Conclusie van de advocaat generaal
1. Met dit krachtens artikel 226 EG ingestelde beroep verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, door geen mededeling te doen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 95/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 inzake het gebruik van normen voor het uitzenden van televisiesignalen (hierna: richtlijn"), of door niet alle vereiste maatregelen te treffen om aan deze richtlijn te voldoen, de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen.
2. Overeenkomstig artikel 9 is de richtlijn op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, dat wil zeggen op 23 november 1995, in werking getreden. De lidstaten dienden uiterlijk negen maanden na de datum van de inwerkingtreding van de richtlijn, dus vóór 23 augustus 1996, de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om aan de richtlijn te voldoen, en zij dienden de Commissie daarvan onverwijld in kennis te stellen (artikel 8).
3. Daar zij van de Nederlandse regering geen enkele mededeling over maatregelen tot omzetting van de richtlijn had ontvangen, concludeerde de Commissie dat het Koninkrijk der Nederlanden die maatregelen nog niet had getroffen en dus niet aan zijn verplichtingen ter zake had voldaan. Derhalve leidde zij bij brief van 16 januari 1997 een niet-nakomingsprocedure in en stelde zij de Nederlandse regering in de gelegenheid, binnen twee maanden haar opmerkingen in te dienen.
4. Op 24 maart 1997 antwoordde de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland, dat de Nederlandse bevoegde autoriteiten bezig waren met de voorbereiding van de maatregelen die nodig waren om aan de richtlijn te voldoen.
5. Toen nieuwe informatie uitbleef, zond de Commissie de Nederlandse regering op 14 oktober 1998 een met redenen omkleed advies, waarin zij haar verzocht de nodige maatregelen te nemen om binnen twee maanden na de betekening van dit advies aan de verplichtingen uit hoofde van de richtlijn te voldoen.
6. Bij brief van 18 december 1998 antwoordde de Nederlandse regering, dat het bepaalde van artikel 4, sub b en c, eerste en tweede streepje, van de richtlijn geïmplementeerd werd in de artikelen 8.5 en 8.6 van de Telecommunicatiewet van 19 oktober 1998, die op 15 december 1998 in werking was getreden; de andere bepalingen van de richtlijn zouden zo spoedig mogelijk na beëindiging van de nationale wetgevingsprocedures ten uitvoer worden gelegd. Een jaar later deelde de Nederlandse regering de Commissie bij brief van 2 november 1999 echter mee, dat de wetgevingsprocedure nog niet was afgerond.
7. Daar zij vervolgens geen andere mededeling van de betrokken regering ontving, heeft de Commissie op 9 juni 2000 het onderhavige beroep ingesteld.
8. De Nederlandse regering betwist de verweten niet-nakoming niet en erkent, dat de artikelen 2, 3, 4, sub a en d, laatste alinea, en 5 van de richtlijn nog niet in nationaal recht zijn omgezet. In haar verweerschrift preciseert zij slechts, dat de richtlijn volledig in nationaal recht zal worden omgezet, wanneer het wetsvoorstel tot wijziging van de Telecommunicatiewet, dat op 14 juli 2000 door de Ministerraad is goedgekeurd, na ontvangst van het advies van de Raad van State voor behandeling aan de Tweede Kamer kan worden toegezonden. De regering stelt echter, dat aan een aantal bepalingen van de richtlijn, met name artikel 4, sub b en c, eerste en tweede streepje, reeds uitvoering wordt gegeven door de artikelen 8.5 en 8.6 van de Telecommunicatiewet; voorts geven de nationale Mededingingswet en de Rijksoctrooiwet volgens haar reeds uitvoering aan artikel 4, sub d, eerste en tweede streepje, en sub e, van de richtlijn; de overige bepalingen van de richtlijn worden in Nederland in feite reeds geëerbiedigd, zodat de consumenten noch de aanbieders van telecommunicatienetwerken en -diensten enig nadeel ondervinden van de te late omzetting van de richtlijn. De Nederlandse regering erkent echter, dat die omstandigheid haar niet ontslaat van de verplichting om formeel en tijdig uitvoering te geven aan de richtlijn.
9. Bijgevolg staat vast, dat het Koninkrijk der Nederlanden niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen heeft getroffen om alle bepalingen van de richtlijn in nationaal recht om te zetten. Het staat eveneens vast, dat zij niet tijdig en volledig aan haar verplichting heeft voldaan om de Commissie de door artikel 8 van de richtlijn vereiste informatie mee te delen.
10. Wat het verzuim betreft om de richtlijn binnen de gestelde termijn om te zetten, zij om te beginnen opgemerkt dat de eventueel door de Commissie ingeleide niet-nakomingsprocedure in een dergelijk geval volgens vaste rechtspraak van het Hof gegrond moet worden geacht. Het bestaan van de niet-nakoming moet worden beoordeeld naar de situatie zoals die bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies genoemde termijn was. Voorts is het vaste rechtspraak, dat een lidstaat zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen.
11. Met betrekking tot het argument van de Nederlandse regering, dat de Nederlandse regeling in feite (en althans ten dele) reeds in overeenstemming met de richtlijn is, wijs ik erop dat deze regering zelf heeft erkend, dat een dergelijke omstandigheid een lidstaat niet kan ontslaan van zijn verplichting om formeel en tijdig uitvoering te geven aan de richtlijn. Het is immers vaste rechtspraak, dat hoewel [artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag] de lidstaten vrijlaat bij de keuze van de middelen en wegen voor de uitvoering van de richtlijn, [...] deze vrijheid niet afdoet aan de verplichting van elke lidstaat om in het kader van zijn nationale rechtsorde alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de volle werking van de richtlijn overeenkomstig het ermee beoogde doel te verzekeren". Hiertoe dienen de lidstaten op het betrokken gebied in een wettelijk kader te voorzien, waardoor de nationale rechtsorde aan de bepalingen van de richtlijn voldoet en dat zodanig moet zijn, dat er geen enkele twijfel of dubbelzinnigheid blijft bestaan, niet alleen ten aanzien van de inhoud van de betrokken nationale regeling en de overeenstemming ervan met de richtlijn, maar eveneens ten aanzien van de formele waarde van die regeling. De betrokken lidstaat dient dus zorg te dragen voor een volledige en nauwkeurige toepassing van de bepalingen van iedere richtlijn", aangezien de niet-nakoming blijft bestaan zolang hij niet volledig aan de richtlijn heeft voldaan", ook al worden de doelstellingen van de richtlijn door de [nationale] bepalingen goeddeels gewaarborgd".
12. Wat ten slotte de stelling van de verwerende regering betreft, dat een aantal bepalingen van de richtlijn door middel van de Telecommunicatiewet of andere bepalingen reeds in de nationale rechtsorde zijn omgezet, merk ik op dat zelfs indien dit het geval is - en de onvolledige omzetting daargelaten -, dit niet wegneemt dat die maatregelen niet aan de Commissie zijn meegedeeld, gelijk de richtlijn dat vereist.
13. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, door geen mededeling te doen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 95/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 inzake het gebruik van normen voor het uitzenden van televisiesignalen, of door niet binnen de gestelde termijn alle vereiste maatregelen te treffen om aan deze richtlijn te voldoen, de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen;
2) het Koninkrijk der Nederlanden te verwijzen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy