikking waarbij een sanctie is opgelegd, was gegeven, is daartegen beroep ingesteld door onder andere Cementir, die nietigverklaring van de beschikking vordert omdat de Commissie haar niet in staat heeft gesteld zich te verdedigen door haar geen volledige inzage te verlenen in de documenten van het dossier, en met name in die welke als ontlastende documenten hadden kunnen dienen. Overeenkomstig het beginsel van de verdeling van de bewijslast moet Cementir de feitelijke gegevens bewijzen waarop zij haar vordering baseert. Zij moet in de eerste plaats aantonen dat zij niet in het bezit is gesteld van alle documenten die de Commissie bij haar onderzoek heeft gebruikt, en in de tweede plaats dat daardoor haar verdediging onmogelijk is geworden.
42.
Met andere woorden, toen de Commissie aan haar verplichting had voldaan, was het de taak van de beschuldigde ondernemingen en ondernemersverenigingen om de belastende bewijsstukken met alle middelen waarover zij beschikten te ontkrachten. Het Gerecht heeft met toepassing van het in de punten 241 en 247 van het bestreden arrest geformuleerde criterium geoordeeld dat de aangevoerde vormfout, namelijk het ontbreken van toegang tot deze documenten in de administratieve procedure, irrelevant was vanuit het oogpunt van de rechten van de verdediging.
43.
Het Gerecht heeft het beginsel van de verdeling van de bewijslast in casu dus strikt toegepast. De abstracte en formalistische benadering van Cementir kan daarom niet worden gevolgd, want dan zou elke vormfout, hoe gering ook, tot nietigverklaring van de beschikking leiden, zonder dat zou hoeven te worden gekeken naar de gevolgen van die fout voor de juistheid van de beschikking. Dit standpunt zou tot een administratieve verlamming leiden, ten nadele van het doeltreffendheidsbeginsel, zonder een extra waarborg voor de rechten van de justitiabelen.
5) Redelijkheid van het door het Gerecht toegepaste criterium
44.
De Commissie heeft dus voldaan aan haar verplichting, de bewijsstukken over te leggen op grond waarvan de schuld van de beschuldigde ondernemingen en ondernemersverenigingen kan worden vastgesteld. Zij heeft zich op „directe schriftelijke bewijzen” beroepen ( 42 ) en niet op „een op de markt vastgesteld parallel gedrag”. ( 43 )
45.
In deze context komt het belang tot uiting van het door het Gerecht gehanteerde criterium om het hele scala aan bewijzen die de feitelijke vaststellingen van de Commissie kunnen weerleggen, te beperken tot die welke vervat zijn in de „documenten die rechtstreeks verband houden met de hun in de bestreden beschikking ten laste gelegde inbreuken”. ( 44 ) Met andere woorden, het is een juiste regel dat de rechten van de verdediging zijn geschonden wanneer tijdens de administratieve procedure geen toegang is verleend tot bewijsstukken die de door de Commissie gebruikte bewijzen kunnen weerleggen ( 45 ), en die niet slechts een weliswaar respectabele, aanvullende of andere uitleg kunnen geven, maar de door de Commissie in de beschikking aangevoerde documenten niet weerleggen.
46.
Ter illustratie is één voorbeeld voldoende. De Commissie heeft uit bepaalde documenten afgeleid dat tijdens de vergaderingen van de Europese cementproducenten van 14 januari 1983 en 19 maart en 7 november 1984 (Cementir heeft de tweede vergadering niet bijgewoond ( 46 )) mededingingsverstorende overeenkomsten waren gesloten. Het lijkt redelijk om de lijst van gevallen van schending van de rechten van de verdediging vast te stellen onder verwijzing naar die bewijzen die de inhoud van deze bewijsstukken hadden kunnen ontkrachten, wat de eis is die het Gerecht heeft gesteld toen het sprak van een „objectief verband” met een punt van bezwaar in de beschikking. ( 47 )
47.
Op basis van de documenten van het dossier heeft de Commissie geconcludeerd dat Cembureau en zijn rechtstreekse leden tijdens de vergadering van de delegatiehoofden van 14 januari 1983 een overeenkomst hadden gesloten over de eerbiediging van de thuismarkten en regeling van de internationale verkoop, waarvan de inhoud is bevestigd in de vergadering van 7 november 1984. Dit zou de rechten van de verdediging van rekwirante slechts hebben geschonden, wanneer zij in de onmogelijkheid zou hebben verkeerd ontlastende bewijsstukken te gebruiken die zouden weerleggen dat de litigieuze overeenkomst tijdens deze vergaderingen was gesloten en bevestigd, en waaruit zou blijken dat zij die vergaderingen niet had bijgewoond, dan wel dat zij wel aanwezig was, maar zich van de genomen besluiten had gedistantieerd.
48.
Toen eenmaal was bewezen dat de overeenkomst tijdens de litigieuze vergaderingen was gesloten en bevestigd, waren bewijsmiddelen waarmee een andere economische verklaring voor het gedrag van Cementir kon worden gegeven, niet meer relevant; het feit dat zij tijdens de administratieve fase geen toegang had gehad tot het dossier, heeft haar rechten van de verdediging dus niet kunnen schenden. Bij nauwkeurige lezing van de punten 1277 tot en met 1284 van het bestreden arrest blijkt dat de documenten die zij niet heeft kunnen inzien, als „irrelevant” kunnen worden aangemerkt en niet van belang zouden zijn geweest voor haar verweer, daar zij de in de beschikking gebruikte directe bewijzen niet kunnen weerleggen.
49.
Op grond van het bovenstaande moet het eerste middel van Cementir ongegrond worden verklaard.
B — Beoordeling van de rechten van de verdediging in het bijzonder
1) In verband met de Cembureau-overeenkomst (tweede onderdeel van het tweede middel)
a) Het standpunt van partijen
50.
Cementir is van mening dat het Gerecht zich heeft vergist toen het stelde dat het feit dat geen toegang is verleend tot de nota van Toscano en andere documenten, haar rechten van de verdediging niet heeft geschaad.
i) De nota van Toscano
51.
Met betrekking tot dit document voert rekwirante drie argumenten aan.
52.
In de eerste plaats stelt zij dat de Commissie tijdens de door het Gerecht georganiseerde terechtzittingen heeft erkend dat de nota van Toscano tijdens de administratieve procedure ter beschikking van de partijen had moeten worden gesteld ( 48 ), alsmede dat dit document van belang was om de vergadering van 14 januari 1983 te verklaren en om aan te tonen dat het mededingingsverstorende doel van die vergadering onvoldoende bewezen was. ( 49 ) Daar de „cement”-zaken enkel gevoegd zijn voor het arrest, heeft zij om heropening van de mondelinge behandeling verzocht, zodat het Gerecht met deze erkenning rekening kon houden, maar het Gerecht heeft het verzoek niet ingewilligd. Volgens rekwirante is dit een procedureel gebrek dat tot een onjuiste beoordeling van het middel betreffende schending van haar rechten van de verdediging tijdens de administratieve procedure heeft geleid.
53.
De Commissie betwist dat zij heeft erkend dat de nota van Toscano essentieel was voor de uitoefening van de rechten van de verdediging, en stelt dat zij deze nota slechts relevant heeft genoemd omdat die betrekking had op de vergadering van 14 januari 1984. Daar het om een onvolledig en fragmentarisch document ging, was er geen grond om de mondelinge behandeling te heropenen.
54.
In de tweede plaats geeft dit document, dat uitsluitend betrekking heeft op de discussie over de uitvoer met dumping uit andere landen van het Europese continent, volgens Cementir een andere interpretatie van de agenda van de vergadering van januari 1983.
55.
Volgens de Commissie herhaalt rekwirante slechts hetgeen zij reeds in eerste aanleg had verklaard in haar brief van 29 december 1997, die betrekking had op de toegang tot de stukken van het dossier. Zij stelt dat Cementir in werkelijkheid een nieuw onderzoek van de door haar bij het Gerecht ingediende vordering wil verkrijgen; dit is in hogere voorziening niet mogelijk.
56.
In de derde plaats stelt Cementir dat de bewijskracht van de nota van Toscano wordt versterkt door andere documenten (de „nota voor de voorzitter” ( 50 ) en de „nota van Cimpor” ( 51 )), die evenmin melding maken van discussies over de regel inzake eerbiediging van de thuismarkten. In hun geheel bezien tonen de drie bewijsmiddelen aan dat er heel wat elementen zijn die de stelling van verweerster ontzenuwen.
57.
Volgens de Commissie is de grief niet-ontvankelijk omdat zij betrekking heeft op een feitelijke kwestie. Zij acht de grief tevens ongegrond omdat het Gerecht dit bewijsmateriaal naar behoren heeft gewaardeerd.
ii) Andere elementen
58.
Cementir verwijt het Gerecht een ontoereikende motivering van zijn beslissing om geen rekening te houden met bepaalde documenten die kunnen bewijzen dat de overeenkomsten, de onderling afgestemde feitelijke gedragingen en andere samenwerkingsvormen die in een aantal geografische gebieden hebben plaatsgevonden, van zuiver lokale oorsprong waren en door zuiver lokale omstandigheden werden verklaard, zonder dat zij verband hielden met een vermeende Europese mededingingsregeling. Het gaat om de documenten die in de punten 1277 tot en met 1282 en 1435 tot en met 1439 van het bestreden arrest worden genoemd, alsmede om de notulen van de vergaderingen van de raden van bestuur van de Fédération de l'Industrie Cimentière (FIC), die tussen 8 december 1982 ( 52 ) en 1 september 1987 ( 53 ) hebben plaatsgevonden.
59.
De Commissie acht een nieuw onderzoek van de feiten niet acceptabel, omdat het Gerecht zijn beslissing volgens haar voldoende heeft gemotiveerd.
b) Geen procedurele fout in eerste aanleg
60.
De heropening van de mondelinge fase van de procedure is een vereiste dat verband houdt met het recht op een eerlijke en op tegenspraak gevoerde procedure in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. Zowel het Hof, op voorstel van de advocaatgeneraal, als het Gerecht ( 54 ) moet ambtshalve dan wel op verzoek van partijen de heropening van de mondelinge procedure bevelen, indien het van oordeel is dat het niet voldoende is ingelicht of dat de zaak moet worden beslecht op basis van een argument waarover tussen partijen geen discussie heeft plaatsgevonden ( 55 ). In het laatste geval is het zaak dat een „Uberraschungsentscheidung” ( 56 ) wordt voorkomen, dat wil zeggen dat de rechter uitspraak doet op basis van middelen die niet door partijen zijn aangevoerd, of die door de ene partij aangevoerd, door de andere niet konden worden besproken of betwist.
61.
De grief van Cementir behoort tot het tweede geval en is ongegrond, omdat, hoewel de Commissie tijdens de terechtzittingen in de zaken CBR/Commissie en Irish/Commissie heeft erkend dat de nota van Toscano relevante gegevens bevatte voor de beoordeling van de vergadering van 14 januari 1983, in punt 155 van het bestreden arrest wordt beklemtoond dat zij niet heeft erkend dat zij „de rechten van de verdediging van verzoeksters in de administratieve procedure heeft geschonden door hen geen toegang te verlenen tot bepaalde stukken van het onderzoeksdossier”. Derhalve is het onderwerp van de discussie niet veranderd, daar dit vóór en na de terechtzittingen hetzelfde was, zodat de mondelinge behandeling niet hoefde te worden heropend.
62.
Zelfs aangenomen dat de verklaringen van de Commissie tijdens de terechtzittingen een nieuw element bevatten, omdat het volgens rekwirante zelfs om een bekentenis ging, kan de weigering tot heropening van de mondelinge behandeling rekwirante niet het geringste nadeel hebben toegebracht, omdat er niets te betwisten zou zijn, dan wel toe te voegen aan een feit dat op zichzelf gunstig voor haar was. Een dergelijke procedurele handeling zou zinloos zijn geweest.
63.
Cementir wil nogmaals terugkomen op de kwestie van de vormen en het absolute karakter daarvan. In mijn reeds aangehaalde conclusie in de zaak Kaba heb ik verklaard dat „de vereisten van een contradictoire procedure slechts bijzondere bescherming door de rechter [behoeven] wanneer niet-naleving ervan tot schending van een fundamenteel recht leidt, dat wil zeggen leidt tot een situatie waarin de rechten van de verdediging worden geschonden” ( 57 ). Welnu, het feit dat niet gediscussieerd wordt over een feit dat zonder meer gunstig is voor rekwirante, betekent niet dat zij in de onmogelijkheid verkeert om zich te verdedigen.
c) De bewijskracht van de nota van Toscano en andere documenten
64.
Het Gerecht was van mening dat dit feit, dat naar behoren is beoordeeld, de situatie niet verandert.
65.
Met toepassing van het door hem in punt 241 van het bestreden arrest geformuleerde onderzoekscriterium, waarvan ik in mijn overwegingen met betrekking tot het eerste middel zojuist de rechtmatigheid heb vastgesteld, heeft het Gerecht verklaard dat de niet door de Commissie bekendgemaakte stukken de versie van de feiten die zij in haar beschikking had gegeven, niet hebben kunnen wijzigen. Het Gerecht was namelijk van oordeel dat de nota van Toscano bevestigde dat tijdens de vergadering van de delegatiehoofden van 14 januari 1983 gevoelige kwesties voor de cementsector waren besproken, maar niet kon weerleggen dat er mededingingsverstorende overeenkomsten waren gesloten, tot welke conclusie de Commissie was gekomen op basis van directe schriftelijke bewijzen. ( 58 ) Bijgevolg gaan de door Cementir opgeworpen vragen niet verder dan de beoordeling van het bewijsmateriaal of de feitelijke vaststellingen van de Commissie.
66.
Bovendien betreedt Cementir, door zonder nadere precisering te hameren op de waarde van de „nota voor de voorzitter” en de „nota van Cimpor”, die volgens haar de nota van Toscano versterken, opnieuw een in hogere voorziening verboden terrein. Na beide documenten te hebben onderzocht, heeft het Gerecht verklaard dat zij niet als officiële notulen van de vergadering van 14 januari 1983 ( 59 )kunnen worden beschouwd, waarvan geen verslag is gemaakt. Het leidt daaruit echter niet af dat het Cembureau-beginsel niet tijdens die vergadering is vastgesteld, een feit dat het bewezen acht op basis van de redenering die het uiteenzet in de punten 862 en verder van het bestreden arrest.
67.
Hetzelfde geldt voor de overige documenten die Cementir noemt om aan te tonen dat de in een aantal geografische gebieden uitgevoerde overeenkomsten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen en andere samenwerkingsvormen een zuiver lokale oorsprong hadden en door zuiver lokale omstandigheden werden verklaard, zonder enig verband met een vermeende Europese mededingingsregeling.
68.
Lezing van de punten 1277 tot en met 1282 en 1435 tot en met 1439 van het bestreden arrest volstaat om de grief inzake onvoldoende motivering af te wijzen; het Gerecht heeft namelijk de documenten onderzocht waarnaar in dit middel wordt verwezen, en gemotiveerd waarom deze belastende bewijzen niet tot een ander resultaat zouden hebben geleid, ook als ze tijdens de administratieve procedure ter beschikking van Cementir waren gesteld. De redenering in het bestreden arrest is logisch en voldoet aan de eisen waaraan een motivering moet voldoen. Deze redenering had weliswaar uitvoeriger kunnen zijn, maar geeft in de gegeven context afdoende uitleg. Het motiveringsvereiste vraagt van de rechter geen uitputtende beschrijving van het intellectuele proces dat hem tot een bepaalde beslissing heeft gebracht, noch schrijft het hem een bepaalde extensie, intensiteit of omvang van zijn redenering toe. Net als in de aangehaalde punten van het bestreden arrest, is het voldoende als de grondslag van de genomen beslissing vaststaat.
2) De uitwisseling van informatie over de prijzen en de maatregelen ter bescherming van de Italiaanse markt (tweede onderdeel van het derde en het vierde middel)
a) Het standpunt van partijen
69.
Cementir verwijt het Gerecht dat het geen rekening heeft willen houden met documenten die bevestigen dat de prijzen van een onderneming variëren op grond van verschillende factoren (zoals kortingen, transportkosten etc), met het argument dat de Commissie, ook als zij dergelijke factoren wel in aanmerking had genomen, tot hetzelfde resultaat zou zijn gekomen. Volgens rekwirante waren deze documenten dienstig voor haar verdediging, daar zij aantoonden dat de uitwisseling van informatie over de prijzen niet kon bijdragen aan de uitvoering van de vermeende Cembureauovereenkomst.
70.
De Commissie brengt daartegen in dat het tweede onderdeel van het derde middel niet-ontvankelijk is omdat het betrekking heeft op de beoordeling van de feiten en slechts de argumenten herhaalt die reeds zijn aangevoerd in eerste aanleg, waarin geen bewijs verkeerd is opgevat, geen wettelijke bepaling is geschonden en waarin evenmin sprake is van tegenstrijdigheden, daar de betrokken bewijzen in de administratieve procedure niet tot een ander resultaat hadden kunnen leiden.
71.
Wat de zogenoemde maatregelen ter bescherming van de Italiaanse markt betreft, verwijt rekwirante het Gerecht dat het geen rekening heeft gehouden met een reeks documenten die, net als de notulen van de vergadering van de raad van bestuur van de Griekse onderneming Heracles van 23 juli 1986 ( 60 ), bevestigen dat haar deelneming aan de met Calcestruzzi gesloten overeenkomsten slechts door louter commerciële beweegredenen was ingegeven. Ook verwijst zij naar documenten die aantonen dat sommige Italiaanse producenten buiten Cembureau ( 61 ) om maatregelen ter bescherming van hun markten tegen Griekse invoer hebben genomen, en naar andere documenten die een illustratie vormen van de sterke penetratie van deze invoer op de Italiaanse markt en het bestaan van een Europese overeenkomst over de eerbiediging van de thuismarkten weerspreken ( 62 ). Doordat er geen directe bewijzen zijn waaruit blijkt dat haar aansluiting bij de overeenkomsten met Calcestruzzi verband hield met de besprekingen in het kader van de European Task Force, stelt Cementir dat het Gerecht het belang van deze documenten, die een ander licht op de feiten werpen, niet correct heeft beoordeeld.
72.
Volgens de Commissie zijn deze documenten in de punten 3387 tot en met 3396 van het bestreden arrest adequaat beoordeeld, zodat het resultaat hetzelfde zou zijn geweest, indien rekwirante ze tijdens de administratieve procedure had kunnen raadplegen.
b) Een terugkerende, niet-ontvankelijke en ongegronde grief. Verwijzing
73.
De Commissie wijst er terecht op dat Cementir in het tweede onderdeel van het derde en het vierde middel, dat inhoudelijk identiek is met het eerste middel en met het tweede onderdeel van het tweede middel, geen enkele verkeerde opvatting van het Gerecht betreffende de bewijzen vaststelt, noch de aandacht vestigt op enigerlei tegenstrijdigheid in de motivering van het bestreden arrest, noch een bepaling aanvoert die geschonden zou zijn. Haar grief komt dan ook neer op een louter verschil van mening met het gestelde in de punten 1773, 1775, 1776 en 3392 tot en met 3396 van het bestreden arrest, dat zij bestrijdt, en is daarom als zodanig niet-ontvankelijk.
74.
In werkelijkheid klaagt Cementir erover dat de door haar genoemde documenten die zij tijdens de administratieve procedure niet heeft kunnen inzien, aantonen dat de bij de uitwisseling van informatie meegedeelde gegevens niet-geïndividualiseerd waren en derhalve niet van nut waren voor de precieze vaststelling van de door de verschillende Europese cementproducenten gehanteerde prijzen. Het Gerecht verklaart dat de Commissie met dit feit naar behoren rekening heeft gehouden in haar beschikking ( 63 ).
75.
Hetzelfde lot treft de documenten inzake de maatregelen ter bescherming van de Italiaanse markten, waarmee Cementir wilde aantonen dat haar betrokkenheid bij de met Calcestruzzi gesloten overeenkomsten door louter commerciële overwegingen was ingegeven, dat andere Italiaanse producenten soortgelijke maatregelen hadden genomen die niets met het Cembureau-beginsel van doen hadden, en dat de invoer van Grieks cement omvangrijk was. In de punten 3393 tot en met 3395 van het bestreden arrest is op basis van een logische en redelijke redenering vastgesteld dat het commentaar dat Cementir in het licht van dergelijke bewijzen in de administratieve procedure had kunnen geven, niet tot een ander resultaat zou hebben geleid.
76.
Door deze redenering in het arrest te „verwerpen”, reproduceert rekwirante slechts het debat dat zij reeds met het eerste middel van haar hogere voorziening heeft geopend. Daarom verwijs ik naar de overwegingen die ik daaromtrent hierboven heb uiteengezet.
77.
Derhalve moet ook het tweede onderdeel van het derde en het vierde middel van de hogere voorziening worden afgewezen.
2. Otijuiste rechtsopvattingen en moti-veringsgebreken
A — In het onderzoek van de Cembureau-overeenkomst (eerste onderdeel van het tweede middel)
1) Het standpunt van partijen
78.
Volgens Cementir is het onderzoek in de punten 861 tot en met 1095 van het bestreden arrest inzake het bestaan van de Cem burea u-o vereenkomst gebrekkig gemotiveerd en bevat het een fout in de juridische kwalificatie van de feiten, waardoor de bewijzen verkeerd worden opgevat.
79.
Zij stelt dat het bestaan van een consensus tussen bepaalde ondernemingen over de Cembureau-overeenkomst moet worden bewezen met zekere en duidelijke bewijsmiddelen, die volstrekt ondubbelzinnig zijn. Bij gebreke daarvan sluit het grondbeginsel van het vermoeden van onschuld, dat in het arrest Hüls/Commissie ( 64 ) is uiteengezet, uit dat de gelaakte ondernemingen en ondernemersverenigingen van enigerlei schending van artikel 85 van het Verdrag kunnen worden beschuldigd. Het Gerecht heeft dus de specifieke situatie van rekwirante niet juist beoordeeld en blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
80.
De Commissie stelt dat het Hof niet bevoegd is voor de vaststelling van de feiten van het geding. Het Gerecht heeft de betrokken bewijzen niet verkeerd opgevat en in deze grief van Cementir wordt geen rechtsvraag aan de orde gesteld die door het Hof moet worden getoetst. Zij is derhalve van mening dat het middel niet-ontvankelijk is.
a) De convocatie voor de vergadering van de delegatiehoofden van 14 januari 1983 ( 65 )
81.
Volgens Cementir toont de convocatie voor de vergadering van de delegatiehoofden van 14 januari 1983 niet aan dat zij aan de Cembureau-overeenkomst heeft deelgenomen. Zij voert daarvoor vier argumenten aan: 1) zij heeft enkel de officiële uitnodiging ontvangen, waarin niet werd gesproken van het overbrengen van cement tussen de landen die partij waren bij de overeenkomst in kwestie; 2) de brief van Braz de Oliveira is slechts gezonden aan twee ondernemingen, een Ierse en een Deense; 3) de vergadering van het uitvoerend comité van 5 november 1982, waarin op de noodzaak van de bescherming van de cementindustrie via „passende maatregelen” is gewezen, heeft zij niet bijgewoond, en 4) zij heeft het aan Van Hove gezonden telexbericht niet ontvangen.
82.
Volgens de Commissie is deze grief niet-ontvankelijk omdat zij betrekking heeft op de beoordeling van de bewijzen door de feitenrechter. Het bestreden arrest is op dit punt niet gebrekkig gemotiveerd en schendt ook niet het recht: in de punten 935 en 936 wordt aangetoond dat de twee convocaties voor de vergadering van 14 januari 1983 niet tegenstrijdig waren. Het bevat geen onjuiste beoordeling van de specifieke situatie van Cementir, die wordt bevestigd door het aan Van Hove gezonden telexbericht, waarin de agenda van de vergadering van januari 1983 is opgenomen.
b) De documenten inzake het verloop van de vergadering van 14 januari 1983
83.
Cementir voert vijf, volgens de Commissie niet-ontvankelijke, argumenten aan om aan te tonen dat op basis van de door het Gerecht in aanmerking genomen gegevens niet met de door het vermoeden van onschuld vereiste duidelijkheid en zekerheid kan worden vastgesteld dat zij heeft deelgenomen aan de sluiting van de Cembureauovereenkomst tijdens de vergadering van 14 januari 1983.
i) De inleiding van de voorzitter
84.
Rekwirante is van mening dat de voorlopige tekst van de inleiding door de voorzitter van Cembureau geen bewijs vormt van de sluiting van een mededingingsverstorende overeenkomst, maar uitsluitend van de wens om eventuele regels vast te stellen. De Commissie stelt dat het ontwerp is opgesteld door de directeuren van Cembureau, Dutron en Collis.
ii) Het ontbreken van notulen van de vergadering
85.
Volgens Cementir is het besluit om geen notulen op te stellen van de beraadslagingen geen direct en positief bewijs van de sluiting van de Cembureau-overeenkomst. De Commissie is van mening dat in de punten 962, 964 en 972 tot en met 976 van het bestreden arrest correct de redenen zijn aangegeven waarom geen verslag van de discussie is opgesteld, onder verwijzing naar het ontwerp voor de inleiding, waarin het vertrouwelijke karakter van de vergadering ter sprake wordt gebracht.
iii) De nota's van Blue Circle ( 66 )
86.
Cementir heeft voor het Gerecht opgemerkt dat de nota's van Blue Circle zijn opgesteld door derden, dat zij het bestaan ervan niet kende en dat deze documenten haar niet rechtstreeks betroffen. ( 67 ) Het Gerecht was evenwel van mening dat deze nota's ook betrekking hadden op het gevaar dat de invoer de overschotten van de thuismarkten zou verhogen. Volgens rekwirante was deze beoordeling alleen maar een vermoeden en vormde zij geen aanwijzing (laat staan een direct bewijs) van haar verantwoordelijkheid voor de feiten waarvoor een sanctie is opgelegd. De Commissie ontkent dat de motivering gebrekkig is en verwijst naar de punten 885 en 886 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht naar behoren aantoont dat de kwestie van de invoer met dumping nauw verbonden was met die van de handhaving van de Cembureau-overeenkomst. Zij concludeert dat de nota's van Blue Circle grote bewijskracht hebben en voegt eraan toe dat de aanwezigheid van het (bij deze dumpingpraktijken betrokken) Spaanse delegatiehoofd op de vergadering van 14 januari 1983 veelbetekenend is.
iv) De verklaring van Kalogeropoulos ( 68 )
87.
Cementir is van mening dat een document dat afkomstig is van een derde en dateert van 1986, niet een direct bewijs kan opleveren van haar aansluiting bij de Cembureau-overeenkomst. De Commissie antwoordt daarop dat de verklaring van Kalogeropoulos in wezen alle Europese cementproducenten betrof en dat het onlogisch zou zijn geweest dat het Gerecht uitsluitend bewijskracht zou toekennen aan een document waarin de namen worden genoemd van alle ondernemingen die bij de overeenkomst over de verdeling van de thuismarkten waren betrokken.
c) De vergadering van de delegatiehoofden van 19 maart 1984
88.
Cementir stelt dat zij niet betrokken kan zijn geweest bij de gestelde bevestiging van de Cembureau-overeenkomst, daar zij deze vergadering niet heeft bijgewoond.
89.
De Commissie antwoordt dat het Gerecht de verantwoordelijkheid van rekwirante niet heeft gewogen aan de hand van het aantal vergaderingen dat zij heeft bijgewoond en dat de vergadering van 19 maart 1984 van belang is omdat daaruit het bestaan en de inhoud van verboden overeenkomsten kon worden afgeleid. De kwestie van de aanwezigheid van Cementir ligt op een andere vlak. Hoe dit ook zij, het besluit om voor de medewerking aan de Cembureau-overeenkomst een sanctie op te leggen is naar behoren gemotiveerd, ook als de deelneming van een onderneming aan uitvoeringsmaatregelen niet is aangetoond.
d) De vergadering van de delegatiehoofden van 7 november 1984
90.
Cementir betwist dat de delegatiehoofden blijk hebben gegeven van hun aansluiting bij de overeenkomst over de verdeling van de thuismarkten. Verder is volgens haar het vermoeden van onschuld geschonden. Los van enige regel van de eerbiediging van de thuismarkten, konden de Europese producenten er alleen maar mee instemmen dat eventuele productieoverschotten buiten de Europese zone werden afgezet. Zo gezien is de „sympathie” voor het Grieks-Spaanse akkoord geen aanwijzing voor het bestaan van de Cembureauovereenkomst.
91.
Rekwirante onderstreept tevens het tegenstrijdige karakter van de motivering, omdat enerzijds wordt verklaard dat de beschikking uitsluitend gebaseerd is op directe bewijzen, maar anderzijds elementen in aanmerking worden genomen die louter deducties zijn.
92.
Volgens de Commissie betwist rekwirante opnieuw de vaststelling van de feiten van het geding, zodat haar grief wederom niet-ontvankelijk is. Wanneer de Cembureauovereenkomst de stabiliteit van de communautaire cementmarkt beoogde te waarborgen, zouden de spanningen in de exportsector hun weerslag hebben op de binnen de Gemeenschap gehanteerde prijzen, waar de producenten onontkoombaar een deel van hun productieoverschotten zouden hebben afgezet. Het was logisch dat dergelijke problemen bij de delegatiehoofden ter tafel kwamen, zoals het Gerecht aantoont in de punten 1031 tot en met 1033 van het bestreden arrest.
e) Andere beoordelingselementen
93.
Volgens Cementir heeft het Gerecht geen aandacht besteed aan een aantal elementen die belangrijk waren voor de kwalificatie van de gedragingen van sommige ondernemingen: 1) in de loop van de periode 1983-1985 hebben nog twee vergaderingen van de delegatiehoofden plaatsgevonden, waarin in het geheel niet is gezinspeeld op de intracommunautaire cementhandel of op de zogenoemde Cembureauovereenkomst; 2) rekwirante heeft slechts twee van de vijf vergaderingen bijgewoond die in deze drie jaren hebben plaatsgevonden, en 3) zij heeft nauwelijks belangstelling getoond voor de vereniging Cembureau, daar zij vóór 1983 niet aan de intracommunautaire handel had deelgenomen, omdat zij haar activiteiten beperkte tot de regionale afnemers. Gezien de fragmentarische, onzekere en onduidelijke bewijzen is het onzorgvuldig dergelijke elementen buiten beschouwing te laten.
94.
De Commissie voert nogmaals een exceptie van niet-ontvankelijkheid aan en stelt dat het Gerecht een compleet en afgewogen onderzoek heeft verricht, daar het rekening heeft gehouden met de vergaderingen van mei 1983 en juni 1985. Zij maken de schriftelijke bewijzen die de onrechtmatigheid van de vergaderingen van 14 januari 1983 en 7 november 1984 aantonen, niet ongeldig, ook al stond de intracommunautaire handel niet op de agenda.
2) Een middel dat niet-ontvankelijk is...
95.
Dit middel betreft enkel de vaststelling van de feiten van het geding en is dus niet-ontvankelijk. Het Hof kan slechts een eventuele schending van het recht door het Gerecht herstellen, maar nooit de feiten vaststellen, onverminderd zijn toetsing van de juridische kwalificatie. ( 69 )
3) ... en ongegrond
96.
Hier moet ik de handelwijze van het Gerecht beschrijven, dat de conclusies van de Commissie op basis van het bewijsmateriaal gedeeltelijk heeft bevestigd. Op basis van bepaalde schriftelijke bewijzen, die zij als directe ( 70 ) bewijzen heeft aangemerkt, heeft de Commissie geconstateerd dat tijdens de vergadering van de delegatiehoofden van 14 januari 1983 een overeenkomst was gesloten in strijd met het toenmalige artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Deze overeenkomst had namelijk betrekking op „de eerbiediging van de thuismarkten en het regelen van de verkoop van het ene land naar het andere, oftewel de verdeling van de markten”. De overeenkomst is bevestigd in de vergadering van 7 november 1984 ( 71 ). Cementir heeft als rechtstreeks lid van Cembureau de twee vergaderingen bijgewoond; op grond daarvan, gevoegd bij het feit dat zij op geen enkele wijze blijk heeft gegeven van haar afkeuring, heeft de Commissie kunnen concluderen dat zij aan de mededingingsregeling heeft deelgenomen, met toepassing van een criterium dat door het Gerecht is bevestigd. ( 72 )
97.
Dit gebruik van bewijs op grond van vermoedens is volstrekt geoorloofd. ( 73 ) Het gaat daarbij om bewijs waarbij bepaalde belastende feiten bewezen worden verklaard door uit te gaan van gissingen op basis van zowel logisch redeneren als gezond verstand en ervaring. Daarbij moet worden uitgegaan van vaststaande gebeurtenissen, op grond waarvan bepaalde feiten als bewezen kunnen worden aangemerkt, via een mentaal proces in overeenstemming met de regels van het menselijk verstand, dat naar behoren, dat wil zeggen toereikend gemotiveerd, tot uitdrukking komt in het arrest.
98.
Dit nu heeft het Gerecht gedaan. Op basis van vaststaande feiten (het houden van de vergaderingen, het sluiten van overeenkomsten tijdens die vergaderingen, de deelneming van Cementir aan twee van deze vergaderingen, het ontbreken van een blijk van haar afkeuring) heeft het het bestaan van een mededingingsregeling bewezen verklaard, alsmede het feit dat Cementir daarbij was aangesloten. Deze conclusie is redelijk en is door het Gerecht voorts voldoende uitgelegd in het bestreden arrest.
99.
Alle bewijselementen afzonderlijk en zonder context onderzoeken om een andere beoordeling voor te stellen en daarbij op eventuele tegenstrijdigheden tussen de verschillende documenten wijzen, is daarentegen misplaatst.
100.
Hoe dan ook, zelfs in de eenzijdige en verwrongen visie van Cementir zijn haar grieven ongegrond.
a) De vergadering van 14 januari 1983
i) De convocatie
101.
De brief van Braz de Oliveira, de vergadering van het uitvoerend comité van 5 november 1982 of het telexbericht aan Van Hove zijn bewijselementen die de Commissie heeft gebruikt om aan te tonen dat de overeenkomst over de eerbiediging van de nationale cementmarkten was gesloten tijdens de ontmoeting van de delegatiehoofden op 14 januari 1983. Dat de bovengenoemde brief niet aan Cementir was gericht, dat zij de vergadering van 5 november 1982 niet heeft bijgewoond en het telexbericht niet heeft ontvangen, is dus niet relevant, daar haar verantwoordelijkheid in de mededingingsregeling gebaseerd is op haar deelneming aan de vergadering van 14 januari 1983. Deze drie bewijselementen spelen dus een rol in een eerder stadium (dat van de vaststelling van het bestaan van de overeenkomst) dan dat waarin rekwirante ze wil plaatsen (het stadium van de deelneming en de verantwoordelijkheid van elke onderneming).
102.
Overigens wordt in de punten 930 tot en met 940 en 979 de bewijskracht van de brief van Braz de Oliveira aangetoond.
ii) Het verloop van de vergadering
103.
Het ontwerp voor de inleiding van de voorzitter van Cembureau drukte diens wens uit dat de ondernemingen en ondernemersverenigingen het eens zouden worden over „bepaalde spelregels [...] waarvan vaststaat dat wij allen belang erbij hebben om deze na leven” ( 74 ), en kondigde aan dat er geen verslag van de discussie zou worden gemaakt. ( 75 ) In de punten 960, 964, 966, 968, 969, 972, 973 en 976 van het bestreden arrest zijn de diverse bewijsstukken evenwichtig gewaardeerd. Daarin wordt verklaard dat de voorzitter van Cembureau de wens heeft geuit dat de deelnemers aan de vergadering van de delegatiehoofden van 14 januari 1983 het eens zouden worden over „spelregels” en ermee zouden instemmen deze geheim te houden door het besluit goed te keuren om geen verslag van de bespreking te maken. Op basis van de rechtspraak van het Hof wordt verklaard dat deze overeenkomst in strijd is met artikel 85, lid 1, van het Verdrag en worden de redenen genoemd waarom het ontwerp voor de inleiding aan de voorzitter van Cembureau wordt toegerekend, alsmede de redenen waarom het besluit om geen verslag van de vergadering te maken kan worden uitgelegd als een uiting van de wens om de inhoud van de besprekingen en de daaruit voortvloeiende overeenkomsten geheim te houden.
104.
Het feit dat Cementir niet heeft deelgenomen aan de opstelling van de nota's van Blue Circle of dat zij niet op de hoogte was van het bestaan daarvan, is irrelevant om de redenen die ik hierboven met betrekking tot de documenten inzake de convocatie van de vergadering heb uiteengezet. De nota's van Blue Circle zijn niet gebruikt om de deelneming van rekwirante aan de Cembureau-overeenkomst, maar om het bestaan van die overeenkomst te bewijzen.
105.
Het door Cementir gelaakte motiveringsgebrek in het arrest op dit punt kan geen gevolgen hebben. In mijn conclusie van vandaag in de zaak Irish Cement/Commissie (C-205/00 P) heb ik verklaard dat de grieven betreffende een motiveringsgebrek, vooral wegens de hardnekkigheid waarmee zij worden aangevoerd, niet op hun plaats zijn. Tegen een rechterlijke uitspraak die bijna 1200 bladzijden van de Jurisprudentie in beslag neemt en 5134 punten bevat, waarin het Gerecht de argumenten van 41 verzoekende partijen, die het zoveel mogelijk heeft samengevoegd, in kaart brengt, verduidelijkt en systematiseert, om op elk daarvan te kunnen antwoorden, kan van alles en nog wat worden ingebracht, maar niet dat de motivering onvoldoende is. Het is zonder twijfel mogelijk dat het Gerecht niet met zoveel woorden op elk afzonderlijk argument heeft geantwoord en dat de extrapolatie van een bepaald uit zijn verband gehaald punt tot een schijnbare tegenstrijdigheid kan leiden, maar juist doordat het om één enkele en geïntegreerde tekst gaat, is de oplossing in veel gevallen impliciet in de argumentatie verwerkt. ( 76 ) In deze omstandigheden is een fragmentarische en versplinterde lezing van de inhoud ervan uit den boze, al is het begrijpelijk vanuit de optiek van de legitieme uitoefening van de rechten van de verdediging.
106.
De punten 885 en 886 van het bestreden arrest leggen een verband tussen de extracommunautaire invoer tegen dumpingprijzen en de politiek van de eerbiediging van de thuismarkten, door te verklaren dat de nota's van Blue Circle het bestaan van de Cembureau-overeenkomst bevestigen. Opnieuw betwist Cementir de waardering van het bewijs in eerste aanleg.
107.
Cementir stelt dat het Gerecht de betekenis van haar grieven in verband met de nota van Kalogeropoulos niet goed heeft begrepen en dat zijn antwoord in punt 910 van het bestreden arrest onvoldoende is. Een document van een derde uit 1986, dat betrekking heeft op de uitvoer van cement naar het Verenigd Koninkrijk, kan geen direct bewijs opleveren van haar instemming met de sluiting van de Cembureau-overeenkomst. De betrokken verklaring is echter niet gebruikt om haar instemming met de Cembureau-overeenkomst aan te tonen, maar om het bestaan van een overeenkomst over de eerbiediging van de thuismarkten tussen alle Europese producenten te bewijzen ( 77 ).
b) De vergadering van 19 maart 1984
108.
Wat Cementir aanvoert over deze bijeenkomst, die zij niet heeft bijgewoond, is zinloos. Naar de mening van de Commissie en naderhand van het Gerecht is de Cembureau-overeenkomst eerst tijdens de vergadering van 19 maart 1984 bevestigd en daarna tijdens de vergadering van 7 november van dat jaar. Zij stellen vast dat Cementir, als rechtstreeks lid van Cembureau, aan de mededingingsregeling heeft deelgenomen door haar bijwoning van twee vergaderingen ( 78 ), maar dat, zoals de Commissie in haar verweerschrift stelt, het aantal door elke onderneming bijgewoonde vergaderingen niet van invloed is op de zwaarte van de beschuldiging, noch op de hoogte van het bedrag van de geldboete.
c) De vergadering van 7 november 1984
109.
In de punten 1031 tot en met 1037 van het bestreden arrest wordt verklaard dat de Cembureau-overeenkomst in de vergadering van 7 november 1984 is bevestigd door de goedkeuring van de kanalisering van de productieoverschotten van Griekse en Spaanse cementfabrieken met het oog op het voorkomen van destabilisatie van de Europese markten. Deze beoordeling berust niet alleen op de notulen van deze vergadering en op die van de vergadering van het uitvoerend comité van de dag daarop, maar ook op de „summary notes” van 12 november, waaruit het Gerecht afleidt dat de betuigde steun aan de Grieks-Spaanse overeenkomst tot doel had te „voorkomen dat de situatie in Europa gedestabiliseerd wordt”. Het Gerecht baseert zich tevens op de interne nota van Blue Circle van 1 december 1983, waaruit blijkt dat „de eerbiediging van de thuismarkten hand in hand [ging] met het in banen leiden van de uitvoer”.
110.
Men kan het al dan niet eens zijn met de redenering van het Gerecht, maar men kan hem natuurlijk geen gebreken verwijten die kunnen rechtvaardigen dat het Hof een terrein betreedt waarop het in beginsel niet bevoegd is, zoals de bewijswaardering.
111.
Het is juist dat de vergadering van 7 november 1984, op zichzelf beschouwd, niets bewijst. Wanneer deze vergadering echter wordt gerelateerd aan andere documenten die ernaar verwijzen, waaronder documenten inzake de voorbereiding en het verloop ervan, en aan de vergaderingen van januari 1983 en maart 1984, alsmede aan de latere uitvoeringsmaatregelen, zijn de beoordeling van de Commissie en van het Gerecht wel degelijk zinvol. Het is hiermee als met een impressionistisch schilderij, dat men vanaf een afstand moet bekijken om het in zijn totaliteit te kunnen begrijpen.
112.
Rekwirante vergist zich eveneens wanneer zij stelt dat de motivering van het bestreden arrest tegenstrijdig is omdat daarin een element als direct bewijs wordt aangemerkt dat volgens haar enkel een deductie is. Zij verwart het bewijsmateriaal met de logische conclusies van het Gerecht. De notulen en andere gebruikte documenten zijn zonder twijfel directe, materiële en fysieke bewijzen, die, in hun totaliteit beoordeeld en gewaardeerd, de vaststelling van het bestaan van de Cembureau-overeenkomst mogelijk hebben gemaakt.
d) De andere beoordelingselementen
113.
Cementir betwist nogmaals de beoordeling van het bewijsmateriaal door het Gerecht en verwart het recht op een rechterlijke beslissing met haar wens dat deze strookt met haar vorderingen. In het bestreden arrest wordt erkend dat, zelfs indien de intracommunautaire handel niet is besproken tijdens de vergaderingen van 30 mei 1983 en 10 juni 1985, dit „geen andere licht [kan] werpen op de reeks van schriftelijke bewijzen uit welke blijkt, dattijdens de vergaderingen van 14 januari 1983, 19 maart en 7 november 1984 een overeenkomst tot eerbiediging van de thuismarkten is gesloten en vervolgens is bevestigd”. ( 79 )
114.
Samenvattend constateer ik dat het eerste onderdeel van het tweede middel van Cementir niet-ontvankelijk en ongegrond moet worden verklaard.
B — In het onderzoek naar de uitwisseling van informatie over de prijzen (eerste onderdeel van het derde middel)
1) Het standpunt van partijen
a) De ad-hocuitwisseling tijdens de vergaderingen van de delegatiehoofden (artikel 2, lid 1, van de beschikking)
115.
Rekwirante betwist dat zij deze inbreuk heeft gepleegd en stelt: a) dat de uitgewisselde informatie niet van belang was vanuit het oogpunt van de mededinging; b) dat het ontwerp voor de inleiding die de voorzitter van Cembureau op de vergadering van 14 januari 1983 moest houden, een algemene tekst was waaruit niet kon worden geconcludeerd dat de uitgewisselde informatie een mededingingsverstorend karakter had, en c) dat de documenten inzake de bijeenkomst van 19 maart 1984 niet tegen haar konden worden ingeroepen, daar zij daarbij niet aanwezig was.
116.
Volgens de Commissie is deze grief niet-ontvankelijk omdat Cementir daarmee de in eerste aanleg aangevoerde argumenten herhaalt.
b) De periodieke uitwisseling (artikel 2, lid 2, van de beschikking)
117.
Cementir herhaalt haar standpunt inzake de ontwerpinleiding van de voorzitter van Cembureau en begrijpt niet hoe een informatiesysteem over bekende gegevens, dat reeds vóór 14 januari 1983 werd gepraktiseerd, onrechtmatig kan zijn. Zij onderstreept dat de door derden opgestelde documenten inzake de vergadering van 19 maart 1984, die niet aan haar waren geadresseerd en die betrekking hadden op een vergadering die zij niet heeft bijgewoond, niet tegen haar kunnen worden ingebracht. Het document betreffende de gemiddelde nationale prijzen is niet verspreid tijdens de vergadering van januari 1983, maar tijdens de vergadering van 30 mei van dat jaar, die zij niet heeft bijgewoond. Volgens Cementir heeft het Gerecht dus de onderzochte bewijsstukken verdraaid en geen adequate motivering gegeven.
118.
Volgens de Commissie is deze grief niet-ontvankelijk, daar Cementir slechts herhaalt hetgeen zij in eerste aanleg heeft aangevoerd. Zij voegt daaraan toe dat de redenering van het Gerecht duidelijk is en dat rekwirante niet verklaart waarom de uitwisseling van informatie over de prijzen tijdens de vergaderingen van de delegatiehoofden geen deel kon uitmaken van een periodiek systeem van onderlinge informatie. De ene gedraging is onderdeel van de andere. De uitwisseling, die vóór de sluiting van de Cembureau-overeenkomst rechtmatig was, is vanaf 1983 ten dienste gesteld van mededingingsverstorende doeleinden. De vergissing met betrekking tot de datum van verspreiding van de tabel van de nationale prijzen bevestigt haar stelling. Ook al is die verspreid tijdens een vergadering die Cementir niet heeft bijgewoond, dat betekent nog niet dat de andere bewijselementen inzake het onrechtmatige karakter van de mededingingsregeling daardoor worden ontkracht.
2) Cementir en de uitwisseling van informatie over de prijzen
119.
De door de Commissie aangevoerde niet-ontvankelijkheid is ongefundeerd. Bij lezing van hoofdstuk III. 1 van het verzoekschrift in hogere voorziening blijkt onmiddellijk, dat Cementir niet slechts argumenten herhaalt die zij in eerste aanleg reeds heeft aangevoerd, maar dat zij ook het antwoord van het Gerecht in het bestreden arrest bekritiseert.
120.
Rekwirante betwist niet het bestaan van de uitwisseling van informatie over de prijzen, maar onderstreept hieromtrent dat die heeft plaatsgevonden tijdens de vergaderingen van 14 januari 1983 en 19 maart 1984 ( 80 ) het Gerecht heeft erkend dat zij laatstgenoemde vergadering niet heeft bijgewoond. ( 81 )
121.
De periodieke uitwisseling van de prijzen in Denemarken, Ierland, Griekenland, Italië, Portugal, Duitsland, Frankrijk, Spanje en het Verenigd Koninkrijk wordt evenmin betwist ( 82 ), noch de deelneming van Cementir daaraan tussen 1 januari 1984 en 31 december 1988 ( 83 ). Beslissend is dat deze, sinds 1981 bestaande, praktijk volgens de Commissie sinds 1984 een maatregel tot uitvoering van de Cembureauovereenkomst is geworden, omdat zij de toepassing daarvan vergemakkelijkte. ( 84 )
122.
Het Gerecht heeft ingestemd met deze conclusie omdat die gebaseerd is op een aantal volledig bewezen en niet-betwiste feiten: 1) de vergaderingen van de delegatiehoofden waarop de deelnemers hun bezorgdheid hebben geuit over de duidelijke verlaging van het peil van bepaalde prijzen en hieromtrent informatie hebben uitgewisseld; 2) de tabel „binnenlandse prijzen”, bedoeld in punt 1646 van het bestreden arrest, die tijdens de vergadering van de delegatiehoofden van 30 mei 1983 is verspreid ( 85 ), en 3) de uitwisseling van informatie, naast de objectieve mogelijkheid ervan om een indicatie te geven omtrent de trend van de prijsverschillen tussen de verschillende Cembureau-landen ( 86 ) en om de prijzen gemakkelijker op een ontmoedigend niveau te kunnen vaststellen ( 87 ). Het Gerecht heeft uit deze feiten afgeleid dat de regelmatige uitwisseling van informatie, die al vóór de sluiting van de Cembureau-overeenkomst plaatsvond, het de leden van Cembureau na de sluiting gemakkelijker heeft gemaakt deze overeenkomst ten uitvoer te leggen. ( 88 )
123.
In deze context verliezen de grieven van Cementir elke consistentie.
124.
Het Gerecht heeft naar behoren een motivering gegeven van zijn oordeel dat de uitgewisselde informatie niet alleen relevant was vanuit het oogpunt van de mededinging, maar ook ten dienste stond van de uitvoering van de overeenkomst betreffende de eerbiediging van de thuismarkten ( 89 ). Dat de uitgewisselde informatie openbaar was, staat er niet aan in de weg dat de verspreiding ervan strekte tot medewerking aan en vergemakkelijking van de uitvoering van de Cembureau-overeenkomst. Bovendien kan een praktijk die in beginsel geoorloofd is, onrechtmatig worden wanneer die ten dienste wordt gesteld van een mededingingsverstorende regeling. ( 90 )
125.
Het Gerecht heeft gemotiveerd waarom het oordeelde dat tijdens de vergadering van 14 januari 1983 informatie over de prijzen was uitgewisseld, en het heeft de documenten aangegeven waarop het zijn overtuiging heeft gebaseerd. ( 91 )
126.
De documenten betreffende de vergadering van 19 maart 1984 zijn niet gebruikt tegen Cementir, aan wie door het Gerecht niet de uitwisseling over de prijzen van grijs cement is aangerekend. Wederom verwart rekwirante twee opeenvolgende stappen: de vaststelling van de inbreuk en de deelneming aan de verwezenlijking van de inbreuk door de diverse beschuldigde ondernemingen en ondernemersverenigingen.
127.
Hoewel de tabel „binnenlandse prijzen (exclusief belastingen)” niet is verspreid tijdens de vergadering van de delegatiehoofden van 14 januari 1983, zoals het Gerecht per vergissing heeft verklaard, maar tijdens de vergadering van 30 mei 1983 ( 92 ), heeft deze vergissing niet het door Cementir daaraan verbonden gevolg.
128.
Het Gerecht heeft dit document niet gebruikt om de inbreuk aan te tonen, maar om de juistheid van het oordeel van de Commissie te bevestigen. ( 93 ) Evenmin heeft het Gerecht deze tabel in aanmerking genomen om vast te stellen dat tijdens de vergadering van 14 januari 1983 informatie was uitgewisseld, maar om, als gevolg van zijn vergissing, te ontkennen dat tijdens de tweede vergadering, die van 30 mei 1983, uitwisseling van informatie heeft plaatsgevonden. ( 94 )
C — In het onderzoek van de maatregelen ter bescherming van de Italiaanse markt (vierde middel)
1) De druk op Calcestruzzi (artikel 4, lid 3, sub a, van de beschikking) (eerste onderdeel)
a) Het standpunt van partijen
129.
Volgens Cementir toont geen van de door het Gerecht gebruikte bewijzen aan dat zij tot de Italiaanse cementproducenten behoorde die druk hebben uitgeoefend op de groep Ferruzzi om te bewerkstelligen dat Calcestruzzi de uitvoering zou opschorten van het leveringscontract dat zij met de Griekse producent Titan had gesloten:
1)
De notulen van de vergadering van de delegatiehoofden op 9 september 1986 in Baden-Baden kunnen niet tegen haar worden gebruikt omdat zij die vergadering niet heeft bijgewoond.
2)
Zij heeft aan geen van de vergaderingen van de European Task Force deelgenomen, zoals het Gerecht overigens heeft erkend.
3)
Uit de brief van Titan aan haar Engelse advocaten ( 95 ) blijkt voorts niet dat haar relatie met Calcestruzzi onderdeel was van een met andere Europese producenten afgestemde feitelijke gedraging, daar zij, hoewel zij deze onderneming als klant wilde werven, altijd in haar eigen belang heeft gehandeld en niet in het kader van de European Task force, een organisatie waartoe zij nooit heeft behoord.
4)
Ten slotte werd in de telexberichten die Italcementi en Calcestruzzi aan Titan hebben gestuurd om de opschorting van de overeengekomen cementleveringen te bevestigen, niet het bestaan van mededingingsverstorende praktijken ondersteld. Zij tonen slechts aan dat een aantal Italiaanse producenten en Calcestruzzi een commerciële overeenkomst hadden gesloten, waarbij Cementir zich, net als talloze andere ondernemingen, in haar eigen belang heeft aangesloten.
130.
Derhalve blijkt volgens haar nergens uit dat Cementir aan de in artikel 4, lid 3, sub a, van de beschikking genoemde inbreuk heeft deelgenomen. De beoordelingen van het Gerecht zijn dus onvoldoende gemotiveerd, daar het niet heeft aangetoond dat de initiatieven die Cementir met betrekking tot Calcestruzzi heeft genomen en die tot de totstandkoming van de „SIPAC”-overeenkomsten (Società Italiana per le Promozioni ed Applicazioni del Calcestruzzo SpA) hebben geleid, objectief verband hielden met op Europese schaal vastgestelde onderling afgestemde feitelijke gedragingen.
131.
Volgens Cementir heeft het Gerecht zich, bij gebreke van andere gegevens, slechts gebaseerd op vermoedens, waardoor zij gedwongen wordt tot een probatio diabolica: zij moet het ontbreken van een niet-bestaand verband bewijzen. Zij is daarom van mening dat het Gerecht haar recht op het vermoeden van onschuld heeft geschonden.
132.
Volgens de Commissie is dit middel niet-ontvankelijk omdat het betrekking heeft op de bewijswaardering.
133.
De verwijzing naar de Italiaanse cementproducenten kan niet als „zeer algemeen” worden bestempeld, omdat in het telexbericht van Calcestruzzi aan Titan van 28 mei 1987 nu eens de namen van de afzonderlijke ondernemingen, waaronder Cementir, worden genoemd en dan weer gesproken wordt over de „Italiaanse cementproducenten” en de „Italiaanse cementindustrieën”.
b) Cementir en de druk op Calcestruzzi
134.
Wederom verklaart Cementir slechts, dat zij het niet eens is met de bewijswaardering door het Gerecht. Haar middel is dus niet-ontvankelijk.
135.
In de punten 3151 tot en met 3163 van het bestreden arrest worden alle bewijzen onderzocht en wordt erkend dat de Commissie voldoende redenen had om een sanctie op te leggen voor de onderling afgestemde feitelijke gedraging die in artikel 4, lid 3, sub a, van de beschikking is beschreven. In het bijzonder wordt in de punten 3283 tot en met 3290 ingegaan op de deelneming van Cementir, die opnieuw het ontbreken van een motivering dan wel een ontoereikende motivering verwart met de afwijzing van haar vorderingen.
136.
Het middel is derhalve ook ongegrond.
137.
Het feit dat rekwirante de vergadering in Baden-Baden ( 96 ) noch de vergaderingen van de European Task Force ( 97 ) heeft bijgewoond, toont niet aan dat zij niet heeft deelgenomen aan de in artikel 4, lid 3, sub a, van de beschikking beschreven praktijk. Er zijn andere bewijzen van haar betrokkenheid: de brief van Titan aan haar Engelse advocaten en de telexberichten van Italcementi en Calcestruzzi aan deze Griekse onderneming.
138.
In werkelijkheid dienden deze vergaderingen niet om haar betrokkenheid bij de mededingingsregeling te bevestigen, maar om haar band met de European Task Force vast te stellen. Ik breng in herinnering dat de Commissie in artikel 4, lid 3, sub a, van de beschikking haar deelneming aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen met als oogmerk aan de Griekse producenten en aan Titan Cement Company S.A. in het bijzonder, hun cliënt Calcestruzzi te onttrekken, als een inbreuk heeft aangemerkt. Sommige ondernemingen hebben via de European Task Force deelgenomen en andere, zoals Cementir (en Italcementi en Unicem) rechtstreeks, door met Ferruzzi te onderhandelen om te bewerkstelligen dathaar dochteronderneming Calcestruzzi de uitvoering van het leveringscontract met-Titan zou opschorten.
139.
In het verzoekschrift in hogere voorziening erkent rekwirante zelf impliciet de feiten en geeft zij toe dat zij getracht heeft klanten van Calcestruzzi te werven, maar volgens haar heeft zij dat in haar eigen belang gedaan en niet in het kader van de uitvoering of tenuitvoerlegging van een plan van de European Task Force. Handelen in „eigen belang” sluit het bestaan van een kartel echter geenszins uit.
140.
Daarom hebben eerst de Commissie en naderhand het Gerecht terecht geconcludeerd dat Cementir en de andere Italiaanse producenten met Ferruzzi onderhandelingen hebben aangeknoopt om de door Calcestruzzi met Titan overeengekomen invoer te voorkomen, en mochten zij van het vermoeden uitgaan ( 98 ) dat dergelijke acties in het kader van een op Europees niveau gesloten overeenkomst werden ondernomen om aan deze onderneming, destijds de belangrijkste Italiaanse fabrikant van stortklaar beton, haar Griekse cementleveranciers te onttrekken.
2) De overeenkomsten met Calcestruzzi (artikel 4, lid 3, sub b, van de beschikking) (tweede onderdeel)
a) Het standpunt van partijen
141.
Cementir stelt dat de bewijzen inzake haar deelneming een deze inbreuk niet relevant zijn, om de eenvoudige reden dat zij niet aanwezig was bij de vergaderingen van de Europese cementproducenten waarin deze praktijk is besproken.
142.
Wat de vergadering betreft die Titan, Cementir en de overige Italiaanse cementproducenten op 27 mei 1987 in Luxemburg nebben gehouden, voert rekwirante aan dat in punt 3359 van het bestreden arrest haar betoog is verdraaid, daar zij slechts aan deze bijeenkomst heeft deelgenomen om de werking van haar eigen overeenkomst met Calcestruzzi te handhaven en niet om het contract tussen Calcestruzzi en Titan uit te voeren (sic). Het Gerecht heeft overigens in punt 2780 erkend dat er geen verband bestaat tussen de deelneming van Cementir aan de vergadering te Luxemburg en de contacten die de Europese producenten daar tegelijkertijd onderhielden in het kader van de European Task Force.
143.
Cementir stelt voorts dat het Gerecht een kennelijke kwalificatiefout heeft gemaakt door haar aansluiting bij de overeenkomsten met Calcestruzzi in verband te brengen met eventueel door andere producenten in het kader van de European Task Force overeengekomen mededingingsregelingen.
144.
De Commissie signaleert dat Cementir herhaalt wat zij reeds eerder heeft aangevoerd en dat zij de beoordeling in de punten 3353 tot en met 3357 van het bestreden arrest ten aanzien van het verband tussen de door de Italiaanse producenten in april 1987 ondertekende contracten en de Cembureau-overeenkomst geenszins heeft weerlegd.
b) Cementir en de overeenkomsten met Calcestruzzi
145.
De grief van rekwirante met betrekking tot de met Calcestruzzi gesloten overeenkomsten is in wezen dezelfde als die welke zij aanvoert in verband met de inbreuk die wordt beschreven in artikel 4, lid 3, sub a, van de beschikking. Deze moet dus hetzelfde lot treffen. Cementir betwist niet dat er met Calcestruzzi op 3 en 15 april 1987 overeenkomsten zijn ondertekend, noch dat zij het resultaat of het voorwerp waren van de overeenkomst tussen de drie Italiaanse producenten en Ferruzzi, bedoeld in de in deze conclusie reeds vermelde telexberichten. ( 99 ) In deze omstandigheden kunnen de beoordelingen in de punten 3356, 3360, 3361, 3367, 3372, 3377 en de daarmee overeenstemmende punten van het bestreden arrest niet als ongefundeerd worden aangemerkt.
146.
In het bijzonder verdraait de uitlegging van de vergadering in Luxemburg het betoog van Cementir niet en wordt daarmee geen enkel bewijs verkeerd opgevat, daar op basis van de door de Commissie gebruikte documenten kan worden geconcludeerd dat de vergadering als doel had een oplossing te vinden voor de problemen in verband met de opschorting van de cementleveringen door Titan op grond van de met Italcementi, Unicem en Cementir gesloten overeenkomst ( 100 ).
147.
Het feit dat Cementir geen deel uitmaakt van de European Task Force en de vergadering van de delegatiehoofden van 27 mei 1987 ter gelegenheid van de algemene vergadering van Cembureau niet heeft bijgewoond, is irrelevant ( 101 ). De inbreuk waarvoor in artikel 4, lid 2, sub b, van de beschikking een sanctie is opgelegd, is geen overeenkomst op Europees niveau, daar deze overeenkomst slechts door Cementir, Italcementi en Unicem is ondertekend. Anders gezegd, de contracten en afspraken die op 3 en 15 april 1987 zijn ondertekend, vormen de tenuitvoerlegging van de overeenkomst tussen deze drie fabrikanten, die de dreigende import van 1,5 miljoen ton Grieks cement door Calcestruzzi diende te voorkomen ( 102 ) tijdens de vergaderingen van de European Task Force van 11 februari en 15 maart 1987 ( 103 ) is hierover gesproken. In deze context verliezen de argumenten van rekwirante elk belang, omdat de in de genoemde bepaling van de beschikking beschreven overeenkomst niet binnen deze groep is gesloten.
148.
De bovenstaande overwegingen leiden tot hetzelfde resultaat voor de grief inzake het ontbreken van bewijzen van het bestaan van een verband tussen de inbreuk waarvoor in artikel 4, lid 3, sub b, van de beschikking een sanctie is opgelegd, en de European Task Force. De Commissie en het Gerecht beschikten over voldoende beoordelingselementen om te kunnen concluderen dat dit verband bestond, daar op de twee genoemde vergaderingen ( 104 ) verslag is uitgebracht van de tussen de Italiaanse fabrikanten en Calcestruzzi gesloten overeenkomst op grond waarvan een dreigende import „met rampzalige gevolgen voor de prijzen” kon worden voorkomen, en om daaruit af te leiden dat de Italiaanse overeenkomst „het handelsverkeer tussen lidstaten nadelig [kon] beïnvloeden” ( 105 ), omdat die de invoer van Grieks cement door Calcestruzzi beoogde te voorkomen. ( 106 )
D — In de kwalificatie als één enkele en continue overeenkomst (vijfde middel)
1) Het standpunt van partijen
a) De ene enkele en continue overeenkomst met betrekking tot de European Task Force (eerste onderdeel)
149.
Rekwirante betwist de juistheid van de beoordeling in punt 3760 van het bestreden arrest omdat deze geen rechtsgrondslag heeft en tegenstrijdig is, daar bewezen wordt geacht dat de met Calcestruzzi gesloten overeenkomsten mededingingsverstorend waren en ervan wordt uitgegaan dat Cementir wist dat zij onderdeel waren van een totaalplan. Zij voert daarvoor twee argumenten aan:
1)
Het is tegenstrijdig aan te nemen dat Cementir niet deelnam aan de inbreuken inzake de European Task Force en Interciment (artikel 4, leden 1 en 2, van de beschikking) en haar meteen daarna verantwoordelijk te stellen voor de ene enkele en continue overeenkomst die betrekking had op die mededingingsregeling.
2)
Daar Cementir in de European Task Force en Interciment niet door andere Italiaanse ondernemingen werd vertegenwoordigd, is het ontoelaatbaar ervan uit te gaan dat zij „noodzakelijkerwijs” was geïnformeerd over de mededingingsverstorende plannen van derden. In het arrest wordt haar, zonder enige nadere uitleg, verweten dat zij op de hoogte was van het verband tussen de betrokken overeenkomsten en de zogenoemde ene enkele en continue overeenkomst, hetgeen volgens rekwirante in strijd is met het recht op het vermoeden van onschuld.
150.
Volgens de Commissie is de gelaakte tegenstrijdigheid fictief. In punt 3761 van het bestreden arrest wordt verklaard dat het feit dat Cementir niet aan alle bestanddelen van de inbreuk heeft deelgenomen, haar overeenkomstig de rechtspraak op dit punt niet van alle verantwoordelijkheid kan ontslaan. Al heeft de Commissie niet aangetoond dat deze onderneming aan de oprichting van de European Task Force heeft deelgenomen, zij heeft wel bewezen dat zij betrokken was bij latere handelingen, met name de onderling afgestemde feitelijke gedragingen en de overeenkomsten met Calcestruzzi, die beide manifestaties van de Cembureau-overeenkomst zijn.
151.
Voorts vraagt de Commissie zich af of het Gerecht het telexbericht van 13 mei 1987 van Calcestruzzi aan Titan, waarin sprake is van een vergadering in Luxemburg om de problemen op te lossen die met Titan zijn ontstaan na de ondertekening van de overeenkomst met Calcestruzzi, anders had kunnen uitleggen.
b) De ene enkele en continue overeenkomst met betrekking tot het Cembureau-beginsel (tweede onderdeel)
152.
Cementir aanvaardt niet dat haar bijwoning van een of twee vergaderingen van de delegatiehoofden van Cembureau als deelneming aan één enkele en continue overeenkomst wordt aangemerkt. Zij betwist met name punt 4127 van het bestreden arrest, waarin staat dat de eenvoud van de Cembureau-overeenkomst („ieder blijft op zijn eigen markt”) het beleggen van regelmatige vergaderingen overbodig maakt. Volgens Cementir is dit een te algemeen en ongefundeerd criterium, daar een overeenkomst als die waarvoor een sanctie is opgelegd, niet kan bestaan zonder een zekere continuïteit en regelmaat bij de tenuitvoerlegging. Bovendien is Cementir van mening dat het Gerecht, na de nietigverklaring van de inbreuken betreffende het European Cement Export Committee en het European Export Policy Committee (respectievelijk de artikelen 5 en 6 van de beschikking) en, wat haarzelf betreft, de inbreuken in verband met de European Task Force en Interciment, had moeten verklaren dat de theorie van de Commissie over één enkel totaalplan dat zich manifesteert in een reeks uitvoeringsmaatregelen, onhoudbaar was geworden.
153.
Rekwirante erkent dat zij heeft deelgenomen aan de vergaderingen van 14 januari 1983 en 7 november 1984, waarin de kwestie van de intracommunautaire cementhandel niet is besproken, maar dit betekent volgens haar niet dat zij continu bij de Cembureau-overeenkomst was aangesloten. In het bijzonder stelt zij:
1)
dat er geen verband bestaat tussen deze vergaderingen en de met Calcestruzzi gesloten overeenkomsten, die vier jaar na de eerste vergadering van 1983 zijn ondertekend;
2)
dat deze overeenkomsten geen verband houden met de vergaderingen van de European Task Force, en
3)
dat de periodieke uitwisseling van informatie over de prijzen geen verband houdt met de overeenkomst die tijdens de vergadering van 14 januari 1983 zou zijn gesloten.
154.
Ten slotte begrijpt rekwirante niet waarom in punt 4064 van het bestreden arrest wordt verklaard dat zij „noodzakelijkerwijs” wist dat haar gedragingen deel uitmaakten van een gemeenschappelijk mededingingsverstorend plan dat tien jaar duurde.
155.
De Commissie klaagt erover dat Cementir in herhaling vervalt en terugkomt op de bewijsvoering in eerste aanleg. Volgens haar dient het middel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
156.
Ook al zijn de deelneming van rekwirante aan de oprichting van de European Task Force en haar rol bij Interciment niet aangetoond, dat geldt wel voor haar betrokkenheid bij de Cembureau-overeenkomst en met name bij een aantal manifestaties daarvan. Hoewel bepaalde aspecten van de beschikking nietig zijn verklaard, is de structuur daarvan in grote lijnen aanvaard en is de kern van de administratieve beschikking in stand gebleven, namelijk het bestaan van een algemene mededingingsregeling over de eerbiediging van de thuismarkten, door talloze uitvoeringsmaatregelen ten uitvoer gelegd.
2) Het begrip één enkele en continue overeenkomst
157.
Artikel 85 van het Verdrag verbiedt alle overeenkomsten tussen ondernemingen en besluiten van ondernemersverenigingen, daaronder begrepen gedragingen ter uitvoering van die overeenkomsten of besluiten, alsmede alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen, wanneer die de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en een mededingingsbeperkend doel of gevolg hebben. Hieruit volgt, dat dit artikel niet alleen door een op zichzelf staande handeling kan worden geschonden, maar eveneens door een reeks handelingen of door een voortgezette gedraging. ( 107 ) Beslissend is dat deze gedragingen één gemeenschappelijk subjectief element hebben en hetzelfde hen verbindende onrechtmatige oogmerk. ( 108 )
158.
Het is in beginsel legitiem om als één enkele en continue inbreuk aan te merken het geheel van activiteiten binnen een stelsel van periodieke vergaderingen die de eerbiediging van de nationale cementmarkten als gemeenschappelijk doel hebben, in het kader waarvan met name maatregelen voor de uitwisseling van informatie over de prijzen worden genomen en exporteurs die een bedreiging vormen voor de stabiliteit van de markten, worden beïnvloed en onder druk gezet.
159.
Het feit dat een van de gedragingen op zich een schending van artikel 85 van het Verdrag oplevert ( 109 ) en het feit dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van de mededingingsregeling heeft deelgenomen of een zeer kleine rol heeft gespeeld ( 110 ), dan wel geen gevolg heeft gegeven aan de resultaten van de vergaderingen ( 111 ), zijn in deze context irrelevant.
160.
Wanneer een commerciële onderneming aan een dergelijke inbreuk deelneemt door middel van specifieke gedragingen die een gemeenschappelijk doel beogen te verwezenlijken, is zij derhalve voor de gehele duur van haar deelneming aansprakelijk voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van diezelfde inbreuk. „Dit is namelijk het geval wanneer komt vast te staan, dat de betrokken onderneming de onrechtmatige gedragingen van de andere deelnemers kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden.” ( 112 )
3) De ene enkele en continue overeenkomst met betrekking tot de European Task Force en de uitvoeringsmaatregelen ervan
161.
De kwalificatie als één enkele en continue overeenkomst die het Gerecht heeft gegeven aan de inbreuken die de Commissie in de verschillende leden van artikel 4 van de beschikking heeft beschreven, bekritiseert Cementir niet. Zij betwist echter wel de deelneming die haar ten laste is gelegd.
162.
Gelet op de door mij genoemde rechtspraak van het Hof, is het absoluut niet tegenstrijdig dat een onderneming die niet heeft deelgenomen aan de oprichting van een mededingingsregeling, maar wel aan een aantal uitvoeringsmaatregelen daarvan, verantwoordelijk wordt gesteld voor de ene enkele en continue mededingingsverstorende overeenkomst.
163.
Beslissend is of is aangetoond dat Cementir de onrechtmatige overeenkomsten die door haar concurrenten waren gesloten en waaraan zij niet heeft deelgenomen, alsmede het bestaan van een verband tussen deze overeenkomsten en de handelingen waaraan zij heeft meegewerkt, kende of kon kennen.
164.
Voor dit laatste aspect verwijs ik naar mijn overwegingen in het kader van het onderzoek van het tweede onderdeel van het vierde middel, met name punt 148.
165.
Wat de kennis betreft die rekwirante van de oprichting van de European Task Force kon hebben, is punt 3760 van het betreden arrest mijns inziens noch onlogisch, noch ongefundeerd. Unicem en Italcementi waren zich volledig bewust van het feit dat de op Calcestruzzi uitgeoefende druk en de bereikte overeenkomst over de ondertekening van leveringscontracten met deze onderneming onderdeel waren van een algemene strategie binnen de European Task Force (met het oog op de beëindiging van de invoer in West-Europa). Daarom zijn deze maatregelen ter bescherming van de Italiaanse markt aan de orde gekomen tijdens de op 11 februari en 15 maart 1987 gehouden vergaderingen van de leden van de mededingingsregeling. Het is dus juist om daaruit af te leiden dat Cementir, die gezamenlijk met de andere twee Italiaanse producenten handelde om eerst Calcestruzzi onder druk te zetten en vervolgens gemene zaak met haar te maken, bekend was met het bestaan van deze ruimere overeenkomst, bij de totstandkoming waarvan zij niet betrokken was, en dat zij wist dat met de druk op en de overeenkomsten met de Italiaanse betonproducent hetzelfde doel werd beoogd. Dit kan worden bevestigd door het bewijs op grond van vermoedens, over de rechtmatigheid waarvan ik me in deze conclusie reeds heb uitgelaten.
166.
Er is nog een element dat de juistheid van deze conclusie bevestigt. De ontmoeting in Luxemburg op 24 mei 1987 tussen de drie Italiaanse fabrikanten en de Griekse producent Titan vond tegelijkertijd met de vergaderingen van de delegatiehoofden van Cembureau plaats, die in dezelfde stad van 25 tot en met 28 mei zijn gehouden en waarin de toekomst van de European Task Force is besproken.
4) De ene enkele en continue Cembureau-overeenkomst
167.
In de punten 4025 tot en met 4417 van het bestreden arrest wordt aangegeven waarom het Cembureau-beginsel als één enkele en continue overeenkomst wordt aangemerkt en wordt de deelneming van elke onderneming onderzocht. De kritiek van Cementir is gericht op drie concrete punten:
1)
Haar bijwoning van twee vergaderingen is onvoldoende om te kunnen concluderen dat haar gedraging deel uitmaakte van één enkele en continue overeenkomst, vooral als men in aanmerking neemt dat er geen verband bestaat tussen de met Calcestruzzi gesloten overeenkomsten enerzijds, en de bovengenoemde vergaderingen en de vergaderingen van de European Task Force anderzijds, en dat de periodieke uitwisseling over de prijzen niets te maken had met het verloop van de vergaderingen.
2)
Na de nietigverklaring van de artikelen 5 en 6 van de beschikking had de theorie van de ene enkele en continue overeenkomst geen grondslag meer en lag die in duigen.
3)
De bewering dat zij „noodzakelijkerwijs” wist dat haar gedrag deel uitmaakte van een gemeenschappelijk mededingingsverstorend plan, vormt een ontoelaatbaar vermoeden.
168.
Op grond van de bovenaangehaalde rechtspraak kan worden gesteld dat een onderneming aan één enkele en continue mededingingsverstorende overeenkomst heeft deelgenomen, ongeacht het aantal, het belang en de intensiteit van de gedragingen in het kader van de deelneming. Beslissend is iets anders: de kennis of de voorzienbaarheid van de onrechtmatige activiteiten van de andere deelnemers en het besef dat men door zijn gedragingen bijdraagt aan een gemeenschappelijk mededingingsverstorend doel. Derhalve is het feit dat Cementir de vergaderingen van 14 januari 1983 en 7 november 1984 niet heeft bijgewoond, irrelevant. Bovendien heeft zij ook deelgenomen aan de uitwisseling van informatie over de prijzen en aan de maatregelen ter bescherming van de Italiaanse cementmarkt. ( 113 )
169.
Om aan de consequenties van deze realiteit te ontkomen, tracht rekwirante deze laatstgenoemde maatregelen los te koppelen van de vergaderingen waarin het Cembureau-beginsel is vastgelegd en waaraan zij heeft deelgenomen. Cementir heropent aldus een discussie die ik in deze conclusie reeds heb behandeld en die, zoals gezegd, niet-ontvankelijk en ongegrond is. Vaststaat dat het Gerecht zowel heeft uiteengezet waarom de uitwisseling van informatie over de prijzen de uitvoering van de Cembureau-overeenkomst beoogde te vergemakkelijken ( 114 ), als waarom de druk op Calcestruzzi en de overeenkomst inzake de met deze Italiaanse betonproducent ondertekende overeenkomsten verband hielden met de European Task Force en met het Cembureau-beginsel, met de doelstellingen waarvan zij volkomen strookten. ( 115 )
170.
Een tweede aspect van de grief van Cementir gaat uit van een veronderstelling die gedeeltelijk onjuist is. Het Gerecht heeft artikel 6 van de beschikking niet in zijn geheel nietig verklaard ( 116 ), maar uitsluitend ten aanzien van de ondernemingen die hetin punt 4015 van het bestreden arrest noemt. Dat betekent dat er wel degelijk sprake was van een onderling afgestemde feitelijke gedraging in het kader van het European Export Policy Committee en dat, daar deze ertoe strekte het binnendringen van concurrenten op de respectieve nationale markten in de Gemeenschap te voorkomen ( 117 ), hetgeen Cementir niet betwist, de kwalificatie van het Cembureau-beginsel als één enkele en continue praktijk nogmaals wordt bevestigd.
171.
Wat de kritiek op punt 4064 van het bestreden arrest betreft, verwijs ik naar mijn uiteenzetting in punt 165 van deze conclusie. Wanneer Cementir aanwezig is geweest bij de vergaderingen en heeft deelgenomen aan de praktijken die ik in punt 168 heb genoemd, is het geenszins willekeurig te constateren dat zij „noodzakelijkerwijs” wist dat die deel uitmaakten van een algemeen mededingingsverstorend plan, opgezet om de eerbiediging van de nationale cementmarkten te waarborgen. Immers, wanneer zij a) de vergadering waarin het Cembureau-beginsel is vastgesteld, heeft bijgewoond, b) daarna een vergadering heeft bijgewoond waarin dat beginsel is bevestigd, c) heeft meegewerkt aan het stelsel van de uitwisseling van informatie over de prijzen, dat was opgezet ten behoeve van de regel „ieder blijft op zijn eigen markt”, en d) ter bescherming van de Italiaanse markt haar medewerking heeft verleend aan de „acties” en aan de „afspraken met Calcestruzzi” om de invoer uit met name Griekenland tegen te gaan, is het niet onwaarschijnlijk, onsamenhangend of irrationeel om te denken dat Cementir op de hoogte was van het feit dat zij deelnam aan een algemene mededingingsregeling inzake de verdeling van de markten.
172.
Derhalve dient ook het vijfde middel te worden afgewezen.
3. De geldboete (zesde middel)
A — Het standpunt van partijen
173.
Het laatste middel van Cementir is gericht tegen de economische sanctie die haar is opgelegd. Zij splitst dit op in zes onderdelen, waarvan er twee — het vierde en het zesde — reeds bij de beschikking van 5 juni 2002 kennelijk ongegrond zijn verklaard.
174.
De overige vier middelen hebben betrekking op de duur en de zwaarte van de inbreuken, op de verjaring van de inbreuk bedoeld in artikel 2, lid 1, van de beschikking, en op het door het Gerecht bepaalde bedrag van de sanctie.
1) De duur van de inbreuken (eerste onderdeel)
175.
Rekwirante voert aan dat, indien het Hof de middelen inzake de rechtmatigheid van de uitwisseling van informatie over de prijzen en inzake de middelen betreffende de druk op Calcestruzzi en de met deze onderneming gesloten overeenkomsten gegrond verklaart, de duur van de inbreuk, wat haar betreft, zou moeten worden verminderd tot slechts één dag, met navenante gevolgen voor de zwaarte ervan. Zij wijst er met name op dat de duur van de inbreuk niet aan de geldigheidsduur van de overeenkomst met Calcestruzzi kan worden gekoppeld, daar het mededingingsverstorende element uitsluitend berustte op het georganiseerde overleg met het doel de relatie tussen Calcestruzzi en Titan te beëindigen.
176.
De Commissie interpreteert dit onderdeel van het middel als een impliciet verzoek om een nieuw onderzoek van de feiten, dat niet-ontvankelijk is. Zij voegt eraan toe dat in de punten 3283 tot en met 3290 en 3133 tot en met 3166 van het bestreden arrest haar standpunt in de beschikking over de duur van de inbreuk wordt bevestigd, en wordt aangetoond dat de met Calcestruzzi ondertekende overeenkomsten, die tot en met 3 april 1992 van kracht zijn gebleven, uitvoeringsmaatregelen van de Cembureau-overeenkomst waren.
2) De zwaarte van de inbreuk (tweede onderdeel)
177.
Het gedeelte van het arrest waarin het Gerecht, met bevestiging van het standpunt van de Commissie, de sanctie koppelt aan de in artikel 1 van de beschikking beschreven inbreuk en waarin het verklaart dat het irrelevant is of de gelaakte ondernemingen aan een of meer inbreuken hebben deelgenomen, acht Cementir onsamenhangend en onrechtmatig.
178.
Rekwirante voert hiervoor de volgende argumenten aan:
1)
Het feit dat de nietigverklaring van een groot aantal inbreuken geen gevolgen heeft voor de beoordeling van de totale zwaarte van het gedrag waarvoor een sanctie is opgelegd, is in strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat het paradoxaal is dat het boetepercentage, ondanks dat vier van de haar ten laste gelegde inbreuken nietig zijn verklaard, voor haar hetzelfde is gebleven.
