Conclusie van de advocaat generaal
1. De vennootschap Turbon International GmbH, voorheen Kores Nordic Deutschland (hierna: Turbon"), betwist voor het Hessische Finanzgericht (hierna: Finanzgericht") het besluit van de Duitse douaneautoriteiten, vertegenwoordigd door de Oberfinanzdirektion Koblenz (hierna: Oberfinanzdirektion"), om inktcartridges zonder geïntegreerde printkop, bestemd om in een inkt jet printer van het merk Epson Stylus Color te worden geplaatst, in te delen in post 3215 Drukinkt, schrijfinkt, tekeninkt en andere inktsoorten, ook indien geconcentreerd of in vaste vorm" van de gecombineerde nomenclatuur (hierna: GN"). Dit goed is samengesteld uit een inktcartridge (die zelf bestaat uit een rechthoekige kunststofbehuizing van ongeveer 2,7 x 6,4 x 4,2 cm, schuimstof, een metaalzeef, dichtingen, een zegelfolie en een etiket, met een totale waarde van ongeveer 4 DEM), inkt (ongeveer 35 ml) met een geschatte waarde van 0,35 DEM, alsmede verpakkingsmateriaal dat bestaat uit een kartonnen doosje met daarin een gesloten grijs zakje uit kunststof. Het kan enkel worden gebruikt in printers van het genoemde merk, aangezien de cartridge en de inkt speciaal voor dit type printer zijn ontworpen.
2. Volgens Turbon vallen deze cartridges namelijk onder post 8473 Delen en toebehoren (andere dan koffers, hoezen en dergelijke), waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor machines en toestellen bedoeld bij de posten 8469 tot en met 8472" van de GN, omdat zij een deel of een toebehoren vormen van een printer die, zoals onbetwist vaststaat, moet worden ingedeeld onder post 8471.
3. Van mening dat het geschil vragen van uitlegging van het gemeenschapsrecht opwerpt en dat het geboden is de eenvormigheid van dat recht te handhaven - met name gelet op de door andere lidstaten verstrekte bindende tariefinlichtingen - heeft het Finanzgericht bij beschikking van 21 februari 2000 besloten de behandeling van de zaak te schorsen en aan het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
Dient een compatibele inktcartridge die bestaat uit een inktcartridge (kunststofbehuizing, schuimstof, een metaalzeef, dichtingen, een zegelfolie en een etiket), inkt en verpakkingsmateriaal, en die zowel wat de inktcartridge als wat de inkt betreft, uitsluitend kan worden gebruikt in een printer van het merk Epson Stylus Color,
- als een met inkt gevuld wegwerppatroon (zonder geïntegreerde printkop) voor inkt jet printers te worden ingedeeld onder GN-code 3215 90 80,
of
- is deze compatibele inktcartridge een deel of een toebehoren van een printer die als wezenlijke eenheid van een gegevensverwerkingssysteem onder GN-post 8471 valt, zodat de cartridge onder GN-post 8473 moet worden ingedeeld?"
4. In de versie van de gecombineerde nomenclatuur die van kracht was ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, te weten die van verordening (EG) nr. 1734/96 van de Commissie van 9 september 1996 tot wijziging van bijlage I van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, luidde post 3215, opgenomen in hoofdstuk 32 (Looi- en verfextracten; looizuur (tannine) en derivaten daarvan; pigmenten en andere kleur- en verfstoffen; verf en vernis; mastiek; inkt") van afdeling VI, als volgt:
3215 Drukinkt, schrijfinkt, tekeninkt en andere inktsoorten, ook indien geconcentreerd of in vaste vorm:
- drukinkt:
3215 11 00 - - zwarte
3215 19 00 - - andere
3215 90 - andere:
3215 90 10 - - schrijfinkt en tekeninkt
3215 90 80 - - andere".
5. De posten 8471 en 8473, opgenomen in hoofdstuk 84 (Kernreactoren, stoomketels, machines, toestellen en mechanische werktuigen, alsmede delen daarvan") van afdeling XVI luidden als volgt:
8471 Automatische gegevensverwerkende machines en eenheden daarvoor; magnetische en optische lezers, machines voor het in gecodeerde vorm op dragers overzetten van gegevens en machines voor het verwerken van die gegevens, elders genoemd noch elders onder begrepen:
[...]
8471 60 - invoereenheden en uitvoereenheden, ook indien zij in dezelfde behuizing geheugeneenheden bevatten:
8471 60 10 - - bestemd voor burgerluchtvaartuigen [...]
- - andere:
8471 60 40 - - - afdrukeenheden
8471 60 50 - - - toetsenborden
8471 60 90 - - - andere
[...]
8473 Delen en toebehoren (andere dan koffers, hoezen en dergelijke), waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor machines en toestellen bedoeld bij de posten 8469 tot en met 8472:
[...]
8473 30 - delen en toebehoren van de machines bedoeld bij post 8471:
8473 30 10 - - elektronische assemblages
8473 30 90 - - andere".
6. Het is duidelijk dat inktcartridges voor printers als zodanig noch in post 3215 noch in post 8473 worden genoemd.
7. Om vast te stellen of zij nochtans onder een van die posten moeten worden ingedeeld, moeten derhalve zowel de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur als de toelichtingen op het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, opgesteld door de Internationale Douaneraad, thans de Werelddouaneorganisatie, worden toegepast.
8. Met het oog op de ons gestelde vraag, verdienen de regels 3 en 5 van de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur speciale aandacht.
9. Regel 3 bepaalt:
Indien goederen met toepassing van het bepaalde onder 2 b, of om enige andere reden vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, geschiedt de indeling als volgt:
a) de post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven posten met een meer algemene strekking. Indien echter twee of meer posten elk afzonderlijk slechts betrekking hebben op een gedeelte van de stoffen of bestanddelen waaruit een mengsel of een goed is samengesteld of op een gedeelte van de artikelen, in het geval van goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, worden die posten, met betrekking tot bedoelde mengsels en goederen, aangemerkt als even specifiek, zelfs indien een van de andere posten daarvan een volledigere of nauwkeurigere omschrijving geeft;
b) mengsels, werken die zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, zomede goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder 3 a, worden ingedeeld naar de stof of het goed waarvan de mengsels, de werken, de stellen of de assortimenten hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald."
10. Algemene regel 5 luidt:
Voor de hierna genoemde goederen gelden daarenboven de volgende regels:
a) etuis, foedralen en koffers voor camera's, voor muziekinstrumenten of voor wapens, dozen voor tekeninstrumenten, juwelenkistjes en dergelijke bergingsmiddelen, speciaal gevormd of ingericht voor het opbergen van een bepaald artikel of van een stel of assortiment van artikelen, geschikt voor herhaald gebruik en aangeboden met de artikelen waarvoor ze bestemd zijn, worden ingedeeld onder dezelfde post als die artikelen indien zij van de soort zijn die normaal daarmee wordt verkocht. Deze regel geldt echter niet voor bergingsmiddelen die aan het geheel het wezenlijk karakter verlenen;
b) behoudens het bepaalde onder 5 a worden gevulde verpakkingsmiddelen (1) ingedeeld met de verpakte goederen indien zij van de soort zijn die normaal als verpakking voor die goederen wordt gebruikt. Deze regel is echter niet verplichtend voor verpakkingsmiddelen die klaarblijkelijk geschikt zijn voor herhaald gebruik."
11. Voetnoot 1 preciseert: Onder ,verpakkingsmiddelen worden verstaan, alle uitwendige en inwendige bergingsmiddelen, omhulsels, opwindmiddelen en dergelijke voorzieningen, met uitsluiting van vervoermiddelen - met name containers -, dekkleden en het stuw- en hulpmateriaal. Hieronder worden echter niet de in algemene regel 5, onder a), bedoelde bergingsmiddelen verstaan."
12. Bij de toelichtingen op het geharmoniseerde systeem wordt onderscheid gemaakt tussen de toelichtingen op de algemene regels en de toelichtingen bij de individuele posten. Onder de eerste valt om te beginnen de toelichting op algemene regel 3 b, volgens welke het kenmerk dat het karakter van een goed bepaalt verschilt per soort goederen. Het karakter van een goed kan, bijvoorbeeld, blijken uit de soort en aard van de stof of van de bestanddelen, uit hun omvang, hoeveelheid, gewicht, waarde of hun belang in verband met het gebruik ervan" en die betreffende algemene regel 5 a, bepalende:
Deze regel geldt uitsluitend voor bergingsmiddelen die, tegelijkertijd:
1) speciaal zijn gevormd of ingericht voor het opbergen van een bepaald artikel of van een stel of assortiment van artikelen, dat wil zeggen zodanig zijn ingericht dat het artikel waarvoor zij bestemd zijn, er precies in past. Sommige bergingsmiddelen zijn bovendien in de vorm van het artikel dat zij bevatten;
2) geschikt zijn voor duurzaam gebruik, dat wil zeggen ingericht om een duurzaamheid te hebben, vergelijkbaar met die van het artikel waarvoor zij bestemd zijn. Deze bergingsmiddelen dienen meestal om de artikelen te beschermen als deze niet worden gebruikt (bijvoorbeeld vervoer of opberging). Deze criteria maken het mogelijk ze te onderscheiden van gewone verpakkingsmiddelen;
3) worden aangeboden met de artikelen waarvoor zij bestemd zijn, ook indien zij afzonderlijk verpakt zijn met het oog op het vervoer. Afzonderlijk aangeboden bergingsmiddelen worden ingedeeld naar aard en samenstelling;
4) van de soort zijn die normaal met dergelijke artikelen worden verkocht;
5) aan het geheel niet het wezenlijk karakter verlenen."
13. Onder de toelichtingen op de algemene regels komt vervolgens voor, die op regel 5 b, luidende:
Deze regel betreft de indeling van verpakkingsmiddelen van de soort die gewoonlijk worden gebezigd voor de daarin geborgen goederen. Deze bepaling is echter niet bindend indien dergelijke verpakkingsmiddelen duidelijk geschikt zijn voor herhaald gebruik, bijvoorbeeld in het geval van bepaalde metalen vaten of bergingsmiddelen van ijzer of staal voor gecomprimeerd of vloeibaar gemaakt gas."
14. Onder de toelichtingen bij de individuele posten is, gelet op de ons gestelde vraag, relevant die bij post 3215, bepalende:
Van deze post zijn uitgezonderd:
[...]
b) vullingen voor kogelvulpennen, voorzien van hun kogels en inktbuisjes (post 9608). Met inkt gevulde patronen voor gewone vulpennen, blijven evenwel onder deze post ingedeeld.
c) inktlinten voor schrijfmachines en dergelijke machines en stempelkussens, geïmpregneerd met inkt of met een kleurstof (post 9612)."
Relevant is ook de toelichting bij post 8473, naar luid waarvan het in deze post bedoelde toebehoren bestaat uit een verwisselbare uitrusting waardoor de machines voor speciale werkzaamheden kunnen worden aangepast of uit mechanismen die ze geschikt maken voor bijkomende werkzaamheden of voor bijzondere werkzaamheden die verband houden met de hoofdfunctie van de machine."
15. Tot staving van de indeling van de litigieuze cartridges onder post 8473 heeft Turbon zowel voor de nationale rechter als voor het Hof een hele reeks argumenten aangevoerd.
16. Het eerste argument berust op de kenmerken van de cartridges. Deze hebben de vorm van een kunststofbehuizing die speciaal is ontworpen voor printers van het merk Epson Stylus Color. Deze behuizing bevat celkunststof die, nadat zij is gevuld, de inkt in haar capillair systeem opneemt, waarbij de diameter van de capillaire buisjes speciaal is berekend voor de cartridge en de oppervlaktespanning van de gebruikte inkt, om het uitlekken daarvan te voorkomen en te waarborgen dat de printkop de nodige inkt voor het printen bevat.
- Binnen in de kunststofbehuizing is, boven de uitmondingsopening, een metaalzeef geplaatst die voorkomt dat klontjes inkt in de printkop komen en deze verontreinigen.
- Aan de buitenkant van de kunststofbehuizing is de uitmondingsopening voorzien van een pakking die belet dat lucht binnenstroomt nadat de inktcartridge is geplaatst. Daardoor wordt het uitdrogen van de inkt voorkomen en tegelijkertijd een juiste toevoer van inkt uit de cartridge naar de printkop verzekerd.
- Tot slot bevat het deksel waarmee de inktcartridge aan de achterkant wordt gesloten, een systeem van ventilatie en drukcompensatie dat speciaal voor de betrokken cartridge, inkt en printer is ontworpen. Turbon wijst er in dit verband op, dat de regelmatige toevoer van inkt naar de printkop gevaar zou lopen wanneer de compensatie van het drukverschil te zwak zou zijn, terwijl bij een te sterke compensatie daarentegen de inkt zou gaan uitlekken.
17. Gezien deze kenmerken kan volgens Turbon niet worden gezegd dat het een simpele verpakking betreft. De cartridges vormen kennelijk niet alleen een houder voor de inkt, maar zijn ontworpen en ingericht om het drukproces van een optimale inkttoevoer te verzekeren en afgestemd op de kenmerken daarvan, zodat zij als een deel van de printer moeten worden beschouwd.
18. Ofschoon zij geen geïntegreerde printkop bevatten, zijn zij volstrekt vergelijkbaar met cartridges die er wel een hebben en door de douaneadministratie als een deel van een printer worden beschouwd.
19. De indeling als deel van een printer van inktcartridges die van een printkop zijn voorzien, heeft hoe dan ook tot gevolg dat het bezwaar tegen de indeling van de litigieuze cartridge als deel van een printer faalt, aangezien dit bezwaar berust op de overweging dat een vloeistof niet als deel van een printer kan worden gekwalificeerd.
20. Maar zelfs wanneer die kwalificatie als deel van een printer moest worden verworpen, zou dit voor de geboden indeling onder post 8473 geen verschil maken, omdat op zijn minst de indeling als toebehoren van een dergelijke printer moet worden aanvaard.
21. Het betreft immers een verwisselbare uitrusting, die een machine geschikt maakt voor het verrichten van een bepaald werk, in casu het printen, in de zin van de toelichting op het geharmoniseerde systeem bij post 8473 van de GN.
22. Het tweede argument van Turbon is gebaseerd op de niet-betwiste indeling van tonercartridges voor fotokopieerapparaten onder dezelfde post als die fotokopieerapparaten. Turbon is van mening dat de onderhavige inktcartridges precies dezelfde rol vervullen in een printer als de tonercartridges in een fotokopieerapparaat.
23. Het derde argument berust daarop, dat zelfs al zouden de onderhavige cartridges op het eerste gezicht even goed kunnen worden ingedeeld onder post 3215 als onder post 8473, hetgeen overigens niet het geval is, krachtens algemene regel 3 a voor de interpretatie van de GN, bepalende dat de meest specifieke omschrijving voorrang heeft, de indeling onder post 8473 moet plaatsvinden.
24. In dit verband wil Turbon zich beroepen op arresten van 14 juli 1981, ELBA, waarin de voorkeur werd gegeven aan de post waarin rekening werd gehouden met de bestemming van een goed, omdat die specifieker was, boven een post gebaseerd op het materiaal waarvan het goed was vervaardigd; 1 juni 1995, Thyssen Haniel Logistic, waarin de bestemming eveneens de doorslag had gegeven, en 20 juni 1996, VOBIS Microcomputer, waarin het wezenlijk karakter werd vastgesteld op grond van de waarde en het belang van de samenstellende stoffen, gelet op het gebruik van het goed. Gezien dit laatste arrest, sluit de verhouding van 10 tot 1 tussen de waarde van de behuizing en die van de daarin verpakte inkt uit, dat de cartridges als inkt worden ingedeeld.
25. Het vierde argument betreft het begrip deel van een printer. Die kwalificatie kan volgens Turbon niet worden beperkt tot onderdelen van een printer die wezenlijke functies vervullen bij de werking van een dergelijke machine, dat wil zeggen in het kader van het drukproces, omdat op grond van een dergelijke redenering vele onderdelen van een printer, bijvoorbeeld het deksel, die voor het eigenlijke drukproces niet nodig zijn, niet meer als deel van een printer zouden kunnen worden gekwalificeerd.
26. Deze redenering ten gunste van een indeling van de door Turbon ingevoerde cartridges onder post 8473 heeft indruk gemaakt op de verwijzende rechter, die een reeks omstandigheden aanvoert die zijns inziens eraan in de weg staan dat de kunststofbehuizing, de verschijningsvorm van de cartridge, als een eenvoudige verpakking van inkt wordt beschouwd.
27. In de eerste plaats constateert hij dat de cartridge niet speciaal is ontworpen om inkt te bevatten, maar integendeel om te worden geplaatst in de printer waarvoor zij is bestemd.
28. In de tweede plaats merkt hij op dat de onderhavige cartridges kunnen worden nagevuld.
29. In de derde plaats constateert hij dat de houder, derhalve de behuizing, en zijn inhoud, derhalve de inkt, gezien de functie die de cartridge moet vervullen, niet van elkaar kunnen worden gescheiden.
30. Daarom komt het hem voor, dat de kwalificatie van de kunststofbehuizing als eenvoudige verpakking niet in overeenstemming is met algemene regel 5 a, aangezien het nu juist de behuizing is die aan het geheel zijn wezenlijk karakter verleent, noch met algemene regel 5 b, omdat de behuizing klaarblijkelijk niet een verpakking is van het type dat doorgaans wordt gebruikt om drukinkt te bevatten.
31. Bovendien acht het Finanzgericht het voor de indeling als deel van een printer geen bezwaar dat de inkt in de cartridge wordt gebruikt, aangezien de cartridge, in zijn geheel gezien, in het kader van het drukproces veeleer wordt gebruikt dan verbruikt.
32. De nationale rechter stelt vast dat de cartridge weliswaar niet zo lang kan worden gebruikt als de printer, ook wanneer zij wordt nagevuld, doch dat dit eveneens voor andere delen van een dergelijke machine geldt.
33. Tegen deze overwegingen voert de Oberfinanzdirektion, naast een circulaire van de Duitse douaneadministratie, drie argumenten aan ten gunste van een indeling onder post 3215. Om te beginnen betoogt zij, dat het in te delen product de inkt in de cartridge is, een noodzakelijk product voor het functioneren van de printer, en niet de cartridge zelf die slechts een noodzakelijk verpakkingsmiddel vormt omdat het een vloeibaar product betreft. Zij beklemtoont vervolgens, dat aangezien het een vloeibaar product betreft en de printer zelfs zonder inktcartridge compleet is, de litigieuze cartridges moeilijk als delen van de printer kunnen worden beschouwd.
34. Zij voegt hieraan toe dat in de zin van aantekening 2 b op hoofdstuk XVI van de GN enkel als delen van een machine worden aanvaard de goederen die voor haar montage nodig zijn of die bij het demonteren van de machine ontstaan. Zij wijst vervolgens het karakter van toebehoren van de hand met de opmerking, dat de inktcartridges niet dienen om de printer aan te passen voor speciale of bijzondere werkzaamheden, omdat zij enkel het drukken mogelijk maken, hetgeen per definitie de normale functie van een printer is.
35. De Oberfinanzdirektion wijst tot slot het beroep op de waardeverhouding tussen de behuizing en de inkt ten behoeve van de indeling van de hand, omdat een dergelijke vergelijking alleen relevant is wanneer de objectieve kenmerken van het in te delen goed, anders dan in casu, geen aanwijzingen voor een oplossing verschaffen.
36. Deze opvattingen worden in overwegende mate door de Commissie in het kader van haar opmerkingen gedeeld. Voor haar is de indeling onder post 8473 als deel of toebehoren van een printer uitgesloten.
37. Zij wijst erop dat, zoals het Hof in het arrest Peacock van 19 oktober 2000 heeft geoordeeld, het woord deel" de aanwezigheid impliceert van een geheel voor de werking waarvan het noodzakelijk is", hetgeen in casu niet het geval is omdat de Epson Stylus Color printer perfect kan functioneren, zowel mechanisch als elektronisch, zonder de litigieuze inktcartridge.
38. Zelfs zonder cartridge kan de printer computersignalen ontvangen, omzetten en aan een printkop doorgeven.
39. Het enige gevolg van het ontbreken van een cartridge is, dat het resultaat van het drukken niet zichtbaar wordt. Maar dit is niet te wijten aan het ontbreken van een cartridge maar aan het ontbreken van inkt, hetgeen daardoor wordt bewezen dat de aanwezigheid van een lege cartridge in de printer hetzelfde resultaat zou opleveren.
40. De Commissie herinnert er eveneens aan, dat de kwalificatie van een goed als deel van een ander niet ervan afhangt, of het eerstgenoemde is ontworpen om te beantwoorden aan de technische bijzonderheden van het tweede.
41. Daarom is het niet relevant dat de litigieuze cartridges voorzien zijn van een drukcompensatie-opening, die speciaal voor de Epson Stylus Color printer is ontworpen, of dat zij wegens hun capillair systeem of de vorm van hun deksel technisch geavanceerd zijn.
42. De indeling onder post 8473 als toebehoren komt volgens de Commissie evenmin in aanmerking, gezien de toelichting op het geharmoniseerde systeem met betrekking tot deze post, omdat de cartridges het niet mogelijk maken de printer voor speciale werkzaamheden aan te passen en hem evenmin geschikt maken voor bijkomende werkzaamheden.
43. Volgens de Commissie is post 3215 in het licht van algemene regel 5 b voor de interpretatie van de GN de enig juiste post, omdat de inktcartridge, wanneer zij los van de printer wordt aangeboden, geen andere functies heeft dan het verpakken, het opslaan en het bewaren van het vloeibare product dat zij bevat.
44. Er bestaat volgens de Commissie geen grond om cartridges van een printer anders te behandelen dan patronen voor vulpennen, die eveneens zijn ontworpen om te worden geplaatst in een bepaalde vulpen die onder een bepaald merk wordt verkocht, en die ongetwijfeld onder post 3215 vallen krachtens de toelichting op het geharmoniseerde systeem bij deze post.
45. De Commissie maakt echter voorbehoud voor het geval waarin de metaalzeef van de litigieuze cartridge, waarvan de functie niet in de verwijzingsbeschikking is gepreciseerd, een mechanisch of elektronisch element vormt dat onmisbaar is voor het drukproces, omdat alsdan de indeling onder post 8473, als deel van de printer, in aanmerking zou komen.
46. De opmerkingen van de Commissie komen mij bijzonder relevant voor, zowel ten aanzien van de onmogelijkheid om de litigieuze cartridges als deel dan wel toebehoren van de printer te kwalificeren als ten aanzien van de redenen waarom zij onder post 3215 moeten worden ingedeeld.
47. Om te beginnen moet worden vastgesteld, dat de Commissie en de Oberfinanzdirektion kennelijk gelijk hebben wanneer zij betwisten dat de litigieuze cartridges toebehoren van de printer zijn. Het is immers duidelijk, dat wanneer een inktcartridge in een printer wordt geplaatst, deze laatste niet wordt aangepast voor speciale werkzaamheden en evenmin geschikt wordt gemaakt voor bijkomende werkzaamheden of voor bijzondere werkzaamheden die verband houden met zijn hoofdfunctie, zoals uiteengezet in de reeds genoemde toelichting op het geharmoniseerde systeem bij post 8473. Deze cartridges stellen de printers enkel in staat hun normale functie te vervullen, te weten het afdrukken op papier van gegevens die in de vorm van tekens door een computer zijn verzonden.
48. Tegenstrijdiger, doch nochtans juist, zijn de opmerkingen van de Commissie over de kwalificatie als deel van de printer. Op het eerste gezicht is het verrassend te lezen dat een printer perfect functioneert zonder inktcartridge, waarbij het enige probleem dat deze wijze van functioneren veroorzaakt, is gelegen in het feit dat het resultaat van het door de machine verrichte werk niet zichtbaar is, of eenvoudiger uitgedrukt, dat uit de printer een onbedrukt blad komt.
49. Men stelle zich de reactie van de gelukkige bezitter van een dergelijke machine voor wanneer een vakman, erbij geroepen om het euvel van de afwezigheid van druk te herstellen, hem zou verzekeren dat ondanks het feit dat niets is gedrukt, de machine perfect functioneert.
50. Nochtans heeft de Commissie gelijk omdat, zoals zij beklemtoont, deze afwezigheid van druk niet het gevolg is van het ontbreken van een cartridge op de door de constructeur voorziene plaats, maar verband houdt met het feit dat de cartridge geen inkt levert, zodat moet worden erkend dat het wezenlijk element in de zin van algemene regel 3 b, reeds aangehaald, van de litigieuze cartridges de inkt is die zij bevatten. Het gebruik van de kunststofbehuizing schijnt daarom slechts het meest voor de hand liggende middel te zijn om de printer te voorzien van een vloeibaar product dat voor zijn functioneren noodzakelijk is en moet zijn verpakt.
51. Ik wijs er ook op dat de ontwerper en de fabrikant van de betrokken printer voor een andere technische oplossing hadden kunnen opteren dan die welke zij hebben gekozen. Ik vermoed dat het mogelijk moet zijn printers te fabriceren die voorzien zijn van een inktreservoir dat door de gebruiker met regelmatige tussenpozen moet worden gevuld. In dat geval zou het reservoir ongetwijfeld tegelijk met de printer worden geleverd en daarvan kennelijk een deel vormen, terwijl de inkt zou worden geleverd in verpakkingen waarvan het formaat van geen belang zou zijn, mits het reservoir op eenvoudige wijze zou kunnen worden nagevuld. Dit is niet het geval bij de Epson Stylus Color printers, die van inkt moeten worden voorzien door middel van cartridges die apart worden verkocht en die moeten worden vervangen zodra zij leeg zijn.
52. Zoals het Finanzgericht opmerkt, kunnen de cartridges weliswaar worden nagevuld, maar dit schijnt mij toch niet een doorslaggevend element te zijn. Dit navullen is namelijk een ingewikkeld karwei dat niet bestaat uit het simpele overgieten van inkt uit een fles in de behuizing, zoals wijn uit een fles in een karaf wordt overgegoten, en ik betwijfel sterk dat de fabrikant de gebruikers van de betrokken printers aanraadt regelmatig deze navulling te verrichten, die onaangename verrassingen kan opleveren wanneer zij niet correct wordt uitgevoerd. Dit is trouwens ook de reden waarom de navulling, wanneer daartoe al wordt overgegaan, bij voorkeur wordt uitgevoerd door een vakman, wiens tussenkomst evengoed hergebruik of recycling van lege verpakkingen kan worden genoemd als navulling. Anders gezegd, alleen de mogelijkheid van navulling leidt er niet toe dat de inktcartridges niet als verbruiksgoed kunnen worden aangeduid, waarvan de printer - zoals van papier - moet worden voorzien om datgene te doen wat er terecht van wordt verwacht.
53. Van de opmerkingen van Turbon is voorts ter zake, dat in de Epson Stylus Color printers slechts plaats is voor één inktcartridge en dat bijgevolg, wanneer de gebruiker tot een andere drukkleur wenst over te gaan, de cartridge moet worden verwisseld om de printkop te kunnen voorzien van het element dat noodzakelijk is om het gewenste resultaat te bereiken, te weten inkt van de gekozen kleur. Men kan niet duidelijker aantonen dat dát wat de cartridge wezenlijk bijdraagt en waardoor zij derhalve wordt gekenmerkt, de inkt is die zij bevat en juist niet de kunststofbehuizing waarin die inkt wordt bewaard.
54. Weliswaar is aangevoerd dat de cartridge ingewikkelder is dan men zou denken, omdat zij zodanig is geconstrueerd dat zij exact de hoeveelheid inkt aflevert die de printer nodig heeft. Ik twijfel daar niet aan maar het komt mij voor, dat er talrijke andere verpakkingen bestaan die specifiek zijn ontworpen om bij de afgifte van het product dat zij bevatten, een bepaalde dosering te waarborgen.
55. Ik denk dat dit al het geval is bij gewone flessen, waarvan de hals ongetwijfeld zulke afmetingen heeft dat een glas met drank kan worden gevuld zonder dat het overloopt. Dit geldt nog meer voor flesjes voor specerijen, die verschillend zijn geconstrueerd al naar gelang zij voor tijm of cayennepeper zijn bestemd, omdat de huisvrouw die een gerecht op smaak wil brengen, niet wil dat peper in dezelfde hoeveelheid uit het flesje komt als tijm. Hetzelfde is het geval, en hier stop ik met mijn voorbeelden, met doosjes vervangingsmiddelen van suiker, die zodanig zijn geconstrueerd dat zij bij een enkele druk steeds een enkele dosis afgeven. Men moet er daarom niet van uitgaan gaan dat de litigieuze cartridges of, nauwkeuriger gezegd, de behuizingen die de drukinkt bevatten, op grond van hun constructie nimmer als verpakkingen kunnen worden gekwalificeerd.
56. Het is nochtans niet evident dat deze behuizingen verpakkingen zijn in de zin van algemene regel 5 b, reeds aangehaald. Zoals het Finanzgericht namelijk opmerkt, zijn zij niet van het type dat doorgaans wordt gebruikt om drukinkt te bevatten, al was het maar omdat zij in feite maar weinig inkt bevatten. Evenwel zou daartegen kunnen worden aangevoerd, dat wanneer het de verkoop in het klein van drukinkt aan gebruikers van printers betreft, de verpakking van de inkt in de vorm van een cartridge, die rechtstreeks kan worden ingezet op de daarvoor door de fabrikant van het apparaat bestemde plaats, een normale verkoopmodaliteit vormt, omdat de verkoop van inkt in verpakkingen met een grotere inhoud alleen van belang kan zijn voor, vermoedelijk in de minderheid zijnde, gebruikers die gewoon zijn zulke cartridges na te vullen.
57. Overigens wil ik er ten aanzien van de waardeverhouding tussen de inkt en de behuizing op wijzen, dat er ongetwijfeld vele andere producten zijn die - omdat zij verpakt zijn in een formaat dat beantwoordt aan de smaak van de consumenten die ze terstond willen gebruiken zonder ook maar enige handgreep te hoeven verrichten en zonder een volumineuze en zware verpakking te hoeven torsen - in kleine hoeveelheden worden verkocht, met als gevolg dat de waarde van het product in de verpakking lager kan zijn dan die van de verpakking zelf, zonder dat dit evenwel tot een tariefindeling leidt die afwijkt van die welke voor de inhoud geldt.
58. Ik voor mij geef er de voorkeur aan om voor de motivering van de indeling van de litigieuze cartridges onder post 3215 te verwijzen naar algemene regel 3 b, de betekenis waarvan geen geweld moet worden aangedaan voor de constatering dat datgene wat in de cartridges met het oog op hun bestemming, bij te dragen aan het drukproces, wezenlijk is, de inkt is die zij bevatten. De indeling onder post 3215 schept mijns inziens geen enkel probleem. Het betreft wel degelijk drukinkt, een vloeibaar product in een verpakking die beantwoordt aan de verwachtingen van de consument, die geen enkel mechanisch of elektronisch element bevat dat in het drukproces een rol speelt en waarvan de aanwezigheid de inhoud van zijn wezenlijk karakter zou kunnen beroven voor wat betreft de typering van het goed.
59. De indeling van de litigieuze cartridges onder deze post is noch in strijd met de indeling onder een andere post van toners van fotokopieerapparaten, die een mechanisch element bevatten, noch van cartridges voor printers, voorzien van een printkop, een wezenlijk bestanddeel bij het functioneren van een printer, noch van reservevullingen voor kogelvulpennen, voorzien van kogels en inktbuisjes, die zelf de schrijffunctie verzorgen omdat daarmee tekens op papier kunnen worden gezet met behulp van de inkt in de behuizing. De indeling past perfect bij het feit, dat onder dezelfde post inktpatronen voor gewone vulpennen vallen, die voor die vulpennen dezelfde rol vervullen als de litigieuze cartridge voor de printer, omdat zij ertoe dienen zowel inkt te bevatten als op regelmatige wijze te voorzien in de inktstroom die nodig is voor het gebruik van een instrument waarmee tekens op papier kunnen worden gezet en die, naar gelang van het merk, een zodanig formaat hebben dat zij kunnen worden geplaatst in de vulpen waarvoor zij zijn bestemd, zoals de Commissie zeer terecht opmerkt.
60. Ik voeg hieraan toe, dat ik het volledig eens ben met het voorbehoud van de Commissie inzake de consequenties voor de indeling van de cartridges, wanneer zou worden vastgesteld dat de metaalzeef inderdaad een mechanisch of elektronisch element vormt dat voor het drukproces onmisbaar is. Die vaststelling zou namelijk de hierboven gevolgde redenering, strekkende tot uitsluiting van de indeling als deel van de printer, doorkruisen en leiden tot de door Turbon gevorderde indeling onder post 8473.
Conclusie
61. Op grond van de conclusies waartoe ik bij het onderzoek van de prejudiciële vraag in het licht van de ons voorgelegde beoordelingscriteria ben gekomen, geef ik het Hof in overweging de vraag van het Finanzgericht te beantwoorden als volgt:
Bijlage I van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 866/97, moet aldus worden uitgelegd, dat een inktcartridge bestaande uit een kunststofbehuizing, schuimstof, een metaalzeef, dichtingen, een zegelfolie, een etiket, inkt en verpakkingsmateriaal, zonder geïntegreerde printkop, die enkel kan worden gebruikt in een onder post 8471 van de gecombineerde nomenclatuur vallende printer van het merk Epson Stylus Color, in het algemeen onder post 3215 van de gecombineerde nomenclatuur moet worden ingedeeld. Een andere indeling komt alleen in aanmerking wanneer de van de inktcartridge deel uitmakende metaalzeef een specifieke mechanische of elektronische functie in de bovengenoemde printer vervult; in dat geval zou de inktcartridge moeten worden gekwalificeerd als deel of als toebehoren van de printer en moeten worden ingedeeld onder post 8473 van de gecombineerde nomenclatuur."
Full & Egal Universal Law Academy