CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 17 januari 2002 ( 1 )
1.
In deze zaak vraagt de Commissie het Hof krachtens artikel 226 EG, vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 4, lid 1, en 6, lid 1, van richtlijn 76/160/EEG van de Raad van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater. ( 2 )
2.
Deze richtlijn beoogt het milieu en de volksgezondheid te beschermen door middel van maatregelen om de verontreiniging van het zwemwater terug te dringen en verdere kwaliteitsvermindering van dat water tegen te gaan.
3.
Artikel 4, lid 1, van de richtlijn luidt:
„
De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat de kwaliteit van het zwemwater in overeenstemming wordt gebracht met de ingevolge artikel 3 vastgestelde grenswaarden en wel binnen een termijn van tien jaar nadat van deze richtlijn kennis is gegeven.” Op 10 december 1975 is van de richtlijn kennis gegeven, zodat deze termijn op 10 december 1985 is verstreken.
4.
Artikel 6, lid 1, bepaalt:
„De bevoegde instanties van de lidstaten verrichten de bemonstering waarvan de minimumfrequentie is vastgesteld in de bijlage.” Ingevolge artikel 12, lid 1, diende binnen een termijn van twee jaar na kennisgeving van de richtlijn met die bemonstering te worden begonnen.
5.
In haar verzoekschrift stelt de Commissie dat Nederland de krachtens de artikelen 4, lid 1, en 6, lid 1, van de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, hetgeen zou blijken uit haar rapport voor het seizoen 1999: 0,7 % van de binnenwateren (vier van de 528 badzones) was onvoldoende bemonsterd en 8 % van de binnenwateren voldeed niet aan de minimumgrenswaarden.
6.
Nederland erkent dat het op de door de Commissie genoemde punten niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. In zijn verweerschrift gaat het in op de redenen voor eerdere schendingen (in 1996, 1997 en 1998), op de maatregelen die inmiddels zijn genomen om nieuwe schendingen te voorkomen en op de bemonsteringsfrequentie en de kwaliteit van het zwemwater in het badseizoen 1999. Volgens de Nederlandse regering blijkt uit de resultaten van de bemonstering van het badseizoen 1999, dat een aanzienlijke verbetering is gerealiseerd ten opzichte van voorgaande jaren en dat de onvoldoende bemonsteringsfrequentie in vier badzones te wijten was aan een menselijke fout. Dat 8 % van de binnenwateren niet aan de minimumgrenswaarden voldoet betekent weliswaar een stijging ten opzichte van 1998, maar dit is in de helft van de gevallen waarschijnlijk te wijten aan foutief uitgevoerde analyses, en in de overige gevallen aan specifieke redenen. Concluderend erkent Nederland dat het de krachtens de artikelen 4, lid I, en 6, lid 1, van de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Conclusie
7.
Ik geef het Hof daarom in overweging:
1)
vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden niet de verplichtingen is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 4, lid 1, en 6, lid 1, van richtlijn 76/160/EEG van de Raad van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater;
2)
het Koninkrijk der Nederlanden te verwijzen in de kosten.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 2 ) PB 1976 L 31, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy