Conclusie van de advocaat generaal
1. Mevrouw Odette Simon heeft hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 mei 2000, waarbij haar beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie houdende afwijzing van haar verzoek om regularisering van haar administratieve situatie en tot toekenning van één euro als symbolische vergoeding van immateriële schade, is verworpen.
2. Waar het Simon in wezen om gaat, is een nieuwe kwalificatie, met terugwerkende kracht, van haar status als werkneemster gedurende het tijdvak van mei 1966 tot oktober 1995. Al die tijd (met uitzondering van twee korte periodes in 1993 en 1994) was Simon formeel in dienst van een reeks zelfstandige organisaties waarmee de Commissie - aanvankelijk haar voorgangster, de Hoge Autoriteit van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal - successievelijk contracten had gesloten voor de coördinatie en de verspreiding, in de betrokken nationale industrieën, van de resultaten van de studies van verschillende wetenschappelijke deskundigen in het kader van de door de Commissie krachtens artikel 55 van het EGKS-Verdrag (hierna: artikel 55 KS") uitgevoerde vijfjarenprogramma's van ergonomisch onderzoek voor de steenkool- en staalindustrieën. Simon stelt, dat zij in werkelijkheid in dienst van de Commissie was en dat zij moet worden geacht gedurende de gehele betrokken periode tijdelijk functionaris van de Gemeenschappen te zijn geweest.
De achtergrond van het bestreden arrest
3. Artikel 55 KS verplicht de Commissie het technisch en economisch onderzoek met betrekking tot de productie en de ontwikkeling van het verbruik van kolen en staal, alsmede de bedrijfsveiligheid in deze industrieën, te bevorderen en daartoe alle passende contacten tussen bestaande onderzoeksinstellingen tot stand te brengen.
4. In het kader van haar vijfjarenprogramma's van ergonomisch onderzoek voor de kolen- en staalindustrieën belastte de Commissie tot 1995 steeds diverse zelfstandige organisaties met de coördinatie en verspreiding, onder de belanghebbende nationale industrieën, van de resultaten van de verrichte onderzoeken.
5. Die organisaties, door de partijen en in het arrest van het Gerecht van eerste aanleg aangeduid als organismes de tutelle" (toezichthoudende organisaties"), moesten krachtens hun contract met de Commissie zowel consultants leveren met deskundigheid op het op een gegeven moment onderzochte gebied als personeel voor het overkoepelende Bureau de l'action communautaire ergonomique" (Bureau communautaire acties voor ergonomisch onderzoek"; hierna: het Bureau"), dat de dagelijkse logistieke ondersteuning bij de opeenvolgende onderzoeksopdrachten verleende.
6. Blijkens het bestreden arrest was Simon, die van 1957 tot 1960 gemeenschapsambtenaar in categorie C was geweest, van 1966 tot 1993 in Luxemburg werkzaam bij diverse firma's die met de Commissie contracten als hiervoor beschreven hadden. Van 1966 tot 1980 was zij achtereenvolgens in dienst van de Société des sciences médicales, de Ligue luxembourgeoise contre la tuberculose, de Société d'ergonomie de langue française en de Gesellschaft für Arbeitswissenschaft. Vanaf 1980 was de toezichthoudende organisatie waarvoor zij werkzaam was, de Gesellschaft für Sicherheitswissenschaft (hierna: GFS"). Van 1 maart 1993 tot 14 januari 1994 en nogmaals van 1 juli tot 30 november 1994 was Simon rechtstreeks aangesteld door de Commissie op een overeenkomst voor bepaalde duur naar Luxemburgs recht. Bij een nieuw contract tussen de Commissie en GFS voor de periode van 1 december 1994 tot 31 augustus 1995 werd GFS belast met de coördinatie en verspreiding van de onderzoeksresultaten van het Zesde programma voor ergonomisch onderzoek. Simon werd toen weer door GFS tewerkgesteld voor de duur van het contract met de Commissie. Toen dit contract tot 25 oktober 1995 werd verlengd, liep ook Simon's aanstelling tot die datum door. Op 25 oktober eindigde het contract van GFS met de Commissie definitief en daarmee ook Simon's contract met GFS.
7. Op 16 januari 1996 stelde Simon bij het Tribunal du travail (arbeidsrechtbank) te Luxemburg een vordering wegens onrechtmatig ontslag in tegen GFS en haar directeur. Bij brief van 28 juni 1996 verzocht Simon de Commissie krachtens artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut, haar werkzaamheid vanaf 1966 te kwalificeren als werkzaamheid van een tijdelijk functionaris van de Gemeenschappen. Ter rechtvaardiging van dit verzoek voerde Simon aan, dat de arbeidsovereenkomsten tussen haar en de toezichthoudende organisaties uitsluitend tot doel hadden te ontkomen aan de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: Regeling andere personeelsleden"). Simon verzocht tevens om een vergoeding van één euro voor de schade die de Commissie door schending van haar zorgplicht jegens haar had veroorzaakt.
8. De regeling waarop Simon doelt, geldt voor alle personeelsleden die door de Gemeenschappen op een overeenkomst zijn aangesteld, dat wil zeggen tijdelijke functionarissen, hulpfunctionarissen, plaatselijke functionarissen en bijzondere adviseurs. Artikel 90 Ambtenarenstatuut is op overeenkomstige wijze op hen van toepassing.
9. Artikel 90 Ambtenarenstatuut bepaalt:
1. Iedere in dit Statuut bedoelde persoon kan bij het tot aanstelling bevoegde gezag een verzoek indienen om jegens hem een besluit te nemen. Het gezag brengt zijn met redenen omklede besluit binnen vier maanden, te rekenen vanaf de dag van indiening van dit verzoek, ter kennis van de betrokkene. Is bij het verstrijken van deze termijn een antwoord op het verzoek uitgebleven, dan geldt dit als een stilzwijgend besluit tot afwijzing, waartegen een klacht in de zin van het volgende lid kan worden ingediend.
2. Iedere in dit Statuut bedoelde persoon kan bij het tot aanstelling bevoegde gezag een klacht indienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht, hetzij omdat dit gezag een besluit heeft genomen, dan wel omdat het geen, bij het Statuut verplichte maatregel heeft genomen. De klacht moet binnen een termijn van drie maanden worden ingediend [...]"
10. Deze termijn gaat in op de dag van bekendmaking van het besluit, indien het een maatregel van algemene aard betreft, dan wel op de dag waarop het besluit ter kennis wordt gebracht van degene tot wie het gericht is, dan wel op de dag waarop de antwoordtermijn verstrijkt, indien de klacht betrekking heeft op een stilzwijgend besluit tot afwijzing van een krachtens artikel 90, lid 1, ingediend verzoek.
11. Toen antwoord van de Commissie uitbleef, diende Simon op 2 december 1996 krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in tegen het stilzwijgend besluit tot afwijzing van haar verzoek.
12. Bij besluit van 2 april 1997, op 8 april daaraanvolgend ter kennis van Simon gebracht, wees de Commissie de klacht af.
13. Op 12 maart 1997 verklaarde de Luxemburgse arbeidsrechtbank Simon's vordering niet-ontvankelijk, omdat zij niet had aangetoond dat zij in dienst van GFS of haar directeur was.
De procedure voor het Gerecht van eerste aanleg
14. Op 11 juni 1997 stelde Simon bij het Gerecht van eerste aanleg beroep in tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 2 april 1997 en tot veroordeling van de Commissie tot betaling van één euro ter vergoeding van haar morele schade en wegens schending door de Commissie van haar zorgplicht jegens verzoekster.
15. Simon verweet de Commissie misbruik van bevoegdheid en van procedure. Zij beriep zich daarvoor op de arresten Mulfinger en Deshormes, volgens welke de Gemeenschap onrechtmatig handelt wanneer zij gebruik maakt van arbeidsovereenkomsten naar nationaal recht met de bedoeling daardoor te ontkomen aan de toepassing van het Ambtenarenstatuut of de Regeling andere personeelsleden.
16. Om aan te tonen dat haar werkzaamheden vaste taken in het kader van de Europese openbare dienst in de zin van die rechtspraak waren, voerde Simon de volgende argumenten aan:
a) zij had haar taak steeds verricht onder het rechtstreeks gezag van de ambtenaren van de Commissie, die bij het directoraat-generaal Sociale Zaken met de programma's van ergonomisch onderzoek waren belast;
b) zij had door haar werkzaamheid bijgedragen tot verwezenlijking van een van de door het EGKS-Verdrag aan de Commissie opgelegde doelstellingen, namelijk de bedrijfsveiligheid in de steenkool- en staalindustrieën en het daartoe organiseren van samenwerking tussen bestaande onderzoeksinstellingen;
c) uit haar - door de Commissie eenzijdig vastgestelde - bezoldiging bleek dat haar werkzaamheden overeenkwamen met die van een ambtenaar van de rang A 5.
Het bestreden arrest
17. Het Gerecht van eerste aanleg (alleensprekende rechter) heeft het beroep verworpen.
18. Het Gerecht merkte op, dat de Regeling andere personeelsleden ingevolge haar artikel 1 van toepassing is op ieder personeelslid dat op grond van een overeenkomst door de Gemeenschappen is aangesteld". Volgens artikel 6 bepaalt iedere instelling, welke gezagsorganen bevoegd zijn de in artikel 1 bedoelde overeenkomsten te sluiten. Gelet op de rechtspraak van het Hof volgt hieruit, dat iemand die niet door een gemeenschapsinstelling tewerk is gesteld, maar door een rechtspersoon naar het recht van een lidstaat die geen gezagsorgaan van de betrokken instelling is, niet als personeelslid van de Gemeenschappen kan worden beschouwd. Simon verrichtte haar werkzaamheden op basis van arbeids- of dienstverrichtingsovereenkomsten met de betrokken toezichthoudende organisaties; deze organisaties waren rechtspersonen naar Duits of Luxemburgs recht en de overeenkomsten met Simon werden door Luxemburgs recht beheerst. Het Gerecht kwam dan ook tot de slotsom, dat Simon van 1966 tot 1993 en van 1 december 1994 tot 25 oktober 1995 een arbeidsbetrekking met die verschillende organisaties had gehad en niet met de Commissie.
19. Het Gerecht verwierp verzoeksters betoog, dat zij op aanwijzing van de Commissie was aangesteld en dat haar bezoldiging door de Commissie was bepaald. In de eerste plaats stelde het vast, dat de overeenkomsten tussen Simon en de toezichthoudende organisaties door de Commissie alleen maar moesten worden goedgekeurd, wat volgens de rechtspraak van het Hof niet eraan in de weg stond, dat de andere contractpartij en niet een gemeenschapsinstelling haar werkgever was. In de tweede plaats stelde het Gerecht vast, dat Simon's bezoldiging niet door de Commissie was bepaald, doch enkel door haar moest worden goedgekeurd. Het verwierp ook de argumenten met betrekking tot de overeenkomsten tussen Simon's aanstelling en die van een tijdelijk functionaris van de Commissie en met betrekking tot het vonnis van de Luxemburgse arbeidsrechtbank.
20. Tenslotte overwoog het Gerecht, dat de arresten Mulfinger en Deshormes niet relevant waren voor het verwijt van misbruik van bevoegdheid, daar het in die zaken ging om overeenkomsten tussen een personeelslid en de Commissie zelf. Daar de Commissie geen partij was bij Simon's arbeidsovereenkomsten, kon zij niet aansprakelijk zijn voor een mogelijk misbruik van bevoegdheid of procedure in verband daarmee.
21. Het Gerecht verwierp bijgevolg het beroep tot nietigverklaring.
De hogere voorziening
22. In de hogere voorziening concludeert Simon dat het den Hove behage:
- het arrest van het Gerecht van eerste aanleg te vernietigen;
- het besluit van de Commissie van 2 april 1997 nietig te verklaren;
- te verstaan dat de diensten, door haar tussen 15 mei 1966 en 25 oktober 1995 verricht, moeten worden geacht door een tijdelijk functionaris van de Commissie te zijn verricht;
- de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure voor beide instanties.
23. De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
- de hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren, doordat zij de feitelijke vaststellingen van het Gerecht van eerste aanleg in twijfel trekt en het Hof verzoekt om een verklaring die dit in hogere voorziening niet bevoegd is te geven en die hoe dan ook niet voor het Gerecht van eerste aanleg was gevorderd;
- subsidiair, de hogere voorziening af te wijzen;
- meer subsidiair, voor het geval het Hof het onmogelijke zou beslissen" en het arrest van het Gerecht zou vernietigen, de zaak naar het Gerecht te verwijzen;
- rekwirante in de kosten te verwijzen.
Argumenten van partijen
24. Blijkens het verzoekschrift in hogere voorziening - maar helemaal duidelijk is dit niet -, voert Simon twee hoofdargumenten aan die volgens haar aantonen, dat de vaststelling van het Gerecht dat de Commissie haar bevoegdheid niet heeft misbruikt, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en vernietigd moet worden.
25. In de eerste plaats stelt zij, dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door haar argument inzake misbruik van bevoegdheid te verwerpen op de grond dat zij haar werkzaamheden heeft verricht krachtens overeenkomsten met derden. Het Gerecht had juist moeten onderzoeken, of de contracten tussen de Commissie en de successieve toezichthoudende organisaties wettig waren.
26. Daartoe had het Gerecht moeten nagaan, wat de Commissie nu eigenlijk beoogde toen zij het officiële beheer van het Bureau opdroeg aan toezichthoudende organisaties die geen erkende bijzondere bekwaamheid bezaten in het managen van gemeenschapsprogramma's of op de betrokken terreinen van onderzoek. De toezichthoudende organisaties waren, zoals hun benaming suggereert, enkel bedoeld om toezicht te houden op een eenheid die in werkelijkheid door hoge gemeenschapsambtenaren werd georganiseerd en geleid, teneinde de Commissie in staat te stellen haar verplichtingen krachtens artikel 55 KS te vervullen. Het Gerecht had echter niet alle hem voorgelegde gegevens onderzocht om vast te stellen, of zij voldoende objectieve, ter zake dienende en onderling samenhangende aanwijzingen bevatten waaruit bleek, dat de Commissie de toezichthoudende organisaties uitsluitend gebruikte om het Bureau en in het bijzonder de salarissen van het daar aangestelde personeel te financieren, en niet, zoals de Commissie stelde, om de haar bij artikel 55 KS opgelegde voorlichtings- en coördinatietaken te vervullen. Evenmin had het Gerecht de argumenten van de Commissie, waarmee deze haar bemoeienis met het administratieve en financiële beheer van het Bureau trachtte te rechtvaardigen, correct beoordeeld.
27. Bovendien had het Gerecht moeten ingaan op de taken die de toezichthoudende organisaties ten behoeve van de Commissie verrichtten, te weten de financiële verantwoordelijkheid voor het beheer van het Bureau binnen de grenzen van de door de Commissie ter beschikking gestelde kredieten en de verplichting een directeur van het Bureau met ten hoogste twee assistenten aan te stellen.
28. In de tweede plaats had het Gerecht moeten onderzoeken, wat de aard was van de betrekkingen tussen Simon enerzijds en a) de toezichthoudende organisaties en b) de Commissie anderzijds. In het bijzonder had het moeten nagaan, of de echte betrekking werkgever/werknemer er een was tussen haar en de toezichthoudende organisaties dan wel tussen haar en de Commissie, en of haar werkzaamheden onder de definitie vielen van vaste taken van de communautaire openbare dienst, die de Verdragen aan de instellingen opdragen.
29. De Commissie betoogt, dat een middel waarmee wordt opgekomen tegen de feitelijke vaststelling dat geen misbruik van bevoegdheid is aangetoond, niet-ontvankelijk is. Ofschoon het Gerecht verplicht is alle voor hem aangevoerde middelen te behandelen, hoeft het niet apart in te gaan op elk feitelijk punt van de bewijsvoering. Uit het bestreden arrest blijkt duidelijk, dat het Gerecht het middel van misbruik van bevoegdheid zorgvuldig in het licht van het bewijsmateriaal als geheel heeft onderzocht. Het Gerecht kon dus volstaan met de uitgebreide en duidelijke uiteenzetting in de punten 43 tot en met 51 van zijn arrest, waarom het dat middel afwees.
De ontvankelijkheid
30. Artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG bepaalt, dat de hogere voorziening alleen rechtsvragen kan betreffen en gebaseerd moet zijn op, onder meer, schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht.
31. Volgens artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet de hogere voorziening strekken tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van het Gerecht en gehele of gedeeltelijke toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde; nieuwe conclusies zijn daarbij niet toegelaten en het voorwerp van het geding voor het Gerecht mag in hogere voorziening niet worden gewijzigd.
