Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. In de onderhavige prejudiciële procedure die aanhangig is gemaakt door het Immigration Appeal Tribunal (hierna: verwijzende rechter"), wordt het Hof verzocht om uitlegging van artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1251/70 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een lidstaat na er een betrekking te hebben vervuld, naar aanleiding van de weigering om de familieleden (echtgenote en kinderen) van een overleden communautaire werknemer een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd voor het Verenigd Koninkrijk te verlenen.
II - Toepasselijke bepalingen
2. De werkingssfeer van verordening nr. 1251/70 wordt in artikel 1 als volgt omschreven:
De bepalingen van deze verordening zijn van toepassing op de onderdanen van een lidstaat die als werknemer op het grondgebied van een andere lidstaat een betrekking hebben vervuld, alsook op hun familieleden als omschreven in artikel 10 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad betreffende het vrij verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap."
3. Artikel 2 van verordening nr. 1251/70 bepaalt de volgende voorwaarden voor het ontstaan van het recht van werknemers om verblijf te houden:
1. Het recht om duurzaam verblijf te houden op het grondgebied van een lidstaat bezit:
a) de werknemer die, op het tijdstip dat hij zijn werkzaamheid staakt, de leeftijd heeft bereikt waarop overeenkomstig de wetgeving van die staat, aanspraak op ouderdomspensioen kan worden gemaakt en die ten minste gedurende de twaalf voorafgaande maanden in dat land een betrekking heeft vervuld en aldaar meer dan drie jaren voortdurend heeft gewoond;
b) de werknemer die sedert meer dan twee jaren voortdurend op het grondgebied van die lidstaat woont en aldaar als gevolg van een blijvende arbeidsongeschiktheid ophoudt een betrekking te vervullen. [...]
c) [...]
2) [...]"
4. Artikel 3 van verordening nr. 1251/70 bepaalt de volgende voorwaarden voor het recht van familieleden van de werknemer om verblijf te houden:
1. De familieleden van een werknemer als bedoeld in artikel 1 van deze verordening die bij hem op het grondgebied van een lidstaat woonachtig zijn, hebben het recht om aldaar duurzaam verblijf te houden, indien de werknemer het recht om er verblijf te houden op het grondgebied van die lidstaat overeenkomstig artikel 2 heeft verkregen, zelfs na diens overlijden.
2. Indien evenwel de werknemer in de loop van zijn beroepsleven is overleden voordat hij het recht op verblijf in de betrokken lidstaat heeft verkregen, hebben de familieleden het recht om er duurzaam verblijf te houden,
- indien de werknemer op het ogenblik van zijn overlijden op het grondgebied van die lidstaat gedurende ten minste 2 jaren bij voortduring woonachtig was;
- of indien de werknemer overleden is ten gevolge van een arbeidsongeval of een beroepsziekte;
- [...]"
5. Ten aanzien van de voorwaarden voor en het bewijs van bij voortduring woonachtig" bepaalt artikel 4:
1. Het bij voortduring woonachtig zijn bedoeld in de artikelen 2, lid 1, en 3, lid 2, kan met alle bewijsmiddelen worden aangetoond die in het land van de woonplaats gebruikelijk zijn. Perioden van afwezigheid die in totaal 3 maanden per jaar niet overschrijden of afwezigheid van langere tijd, vereist voor het vervullen van militaire dienst, beïnvloeden het voortdurend karakter niet.
2. [...]"
6. Onverminderd een verdergaande verplichting van de lidstaten om te bevorderen dat werknemers die het grondgebied hebben verlaten na er gedurende lange tijd bij voortduring te hebben gewoond en gewerkt, zich weer in deze staat vestigen, bepaalt artikel 5 van de verordening een termijn waarbinnen het recht van verblijf dient te worden uitgeoefend:
Degene, op wie het recht van verblijf van toepassing is, beschikt voor de uitoefening van dit recht over een termijn van 2 jaren vanaf de datum waarop dit recht overeenkomstig artikel 2, lid 1, sub a en b, en artikel 3 werd verkregen. Hij kan gedurende deze periode het grondgebied van de lidstaat verlaten zonder dat zulks zijn recht op verblijf aantast."
7. Section 7 (1) van de Immigration Act 1988, waarin ten gunste van degenen die aan de gemeenschapsregeling ontleende rechten doen gelden een uitdrukkelijke uitzondering wordt gemaakt op het algemene stelsel dat verlening van toestemming tot verblijf vereist, bepaalt:
Een persoon behoeft krachtens de [Immigration Act 1971] geen toestemming om het Verenigd Koninkrijk binnen te komen of er te verblijven wanneer hij hiertoe krachtens een afdwingbaar communautair recht of een andere bepaling van Section 2 (2) van de European Communities Act 1972 gerechtigd is."
III - De feiten en het procesverloop
8. R. Givane, echtgenoot respectievelijk vader van de latere verzoekers in het hoofdgeding, bezat de Portugese nationaliteit. Met uitoefening van de hem door het EG-Verdrag verleende rechten kwam hij op 15 april 1992 het Verenigd Koninkrijk binnen om daar als chefkok te werken. Hij kreeg een verblijfsvergunning voor vijf jaar en was gedurende drie jaar bij voortduring woonachtig in het Verenigd Koninkrijk tot 10 april 1995. Hij reisde vervolgens naar India en verbleef daar voor een periode van 10 maanden.
9. Op 16 februari 1996 keerde Givane, samen met zijn echtgenote, Nani Givane, en drie kinderen, Vashuben Givane, Vinodbhai Givane en Subashkumar Givane, die alle vier de Indiase nationaliteit bezitten, terug naar het Verenigd Koninkrijk. Hij kreeg een verblijfsvergunning voor onderdanen van de Europese Unie die geldig was tot en met 21 juli 2002. De familieleden die hem vergezelden, waren in het bezit van een EER-gezinsvergunning.
10. Op 11 november 1997, dat wil zeggen 21 maanden na zijn terugkeer in het Verenigd Koninkrijk, overleed Givane aan nierinsufficiëntie en chronische hepatitis, welke aandoeningen in het onderhavige geval niet als beroepsziekten konden worden aangemerkt.
11. Ingevolge artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1251/70 hebben de familieleden van de overledene (hierna: verzoekers") toestemming gevraagd om verblijf te houden in het Verenigd Koninkrijk. Bij beslissing van 21 augustus 1998 heeft de Secretary of State hun aanvraag voor een verblijfstitel voor onbepaalde tijd afgewezen, omdat hij van oordeel was dat Givane gedurende de twee jaren voorafgaande aan zijn overlijden niet bij voortduring woonachtig was geweest in het Verenigd Koninkrijk in de zin van voornoemd artikel.
12. De verzoekers tekenden beroep aan tegen deze beslissing. De verwijzende rechter heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
1) Vereist artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1251/70 dat de periode van twee jaar van het bij voortduring woonachtig zijn onmiddellijk aan het overlijden van de werknemer is voorafgegaan, of volstaat het dat daaraan in een eerdere periode in het leven van de werknemer is voldaan?
2) Indien deze periode van twee jaar niet onmiddellijk aan het overlijden van de werknemer behoeft te zijn voorafgegaan, blijven dan de rechten die een werknemer eenmaal heeft verkregen door een dergelijk tweejarig verblijf, behouden na perioden van afwezigheid uit de lidstaat van ontvangst van langer dan drie maanden zoals bedoeld in artikel 4, lid 1 (waardoor het voortdurend wonen in het betrokken gastland wordt onderbroken)?
3) Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: is het behoud van het recht dat uit vroegere perioden van voortdurend wonen voortvloeit, ondanks latere onderbrekingen daarvan, dan aan beperkingen onderworpen?
4) Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord: welke zijn dan deze beperkingen en welke factoren moeten door de nationale rechter in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de vraag of het recht om zich op vroegere perioden van wonen te beroepen, is vervallen door onderbrekingen in het bij voortduring woonachtig zijn?
5) Kunnen de familieleden van de overleden werknemer aanspraak maken op toepassing van artikel 3, lid 2, indien de periode van tien maanden afwezigheid van de werknemer minder dan een derde van de periode van voortdurend wonen vóór deze afwezigheid uitmaakt, en minder dan een vijfde van de totale tijd die de werknemer vóór zijn overlijden in het gastland heeft doorgebracht?"
13. De regering van het Verenigd Koninkrijk, de Duitse regering en de Commissie hebben deelgenomen aan de procedure voor het Hof.
IV - Argumenten van de partijen in het hoofdgeding
14. De argumenten van de verzoekers en de Secretary of State, die tijdens de procedure voor het Hof niet formeel opmerkingen hebben ingediend, worden ontleend aan de verwijzingsbeschikking:
1) De verzoekers
De verzoekers voeren aan dat artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1251/70 in het geval van Givane slechts vereist dat hij als communautair werknemer gedurende enige periode vóór zijn overlijden twee jaar bij voortduring woonachtig is geweest in het Verenigd Koninkrijk. De verordening stelt verder niet als vereiste dat deze periode van twee jaar onmiddellijk aan het overlijden vooraf is gegaan. Aangezien Givane tussen april 1992 en april 1995 aan dit vereiste heeft voldaan, dient het verzoek van zijn familieleden om toestemming voor verblijf voor onbepaalde tijd in het Verenigd Koninkrijk te worden ingewilligd.
15. Givane was tussen april 1992 en april 1995 gedurende langer dan twee jaar woonachtig in het Verenigd Koninkrijk en heeft bijgevolg aan het eerste gedeelte van de vereisten van artikel 3 van verordening nr. 1251/70 voldaan. De bewoordingen op het ogenblik van zijn overlijden [...] bij voortduring woonachtig was" leggen geen bijkomend vereiste op met betrekking tot de periode van voortdurend wonen. Zij geven eerder de uiterste datum aan waarop deze periode van twee jaar moet zijn voltooid.
16. Een teleologische uitlegging van artikel 3, lid 2, bevestigt deze letterlijke uitlegging. De teleologische uitlegging kan worden gebaseerd op de volgende gronden:
a) De considerans van verordening nr. 1251/70 erkent dat de communautaire werknemers hun familieleden om zich heen moeten kunnen hebben en dat deze familieleden onder bepaalde voorwaarden voor een verblijfsrecht in aanmerking moeten kunnen komen.
b) Artikel 39 van het Verdrag van Rome bepaalt: [h]et verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap is vrij".
c) Het vrij verkeer van werknemers is een wezenlijk economisch fundament van het Verdrag van Rome. Een werknemer zou derhalve niet mogen worden afgehouden van de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer, uit vrees te worden gescheiden van zijn familie of uit bezorgdheid om het welzijn van zijn familieleden wanneer deze met hem mee verhuizen.
17. Toegepast op de onderhavige zaak betekent dit dat indien Givane had beseft dat hij binnen twee jaar na zijn definitieve vertrek uit India een natuurlijke dood zou sterven en had geweten dat een uitlegging als die van de Secretary of State zou worden gevolgd, hij zou zijn afgehouden van de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer uit bezorgdheid om het welzijn van zijn familieleden.
18. De verzoekers erkennen dat bij een teleologische uitlegging van de verordening in een situatie waarin de periode van twee jaar bij voortduring woonachtig zijn vóór het overlijden van de werknemer is voorafgegaan aan een afwezigheid uit de lidstaat van ontvangst gedurende een periode van meer dan drie maanden, voor een dergelijke afwezigheid een zekere vorm van redelijke beperking moet gelden. Bij het vaststellen van een dergelijke redelijke beperking moet evenwel het evenredigheidsbeginsel worden toegepast.
2) De Secretary of State
19. De Secretary of State voert aan dat volgens de aan het normale taalgebruik ontleende betekenis van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1251/70 de periode van twee jaar bij voortduring woonachtig zijn onmiddellijk vooraf moet gaan aan het overlijden van de werknemer. Dit vloeit voornamelijk voort uit de bewoordingen op het ogenblik van zijn overlijden" en bij voortduring woonachtig was". Daarentegen worden de bewoordingen op het ogenblik van zijn overlijden" in artikel 3, lid 2, van de verordening door de uitlegging van de verzoekers onnodig en overbodig.
20. Bovendien is zijn uitlegging van artikel 3, lid 2, verenigbaar met het doel van verordening nr. 1251/70. Zoals blijkt uit de overwegingen van de considerans, is het doel van de verordening het tot stand brengen van het vrij verkeer van werknemers door hun een stabiel en zeker verblijf te garanderen na de arbeidsbeëindiging, door het hun mogelijk te maken dat hun familieleden zich bij hen voegen en door de familieleden dezelfde, van de rechten van de werknemers afgeleide rechten op een zeker verblijf te waarborgen. Het recht om verblijf te houden ontstaat uit een combinatie van perioden van wonen en werken in de betrokken lidstaat. Artikel 2, lid 1, hanteert, net als artikel 3, lid 2, het criterium van de perioden van wonen en/of werken die onmiddellijk voor de arbeidsbeëindiging moeten zijn vervuld.
21. Het is in het belang van de werknemer en zijn familieleden dat indien de verkrijging van permanente verblijfsrechten overeenkomstig artikel 2, lid 1, is onderbroken vanwege het voortijdig overlijden van de werknemer, de familieleden gerechtigd zijn verblijf te houden, voorzover de band met de lidstaat van ontvangst voldoende hecht is. Dit is evenwel enkel het geval indien de band met de lidstaat van ontvangst gedurende een redelijke periode vóór de arbeidsbeëindiging tot stand is gekomen.
22. De door de verzoekers gegeven uitlegging veroorzaakt ten slotte onzekerheid en voert extra criteria in die niet zijn voorzien in de verordening.
V - Argumenten van de partijen in de procedure voor het Hof
1) De regering van het Verenigd Koninkrijk
23. De regering van het Verenigd Koninkrijk baseert haar argumenten hoofdzakelijk op een letterlijke uitlegging op grond van een vergelijking tussen de Engelse, de Franse en de Duitse taalversie van verordening nr. 1251/70. Zij komt tot de conclusie dat de mogelijke dubbelzinnigheid in de Engelse taalversie van de verordening met betrekking tot de chronologische volgorde van de vereiste twee jaren bij voortduring woonachtig zijn en het overlijden van de werknemer, wordt opgehelderd door bestudering van de Franse en de Duitse taalversie. De periode van wonen moet onmiddellijk voorafgaan aan het overlijden van de werknemer.
24. Deze zienswijze wordt gestaafd door het doel van de verordening. Zoals de verkrijging van het primaire recht van de werknemer om verblijf te houden overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de verordening onderworpen is aan bepaalde voorwaarden, gelden ook voorwaarden voor de hiervan afgeleide rechten van de familieleden. Wordt de verkrijging van een permanent verblijfsrecht overeenkomstig artikel 2, lid 1, tenietgedaan door het voortijdig overlijden van de werknemer, dan is het in het belang van de werknemer en zijn familieleden dat zij gerechtigd zijn verblijf te houden indien de band met de lidstaat van ontvangst voldoende hecht is. Hiervan is enkel sprake indien deze band reeds gedurende een aanzienlijke periode bestaat voordat de werknemer ophoudt met werken. Was de werknemer niet gerechtigd verblijf te houden, dan kunnen zijn familieleden hier ook geen aanspraak op maken na zijn overlijden. Het doel van de verordening is te waarborgen dat een stabiele levenswijze kan worden voortgezet, hetgeen vooronderstelt dat een dergelijke structuur al in het leven is geroepen, en om deze reden geldt de periode van twee jaar die bij artikel 3, lid 2, van de verordening is vastgesteld.
25. Verder leidt de zienswijze van de verzoekers tot grote onzekerheid en vereist zij een aanvullende toetsing die niet in de verordening is voorzien. De verordening bevat geen criterium voor de evenredigheidstoetsing die door de verzoekers wordt bepleit. Een tijdelijke afwezigheid uit de lidstaat van ontvangst wordt geregeld in artikel 4 van de verordening. Indien de perioden van afwezigheid langer duren dan de perioden die in dat artikel worden genoemd, wordt het voortdurende" karakter van het verblijf niet alleen onderbroken, maar vervallen eveneens reeds bestaande rechten.
2) De Duitse regering
26. De Duitse regering is van oordeel dat de periode van twee jaar bij voortduring woonachtig zijn als vereist overeenkomstig 3, lid 2, onmiddellijk vooraf moet gaan aan het overlijden van de werknemer. Zij baseert dit argument op de Duitse taalversie van de verordening. Ingevolge artikel 4 van de verordening wordt het bij voortduring woonachtig zijn onderbroken door perioden van afwezigheid van meer dan drie maanden. Een nieuwe periode van het bij voortduring woonachtig zijn begint met de nieuwe binnenkomst in de lidstaat van ontvangst. Het voorafgaande verblijf vervalt". Deze conclusie wordt gestaafd door het stelsel van de verordening. De term voortdurend" in artikel 2, lid 1, sub a en b, heeft eveneens betrekking op minimale verblijfsperioden.
27. Verzoekers' methode van redelijke beperking van de afwezigheid" lijkt willekeurig. De strekking van het recht om verblijf te houden overeenkomstig artikel 39, lid 3, sub d, EG veronderstelt een zekere mate van verworteling in de lidstaat van ontvangst. Dit komt tot uitdrukking in het vereiste ten minste gedurende een periode van twee jaar bij voortduring woonachtig te zijn.
3) De Commissie
28. In haar opmerkingen vergelijkt de Commissie om te beginnen de verschillende taalversies van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1251/70 en komt zij tot de conclusie dat de bewoordingen in principe op beide manieren kunnen worden uitgelegd. Volgens de Engelse, de Spaanse, de Portugese en de Zweedse taalversie zou het feit dat de werknemer op enig tijdstip gedurende twee jaar bij voortduring woonachtig was op het grondgebied van een lidstaat, voldoende kunnen worden geacht als grondslag voor het verblijfsrecht, terwijl de Duitse, de Franse en de Italiaanse taalversie daarentegen vereisen dat de verblijfsperiode van twee jaar voortduurt tot aan het ogenblik van overlijden.
29. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet een gemeenschapsverordening uniform worden uitgelegd in het licht van de tekst in de andere officiële talen. Slechts de uitlegging die tot uitdrukking komt in de tweede groep onderzochte taalversies is evenwel verenigbaar met alle taalversies, zodat deze uitlegging de voorkeur verdient om uniformiteit te waarborgen. Bovendien wordt de periode van twee jaar uitdrukkelijk gekoppeld aan het ogenblik van overlijden. Deze koppeling zou overbodig zijn wanneer het ogenblik van overlijden niet als het einde van de periode van het bij voortduring woonachtig zijn moest worden beschouwd.
30. Ook indien de periode van het bij voortduring woonachtig zijn van de werknemer niet onmiddellijk aan zijn overlijden vooraf behoeft te gaan, kan de verzoekers geen recht worden verleend om verblijf te houden. Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1251/70 stelt als voorwaarde voor het recht van de familieleden om verblijf te houden dat zij bij de werknemer op het grondgebied van de lidstaat woonachtig zijn. Dit vereiste moet eveneens gelden voor artikel 3, lid 2, van de verordening, aangezien de rechten om verblijf te houden overeenkomstig artikel 3, lid 1 en 2, slechts van elkaar verschillen voorzover artikel 3, lid 2, betrekking heeft op de situatie dat de werknemer is overleden voordat hij een recht om verblijf te houden in de betreffende lidstaat heeft verkregen. In de situatie waarop artikel 3, lid 1, betrekking heeft, ontlenen de familieleden hun rechten evenwel aan de reeds bestaande rechtspositie van de werknemer, terwijl hun ingevolge artikel 3, lid 2, van de verordening een eigen recht wordt verleend dat zij hebben verworven doordat hun band met de lidstaat van ontvangst voldoende hecht is. Aangezien de verzoekers tussen april 1992 en april 1995 niet bij Givane op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk verbleven, moet hun het recht om verblijf te houden in casu hoe dan ook worden ontzegd.
IV - Analyse
Preliminaire opmerkingen
31. Het is opvallend dat de tegenovergestelde standpunten van de partijen in de procedure voor het Hof zijn gebaseerd op een letterlijke, systematische en teleologische uitlegging van verordening nr. 1251/70. De relevante bepalingen moeten derhalve met grote voorzichtigheid en zorgvuldigheid worden uitgelegd.
32. Met zijn eerste vraag wil de verwijzende rechter weten of de periode van twee jaar bij voortduring woonachtig zijn als vereist op grond van artikel 3, lid 2, onmiddellijk aan het overlijden van de werknemer moet voorafgaan dan wel of hiervoor aansluiting kan worden gezocht bij eerdere verblijfsperioden, voorzover deze qua aard en duur aan de vereisten voldoen. Deze vraag behelst dus twee aspecten. Het eerste aspect betreft de vraag naar de chronologische volgorde van de periode van twee jaar bij voortduring woonachtig zijn die het recht geeft verblijf te houden en het ogenblik van overlijden, en het tweede aspect betreft de vraag of perioden, die qua duur en intensiteit op zich voldoen aan het vereiste van een periode van ten minste twee jaar bij voortduring woonachtig zijn, in aanmerking kunnen worden genomen.
33. Terwijl het eerste aspect van de vraag uitvoerig aan de orde is gekomen in de opmerkingen die bij het Hof zijn ingediend, is het tweede aspect bijna volledig genegeerd. De partijen hebben allemaal naar artikel 4 van de verordening verwezen en geargumenteerd dat perioden van afwezigheid van meer dan drie maanden tot gevolg hebben dat de voorafgaande periode van verblijf vervalt. In hun opmerkingen hebben de partijen geen aandacht besteed aan het feit dat deze bepaling slechts betrekking heeft op de periode van verkrijging van gewaarborgde rechten, en wel zowel wat betreft het recht van de werknemer om verblijf te houden overeenkomstig artikel 2, lid 1, als wat betreft dat van de familieleden overeenkomstig artikel 3, lid 2. Artikel 4 van de verordening bepaalt niet wat er gebeurt met het recht om verblijf te houden als het eenmaal is verworven.
34. Deze twee aspecten van de eerste vraag die door de verwijzende rechter is gesteld, dienen derhalve in gedachten gehouden te worden bij de volgende redenering.
Antwoorden op de prejudiciële vragen
35. Volgens artikel 39, lid 3, sub d, EG omvat het recht van de werknemer op vrij verkeer ook het recht op het grondgebied van een lidstaat verblijf te houden, na er een betrekking te hebben vervuld, overeenkomstig de voorwaarden die zullen worden opgenomen in door de Commissie vast te stellen uitvoeringsverordeningen". De Commissie heeft deze voorwaarden opgenomen in verordening nr. 1251/70.
36. In beginsel worden van de rechten die overeenkomstig artikel 39 EG aan de werknemer worden verleend, ook rechten voor de familieleden van de werknemer afgeleid. De voorwaarden voor het recht van de familieleden om verblijf te houden zijn eveneens opgenomen in verordening nr. 1251/70. Ingevolge artikel 3, lid 1, hebben familieleden het recht om verblijf te houden indien de werknemer zelf het recht om verblijf te houden overeenkomstig de voorwaarden van artikel 2 heeft verkregen. Indien de werknemer in de loop van zijn beroepsleven overlijdt voordat hij het recht om verblijf te houden in de betrokken lidstaat heeft verkregen, hebben de familieleden desalniettemin onder de voorwaarden van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1251/70 het recht om verblijf te houden in de lidstaat.
37. Verordening nr. 1251/70 is in het onderhavige geval van toepassing, omdat Givane in het Verenigd Koninkrijk verbleef als werknemer in de zin van artikel 39 EG en verordening nr. 1251/70. De verzoekers zijn familieleden in de zin van artikel 1 van verordening nr. 1251/70 juncto artikel 10 van verordening (EEG) nr. 1612/68 betreffende het vrij verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap. Artikel 10, lid 1, sub a, van verordening nr. 1612/68 bepaalt:
Met de werknemer die onderdaan is van een lidstaat en die op het grondgebied van een andere lidstaat is tewerkgesteld mogen zich vestigen, ongeacht hun nationaliteit:
a) zijn echtgenoot en bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn; [...]".
38. Teneinde een antwoord te geven op de vraag van de verwijzende rechter of het recht van de familieleden van de werknemer om verblijf te houden, vereist dat de werknemer gedurende ten minste twee jaar onmiddellijk vóór zijn overlijden bij voortduring woonachtig is geweest op het grondgebied van de lidstaat dan wel of een eerdere periode van bij voortduring woonachtig zijn van gelijke duur voldoende is, moet de regeling van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1251/70 letterlijk, systematisch en teleologisch worden uitgelegd.
39. De Engelse taalversie van de bepaling, die in het hoofdgeding als basis zal hebben gediend, is neutraal wat betreft het chronologisch verband tussen de periode van twee jaar bij voortduring woonachtig zijn en het ogenblik van overlijden. Deze versie stelt slechts: the worker, on the date of his decease, had resided continuously in the territory of that Member State for at least two years". Volgens deze bewoordingen zou het voldoende moeten zijn dat de werknemer te eniger tijd vóór zijn overlijden gedurende twee jaar bij voortduring op het grondgebied van de betrokken lidstaat woonachtig is geweest.
40. De Nederlandse (gedurende"), de Portugese (pelo menos dois anos"), de Spaanse (un mínimo de dos años") en de Zweedse (under minst två år") taalversie van de verordening zijn net zo neutraal.
41. Daarentegen suggereren de Duitse, de Franse en de Italiaanse taalversie dat de periode van twee jaar bij voortduring woonachtig zijn onmiddellijk aan het ogenblik van overlijden vooraf moet gaan. In de Duitse tekst wordt van de werknemer vereist dat hij seit mindestens zwei Jahren" woonachtig is geweest in de lidstaat. Het woord seit" verbindt het ogenblik van overlijden met een periode die nog steeds voortduurt. Indien een eerder tijdstip was bedoeld, had het voor de hand gelegen het woord während" (gedurende") te gebruiken. Hetzelfde kan worden gezegd over de Franse en de Italiaanse taalversie van de bepaling. Hier worden de woorden depuis" en da" gebruikt in plaats van pendant" en durante".
42. Zoals reeds eerder gesteld, wordt deze uitlegging evenwel niet gestaafd door de andere taalversies. Bovendien worden er in de diverse taalversies verschillende grammaticale tijden gebruikt. In de Duitse tekst wordt aufgehalten hat" gebruikt, wat een gering tijdsverschil met het heden uitdrukt. In de Nederlandse tekst is gekozen voor de verleden tijd woonachtig was", en in de Engelse taalversie voor de voltooid verleden tijd had resided".
43. Een letterlijke uitlegging leidt dus niet tot een ondubbelzinnige conclusie. Volgens de rechtspraak van het Hof hebben alle taalversies in beginsel evenwel dezelfde waarde, ongeacht welk deel van de bevolking van de lidstaten de taal in kwestie spreekt.
44. Het argument van de Commissie dat de uitlegging moet worden gekozen die met alle taalversies verenigbaar is, hetgeen in dit geval zou betekenen dat het bij voortduring woonachtig zijn onmiddellijk aan het overlijden vooraf moet gaan, is niet overtuigend.
45. In het arrest in de zaak Akman concludeerde het Hof in een soortgelijke situatie slechts dat een letterlijke uitlegging in dergelijke gevallen geen duidelijk antwoord op de prejudiciële vraag oplevert. In de zaak Akman ging het om de vraag of artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, vereist dat een Turkse werknemer nog steeds in een lidstaat een betrekking vervult opdat zijn kinderen in die lidstaat naar een betrekking kunnen solliciteren. Volgens de Duitse bewoordingen van deze bepaling wordt bijvoorbeeld van de betrokken ouder vereist dat deze seit", in het Frans depuis", ten minste drie jaar tewerkgesteld moet zijn geweest, terwijl de Nederlandse taalversie wederom de neutrale term gedurende" gebruikt. Het Hof heeft uiteindelijk de laatste benadering overgenomen en zich uitgesproken tegen de onmiddellijke chronologische samenhang die met seit" wordt gesuggereerd.
46. Aangezien een letterlijke uitlegging van artikel 3, lid 2, van de verordening geen duidelijk antwoord op de vraag oplevert, dient de bepaling in haar context te worden bezien en te worden uitgelegd overeenkomstig de bedoeling ervan.
47. De voorwaarden voor het ontstaan van het recht van de werknemer om verblijf te houden zijn vastgelegd in artikel 2 van verordening nr. 1251/70, terwijl het recht van de familieleden om verblijf te houden voortvloeit uit artikel 3 van de verordening. In beginsel wordt hun recht afgeleid van het recht van de werknemer. Dit wordt duidelijk door de bewoordingen van artikel 3, lid 1: [...] hebben het recht aldaar duurzaam verblijf te houden, indien de werknemer het recht om er verblijf te houden op het grondgebied van die lidstaat overeenkomstig artikel 2 heeft verkregen". Bij overlijden van de werknemer wordt het recht van de familieleden om er verblijf te houden een eigen recht. Artikel 3, lid 1, van de verordening bevat bijgevolg de zinsnede: zelfs na diens overlijden". Indien de werknemer evenwel in de loop van zijn beroepsleven overlijdt voordat hij het recht op verblijf heeft verkregen - met andere woorden, indien de tewerkstelling die wordt vereist voor het verkrijgen van het recht om verblijf te houden voortijdig en onverwacht eindigt - dan wordt de familieleden reeds op basis van een periode van twee jaar bij voortduring woonachtig zijn van de werknemer in de lidstaat waarin hij tewerk was gesteld, het recht om verblijf te houden overeenkomstig artikel 3, lid 2, toegekend. Dit is dus ook een recht van de familieleden dat wordt afgeleid van de rechtspositie van de werknemer, maar dat bij overlijden van de werknemer hun eigen recht wordt. De opzet van artikel 3, lid 2, komt wat dat betreft overeen met die van artikel 3, lid 1.
48. Anders dan de Duitse regering stelt, biedt een vergelijking tussen de artikelen 2 en 3 geen verdere aanknopingspunten. De zinsnede meer dan drie (twee) jaren voortdurend heeft gewoond" komt weliswaar ook voor in artikel 2, lid 1, sub a en b. Ook hier houdt de zinsnede op dezelfde wijze verband met het telkens relevante tijdstip - waarop de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt respectievelijk arbeidsongeschikt wordt - als in artikel 3, lid 2 met het ogenblik van overlijden. Er zijn evenwel geen aanwijzigingen dat de minimale verblijfsperiode in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1251/70 onmiddellijk vooraf moet gaan aan het relevante tijdstip, aangezien ook op dit punt de bewoordingen van de diverse taalversies dubbelzinnig zijn. Voor het normale geval van arbeidsbeëindiging, te weten het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, vereist artikel 2, lid 1, sub a, van de verordening veeleer uitdrukkelijk, naast het meer dan drie jaar" bij voortduring woonachtig zijn, dat gedurende de 12 voorafgaande" maanden een betrekking is vervuld. Deze laatste zinsnede komt evenwel niet voor in artikel 3, wat ervoor pleit dat dit artikel niet vereist dat de verblijfsperiode van twee jaar onmiddellijk vooraf moet gaan aan het ogenblik van overlijden.
49. Ten slotte pleit artikel 5 zelfs uitdrukkelijk tegen de opvatting dat de feiten die het recht geven om verblijf te houden, onmiddellijk aan de uitoefening van dat recht vooraf moeten gaan. Ingevolge de uitdrukkelijke bewoordingen van deze bepaling kan de persoon op wie het recht van verblijf van toepassing is, het grondgebied van de lidstaat gedurende een termijn van twee jaar verlaten zonder dat dit het betrokken recht aantast. Een systematische uitlegging van de verordening leidt bijgevolg in geen geval tot de conclusie dat de periode van twee jaar voortdurend verblijf die het recht geeft om verblijf te houden, ingevolge artikel 3, lid 2, van de verordening onmiddellijk vooraf moet gaan aan het ogenblik van overlijden.
50. Om definitief duidelijkheid te verkrijgen, is het zodoende verder nodig de bedoeling te analyseren van de bepalingen betreffende het recht van de familieleden om verblijf te houden. Volgens de tweede overweging van de considerans van de verordening moet het recht om verblijf te houden worden uitgelegd als het recht van de werknemer om zijn verblijf op het grondgebied van een lidstaat te handhaven, wanneer hij ophoudt er een betrekking te vervullen". De werknemer moet derhalve de mogelijkheid hebben om ook na de arbeidsbeëindiging het centrum van zijn belangen dat hij door het wonen en werken in die lidstaat heeft opgebouwd, te handhaven. Volgens de derde overweging van de considerans van de verordening brengt de mobiliteit van arbeidskrachten in de Gemeenschap mee dat de werknemers successievelijk betrekkingen kunnen vervullen in verschillende lidstaten zonder daarvan nadelige gevolgen te ondervinden". Ten aanzien van de familieleden zegt de zevende overweging dat de uitoefening van het recht om verblijf te houden door de werknemer insluit dat dit recht wordt uitgebreid tot zijn familieleden; dat in geval van overlijden van de werknemer tijdens zijn beroepsleven het recht tot voortgezet verblijf eveneens moet worden toegekend aan zijn familieleden [...]".
51. De familieleden die met de werknemer zijn meeverhuisd naar een andere lidstaat of die later bij hem zijn gaan wonen, moeten bij hem kunnen blijven, zelfs indien hij ophoudt een betrekking te vervullen in de lidstaat waar hij tewerk was gesteld. De familieleden mogen niet worden gedwongen de keuze van hun verblijfplaats te herzien in geval van overlijden van de werknemer, ongeacht of dit tijdens dan wel na zijn beroepsleven intreedt.
52. In het normale geval van artikel 2, lid 1, sub a, is de wezenlijke voorwaarde voor het verkrijgen van het recht om verblijf te houden, een zekere mate van verworteling in de lidstaat van ontvangst, die tot uitdrukking komt door er gedurende een periode van drie jaar voortdurend te hebben gewoond en er gedurende een periode van twaalf maanden voorafgaande aan de arbeidsbeëindiging vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een betrekking te hebben vervuld. Zodra aan deze voorwaarden is voldaan, beschikt de persoon op wie het recht van verblijf van toepassing is, overeenkomstig artikel 5 van de verordening over een termijn van twee jaar om dit recht uit te oefenen, zonder dat een periode van afwezigheid uit het grondgebied van die lidstaat het betrokken recht kan aantasten.
53. In tegenstelling tot het pensioen, normale en te voorziene beëindiging van het beroepsleven", dat wordt beheerst door artikel 2, lid 1, sub a, is in het geval van arbeidsongeschiktheid die een voortijdige en niet te voorziene arbeidsbeëindiging met zich brengt", al een periode van twee jaar bij voortduring wonen in de zin van de eerste volzin van artikel 2, lid 1, sub b, voldoende om het recht van verblijf te verwerven. Ook in zulke gevallen beschikt de persoon op wie het recht van verblijf van toepassing is, overeenkomstig artikel 5 over een termijn van twee jaar waarin hij moet beslissen waar hij zijn woonplaats blijvend zal vestigen. In geval van een dergelijke onvoorziene beëindiging van het beroepsleven acht de gemeenschapswetgever een periode van twee jaar bij voortduring wonen een constitutieve voorwaarde voor het recht van verblijf. In dergelijke omstandigheden is volgens de verordening de verworteling in de lidstaat van tewerkstelling van de betrokkene als gevolg van het feit dat hij er gedurende twee jaar bij voortduring heeft gewoond, voldoende.
54. De eerste volzin van artikel 2, lid 1, sub b, is parallel aan het eerste streepje van artikel 3, lid 2. Het overlijden van de werknemer tijdens zijn beroepsleven is evenzo een voortijdig en niet te voorzien einde aan dat beroepsleven. Net als de familieleden in de gevallen van de eerste volzin van artikel 2, lid 1, sub b, overeenkomstig artikel 3, lid 1, een beroep kunnen doen op het recht van verblijf dat is ontstaan nadat de werknemer twee jaar bij voortduring woonachtig is geweest, kunnen zij overeenkomstig het eerste streepje van artikel 3, lid 2, evenzeer een beroep doen op een eerdere periode van twee jaar bij voortduring woonachtig zijn van de werknemer. Overeenkomstig de opzet van de verordening worden de rechten van de familieleden bijgevolg afgeleid van de rechten van de werknemer.
55. Indien een periode van twee jaar bij voortduring woonachtig zijn bijgevolg in dergelijke gevallen voldoende is voor het verkrijgen van een rechtspositie, dan moet de termijn van twee jaar van artikel 5 van de verordening waarin het recht nog kan worden uitgeoefend, eveneens van toepassing zijn in deze gevallen. Pas na afloop van deze periode van twee jaar moet worden aangenomen dat het eenmaal verkregen recht van verblijf weer vervalt als gevolg van niet-uitoefening ervan.
56. Een afwezigheid van meer dan drie maanden als bedoeld in artikel 4 tast dientengevolge de verkrijging van het recht slechts aan voorzover deze het vereiste voortdurende" karakter van het verblijf onderbreekt. Als het recht eenmaal is verworven, is de termijn van twee jaar overeenkomstig artikel 5 van de verordening van toepassing.
57. Worden deze overwegingen toegepast op de onderhavige zaak, dan betekent dit dat Givane bij terugkeer in het Verenigd Koninkrijk met zijn familieleden in februari 1996 een beroep kon doen op het feit dat hij bij voortduring woonachtig was geweest van 1992 tot 1995. Dit is a fortiori het geval omdat hij vanwege zijn wonen en werken in het Verenigd Koninkrijk van 1992 tot 1995 (met uitzondering van vijf dagen afwezigheid die overeenkomstig artikel 4 geoorloofd waren), reeds had voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van het recht van verblijf overeenkomstig artikel 2, lid 1, sub a, van de verordening, dat direct leidt naar artikel 5 van de verordening, ingevolge hetwelk een afwezigheid uit de lidstaat gedurende een termijn van maximaal twee jaar de uitoefening van het recht op verblijf niet aantast.
58. Zo gezien kan worden aangenomen dat Givane op het ogenblik van zijn overlijden had voldaan aan het vereiste van een periode van twee jaar bij voortduring woonachtig zijn.
59. Ongeacht de eerdere perioden van verblijf zou het vereiste evenwel ook kunnen worden geacht te zijn vervuld op basis van de hiernavolgende overweging, die uitdrukkelijk slechts subsidiair wordt aangevoerd. Gezien de onderbrekingen van het verblijf van maximaal drie maanden per jaar die overeenkomstig artikel 4 van de verordening het voortdurend karakter niet aantasten, behoeft de werknemer van een totale periode van 24 maanden slechts ten minste 18 maanden te verblijven in de lidstaat waarin hij zijn betrekking vervult. De verworteling in de lidstaat waarin hij zijn betrekking vervult, die wordt vereist voor het verkrijgen van het recht van verblijf, kan volgens de verordening ook in deze omstandigheden ontstaan. Indien de toegestane periode van afwezigheid fictief werd opgeteld bij de tweede periode van bijna 21 maanden gedurende welke Givane vóór zijn overlijden bij voortduring woonachtig is geweest, dan zou hij ook onmiddellijk voorafgaand aan zijn overlijden in het Verenigd Koninkrijk bij voortduring woonachtig zijn geweest gedurende een periode die recht op verblijf gaf.
60. Deze overwegingen kunnen echter worden gelaten voor wat ze zijn, aangezien Givane volgens bovenstaande zienswijze een beroep kon doen op zijn eerdere verblijfsperiode, die hem op zich een verworven recht gaf in de zin van de verordening.
61. Aangezien het recht van de familieleden om verblijf te houden een afgeleid recht is, is het niet noodzakelijk dat de familieleden gedurende de gehele periode op basis waarvan de werknemer zijn recht heeft verworven, bij hem hebben gewoond. Voor het verkrijgen van hun eigen recht als gevolg van het overlijden van de werknemer van wie hun recht is afgeleid - overeenkomstig zowel de tweede volzin van artikel 3, lid 1, als het eerste streepje van artikel 3, lid 2 - betekent dit dat de familieleden in ieder geval op het ogenblik van overlijden bij hem moesten wonen. In het hoofdgeding lijkt niet te worden betwist dat aan deze voorwaarde is voldaan.
62. Ook het tweede streepje van artikel 3, lid 2, pleit ervoor dat het, anders dan de Commissie stelt, niet aankomt op eigen minimale verblijfsperioden van de familieleden. Is de werknemer overleden als gevolg van een arbeidsongeval of een beroepsziekte, dan hebben de familieleden het recht om in de lidstaat van tewerkstelling te verblijven, ongeacht welke minimale perioden van verblijf dan ook.
63. Bovendien lijkt het redelijk om alleen van de werknemer een minimale verblijfsperiode te verlangen, aangezien hij op die manier in staat is eerst een zekere rechtspositie te verwerven met het oog op het latere recht om verblijf te houden, voordat hij zijn familieleden laat overkomen.
64. De overkomst van familieleden heeft meestal aanzienlijke veranderingen voor die familieleden tot gevolg, zoals het verlaten van hun geboorteland en sociale omgeving, het opgeven van de woning waaraan zij gewend waren, het veranderen van school bij schoolgaande kinderen, het creëren van redelijke woon- en leefomstandigheden in de lidstaat van ontvangst, etc. Het lijkt daarom volkomen gerechtvaardigd dat - wanneer de werknemer al een zekere rechtspositie heeft verworven - de familieleden die deze stap hebben genomen, in de lidstaat van ontvangst niet geconfronteerd worden met een periode van rechtsonzekerheid ten aanzien van hun verblijfsrecht. Dit geldt vooral wanneer de werknemer overlijdt, aangezien dit vaak genoeg een niet te voorziene slag van het noodlot is voor de familieleden.
65. Het onderscheid tussen het eerste en het tweede streepje van artikel 3, lid 2, lijkt bijgevolg willekeurig. Het kan evenwel waarschijnlijk worden verklaard door het feit dat ingeval de werknemer is overleden ten gevolge van een arbeidsongeval of beroepsziekte, de reden voor verblijf in een andere lidstaat, namelijk het vervullen van een betrekking, de oorzaak van het overlijden wordt. Onder deze omstandigheden lijkt het onbillijk om de familieleden het recht op voortgezet verblijf te ontzeggen. Die bepaling laat zien dat aan de verordening billijkheidsoverwegingen ten grondslag liggen die de vereisten van bepaalde termijnen of verworteling relativeren. Dit is te meer het geval wanneer een billijkheidsregeling niet alleen op een enkele grond, maar ook uit hoofde van verschillende afzonderlijke overwegingen gerechtvaardigd lijkt. Dit standpunt wordt gestaafd door het feit dat het overeenkomstig artikel 4 mogelijk is gedurende maximaal drie maanden per jaar afwezig te zijn uit de lidstaat van ontvangst - en voor het vervullen van militaire dienst zelfs langer - zonder dat dit de verblijfsperiode aantast.
66. Het bovenstaande in aanmerking genomen, stel ik voor dat de eerste vraag als volgt wordt beantwoord. Artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1251/70 vereist niet noodzakelijkerwijs dat de periode van twee jaar bij voortduring woonachtig zijn onmiddellijk aan het overlijden van de werknemer voorafgaat, wanneer en voorzover de werknemer zich kan beroepen op een eerdere periode van twee jaar bij voortduring woonachtig zijn als bedoeld in de verordening en deze rechtspositie naar analogie van het bepaalde in artikel 5 niet weer is tenietgegaan ten gevolge van een periode van afwezigheid van meer dan twee jaar uit de lidstaat waar de betrekking is vervuld.
67. De antwoorden op de tweede tot en met de vijfde prejudiciële vraag volgen logischerwijze uit het voorgestelde antwoord op de eerste vraag.
De tweede vraag
68. De rechten die een werknemer heeft verkregen door een tweejarig verblijf, blijven behouden in het geval van perioden van afwezigheid uit de lidstaat van ontvangst van langer dan de jaarlijks toegestane drie maanden als bedoeld in artikel 4, lid 1, wanneer zij naar analogie van het bepaalde in artikel 5 niet langer duren dan twee jaar.
De derde vraag
69. Voor het behoud van het recht dat uit vroegere perioden van voortdurend wonen voortvloeit, geldt in het geval van latere onderbrekingen daarvan een termijn van twee jaar.
De vierde vraag
70. De rechten die uit vroegere perioden van wonen zijn verkregen, vervallen bij onderbrekingen van de verblijfsperiode van meer dan twee jaar.
De vijfde vraag
71. De familieleden van de overleden werknemer kunnen rechten uit hoofde van artikel 3, lid 2, doen gelden, wanneer de werknemer een zekere rechtspositie heeft verkregen door ten minste gedurende een periode van twee jaar bij voortduring woonachtig te zijn geweest en hij deze rechtspositie niet is kwijtgeraakt ten gevolge van een onderbreking van die periode van meer dan twee jaar.
VII - Conclusie
72. Ik stel voor de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
1) Artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1251/70 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een lidstaat na er een betrekking te hebben vervuld, vereist niet noodzakelijkerwijs dat de periode van twee jaar bij voortduring woonachtig zijn onmiddellijk aan het overlijden van de werknemer voorafgaat, wanneer en voorzover de werknemer zich kan beroepen op een eerdere periode van twee jaar bij voortduring woonachtig zijn als bedoeld in de verordening en deze rechtspositie niet is tenietgegaan ten gevolge van een periode van afwezigheid van meer dan twee jaar uit de lidstaat waar de betrekking is vervuld.
2) De rechten die een werknemer heeft verkregen door een tweejarig verblijf, blijven behouden in het geval van perioden van afwezigheid uit de lidstaat van ontvangst van langer dan de in artikel 4, lid 1, vastgestelde periode van drie maanden (hetgeen in geval van een zekere rechtspositie alleen leidt tot een onderbreking van het bij voortduring woonachtig zijn in die lidstaat van ontvangst), wanneer zij naar analogie van het bepaalde in artikel 5 niet langer duren dan twee jaar.
3) Voor het behoud van het recht dat uit vroegere perioden van voortdurend wonen voortvloeit, geldt in het geval van latere onderbrekingen daarvan een termijn van twee jaar.
4) De rechten die uit vroegere perioden van wonen zijn verkregen, vervallen bij onderbrekingen van de verblijfsperiode van meer dan twee jaar.
5) De familieleden van de overleden werknemer kunnen rechten uit hoofde van artikel 3, lid 2, doen gelden, wanneer de werknemer een zekere rechtspositie heeft verkregen door ten minste gedurende een periode van twee jaar bij voortduring woonachtig te zijn geweest en hij deze rechtspositie niet is kwijtgeraakt ten gevolge van een onderbreking van die periode van meer dan twee jaar."
Full & Egal Universal Law Academy