2)
Deze oplossing is voorts onverenigbaar met de communautaire rechtspraak, die de zwaarte van een inbreuk koppelt aan de meer of minder belangrijke deelneming van de ondernemingen aan de ene enkele en continue praktijk.
3)
Tevens impliceert deze oplossing een ongelijke en ongerechtvaardigde behandeling, omdat aan ondernemingen die aan een verschillend aantal inbreuken hebben deelgenomen en die op een verschillende wijze hebben bijgedragen aan de algemene mededingingsregeling, dezelfde sanctie is opgelegd.
179.
De Commissie heeft pas tijdens de mondelinge procedure in eerste aanleg de door haar gehanteerde koppeling van de sanctie aan de in artikel 1 van de beschikking beschreven inbreuk toegelicht, hetgeen volgens Cementir van beslissende invloed is geweest voor de rechtmatigheid van de administratieve beschikking wat de bepaling van de geldboete betreft.
180.
Volgens de Commissie is de geldboete aan elke onderneming opgelegd voor haar deelneming aan de Cembureau-overeenkomst en is het standpunt in het bestreden arrest volstrekt in overeenstemming met de rechtspraak op het gebied van geldboeten.
3) Rectificatie van het bedrag van de geldboete (derde onderdeel)
181.
De omzet die Cementir destijds aan de Commissie heeft meegedeeld, was hoger dan de werkelijke omzet, omdat daarin de transportkosten, de kosten van zakken en andere kosten die niet de verkoop van cement betroffen, waren opgenomen. Volgens rekwirante zijn de punten 5030 en 5032 van het bestreden arrest daarom gebrekkig gemotiveerd en in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling, wanneer deze kosten daarin als deel van de verkoopprijs van het product worden aangemerkt.
182.
De Commissie is van mening dat dit onderdeel van het middel betrekking heeft op de feiten en derhalve niet-ontvankelijk is.
4) De verjaring van de inbreuk die is beschreven in artikel 2, lid 1, van de beschikking (vijfde onderdeel)
183.
Het Gerecht heeft weliswaar onderstreept dat Cementir slechts één dag heeft deelgenomen aan de uitwisseling van informatie over de prijzen, maar het had moeten vaststellen dat de in dit artikel van de beschikking beschreven zelfstandige inbreuk was verjaard en het had daarmee rekening moeten houden bij de beoordeling van de algemene zwaarte van haar gedragingen.
184.
De Commissie antwoordt dat dit aspect van het middel niet-ontvankelijk is om dezelfde reden als het derde onderdeel. Zij wijst erop dat in de punten 4801 en 4802 van het bestreden arrest duidelijk wordt verklaard dat krachtens verordening (EEG) nr. 2988/74 ( 118 ) de bevoegdheid tot het opleggen van een sanctie niet was verjaard ten tijde van de vaststelling van de beschikking, daar de inbreuk van 14 januari 1983 tot en met 3 april 1992 is gepleegd.
B — De door de Commissie voor de oplegging van de geldboeten gehanteerde criteria
185.
Met het oog op het onderzoek van dit middel breng ik de structuur van het dispositief van de beschikking in herinnering, alsmede de voor de oplegging van de geldboeten gehanteerde criteria.
186.
In de beschikking onderscheidt de Commissie twee markten, de markt van grijs cement en de markt van wit cement. Wat de eerste markt betreft, veroordeelt zij de sluiting van de Cembureau-overeenkomst, waarin de deelnemers zijn overeengekomen de thuismarkten te eerbiedigen en het overbrengen van cement van het ene naar het andere land te reguleren. De artikelen 2 tot en met 6 hebben betrekking op de bilaterale of multilaterale gedragingen met het oog op de uitvoering van deze overeenkomst als „één enkele en continue” overeenkomst dan wel het vergemakkelijken van de uitvoering ervan, of op het wegnemen van potentiële belemmeringen voor de doeltreffendheid ervan, zoals de zogenoemde „Griekse bedreiging”. Artikel 7 ten slotte heeft betrekking op de concurrentieverstorende gedragingen op de markt van wit cement.
187.
De Commissie heeft uiteenlopende sancties voor de inbreuken opgelegd met betrekking tot elke markt. ( 119 )
188.
Wat de markt van grijs cement betreft, de enige waarop concurrentieverstorende gedragingen aan Cementir ten laste zijn gelegd, heeft de Commissie besloten niet voor elke aparte gedraging geldboeten op te leggen, en heeft zij aan elke onderneming een globale boete opgelegd vanwege het onderling verband tussen de Cembureau-overeenkomst en alle uitvoeringsmaatregelen. ( 120 ) Deze handelwijze is legitiem en is gebaseerd op de bevoegdheid van de Commissie om zich in een enkele beschikking over verschillende inbreuken uit te spreken. ( 121 )
189.
Bovendien was zij van mening dat alle ondernemingen en ondernemersverenigingen tot wie de beschikking was gericht, zich hadden aangesloten bij de Cembureau-overeenkomst, en heeft zij aangegeven op basis van welke elementen zij de deelneming van elk van hen heeft vastgesteld. Zo heeft zij in het geval van Cementir overwogen dat deze onderneming zich als lid van Cembureau bij de overeenkomst of bij het principe tot eerbiediging van de thuismarkten heeft aangesloten vanaf de besprekingen die op de vaststelling daarvan zouden uitlopen, en dat zij tevens heeft deelgenomen aan maatregelen en regelingen die ter aanvulling daarvan waren overeengekomen om de uitvoering ervan te bevorderen. ( 122 )
190.
„Zij heeft echter in het kader van deze algemene vaststelling rekening gehouden met de rol welke door iedere onderneming is gespeeld bij het sluiten van de overeenkomst” of bij de overeengekomen regelingen en maatregelen voor de aanvulling van deze overeenkomst en de uitvoering daarvan. Zij heeft ook rekening gehouden met de duur van deze maatregelen en regelingen. ( 123 )
191.
Conform deze benadering heeft de Commissie twee groepen ondernemingen en ondernemersverenigingen onderscheiden: enerzijds ondernemingen die hebben deelgenomen aan de Cembureau-overeenkomst, en anderzijds ondernemingen met een geringere en dus minder ernstige deelneming. ( 124 )
192.
Binnen de eerste categorie heeft de Commissie drie subgroepen onderscheiden: 1) ondernemingen en ondernemersverenigingen die als lid van Cembureau rechtstreeks hebben deelgenomen aan het sluiten van de overeenkomst over de eerbiediging van de thuismarkten en maatregelen voor rechtstreekse bescherming van deze markten, tot welke groep Cementir behoort; 2) ondernemingen die via hun hoogste bestuurders de functie van delegatiehoofd bij Cembureau op zich hebben genomen, hetzij toen de overeenkomst werd gesloten, hetzij gedurende de periode van de tenuitvoerlegging daarvan, en 3) ondernemingen die hebben deelgenomen aan maatregelen tot uitvoering van de overeenkomst met het oogmerk rechtstreeks de thuismarkten te beschermen. ( 125 )
193.
In de tweede categorie heeft zij tevens drie soorten verantwoordelijke ondernemingen vastgesteld: 1) ondernemingen die slechts hebben deelgenomen aan de maatregelen tot uitvoering van de overeenkomst die gericht waren op het kanaliseren van de productieoverschotten naar derde landen; 2) ondernemingen die, hoewel zij hebben deelgenomen aan de maatregelen tot uitvoering van de overeenkomst met het oogmerk de thuismarkten rechtstreeks te beschermen, gepoogd hebben zich aan de tenuitvoerlegging daarvan te onttrekken, en 3) Ciments luxembourgeois SA, die, hoewel zij rechtstreeks lid was van Cembureau en heeft deelgenomen aan de vergaderingen van de delegatiehoofden waarop het „Cembureau Agreement or Principle” werd overeengekomen, geen enkele uitvoeringsmaatregel ten uitvoer heeft gelegd. ( 126 )
194.
De Commissie heeft aan de ondernemingen en ondernemersverenigingen van de eerste categorie een geldboete opgelegd waarvan het bedrag correspondeerde met 4 % van de omzet die ieder van hen in de loop van 1992 op de markt van grijs cement had gerealiseerd. Het bedrag van de aan de ondernemingen van de tweede categorie opgelegde geldboete bedroeg 2,8 % van deze omzet. ( 127 )
195.
Het Gerecht heeft het beroep van Cementir gedeeltelijk toegewezen omdat de Commissie voor de vaststelling van de door haar opgelegde geldboete ervan was uitgegaan dat deze onderneming 122 maanden aan de Cembureau-overeenkomst had deelgenomen, terwijl in de procedure kon worden vastgesteld dat de werkelijke duur van haar deelneming slechts 110,5 maanden bedroeg. ( 128 ) Het Gerecht heeft het bedrag van de geldboete derhalve naar evenredigheid verlaagd. ( 129 )
196.
Rekwirante verwijt het Gerecht dat het door deze handelwijze bij de bepaling van de geldboeten het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden.
197.
Aldus geformuleerd is het middel niet-ontvankelijk, omdat het de in het verzoekschrift aangevoerde argumenten herhaalt, waarop het Gerecht in de punten 4965 tot en met 4969 van het bestreden arrest heeft geantwoord. Cementir stelt niets nieuws in dit middel, niets waarover niet reeds in de gerechtelijke procedure is gesproken en beslist. Zij maakt zich het feit dat het Gerecht hetzelfde criterium inzake de kwantificering van de geldboeten heeft toegepast als de Commissie, ten nutte om een debat te heropenen, dat in werkelijkheid niet gericht is tegen het bestreden arrest, maar tegen de administratieve beschikking waarin een sanctie is opgelegd voor haar gedrag.
C — Het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel
198.
Dit middel is eveneens ongegrond.
199.
Een sanctie heeft een tweeledig doel: zij dient repressief te zijn en tegelijk een preventieve werking te hebben. Zij beoogt een gedrag te bestraffen en de daders of eventuele andere overtreders te ontmoedigen zich schuldig te maken aan mededingingsverstorende gedragingen. Zij moet dan ook aangepast zijn aan deze doeleinden, met inachtneming van een goed evenwicht, zodat met de geldboete zowel het ten laste gelegde gedrag wordt bestraft als een voorbeeld wordt gesteld.
200.
Het eerste, het repressieve aspect van de sanctie, moet, als uitvloeisel van het beginsel van het persoonlijk karakter van de straffen, evenredig zijn aan de ernst van de inbreuk en de andere, subjectieve en objectieve, omstandigheden van elk concreet geval. Daarom wordt in artikel 15, lid 2, laatste zin, van verordening nr. 17 bepaald dat bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening wordt gehouden met de zwaarte en, eventueel, de duur van de inbreuk.
201.
Het Hof heeft verklaard dat de zwaarte van de inbreuken moet worden vastgesteld met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld. ( 130 )
202.
Deze beoordeling moet mijns inziens worden gebaseerd op drie hoofdcriteria: de aard van de inbreuk, de gevolgen ervan voor de mededinging en de geografische omvang van de betrokken markt; elk van deze criteria moet worden bekeken in zijn objectief aspect, dat van de inbreuk zelf, en in zijn subjectief aspect, dat van de verantwoordelijke onderneming. ( 131 )
203.
Derhalve moet de inhoud van de mededingingsverstorende gedragingen worden beoordeeld, de omvang van de markt waarop deze hun invloed doen gelden, en, meer in het bijzonder, de schade die de economische openbare orde heeft geleden; daartoe mogen punten als de duur van de verboden praktijken, de aard van de betrokken markt, en het aantal en de intensiteit van de tot uitvoering gebrachte uitvoeringsmaatregelen niet worden verwaarloosd.
204.
Op subjectief niveau, dat van de verantwoordelijke ondernemingen, gaat het om zaken als hun relatieve belang of hun marktaandeel in de betrokken economische sector en het repetitieve van hun mededingingsverstorende gedragingen.
205.
De verplichting tot oplegging van een sanctie die evenredig is aan de zwaarte van de inbreuk, impliceert dat, wanneer een inbreuk door meerdere personen is begaan ( 132 ), de relatieve ernst van ieders deelneming aan die inbreuk in aanmerking dient te worden genomen met gebruikmaking van de bovengenoemde richtsnoeren. ( 133 ) Het gelijkheidsbeginsel vereist namelijk dat aan alle ondernemingen die zich in dezelfde situatie bevinden, dezelfde geldboete wordt opgelegd, en verbiedt dat aan ondernemingen die zich in verschillende situaties bevinden, dezelfde geldboete wordt opgelegd.
206.
Het Gerecht heeft zich hieraan gehouden toen het de door de Commissie gehanteerde criteria voor de vaststelling van het bedrag van de geldboeten bevestigde en toepaste. Bij deze criteria gaat het niet om een willekeurige classificatie van de verantwoordelijke ondernemingen en ondernemersverenigingen. Integendeel, zij zijn het resultaat van een gedetailleerde analyse van de deelneming en het gedrag van elk van hen. Dat blijkt duidelijk uit de punten 3, 5 en 9 van paragraaf 65 van de motivering van de beschikking, die, niet te vergeten, een uitvoerig eerste deel bevat, waarin de feiten zijn uiteengezet en de deelneming van de diverse betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen is beschreven.
207.
Met alle gedragingen, die noodzakelijkerwijs niet identiek waren, werd hetzelfde concurrentieverstorende doel beoogd, zodat zij ten behoeve van de sanctie qua zwaarte aan de hand van hun gevolgen voor de markt en hun weerslag op de vrije concurrentie in een of meer categorieën konden worden gehergroepeerd.
208.
Er is niets onregelmatige aan deze handelwijze daar, zoals gezegd, de zwaarte van een inbreuk kan worden beoordeeld aan de hand van de schade die door de litigieuze gedragingen is toegebracht aan de economische openbare orde. Zoals het Gerecht in punt 4966 van het bestreden arrest heeft verklaard, heeft elke onderneming die partij was bij de Cembureau-overeenkomst, „de eerbiediging van de thuismarkten proberen te verzekeren via het aantal maatregelen dat noodzakelijk werd geacht, gelet op onder meer haar commerciële belangen en de geografische situatie van haar natuurlijke markt. Wanneer, gelet op die factoren slechts aan een beperkt aantal onrechtmatige maatregelen werd deelgenomen, geeft dit dus niet blijk van een minder sterke aansluiting bij de Cembureau-overeenkomst en derhalve van een minder zware verantwoordelijkheid voor de inbreuk waarvoor een sanctie is opgelegd”. Wat de schade aan de concurrentie betreft was de situatie van elke onderneming dezelfde.
209.
Om dezelfde reden hoeft het feit dat het Gerecht enkele bepalingen van de beschikking nietig heeft verklaard op grond dat de bijdrage van Cementir aan de daarin beschreven gedragingen niet is bewezen, niet noodzakelijkerwijs een verlaging van de opgelegde geldboete mee te brengen, want bepalend was de continue aansluiting bij het Cembureau-beginsel door deelneming aan een of meer van de maatregelen tot uitvoering daarvan met het oog op de rechtstreekse bescherming van de thuismarkten. ( 134 )
210.
Wanneer Cementir insinueert dat andere ondernemingen die eveneens zijn ondergebracht in de groep van ondernemingen met de zwaarste verantwoordelijkheid, intensiever aan de mededingingsregeling hebben deelgenomen, is haar grief misplaatst, zelfs als haar optreden niet als opzettelijk, maar als onachtzaam wordt aangemerkt, omdat de uit onachtzaamheid gepleegde inbreuken voor de mededinging niet minder ernstig zijn dan de opzettelijk gepleegde inbreuken. Om de zwaarte van de inbreuk te bepalen was het Gerecht niet verplicht te onderzoeken of deze opzettelijk dan wel uit onachtzaamheid was gepleegd. ( 135 ) Op het gebied van de mededinging is schuld weliswaar een voorwaarde voor de sanctie, maar is de mate van schuld geen criterium voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete. ( 136 )
211.
Evenmin is er sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel wanneer de ondernemingen van de groep „met geringere verantwoordelijkheid” de maatstaf zijn. Voor het door haar gemaakte onderscheid tussen de twee categorieën ondernemingen heeft de Commissie een aantal redenen gegeven, die het Gerecht heeft overgenomen ( 137 ). Deze redenen beantwoorden aan een objectief en redelijk criterium, namelijk de gevolgen van de gedragingen voor de mededinging en, met name, voor de compartimentering van de thuismarkten. Op deze wijze zijn de in de artikelen 2, 3 en 4 van de beschikking beschreven gedragingen als de zwaarste aangemerkt, omdat zij tot rechtstreekse bescherming van deze markten strekten, terwijl de in de artikel 5 en 6 beschreven gedragingen, die „minder rechtstreekse gevolgen” hadden voor de compartimentering ( 138 ), als minder ernstig konden worden gekwalificeerd.
212.
Daaruit volgt dat als de criteria van de Commissie stroken met de aan de oplegging van de geldboeten ten grondslag liggende beginselen, de verlaging die het Gerecht volgens dezelfde regels heeft toegepast, daaraan eveneens heeft voldaan.
D — Een onvoldoende gemotiveerde sanctie
213.
De Commissie heeft in paragraaf 65 van de beschikking omstandig de criteria voor de sanctie uitgelegd die zij in het dispositief zou toepassen. Bij het antwoord op de grieven van rekwiranten worden in de punten 4722 tot en met 5057 van het bestreden arrest, de verschillende aspecten van de opgelegde sancties onderzocht.
214.
Lezing van beide teksten volstaat om te constateren dat het middel van Cementir inzake gebrekkige motivering van de beslissing om enkel een sanctie op te leggen voor de deelneming aan de Cembureau-overeenkomst, onafhankelijk van het aantal uitvoeringsmaatregelen waaraan elke onderneming haar medewerking heeft verleend, ongegrond is. Bij zorgvuldige lezing van mijn bovenstaande, op paragraaf 65 van de beschikking gebaseerde beschrijving van de criteria die de Commissie heeft gehanteerd voor de bepaling van de sanctie, blijkt duidelijk dat de motivering die volgens Cementir ontbreekt, in de beschikking is te vinden.
215.
In werkelijkheid is dit aspect van het middel niet-ontvankelijk, daar daarmee een stelling wordt herhaald waarop in de punten 4722 en volgende van het bestreden arrest naar behoren is geantwoord.
E — De duur van de inbreuken, met name van de in artikel 4, lid 3, sub b, van de beschikking beschreven inbreuk
216.
Het eerste onderdeel van dit middel in hogere voorziening gaat in een van zijn aspecten uit van een hypothetische situatie, die zich niet heeft voorgedaan, namelijk dat de middelen inzake de uitwisseling van informatie over de prijzen, de op Calcestruzzi uitgeoefende druk en de met haar gesloten overeenkomsten gegrond worden verklaard. Daar ik voorstel deze grieven af te wijzen, blijft de duur van de inbreuk in beginsel ongewijzigd.
217.
Het tweede aspect van dit eerste onderdeel van het zesde middel heeft betrekking op de inbreuk bedoeld in artikel 4, lid 3, sub b, van de beschikking, waarin de Commissie een sanctie heeft opgelegd voor de overeenkomst die Cementir, Italcementi en Unicem hebben gesloten om Calcestruzzi ertoe te bewegen de invoer van Grieks cement te beëindigen; in het kader van deze overeenkomst hebben de drie ondernemingen met deze betonproducent de contracten ondertekend die tot en met 3 april 1992 van kracht zijn gebleven. Volgens rekwirante is het tegenstrijdig om voor deze overeenkomst en de betrokken contracten dezelfde duur aan te houden.
218.
In mijn conclusie van vandaag in de zaak Buzzi U n ice m /Co m missie (C-217/00 P) ( 139 ) heb ik reeds uiteengezet dat artikel 4, lid 3, sub b, van de beschikking betrekking heeft op twee gedragingen. De ene, de overeenkomst tussen de drie Italiaanse producenten, die ertoe strekte Calcestruzzi te beletten cement uit Griekenland in te voeren, had een externe draagwijdte, terwijl de andere, de afspraken en contracten tussen de drie cementproducenten en Calcestruzzi zelf, een strikt nationale dimensie had. Wat de eerste gedraging betreft waren Unicem, Italcementi en Cementir de verantwoordelijke ondernemingen, terwijl bij de tweede ook de betonproducent tot de schuldigen moet worden gerekend. De tussen de drie cementproducenten gesloten overeenkomst om druk uit te oefenen op iemand die vervolgens de leveringscontracten met hen sloot, is een mededingingsregeling waarvoor op zichzelf een sanctie kan worden opgelegd. ( 140 ) Het is dus niet tegenstrijdig of onlogisch de duur van deze mededingingsregeling vast te stellen met inachtneming van de geldigheidsduur van deze contracten en afspraken, die er de externe uiting van waren, zoals het ook legitiem is te bepalen dat de Cembureau-overeenkomst, die tijdens de vergadering van de delegatiehoofden van 14 januari 1983 is gesloten, even lang heeft geduurd als de uitvoeringsmaatregelen ervan.
F — De verjaring van de inbreuk bestaande in de ad-hocuitwisseling van informatie over de prijzen
219.
Met deze grief herhaalt Cementir haar in eerste aanleg aangevoerde argumenten zonder kritiek uit te oefenen op het antwoord dat is gegeven in de punten 4801 en 4802 van het bestreden arrest. Haar argumenten zijn dus niet-ontvankelijk.
220.
Hoe dan ook, zij zijn ongegrond.
221.
Voor de beantwoording van dit middel moet worden uitgegaan van de feiten die in het bestreden arrest bewezen zijn verklaard en die in hogere voorziening niet adequaat zijn ontkracht. Cementir heeft de vergaderingen van de delegatiehoofden van14 januari 1983 en 7 november 1984 bijgewoond. Ook heeft zij tijdens de eerste van deze twee vergaderingen deelgenomen aan de uitwisseling van informatie over de prijzen en tussen 1 januari 1984 en 31 december 1988 aan de periodieke uitwisseling van informatie over de prijzen. Zij heeft zich tussen 9 september 1986 en 15 maart 1987 aangesloten bij de onderling afgestemde feitelijke gedragingen om aan de Griekse producenten, met name Titan, hun klant Calcestruzzi te onttrekken. Ten slotte heeft zij zich met Unicem en Italcementi verbonden om Calcestruzzi te beletten cement uit Griekenland in te voeren, ten behoeve waarvan de drie Italiaanse ondernemingen op 3 en 15 april 1987 met deze betonproducent leveringscontracten en -afspraken hebben ondertekend; deze praktijk heeft geduurd tot en met 3 april 1992. ( 141 )
222.
Zelfs wanneer men ervan uit zou gaan dat de in artikel 2, lid 1, van de beschikking beschreven inbreuk is verjaard, zou dit niets aan het resultaat veranderen, daar Cementir als rechtstreeks lid van de Cembureau-overeenkomst bleef deelnemen aan de mededingingsregeling, omdat zij aan een aantal maatregelen tot uitvoering daarvan heeft meegewerkt. Zij behoorde dus tot de groep ondernemingen waaraan een geldboete ten bedrage van 4 % van hun omzet is opgelegd.
223.
Bovendien vergeet rekwirante het bij dat de inbreuk waarvoor een sanctie is opgelegd, om een voortdurende inbreuk gaat en dat daarom de aanvangsdatum van de verjaring de dag is waarop de ene enkele gedraging is beëindigd ( 142 ), in casu 3 april 1992. Daar de mededeling van de punten van bezwaar op 25 november 1991 ( 143 ) is betekend, kan onmogelijk sprake zijn van verjaring, want de inbreuk duurde toen nog voort.
G — Rectificatie van de omzet
224.
Dit onderdeel van het zesde middel is net als het vorige niet-ontvankelijk, omdat Cementir daarin slechts dezelfde argumenten aanvoert als in eerste aanleg en omdat daarop reeds in de punten 5030 tot en met 5032 van het bestreden arrest is geantwoord.
225.
Voorts is het argument van Cementir mijns inziens onjuist.
226.
De „omzet”, als referentie voor de berekening van de geldboeten, is een gegeven om de omvang en de economische macht van een onderneming te bepalen ( 144 ), opdat de sanctie evenredig is aan de omvang van de onderneming op de markt van de producten waarop de inbreuk is gepleegd. Dat is het doel van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17. ( 145 ) Er dient dus rekening te worden gehouden met de invloed op de markt van degene die de inbreuk pleegt, als gevolg van zijn omvang en economische macht. ( 146 )
227.
Het door Cementir aangevoerde argument over de vraag of de kosten voor het transport van het cement of de kosten van de zakken waarin het cement wordt geleverd, deel uitmaken van de verkoopprijs, heeft dus geen nut. Beslissend is dat deze kosten deel uitmaken van de afzet en het handelsverkeer van de onderneming en derhalve noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de omvang en de economische macht ervan.
228.
Ten slotte is de door rekwirante aangevoerde grief inzake de ongelijke behandeling op dit punt zuiver theoretisch. Wie klaagt over een ongelijke behandeling, moet dit bewijzen door vergelijkingsmateriaal over te leggen. Dat heeft Cementir noch in eerste aanleg, noch in het kader van deze hogere voorziening gedaan.
229.
Gelet op het bovenstaande, moeten de vier onderdelen van het zesde middel die niet bij de beschikking van 5 juni 2002 zijn afgewezen, worden afgewezen.
230.
De afwijzing van alle middelen die ontvankelijk zijn verklaard, dient de afwijzing van de hogere voorziening in haar geheel mee te brengen.
V — Kosten
231.
Daar de Commissie dit heeft gevorderd, dient Cementir in de kosten te worden verwezen conform de bepalingen van artikel 122, eerste alinea, juncto artikel 69, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
VI — Conclusie
232.
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging:
1)
alle middelen in hogere voorziening van Cementir — Cementerie del Tirreno SpA die niet zijn afgewezen bij de beschikking van 5 juni 2002, in hun totaliteit af te wijzen;
2)
het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vierde kamer — uitgebreid) van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie (T-25/95, T-26/95, T-30/95—T-32/95, T-34/95—T-39/95, T-42/95—T-46/95, T-48/95, T-50/95—T-65/95, T-68/95—T-71/95, T-87/95, T-88/95, T-103/95 en T-104/95), te bevestigen wat rekwirante betreft, en
3)
rekwirante in de kosten te verwijzen.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Spaans.
( 2 ) T-25/95, T-26/95, T-30/95—T-32/95, T-34/95—T-39/95, T-42/95—T-46/95, T-48/95, T-50/95—T-65/95, T-68/95—T-71/95. T-87/95, T-88/95, T-103/95 en T-104/95, Jurispr. blz. II-491; hierna: „bestreden arrest”.
( 3 ) PB 1962, 13, blz. 204.
( 4 ) Zaak IV/33.126 en 33.322 — Cement.
( 5 ) Punten 1 en 3 van het bestreden arrest.
( 6 ) Punten 3, 9 en 12 van het bestreden arrest.
( 7 ) Punten 4-6 van het bestreden arrest.
( 8 ) PB L 343, blz. 1.
( 9 ) Punt 22 van het bestreden arrest.
( 10 ) Zie punt 163 van het bestreden arrest, junctis de punten 5 en 95.
( 11 ) Zie punten 164-168 van het bestreden arrest.
( 12 ) Ciments luxembourgeois SA.
( 13 ) Punten 169 en 170 van het bestreden arrest.
( 14 ) Gecodificeerde tekst bekendgemaakt in PB 2001, C 34, blz. 1.
( 15 ) Arrest van 29 juni 1995 (T-30/91, Jurispr. blz. II-1775).
( 16 ) Arrest van 29 juni 1995 (T-36/91, Jurispr. blz. II-1847).
( 17 ) Arrest van 8 juli 1999 (C-51/92 P, Jurispr. blz. I-4235).
( 18 ) Arrest van 10 juli 1980 (30/78, Jurispr. blz. 2229).
( 19 ) Met uitzondering van de documenten die zakengeheimen of andere vertrouwelijke informatie bevatten, en interne documenten van de Commissie.
( 20 ) Zie punt 241 van het bestreden arrest.
( 21 ) Zie voor de rechten van de verdediging in de procedures tot toepassing van de mededingingsregels het artikel van Lenaerts,K., en Maselis L., getiteld „Le justiciable face à la Commission européenne dans les procédures de constatation d'infraction aux articles 81 et 82 CE”, gepubliceerd in het Journal des tribunaux, nr. 5973 (2000), blz. 496-504. Eveneens nuttig is de studie van Goossens, L., „Concurrence et droits de la défense: la phase administrative devant la Commission”, verschenen in: Journal des tribunaux. Droit européen, nr. 52 (1998), blz. 169-175, en nr. 53 (1998), blz. 200-204. Hoewel enigszins gedateerd, heeft het artikel van O. Due, gewezen president van het Hof, „Le respect des droits de la défense dans le droit administratif communautaire”, gepubliceerd in de Cahiers de droit européen, nr. 1 en 2 (1987), blz. 383-396, niets aan belang ingeboet.
( 22 ) PB L 354, blz. 18. Deze verordening heeft verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1963, 127, blz. 2268) vervangen, die van kracht was toen de onderhavige administratieve procedure werd ingeleid.
( 23 ) Zie met name een van de meest recente arresten, namelijk het arrest Hercules Chemicals/Commissie, reeds aangehaald, punten 75 e.v..
( 24 ) Het arrest waartegen deze hogere voorziening is ingesteld, is daarvan een goed voorbeeld (zie de punten 142-144 en 240).
( 25 ) Zie arresten EHRM, Engel e.a. v. Nederland van 8 juni 1976, série A, nr. 22, voor militaire tuchtrechtelijke procedures, en Le Compte, Van Leuven en De Meyere v. België van 23 juni 1981, série A, nr. 43. voor tuchtrechtelijke procedures tegen een nationale Orde van geneesheren.
( 26 ) PB 2000, C 364, blz. 1.
( 27 ) Zie de artikelen 47, tweede alinea, en 48, lid 2.
( 28 ) Artikel 41, lid 2, eerste en tweede streepje.
( 29 ) Net als het recht te worden gehoord, het recht te worden geïnformeerd over de beschuldiging, het recht gebruik te maken van bewijsmiddelen die nuttig zijn voor de verdediging of, eventueel, het recht op bijstand door een advocaat.
( 30 ) Zie de conclusie van advocaatgeneraal Mischo van 25 oktober 2001 in de zaken C-244/99 P en C-251/99 P, respectievelijk de punten 331 en 125, waarin het Hof op 15 oktober 2002 uitspraak heeft gedaan (arrest LVM c.a./Commissie, C-238/99 P, C-244/99 P, C-245/99 P, C-247/99 P, C-250/99—C-252/99 P en C-254/99 P, Jurispr. blz. I-8375; hierna: „arrest PVC II”).
( 31 ) Zie punt 26 van het door rekwirante ingeroepen arrest Distillers Company/Commissie, waarin het Hof heeft verklaard dat de gestelde procedurele onregelmatigheden slechts onderzocht hoeven te worden „indien de administratieve procedure, waren deze fouten niet gemaakt, eventueel tot een ander resultaat had kunnen leiden”.
( 32 ) Net als de historicus reconstrueert de rechter het verleden; voor de uitoefening van zijn taak moet hij bewijzen en getuigenissen verzamelen om de feiten te reconstrueren zoals die zich hebben voorgedaan. De historicus noch de rechter mag zich in de positie verplaatsen van de personen op wie het onderzoek is gericht, zij moeten daar juist boven staan. Zie voor de relatie tussen recht en geschiedenis het boek van Ginzburg, C, El juez y el historiador (Consideraciones al margen del proceso Sofri), Anaya y Mario Muchnik, Madrid, 1993.
( 33 ) Punten 78 en 79.
( 34 ) Dit is het criterium dat het Hof heeft toegepast in het arrest PVC II, reeds aangehaald, punten 315 e.v., met name punt 325.
( 35 ) Dit was het geval bij de onderneming Cedest, SA (T-38/95). Zie de punten 2211 en 2286 van het bestreden arrest.
( 36 ) Respectievelijk de punten 98 en 108.
( 37 ) T-37/91, Jurispr. blz. II-1901.
( 38 ) Zie punten 66 en 70.
( 39 ) Zie punt 61 van het arrest Solvay/Commissie en punt 71 van het arrest ICI/Commissie.
( 40 ) Zie respectievelijk de punten 98 en 108 van de arresten.
( 41 ) Zie punten 263 en 264 van het bestreden arrest.
( 42 ) Het betreft tic in de punten 18, 19 en 45 vim de beschikking genoemde bewijzen.
( 43 ) Zie punt 264 van het arrest.
( 44 ) Punt 262 van het bestreden arrest.
( 45 ) Punt 263 van het bestreden arrest.
( 46 ) Zie punt 1250 van het bestreden arrest.
( 47 ) Punt 247 van het bestreden arrest.
( 48 ) Terechtzitting van 14 oktober 1998 in de zaak Cimenteries CBR-Commissie (T-25/95).
( 49 ) Terechtzitting van 14 oktober 1998 in de zaak Irish Cement/Commissie (T-60/95).
( 50 ) Stukken nr. 33.126/11630-11633.
( 51 ) Stukken nr. 33.322/308-312.
( 52 ) Stukken nr. 33.126/2023-2049.
( 53 ) Stukken nr. 33.126/2105-2113.
( 54 ) Zie de artikelen 61 en 62 van hun respectieve Reglement voor de procesvoering.
( 55 ) Zie met name de beschikking van 4 februari 2000, Emesa Sugar (C-17/98, Jurispr. blz. I-665, punt 18), en het arrest van 10 februari 2000, Deutsche Post (C-270/97 en C-271/97, Jurispr. blz. I-929, punt 30).
( 56 ) Zie voetnoot 62 van de mijn conclusie van 11 juli 2002 in de zaak Kaba (C-466/00), arrest van 6 maart 2003, Jurispr. blz. I-2219, blz. I-2222.
( 57 ) Punt 93.
( 58 ) Het betreft de in de paragrafen 18, 19 en 45 van de beschikking genoemde bewijzen. Wat de nota van Toscano betreft, zie de punten 1122 e.V. van het bestreden arrest (met name punten 1130, 1131 en 1132).
( 59 ) Zie punten 973 en 1131 van het bestreden arrest.
( 60 ) Documenten nr. 33.126/19878-19880.
( 61 ) Documenten nr. 33.126/2945-2951, 2934, 2935, 2954-2966 en 3065-3068.
( 62 ) Documenten nr. 33.126/19369-19377, 18387, 19389, 19401, 19410, 19412, 19433, 19781, 19889, 20001, 20124-20137, 20140-20156, 20275-20282 en 20294.
( 63 ) Zie paragraaf 47, punt 14.
( 64 ) Arrest van 8 juli 1999 (C-199/92 P, Jurispr. blz. I-4287).
( 65 ) Document nr. 33.126/11559.
( 66 ) Documenten nr. 33.126/11332-11334 en 11335-11337.
( 67 ) In haar optiek hadden de nota's betrekking op de invoer met dumping uit Oost-Europa en Spanje (dat toen nog niet tot de Gemeenschap was toegetreden).
( 68 ) Documenten nr. 33.126/19875-19877.
( 69 ) Zie punt 27 van mijn conclusie van 3 mei 2001 in de zaak Ismeri Europa/Rekenkamer (arrest van 10 juli 2001, C-315/99 P, Jurispr. blz. I-5281). en de arresten die ik in voetnoot 17 van die conclusie neb aangehaald, evenals punt 19 van het arrest Ismeri Europa/Rekenkamer zelf. Zie voor recentere beslissingen van het Hof het arrest van 21 juni 2001, Moccia Irme c.a./Commissie (C-280/99 P—C-282/99 P, Jurispr. blz. I-4717, punt 78).
( 70 ) Het gaat om de in de numen 18, 19 en 45 van de beschikking genoemde stukken. Zie wat het arrest betreft de punten 861 e. v. Zie voor de interne nota's van Blue Circle in het bijzonder de puitten 875-901; voor de verklaring van Kalogeropoulos de punten 902-913; voor de convocatie voor de vergadering van de delegatiehoofden van 14 januari 1983 de punten 930-941; voor het ontwerp voor de inleiding van de voorzitter van Cembureau de punten 959-969; voor het ontbreken van een verslag van deze vergadering de punten 971-976 en voor de vergadering van 7 november 1984, waarin de Cembureau-overeenkomst is bevestigd, de punten 1028-1046.
( 71 ) Zie paragraaf 45, punt 9, van de beschikking en de punten 1003, 1046, 1086 en 1095 van bet bestreden arrest.
( 72 ) Zie punten 1343-1345, 1352, 1353, 1376, 1391, 1400 en 1401 van het bestreden arrest.
( 73 ) Zie arresten van 8 juli 1999. Commissie/Anic Partecipazioni (C-49/92 P, Jurispr. blz. I-4125, punt 96), Hülls/Commissie, reeds aangenaaid, punt 155, eu Montecatini/Commissie (C-235/92 P, Jurispr. blz. I-4539, punt 181).
( 74 ) Zie punt 959 van het bestreden arrest.
( 75 ) Zie punt 962 van het bestreden arrest.
( 76 ) Zie punten 126 en 127 van de genoemde conclusie.
( 77 ) Zie punten 903 en 910 van het bestreden arrest.
( 78 ) Zie punten 1302, 1345 en 1352 van het bestreden arrest.
( 79 ) Punt 1049.
( 80 ) Zie punt 1470 van het bestreden arrest
( 81 ) Zie punt 1571 en het tweede streepje van punt 39 van het dictum van het bestreden arrest.
( 82 ) Zie punt 1577 van het bestreden arrest. Ik wijs er in dit verband op dat het Gerecht artikel 2, lid 2, sub a, van de beschikking, het deel van het dispositief betreffende de Belgische, Nederlandse en Luxemburgse prijzen, nietig heeft verklaard.
( 83 ) Zie punten 1751-1755 en 4400 van het bestreden arrest.
( 84 ) Paragraaf 47, punt 13, van de beschikking.
( 85 ) In het arrest heeft het Gerecht per vergissing de vergadering van 14 januari 1983 als datum van deze verspreiding genoemd. In paragraaf 16, punt 5, van de beschikking wordt echter gesproken van de vergadering van 30 mei 1983.
( 86 ) Zie punt 1643 van het bestreden arrest.
( 87 ) Uit de uitwisseling „kon een onderneming die een bestelling kreeg van een potentiële klant uit een andere lidstaat inderdaad het algemene niveau van de op dat moment in dat land geldende prijzen opmaken, en kon hij dus zijn uitvoerprijzen daaraan aanpassen, teneinde die klant ervan te weerhouden buiten zijn eigen land cement te betrekken, en aldus concurrentie met de plaatselijke producenten vermijden” (punt 1642 van het bestreden arrest).
( 88 ) Zie punten 1644-1646 van het bestreden arrest.
( 89 ) Zie punt 1518 van het bestreden arrest voor de ad-hocuitwisseling en punt 1644 voor de periodieke uitwisseling.
( 90 ) Zie punt 134 van mijn conclusie van vandaag in de zaak Aalborg Portland/Commissie (C-204/00 P). Zie ook de punten 1634 en 1638 van het bestreden arrest.
( 91 ) Zie punt 1473 van het bestreden arrest.
( 92 ) In paragraaf 16, punt 5, van de beschikking vermeldt de Commissie de vergadering van 30 mei 1983.
( 93 ) Zie punten 1644 en 1645 van het bestreden arrest.
( 94 ) Zie punt 1475 van het bestreden arrest.
( 95 ) Document nr. 33.126/19196.
( 96 ) Zie bijvoorbeeld punt 3077 van het bestreden arrest.
( 97 ) Zie punt 2768 van het bestreden arrest.
( 98 ) Zie mijn overwegingen in deze conclusie en in mijn daarmee samenhangende conclusies van vandaag over de rechtmatigheid van het gebruik van bewijs op grond van vermoedens om het vermoeden van onschuld te weerleggen.
( 99 ) Zie punten 3345, 3353 en 3355 van het bestreden arrest.
( 100 ) Zie punt 3360 van het bestreden arrest, waarin abusievelijk wordt verwezen naar document nr. 33.126/19218; zoals blijkt uit paragraaf 27, punt 10, tweede alinea, van de beschikking gaat het in werkelijkheid om document nr. 33.126/19208.
( 101 ) Zoals het Gerecht zelf erkent in punt 2780 van het bestreden arrest.
( 102 ) Zie paragraaf, SS punt 2, van de beschikking.
( 103 ) Zie punten 3286 en 3315 van het bestreden arrest.
( 104 ) Verslag van de vergadering van de European Task Force van 11 februari 1987 (zie paragraaf 27, punt 5, van de beschikking).
( 105 ) Zie punt 3378 van het bestreden arrest, waarin wordt verwezen naar paragraaf 57 van de beschikking.
( 106 ) Bij de contracten en afspraken over leveringen die zij op 3 en 15 april 1987 hebben ondertekend, hebben Unicem, Italcementi, Cementir en Calcestruzzi een gemeenschappelijke dochteronderneming opgericht met de naam Società Italiana per le Promozioni ed Applicazioni del Calcestruzzo SpA (SIPAC) (zie punten 444 en 445 van het bestreden arrest). De drie cementproducenten verbonden zich ertoe, aan alle vraag naar cement van het Calce-struzzi-concern te voldoen en de daarin genoemde prijsverlagingen toe te passen; van zijn kant verbond Calcestruzzi zich, de helft van de prijsverlagingen te bestemmen voor de genoemde gemeenschappelijke dochteronderneming, die deze bedragen moest investeren in ondernemingen op het gebied van stortklaar beton of van aanverwante activiteiten, en ten minste 80 % van haar cementbehoeften van Italcementi, Unicem en Cementir of van door deze aangewezen ondernemingen moest betrekken; de drie cementproducenten hielden zich het recht van opzegging voor, indien Calcestruzzi minder cement van hen zou kopen dan 95 % van de vraag van de koper (zie paragraaf 27, punt 6, van de beschikking en punt 3345 van het bestreden arrest).
( 107 ) Zie arrest Commissie/Anic Partecipazioni, reeds aangehaald, punt 81.
( 108 ) Zie arrest Montecatini/Commissie, reeds aangehaald, punt 195.
( 109 ) Zíe punt 81 van het arrest Anic/Partecipazioni.
( 110 ) Onverminderd de gevolgen daarvan voor de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk en derhalve de bepaling van de geldboete (zie punt 90 van het in de vorige voetnoot aangehaalde arrest).
( 111 ) Zie arrest van 16 november 2000, Sarrió/Commissie (C-291/98 P, Jurispr. blz. I-9991, punt 50).
( 112 ) Punt 83 van het arrest Commissie/Anic Partecipazioni, reeds aangehaald. Zie ook punt 203.
( 113 ) Zie punt 4400 van het bestreden arrest.
( 114 ) Zie punten 1501-1518 en 1620-1682 van het bestreden arrest.
( 115 ) Zie punten 3068-3163 en 3345-3386 van het bestreden arrest.
( 116 ) Daarin wordt Cementir echter geen deelneming aan de daarin beschreven inbreuk ten laste gelegd.
( 117 ) Zie punten 3919, 4055 c.v. van het bestreden arrest.
( 118 ) Verordening (EEG) nr. 2988/74 van de Raad van 26 november 1974 inzake de verjaring van het recht van vervolging en van tenuitvoerlegging op het gebied van het vervoers- en het mededingingsrecht van de Europese Economische Gemeenschap (PB L 319, blz. 1).
( 119 ) Zíe paragraaf 65, punt 7, van de beschikking.
( 120 ) Zie paragraaf 65, punt 8, eerste streepje, van de beschikking.
( 121 ) Zie het arrest van 16 december 1975, Suiker Unie c.a./Commissie (40/73-48/73, 50/73, 54/73-56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Jurispr. blz. 1663. punt 111). Zie voor de bepaling van het bedrag van geldboeten bij complexe inbreuken, David, E., „La determination du montant des amendes sanctionnant les infractions complexes: régime commun ou régime particulier?”, Revue trimestrielle de droit européen, nr. 36(3), juliseptember 2000, blz. 511-545.
( 122 ) Zie de beschikking, paragraaf 65, punt 3, sub a en punt 9, sub a, eerste streepje.
( 123 ) Paragraaf 65, punt 9, eerste streepje, van de beschikking. Zie ook punt 4950 van het bestreden arrest. De Commissie „heeft een globale geldboete vastgesteld voor iedere onderneming wegens haar deelneming aan het Cembureau Agreement or Principle” en aan de uitvoeringsmaatregelen daarvan (paragraaf 65, punt 8, tweede streepje).
( 124 ) Paragraaf 65, punt 9, sub a en b, van de beschikking.
( 125 ) Paragraaf 65, punt 9, sub a, van de beschikking.
( 126 ) Paragraaf 65, punt 9, sub b, van de beschikking.
( 127 ) Zie de brief van de Commissie aan het Gerecht van 7 juli 1998, met name de paragrafen 2 en 3. Zie ook de punten 4738, 4957 en 4963 van het bestreden arrest.
( 128 ) Zie punten 4807-4814 van het bestreden arrest, en meer in het bijzonder het zeventiende streepje van laatstgenoemd punt.
( 129 ) Zie punt 4815 en het zevende streepje van punt 39 van het dictum van het bestreden arrest.
( 130 ) Zie arresten van 7 juni 1983, Musique diffusion française e.a./Commissie (100/80—103/80. Jurispr. biz. 1825, punt 120), en 17 juli 1997, Ferriere Nord/Commissie (C-219/95 P, Jurispr. blz. I-4411, punt 33); zie ook de beschikking van 25 maart 1996, SPO e.a./Commissie (C-137/95 P, Jurispr. blz. I-1611, punt 54).
( 131 ) In zijn reeds aangehaalde werk stelt E. David: „La gravité s'apprécie selon trois critères: la nature de l'infraction, son impact sur le marché lorsqu'il est mesurable et le marche géographique et à deux niveaux: ceux de l'infraction et de l'entreprise.” (blz. 522).
( 132 ) De inbreuken op artikel 81 EG vooronderstellen per definitie een collectief gedrag.
( 133 ) Zie de reeds aangehaalde arresten Suiker Unie e.a./Commissie, punt 623, en Hercules Chemicals/Commissie, punt 110.
( 134 ) Zie punten 4975 en 4976 van het bestreden arrest.
( 135 ) Zie beschikking SPO e.a. /Commissie, reeds aangehaald, punten 55 en 57.
( 136 ) Volgens de rechtspraak van hel Hof behandelt artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 twee verschillende kwesties. Enerzijds bepaalt het aan welke voorwaarden moet zijn voldaan opdat de Commissie geldboeten kan opleggen (opleggingsvoorwaarden); een van deze voorwaarden is dat de inbreuk opzettelijk of uit onachtzaamheid moet zijn begaan (eerste alinea). Anderzijds stelt het regelen betreffende de bepaling van de hoogte van de geldboete, die een functie is van de zwaarte en de duur van de inbreuk (tweede alinea) (beschikking SPO e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 53, en arrest Ferriere Nord/Commissie, eveneens reeds aangehaald, punt 32).
( 137 ) Zie paragraaf 65, punt 9, van de beschikking, en punt 4968 van het bestreden arrest.
( 138 ) Punt 4968, laatste zin, van het bestreden arrest.
( 139 ) Punten 188-192.
( 140 ) Sancties kunnen worden opgelegd voor overeenkomsten over de verdeling vnn de markten, onafhankelijk van de vraag of zij vervolgens de concurrentie concreet beperken. In het arrest Suiker Unie c.a./Commissie, reeds aangehaald, heeft het Hof overeenkomsten veroordeeld strekkend tot beïnvloeding van het marktgedrag (punt 171; cursivering van mi]). Dit beginsel wordt thans bevestigd door de rechtspraak van het Hof: „Het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging [veronderstelt] weliswaar een marktgedrag van de deelnemende ondernemingen, doch het vereist niet noodzakelijkerwijs, dat die gedraging de mededinging concreet beperkt, verhindert of vervalst” (arrest Huls/Commissie, reeds aangehaald, punt 165). Zie ook het arrest van dezelfde dag, Montccatini/Commissic, eveneens reeds aangehaald, punt 125.
( 141 ) Zie punten 4399 en 4400 van het bestreden arrest.
( 142 ) Zie artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2988/74, reeds aangehaald.
( 143 ) De verificaties hebben plaatsgevonden tussen april 1989 en juli 1990.
( 144 ) Zie arrest Sarrió/Commissie, reeds aangehaald, punt 86.
( 145 ) Zie arrest Musique diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 119. Zie ook het arrest van 16 november 2000, KNP BT/Commissic (C-248/98 P, Jurispr. blz. I-9641, punt 61).
( 146 ) Zie arrest Musique diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punten 120 en 121. Zie ook de arresten Commissie/Anic Partecipazioni, punt 164, reeds aangehaald, en Hüls/Commissie, punt 195, reeds aangehaald.
Full & Egal Universal Law Academy