32. Voor het Gerecht vorderde Simon a) nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 2 april 1997, b) betaling van een symbolische schadevergoeding van één euro, en c) verwijzing van de Commissie in de kosten.
33. In hogere voorziening vordert zij a) vernietiging van het arrest van het Gerecht, b) nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 2 april 1997, c) verklaring voor recht, dat de diensten, door haar tussen 15 mei 1966 en 25 oktober 1995 verricht, moeten worden geacht door een tijdelijk functionaris van de Commissie te zijn verricht, en d) verwijzing van de Commissie in de kosten.
34. Het betoog van de Commissie, dat de conclusie inzake de onder c) bedoelde verklaring niet-ontvankelijk is, is mijn inziens juist, omdat die verklaring voor het Gerecht niet is gevorderd.
35. De Commissie betoogt voorts, dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk is, omdat zij tegen de feitelijke vaststellingen van het Gerecht is gericht.
36. Het is juist, dat het Hof zich in hogere voorziening niet met de feitelijke beoordelingen van het Gerecht mag bezighouden. Er bestaat echter een subtiel onderscheid tussen, enerzijds, toetsing van feitelijke vaststellingen en, anderzijds, toetsing van de vraag of het Gerecht het bewijs juist heeft gewaardeerd, de feiten juridisch correct heeft gekwalificeerd en er de juiste rechtsgevolgen aan heeft verbonden. Dit laatste behoort tot de bevoegdheid van het Hof in hogere voorziening.
37. Ik meen dan ook, dat de hogere voorziening in principe ontvankelijk is, in zoverre zij strekt tot vernietiging van het arrest van het Gerecht en tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 2 april 1997.
Ten gronde
38. Simon's eerste middel houdt in, dat het Gerecht de wettigheid van de contracten tussen de Commissie en de opeenvolgende toezichthoudende organisaties had moeten onderzoeken. In het bijzonder had het moeten nagaan, wat de Commissie eigenlijk met het gebruik van die organisaties beoogde en welke taken deze in feite verrichtten.
39. Uit haar verzoekschrift in eerste aanleg blijkt - ook al is de precieze bedoeling van de conclusies helaas niet helemaal duidelijk -, dat Simon's voornaamste bezwaar daar was, dat de overeenkomsten tussen haar en de toezichthoudende organisaties, aangeduid als arbeids- en dienstverrichtingsovereenkomsten, onwettig waren. Daarentegen wordt nergens gesteld, dat de contracten tussen de Commissie en de toezichthoudende organisaties onwettig waren. Ik vind het dan ook volstrekt begrijpelijk, dat het Gerecht ervan is uitgegaan, dat het beroep betrekking had op de wettigheid van de overeenkomsten tussen Simon en de toezichthoudende organisaties.
40. In zijn arrest heeft het Gerecht Simon's argument besproken, dat de gemeenschapsinstellingen onrechtmatig handelen wanneer zij arbeids- of dienstverrichtingsovereenkomsten naar nationaal recht afsluiten niet omdat het dienstbelang dat vergt, maar om te ontkomen aan de toepassing van het Ambtenarenstatuut of de Regeling andere personeelsleden. Het ging uitvoerig op dit argument in, waarbij het erop wees dat de Commissie zich volgens de rechtspraak van het Hof schuldig maakt aan misbruik van procedure, wanneer zij de aanstellingsvoorwaarden van een personeelslid vastlegt in een overeenkomst naar nationaal recht niet met het oog op het belang van de dienst, maar om aan de toepassing van de Regeling andere personeelsleden te ontkomen. Vervolgens stelde het Gerecht - naar mijn mening terecht - vast, dat die rechtspraak in het onderhavige geval niet van toepassing was, juist omdat de Commissie geen partij bij de overeenkomsten was en haar bevoegdheid dus niet in samenhang daarmee kon hebben misbruikt.
41. Aangezien het argument dat het gebruik van de toezichthoudende organisaties door de Commissie onwettig was, voor het Gerecht niet afzonderlijk was aangevoerd, behoeft het niet te verbazen dat het Gerecht dit punt niet heeft onderzocht. Omdat dit argument voor het eerst voor het Hof is aangevoerd en ingevolge het Reglement voor de procesvoering van het Hof het voorwerp van het geding in hogere voorzienig niet mag worden gewijzigd, dient Simon's eerste middel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
42. Simon's tweede middel houdt in, dat het Gerecht de aard van de betrekkingen tussen haar en de toezichthoudende organisaties respectievelijk de Commissie had moeten onderzoeken. Het lijkt mij echter, dat het Gerecht dat in de punten 43 en 44 van zijn arrest wel degelijk zorgvuldig heeft onderzocht en bovendien terecht heeft geoordeeld, dat het antwoord op dat middel te vinden was in het arrest Salerno. Dit tweede middel van Simon is derhalve ongegrond.
43. Maar zelfs indien het Hof van mening zou zijn, dat het arrest van het Gerecht op een van de door Simon aangevoerde gronden gebreken vertoont, behoeft dat niet noodzakelijkerwijs tot vernietiging ervan te leiden.
44. Simon stelt immers te zijn benadeeld door het feit dat zij van mei 1966 tot oktober 1995 door een reeks toezichthoudende organisaties op opeenvolgende arbeids- of dienstverrichtingsovereenkomsten tewerk was gesteld, terwijl de Commissie haar een aanstelling als tijdelijk functionaris had dienen te geven. Naar uit het dossier blijkt, heeft zij zich hier voor het eerst in juni 1996 bij de Commissie over beklaagd. Hoewel er geen termijn is bepaald voor een verzoek om een besluit in de zin van artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut, verlangt artikel 90, lid 2, dat een klacht tegen een bezwarend besluit binnen drie maanden moet worden ingediend. Misschien zou het Hof ambtshalve kunnen of moeten onderzoeken, of Simon nog tegen een reeks arbeidsovereenkomsten kan opkomen die tot meer dan 30 jaar vóór de klacht teruggaan. Ik moge er hier aan herinneren, dat het Gerecht onlangs het beroep heeft afgewezen van twee hulpfunctionarissen van de Commissie die met terugwerkende kracht het statuut van tijdelijke functionaris wensten te verkrijgen, op grond van de overweging dat de beroepen niet binnen drie maanden na het ontstaan van de contractuele betrekkingen met de Commissie waren ingesteld en derhalve tardief waren.
45. Ten slotte wil ik erop wijzen, dat hoewel haar advocaat ter terechtzitting rechtstreeks daarnaar is gevraagd, het niet duidelijk is welk voordeel Simon bij nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 2 april 1997 denkt te hebben.
46. Zelfs indien de Commissie zou besluiten dat Simon voor de betrokken periode het statuut van tijdelijk functionaris moet worden toegekend, welke praktische consequenties zou dat besluit dan voor Simon hebben? Zij beweert niet, dat zij als tijdelijk functionaris meer salaris zou hebben gekregen; als argument voor haar erkenning als tijdelijk functionaris voert zij juist aan, dat haar bezoldiging overeenkwam met die van een Commissie-ambtenaar van de rang A 5. Het gaat haar evenmin om een financiële compensatie; weliswaar heeft zij voor het Gerecht schadevergoeding gevorderd, maar uitsluitend tot een symbolisch bedrag van één euro, en tegen de afwijzing van die vordering door het Gerecht is zij in hogere voorziening niet opgekomen. Verder is ter terechtzitting verklaard, dat Simon gedurende de periode in geding bijdragen aan de Luxemburgse sociale-zekerheidsorganen heeft betaald, en men mag aannemen dat zij uit dien hoofde recht heeft op sociale-zekerheidsuitkeringen, daaronder begrepen een pensioen. Zelfs indien Simon met terugwerkende kracht tot tijdelijk functionaris werd verklaard en in beginsel dus recht zou hebben op een pensioen- of ziektekostenverzekering overeenkomstig de gemeenschapsregeling, zou iedere aanspraak in de omstandigheden van dit geval reusachtige complicaties veroorzaken. Er zouden immers alsnog bijdragen voor de pensioen- en ziektekostenverzekering moeten worden betaald over tijdvakken waarin zij met betrekking tot die risico's al in Luxemburg verzekerd was.
Conclusie
47. Mitsdien geef ik het Hof in overweging
1) de hogere voorziening af te wijzen,
2) rekwirante in de kosten te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy