Conclusie van de advocaat generaal
1. In deze zaak stelt het Oostenrijkse Oberste Gerichtshof (hoogste rechterlijke instantie) vragen over de temporele werkingssfeer en de uitlegging van artikel 94 van verordening (EEG) nr. 1408/71 en de artikelen 39 EG en 42 EG. Deze vragen rijzen in een procedure die aanhangig is gemaakt door een Oostenrijks onderdaan die in 1968, toen hij in Duitsland werkte, een arbeidsongeval heeft gehad en thans om toekenning van een pensioen wegens arbeidsongeschiktheid krachtens de Oostenrijkse wetgeving verzoekt met ingang van 1 januari 1998. De zaak roept twee belangrijke vragen op.
2. In de eerste plaats: verzet het gemeenschapsrecht zich tegen een nationale regeling die alleen dan afziet van het vereiste van de wachttijd als voorwaarde voor het ontstaan van een pensioenrecht wegens arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval, wanneer het slachtoffer ten tijde van het ongeval verplicht of vrijwillig verzekerd was onder de wettelijke regeling van de betrokken lidstaat?
3. In de tweede plaats: verzet het gemeenschapsrecht zich tegen een nationale regeling volgens welke voor de verlenging van de referentieperiode waarbinnen de wachttijd moet zijn vervuld, enkel de tijdvakken in aanmerking worden genomen waarin de betrokken persoon een pensioen uit hoofde van de wettelijke regeling van de betrokken lidstaat ontving?
Toepasselijke bepalingen
Bepalingen van gemeenschapsrecht
4. Artikel 9 bis van verordening nr. 1408/71, met het opschrift Verlenging van de referentieperiode", bepaalt:
Indien de wetgeving van een lidstaat de erkenning van het recht op een prestatie afhankelijk stelt van de vervulling van een minimumverzekeringstijdvak gedurende een bepaalde periode voorafgaand aan de verzekerde gebeurtenis (referentieperiode) en wanneer in deze wetgeving wordt bepaald dat de bedoelde referentieperiode wordt verlengd met tijdvakken waarin uit hoofde van de wetgeving van die lidstaat uitkeringen zijn verleend of door tijdvakken die op het grondgebied van die lidstaat aan de opvoeding van kinderen werden gewijd, dan wordt de bedoelde referentieperiode eveneens verlengd met tijdvakken waarin uit hoofde van de wetgeving van een andere lidstaat invaliditeits- of ouderdomspensioenen, of prestaties wegens ziekte, werkloosheid of arbeidsongevallen (met uitzondering van renten) zijn verleend en met tijdvakken die op het grondgebied van een andere lidstaat aan de opvoeding van kinderen werden gewijd."
5. Artikel 61 van verordening nr. 1408/71, met het opschrift Regels welke dienen om met bijzonderheden van bepaalde wettelijke regelingen rekening te houden", luidt, voorzover relevant:
[...]
5. Indien volgens de wettelijke regeling van een lidstaat bij de vaststelling van de mate van ongeschiktheid, het verkrijgen van het recht op uitkeringen of de hoogte van de uitkeringen uitdrukkelijk of stilzwijgend rekening wordt gehouden met vroeger voorgekomen arbeidsongevallen of beroepsziekten, houdt het bevoegde orgaan van die staat eveneens rekening met vroeger onder de wettelijke regeling van een andere lidstaat voorgekomen arbeidsongevallen en beroepsziekten, alsof zij onder de door het bevoegde orgaan toegepaste wettelijke regeling waren voorgekomen.
6. Indien volgens de wettelijke regeling van een lidstaat bij de vaststelling van de mate van ongeschiktheid, het verkrijgen van het recht op uitkeringen of de hoogte van de uitkeringen, uitdrukkelijk of stilzwijgend rekening wordt gehouden met later voorgekomen arbeidsongevallen of beroepsziekten, houdt het bevoegde orgaan van die staat eveneens rekening met later onder de wetgeving van een andere lidstaat voorgekomen arbeidsongevallen of beroepsziekten, alsof zij onder de door het bevoegde orgaan toegepaste wettelijke regeling waren voorgekomen, op voorwaarde:
1) dat ten aanzien van het vroeger voorgekomen arbeidsongeval of de vroeger voorgekomen beroepsziekte onder de wettelijke regeling die genoemd orgaan toepast, geen schadeloosstelling was verschuldigd,
en
2) dat, ondanks het bepaalde in lid 5, ten aanzien van het later voorgekomen arbeidsongeval of de later voorgekomen beroepsziekte geen schadeloosstelling is verschuldigd op grond van de wettelijke regeling van de andere lidstaat waaronder het betrokken arbeidsongeval of de betrokken beroepsziekte is voorgekomen."
6. Artikel 94 van de verordening, met het opschrift Overgangsbepalingen voor werknemers", bepaalt, voorzover relevant:
1. Aan deze verordening kan geen enkel recht worden ontleend voor een tijdvak dat [...] aan de datum van haar toepassing op het grondgebied van de betrokken lidstaat [...] voorafgaat.
2. Voor de vaststelling van de aan deze verordening te ontlenen rechten wordt rekening gehouden met elk tijdvak van verzekering, alsmede eventueel met elk tijdvak van arbeid of wonen, dat krachtens de wetgeving van een lidstaat [...] vóór de datum van haar toepassing op het grondgebied van deze lidstaat [...] is vervuld.
3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 ontstaat krachtens deze verordening zelfs dan een recht, wanneer dit recht in verband staat met een gebeurtenis welke [...] vóór de datum van haar toepassing op het grondgebied van de betrokken lidstaat [...] heeft plaatsgevonden."
7. Oostenrijk is op 1 januari 1995 toegetreden tot de Europese Unie. Artikel 2 van de Akte van toetreding bepaalt dat onmiddellijk bij de toetreding de oorspronkelijke Verdragen verbindend zijn voor de nieuwe lidstaten en in deze staten toepasselijk zijn onder de voorwaarden voorzien in deze Verdragen en in de Akte. Verordening nr. 1408/71 is in Oostenrijk echter op 1 januari 1994 in werking getreden ingevolge de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
De nationale wettelijke regeling
8. Het (Oostenrijkse) Allgemeine Sozialversicherungsgesetz (Algemene wet op de sociale verzekeringen; hierna: ASVG") bepaalt dat personen die verminderd arbeidsgeschikt zijn een pensioen wegens arbeidsongeschiktheid ontvangen. Krachtens deze wet ontstaat een recht op een pensioen wegens arbeidsongeschiktheid op voorwaarde dat de betrokkene een wachttijd (Wartezeit") heeft vervuld. De wachttijd komt overeen met een aantal maanden waarin de betrokkene bijdragen aan de pensioenverzekering heeft betaald (Versicherungszeiten") binnen een bepaalde periode (referentieperiode") vóór de datum waarop het pensioenrecht ingaat (ingangsdatum": Stichtag").
9. § 235 ASVG, met het opschrift Wachttijd als algemene voorwaarde voor het recht op prestatie", bepaalt:
1. Het recht op elk van de in § 222, leden 1 en 2, bedoelde prestaties [...] is afhankelijk van de algemene voorwaarde dat de wachttijd is vervuld door verzekeringsmaanden in de zin van lid 2 (§ 236).
2. Voor de wachttijd moeten verzekeringsmaanden van alle takken van pensioenverzekering [...] in aanmerking worden genomen.
[...]"
10. Voor personen jonger dan 50 jaar op de ingangsdatum bepaalt § 236, lid 1, ASVG - met het opschrift Vervullen van de wachttijd" - met betrekking tot een prestatie wegens het intreden van de verzekerde gebeurtenis van verminderde arbeidsgeschiktheid" dat de wachttijd 60 maanden is. Volgens § 236, lid 2, moeten de voor de vervulling van de wachttijd vereiste 60 verzekeringsmaanden zijn gelegen binnen de laatste 120 kalendermaanden vóór de ingangsdatum" (referentieperiode).
11. Op deze algemene regels bestaan enkele uitzonderingen, waarvan er twee in casu in het bijzonder van belang zijn.
12. In de eerste plaats is het ontstaan van een pensioenrecht wegens arbeidsongeschiktheid in bepaalde gevallen niet afhankelijk van de vervulling van een wachttijd. § 235, lid 3, luidt, voorzover relevant:
De wachttijd vervalt ten aanzien van een prestatie wegens het intreden van de verzekerde gebeurtenis van verminderde arbeidsgeschiktheid [...] wanneer
a) de verzekerde gebeurtenis het gevolg is van een arbeidsongeval (§§ 175 en 176) of van een beroepsziekte (§ 177), dat/die zich heeft voorgedaan bij een persoon die uit hoofde van deze of enige andere Bondswet onder de verplichte pensioenverzekering valt of die vrijwillig verzekerd is ingevolge § 19a [...]"
13. In de tweede plaats kan de referentieperiode van 120 maanden, waarbinnen de wachttijd normaal gesproken moet worden vervuld, worden verlengd met neutrale maanden". § 236, lid 3, luidt:
Indien de tijdvakken als bedoeld in lid 2 neutrale maanden omvatten (§ 234), worden zij met deze maanden verlengd."
14. § 234 ASVG, met het opschrift Neutrale maanden", bepaalt:
(1) Als neutraal worden de volgende tijdvakken aangemerkt, die geen tijdvakken van verzekering zijn:
[...]
2 tijdvakken gedurende welke de verzekerde een bij besluit erkende aanspraak had op
[...]
b) een invaliditeitspensioen uit hoofde van de wettelijke arbeidsongevallenverzekering wegens een arbeidsongeschiktheid van ten minste 50 %,
[...]"
15. Volgens de prejudiciële beschikking interpreteren de Oostenrijkse gerechten de woorden wettelijke arbeidsongevallenverzekering" in § 234, lid 1, sub 2-b, ASVG, als een verwijzing naar de arbeidsongevallenverzekering naar Oostenrijks recht, dus met uitsluiting van invaliditeitspensioenen toegekend krachtens de wetgeving van andere staten.
De feiten en de prejudiciële vragen
16. De feiten, zoals uiteengezet in de prejudiciële beschikking, kunnen als volgt worden samengevat.
17. J.F. Duchon, verzoeker in het hoofdgeding, geboren op 18 januari 1949, is Oostenrijks onderdaan. Hij heeft op 8 september 1968 een arbeidsongeval gehad toen hij in Duitsland een vakantiestage verrichtte. Sinds die datum ontvangt hij een uitkering uit hoofde van een Duitse arbeidsongevallenverzekering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 50 %.
18. De onderhavige zaak heeft betrekking op de poging van verzoeker om een pensioen wegens arbeidsongeschiktheid krachtens de bepalingen van het ASVG te krijgen.
19. Verzoeker heeft aanvankelijk om toekenning van zo'n pensioen met ingang van 1 januari 1994 verzocht. Deze aanvraag is afgewezen door verweerster in de onderhavige zaak, de Pensionsversicherungsanstalt der Angestellten (ouderdomsverzekeringsorgaan voor werknemers), en door de lagere Oostenrijkse rechterlijke instanties. Op 15 april 1997 heeft het Oberste Gerichtshof het daartegen ingestelde beroep van verzoeker afgewezen, hoofdzakelijk op grond dat hij in de eerste plaats de in het ASVG vastgestelde wachttijd van 60 maanden binnen de referentieperiode van 120 maanden niet had vervuld, hij in de tweede plaats niet onder de uitzonderingen van de §§ 235, lid 3, sub a, 236, lid 3, en 234, lid 1, sub 2-b, ASVG viel, en hij zich in de derde plaats niet kon beroepen op het gemeenschapsrecht, daar het ongeval dat ten grondslag lag aan de aanspraak op pensioen zich vóór 1 januari 1994 had voorgedaan. In die zaak is niet verzocht om een verwijzing naar het Hof.
20. Op 22 december 1997 heeft verzoeker bij verweerster een nieuwe aanvraag voor een pensioen wegens arbeidsongeschiktheid ingediend, ditmaal met ingang van 1 januari 1998. Deze aanvraag is afgewezen, wederom wegens het feit dat verzoeker de wachttijd van het ASVG niet had vervuld. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij het Landesgericht Linz en het Oberlandesgericht Linz. Nadat hij op de belangrijkste punten in het ongelijk was gesteld, heeft hij tegen het arrest van het Oberlandesgericht Linz beroep in Revision" ingesteld bij het Oberste Gerichtshof. Voor het Oberste Gerichtshof heeft verzoeker niet betwist dat hij de wachttijd voor de toekenning van een pensioen wegens arbeidsongeschiktheid volgens het ASVG niet had vervuld. Hij heeft echter aangevoerd dat het arrest van het Oberste Gerichtshof van 15 april 1997 op een onjuiste beoordeling van de temporele werkingssfeer van het gemeenschapsrecht berustte en dat de §§ 235, lid 3, sub a, 234, lid 1, sub 2-b, en 236, lid 3, ASVG in strijd zijn met verordening nr. 1408/71 en de artikelen 39 EG en 42 EG.
21. Daar het Oberste Gerichtshof meent dat de bij hem aanhangige zaak vragen van gemeenschapsrecht opwerpt en het zich niet gebonden acht aan zijn eerdere uitspraak tussen partijen, heeft het de behandeling van het hoofdgeding geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:
1) Valt de situatie van een werknemer, die als onderdaan van een huidige lidstaat vóór de toetreding van die lidstaat in loondienst werkzaam was in een andere lidstaat en daar een arbeidsongeval heeft gehad, binnen de werkingssfeer van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gewijzigde en bijgewerkte versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1249/92 van de Raad van 30 april 1992, wanneer de betrokkene na de datum van toetreding van de lidstaat een arbeidsongeschiktheidsuitkering aanvraagt en aan het arbeidsongeval een recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering kan worden ontleend?
Ingeval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
2) Moeten dan de artikelen 48, lid 2, en 51 EEG-Verdrag (thans de artikelen 39, lid 2, EG en 42 EG) en verordening (EEG) nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzetten dat een nationale regeling voor het vervallen van de wachttijd voor een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid niet alleen als voorwaarde stelt, dat de verzekerde gebeurtenis het gevolg is van een arbeidsongeval, doch ook dat de verzekerde gebeurtenis een pensioenverzekerde betreft die verplicht verzekerd is ingevolge het (Oostenrijkse) Allgemeine Sozialversicherungsgesetz (ASVG) of een andere (Oostenrijkse) Bondswet, of die vrijwillig verzekerd is ingevolge § 19a van het (Oostenrijkse) Allgemeine Sozialversicherungsgesetz (ASVG), waardoor die regeling niet geldt voor arbeidsongevallen die zich in een andere lidstaat hebben voorgedaan?
3) Moeten de artikelen 48, lid 2, en 51 EEG-Verdrag (thans de artikelen 39, lid 2, EG en 42 EG) aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen artikel 9 bis van verordening (EEG) nr. 1408/71 en tegen een nationale regeling die een verlenging van de referentieperiode algemeen uitsluit voor de duur dat een rente wordt ontvangen, respectievelijk beperkt tot het geval dat aanspraak op een rente bestaat uit hoofde van de wettelijke ongevallenverzekering van de betrokken lidstaat?"
22. Verzoeker, de Oostenrijkse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Er heeft geen terechtzitting plaatsgevonden.
De eerste vraag
23. Met zijn eerste vraag wenst het Oberste Gerichtshof te vernemen of de situatie van een werknemer die als onderdaan van een huidige lidstaat vóór de toetreding van deze staat werkzaamheden in loondienst heeft verricht in een andere lidstaat waar hij een arbeidsongeval heeft gehad, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt, wanneer de betrokkene na de toetreding van de lidstaat een pensioen wegens arbeidsongeschiktheid ten gevolge van dit ongeval aanvraagt en - krachtens de wetgeving van die staat - aan het arbeidsongeval een recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen kan worden ontleend.
24. In de prejudiciële beschikking zet het Oberste Gerichtshof uiteen dat het in het bijzonder wenst te vernemen of een arbeidsongeval als een gebeurtenis in de zin van artikel 94, lid 3, van verordening nr. 1408/71 moet worden beschouwd. De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat indien verordening nr. 1408/71 van toepassing is, er aanzienlijke twijfel ontstaat omtrent de gemeenschapsrechtelijke conformiteit van § 235, lid 3, sub a, ASVG.
25. Alle partijen die in casu opmerkingen hebben ingediend, zijn van mening dat de eerste vraag van het Oberste Gerichtshof bevestigend moet worden beantwoord. Ik ben het daarmee eens.
26. Zoals bekend bepaalt artikel 94, lid 3: Onverminderd het bepaalde in lid 1 ontstaat krachtens deze verordening zelfs dan een recht, wanneer dit recht in verband staat met een gebeurtenis welke [...] vóór de datum van haar toepassing op het grondgebied van de betrokken lidstaat [...] heeft plaatsgevonden."
27. Deze bepaling heeft, zoals ik meen te begrijpen, betrekking op situaties waarin een gebeurtenis, zoals een arbeidsongeval dat de dood van een persoon ten gevolge heeft of diens ontslag, waardoor hij werkloos wordt, heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van de verordening in de betrokken lidstaat. In dergelijke situaties moeten de uit de verordening voortvloeiende rechten aan de betrokken persoon met onmiddellijke ingang worden toegekend vanaf de datum van inwerkingtreding van de verordening. Het doel van artikel 94, lid 3, is dus in wezen te voorkomen dat de betrokken lidstaat die rechten ontzegt enkel omdat de daaraan ten grondslag liggende gebeurtenis vóór de inwerkingtreding van de verordening heeft plaatsgevonden.
28. Deze bepaling geldt echter uitdrukkelijk onverminderd het bepaalde in lid 1"; volgens lid 1 kan aan de verordening geen enkel recht worden ontleend voor een tijdvak dat aan de datum van haar toepassing op het grondgebied van de betrokken lidstaat voorafgaat. Met de Commissie ben ik van mening dat uit deze formulering volgt dat de lidstaten slechts verplicht zijn uit de verordening voortvloeiende rechten met ingang van de datum van inwerkingtreding van de verordening toe te kennen ten aanzien van gebeurtenissen die vóór die datum hebben plaatsgevonden, wanneer die gebeurtenissen volgens het nationale recht een aanspraak op sociale uitkeringen in het leven konden roepen. Anders zou artikel 94, lid 3, in strijd met artikel 94, lid 1, tot het - met terugwerkende kracht - scheppen van nieuwe rechten leiden.
29. In het onderhavige geval is het duidelijk - zoals de Commissie stelt - dat een arbeidsongeval dat tot verminderde arbeidsgeschiktheid van de betrokken persoon leidt, een pensioenrecht wegens arbeidsongeschiktheid kan doen ontstaan krachtens de bepalingen van het ASVG. Een Oostenrijks staatsburger die vóór 1 januari 1994 in een andere lidstaat werkzaam was en daar een ongeval heeft gehad, valt derhalve binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71, wanneer hij na die datum een arbeidsongeschiktheidspensioen aanvraagt en aan het arbeidsongeval een recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen uit hoofde van het ASVG kan worden ontleend.
30. Deze conclusie tast op zichzelf echter de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van bepalingen van nationaal recht als die welke in het hoofdgeding ter discussie staan, niet aan.
31. Artikel 94 van verordening nr. 1408/71 is een overgangsbepaling, opgenomen in titel VII (Overgangs- en slotbepalingen"), die de temporele werkingssfeer van de verordening vaststelt. Mijns inziens kan die bepaling particulieren geen rechten verlenen die niet uit de materieelrechtelijke bepalingen van de verordening voortvloeien. Het feit dat een arbeidsongeval als een gebeurtenis kan worden aangemerkt, kan daarom geen invloed hebben op de uitkomst van het hoofdgeding, tenzij de materieelrechtelijke bepalingen van de verordening aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen nationale bepalingen - zoals de §§ 235, lid 3, sub a, 234, lid 1, sub 2-b, en 236, lid 3, ASVG - die werknemers beletten een beroep te doen op uitzonderingen op de regels inzake de wachttijden en referentieperioden, wanneer zij een arbeidsongeval hebben gehad terwijl zij in een andere lidstaat werkten.
32. De verordening bevat echter geen bepalingen die aldus kunnen worden uitgelegd.
33. In de verordening ontbreken algemene bepalingen die de lidstaten verplichten, in andere lidstaten voorgekomen arbeidsongevallen te erkennen ten behoeve van de toekenning van een invaliditeitspensioen wegens verminderde arbeidsgeschiktheid. Evenmin bevat de verordening specifieke bepalingen met betrekking tot uitzonderingen op nationale bepalingen over wachttijden. Artikel 61, leden 5 en 6, bevat specifieke regels die de autoriteiten van de lidstaten verplichten, in bepaalde omstandigheden in andere lidstaten voorgekomen arbeidsongevallen te erkennen. Op grond van de tekst van deze bepalingen en op grond van het feit dat zij, zoals de Commissie opmerkt, in hoofdstuk 4 van titel III van de verordening staan (Arbeidsongevallen en beroepsziekten") en niet in hoofdstuk 2 (Invaliditeit"), is het evenwel duidelijk dat zij niet toepasselijk zijn in verband met arbeidsongeschiktheidspensioenen.
34. Bovendien bepaalt artikel 9 bis van de verordening dat de referentieperiode [wordt] verlengd met tijdvakken waarin uit hoofde van de wetgeving van een andere lidstaat [...] prestaties wegens [...] arbeidsongevallen (met uitzondering van renten) zijn verleend". De partijen die in casu opmerkingen hebben ingediend, zijn het erover eens dat de verordening blijkens de tekst van die bepaling niet vereist dat ten behoeve van de verlenging van referentieperioden die naar nationaal recht van toepassing zijn, renten in aanmerking worden genomen die in verband met arbeidsongevallen zijn toegekend uit hoofde van de wetgeving van andere lidstaten.
De tweede vraag
35. Met zijn tweede vraag wenst het Oberste Gerichtshof in wezen te vernemen of de artikelen 39 EG en 42 EG zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een uitzondering op het vereiste van een wachttijd als voorwaarde voor het recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen, slechts van toepassing is wanneer de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een arbeidsongeval en het slachtoffer ten tijde van het ongeval verplicht of vrijwillig verzekerd was ingevolge de wettelijke regeling van de betrokken lidstaat.
36. Ik roep in herinnering dat de verdragsbepalingen betreffende het vrij verkeer van personen volgens vaste rechtspraak het de gemeenschapsonderdanen gemakkelijker beogen te maken om welk beroep ook uit te oefenen op het gehele grondgebied van de Gemeenschap. Deze bepalingen verzetten zich derhalve tegen regelingen die onderdanen van een lidstaat minder gunstig behandelen wanneer zij een economische activiteit wensen uit te oefenen op het grondgebied van een andere lidstaat. Bovendien leveren regelingen die een onderdaan van een lidstaat ervan weerhouden zijn land van herkomst te verlaten om zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen, belemmeringen van die vrijheid op, ook al gelden zij onafhankelijk van de nationaliteit van de betrokken werknemers.
37. Wat in het bijzonder de sociale zekerheid betreft, heeft het Hof vastgesteld dat de artikelen 39 EG tot en met 42 EG tot doel hebben te voorkomen dat een werknemer die gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer en in meer dan een lidstaat heeft gewerkt, minder gunstig wordt behandeld dan een werknemer die al zijn arbeidsjaren in een lidstaat heeft vervuld. Zo heeft het Hof met name beslist dat het doel van de artikelen 39 EG tot en met 42 EG niet zou worden bereikt, wanneer migrerende werknemers als gevolg van de uitoefening van hun recht van vrij verkeer socialezekerheidsvoordelen zouden verliezen, die hun door de wettelijke regeling van een lidstaat worden toegekend; een dergelijk verlies zou een werknemer in de Gemeenschap namelijk ervan kunnen weerhouden, zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen en daarmee een belemmering voor dit vrij verkeer kunnen opleveren.
38. Het is mijns inziens duidelijk dat een bepaling als § 235, lid 3, sub a, ASVG, ook al is die onafhankelijk van de nationaliteit van de betrokken werknemers van toepassing, migrerende werknemers wat de sociale zekerheid betreft minder gunstig kan behandelen dan degenen die in slechts één lidstaat hebben gewerkt.
39. Ingevolge die bepaling vervalt de voor toekenning van een arbeidsongeschiktheidspensioen vereiste wachttijd slechts wanneer de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een arbeidsongeval en het slachtoffer ten tijde van het ongeval uit hoofde van de desbetreffende bepalingen van het ASVG verplicht of vrijwillig verzekerd was. Zoals de Commissie opmerkt, is het bij migrerende werknemers die een ongeval krijgen terwijl zij in een andere lidstaat werken, in de praktijk minder waarschijnlijk dat zij aan de verzekeringseis uit hoofde van het ASVG voldoen dan bij werknemers die in Oostenrijk zijn gebleven. Het daaruit voortvloeiende nadeel voor migrerende werknemers zou gemeenschapsonderdanen ervan kunnen weerhouden hun recht van vrij verkeer uit te oefenen. Een bepaling als § 235, lid 3, sub a, ASVG vormt dus een belemmering voor die vrijheid.
40. Bovendien is er, zoals de Oostenrijkse regering erkent, geen objectieve rechtvaardiging voor de in § 235, lid 3, sub a, ASVG besloten beperking van het vrij verkeer van werknemers.
41. Ik ben het daarom met verzoeker en de Commissie eens dat de tweede vraag van het Oberste Gerichtshof bevestigend moet worden beantwoord.
De derde vraag
42. Met zijn derde vraag wenst het Oberste Gerichtshof te vernemen of de artikelen 39, lid 2, EG en 42 EG aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen artikel 9 bis van verordening nr. 1408/71 en tegen een nationale regeling die een verlenging van de referentieperiode algemeen uitsluit voor de duur dat een rente wordt ontvangen, respectievelijk beperkt tot het geval dat aanspraak op een rente bestaat uit hoofde van de wettelijke ongevallenverzekering van de betrokken lidstaat.
43. Met deze vraag wil het Oberste Gerichtshof kennelijk in de eerste plaats weten of de artikelen 39 EG en 42 EG zich verzetten tegen een nationale regeling als die van de §§ 236, lid 3, en 234, lid 1, sub 2-b, ASVG.
44. Een leidraad voor de beantwoording van deze vraag is te vinden in het arrest Paraschi. Die zaak had betrekking op bepalingen van Duits recht inzake de toekenning van invaliditeitspensioenen. Krachtens die bepalingen werden uitkeringen wegens verminderde arbeidsgeschiktheid nog slechts toegekend wanneer de verzekerde een onder de verplichte verzekering vallende werkzaamheid had uitgeoefend en in de aan het intreden van de invaliditeit voorafgaande referentieperiode van 60 maanden ten minste 36 maandpremies had betaald. Volgens de Duitse wettelijke regeling werd de referentieperiode verlengd met niet-meetellende tijdvakken", waaronder tijdvakken waarin de betrokken persoon geen premies had betaald, onder meer wegens arbeidsongeschiktheid. Er was echter niets bepaald over verlenging van de referentieperiode wanneer zich in een andere lidstaat feiten of omstandigheden hadden voorgedaan als die welke anders tot verlenging van de referentieperiode konden leiden.
45. Het Hof heeft op de vraag naar de verenigbaarheid van deze regeling met het gemeenschapsrecht overwogen: Weliswaar is [een wettelijke regeling als thans in het hoofdgeding ter discussie staat] formeel van toepassing op iedere werknemer uit de Gemeenschap en kan zij dus leiden tot verlenging van zijn referentieperiode, doch voorzover die verlenging niet mogelijk is wanneer feiten of omstandigheden als die welke tot verlenging kunnen leiden, zich in een andere lidstaat voordoen, kan zij aanzienlijk nadeliger uitvallen voor migrerende werknemers, aangezien het vooral deze laatste zijn die, met name bij ziekte of werkloosheid, geneigd zijn naar hun land van herkomst terug te keren."
46. Op basis daarvan heeft het Hof geconcludeerd dat de artikelen [39, lid 2, EG en 42 EG] [...] er wel aan in de weg staan, dat een [nationale] wettelijke regeling, wanneer deze een verlenging van de referentieperiode op grond van bepaalde feiten of omstandigheden toestaat, die verlenging niet toestaat indien die feiten of omstandigheden zich in een andere lidstaat voordoen".
47. Ik ben het met verzoeker, de Oostenrijkse regering, de Commissie en het Oberste Gerichtshof erover eens dat deze redenering ook in de onderhavige zaak kan worden gevolgd. Bepalingen van nationaal recht - zoals de §§ 236, lid 3, en 234, lid 1, sub 2-b, ASVG - die voorzien in verlenging van een referentieperiode met tijdvakken waarin de betrokkene een pensioen wegens arbeidsongeschiktheid heeft ontvangen uit hoofde van de wettelijke regeling van de lidstaat in kwestie, met uitsluiting van pensioenen die zijn toegekend uit hoofde van de wettelijke regeling van andere lidstaten, kunnen migrerende werknemers zwaarder treffen dan personen die hun recht van vrij verkeer niet hebben uitgeoefend. Die bepalingen hebben daarom tot gevolg dat migrerende werknemers ervan worden weerhouden hun recht van vrij verkeer uit te oefenen. Bovendien is er - zoals de Oostenrijkse regering zelf erkent - geen objectieve rechtvaardiging voor de weigering om voor de verlenging van de referentieperiode tijdvakken in aanmerking te nemen waarin krachtens de wetgeving van andere lidstaten recht op pensioen bestond.
48. Ik ben derhalve van mening dat ook de derde vraag van het Oberste Gerichtshof bevestigend moet worden beantwoord.
49. Tevens vraagt het Oberste Gerichtshof of de artikelen 39 EG en 42 EG aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen artikel 9 bis van verordening 1408/71. Met deze vraag wenst het Oberste Gerichtshof kennelijk te vernemen of artikel 9 bis in strijd met de artikelen 39 EG en 42 EG en derhalve ongeldig is, voorzover het niet vereist dat voor de verlenging van de referentieperiode rekening wordt gehouden met renten die zijn toegekend uit hoofde van de wettelijke regeling van een andere lidstaat.
50. Naar mijn mening is het niet noodzakelijk dat het Hof zich in casu uitspreekt over deze kwestie, aangezien uit de in de prejudiciële beschikking weergegeven feiten duidelijk blijkt dat het antwoord op het eerste deel van de derde vraag het Oberste Gerichtshof voldoende aanknopingspunten geeft voor de beslechting van het hoofdgeding.
Aanvullende opmerkingen: de temporele werkingssfeer van de artikelen 39 EG en 42 EG
51. Hoewel de Oostenrijkse regering erkent dat de betrokken bepalingen in de onderhavige zaak, zoals tot nu toe uitgelegd door de Oostenrijkse rechterlijke instanties, in strijd zijn met de artikelen 39 EG en 42 EG, betwijfelt zij of deze verdragsbepalingen relevant zijn voor het hoofdgeding. Met verwijzing naar het arrest Tsiotras voert zij aan dat het Verdrag in Oostenrijk geen terugwerkende kracht heeft. Daarom moet onderscheid worden gemaakt tussen situaties die zich vóór respectievelijk na de inwerkingtreding op 1 januari 1994 in Oostenrijk van het gemeenschapsrecht overeenkomstig de EER-Overeenkomst hebben voorgedaan. Aangezien het aan het hoofdgeding ten grondslag liggende arbeidsongeval zich in 1968 heeft voorgedaan, zijn de bepalingen over het vrij verkeer volgens de Oostenrijkse regering ratione temporis niet van toepassing op dit geding.
52. De bepalingen van het EG-Verdrag hebben weliswaar in overeenstemming met een algemeen rechtsbeginsel geen terugwerkende kracht. Het Hof heeft echter in de arresten Österreichischer Gewerkschaftsbund en Saldanha en MTS vastgesteld dat de bepalingen van het EG-Verdrag, in overeenstemming met artikel 2 van de Toetredingsakte, rechtstreeks toepasselijk zijn vanaf de datum van toetreding en kunnen worden toegepast op de actuele gevolgen van situaties die zich vóór de toetreding hebben voorgedaan.
53. Het hoofdgeding heeft betrekking op een persoon die een pensioen wegens arbeidsongeschiktheid heeft aangevraagd met ingang van een datum die ligt na de inwerkingtreding van het Verdrag in Oostenrijk. Mijns inziens leidt de toepassing van de artikelen 39 EG en 42 EG op een dergelijke situatie niet tot toepassing met terugwerkende kracht van het Verdrag; zij komt slechts neer op de onmiddellijke toepassing van het gemeenschapsrecht op feiten die zich in het verleden hebben voorgedaan. Daar de beslissing over de vraag of een recht op een pensioen wegens arbeidsongeschiktheid bestaat, noodzakelijkerwijs gebaseerd is op feiten die zich in het verleden hebben voorgedaan, leidt de toepassing van de artikelen 39 EG en 42 EG op die beslissing op zichzelf niet tot erkenning met terugwerkende kracht van uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende rechten, in elk geval wanneer de verzoeker een pensioen pas aanvraagt met ingang van de datum waarop het gemeenschapsrecht in de betrokken lidstaat in werking is getreden. De toepassing van de artikelen 39 EG en 42 EG in dergelijke omstandigheden waarborgt enkel dat migrerende werknemers thans niet worden gediscrimineerd.
54. Voor deze opvatting kan, zoals de Commissie betoogt, steun worden gevonden in het arrest Vougioukas. Die zaak had betrekking op de weigering van de Griekse autoriteiten om voor het verkrijgen van het recht op pensioen, tijdvakken van arbeid in aanmerking te nemen die door een Grieks onderdaan vóór de toetreding van Griekenland tot de Gemeenschap waren vervuld in een andere lidstaat. Zonder de werking in de tijd van zijn arrest op welke wijze dan ook te beperken, stelde het Hof vast dat deze weigering in strijd was met de artikelen 39 EG en 42 EG voorzover migrerende werknemers daardoor konden worden benadeeld.
55. Bovendien is deze opvatting niet onverenigbaar met het arrest Tsiotras. In die zaak had een Grieks onderdaan, die vóór de toetreding van Griekenland tot de Gemeenschap in Duitsland had gewerkt, maar die op de datum van de toetreding werkloos was, daarna werkloos bleef, in Duitsland werk zocht en voor wie het objectief onmogelijk was een baan te vinden, zich op het vrij verkeer van werknemers beroepen om zijn Duitse verblijfskaart te verlengen. Het Hof stelde vast dat een verblijfsrecht niet kon worden gebaseerd op feiten die zich vóór de toetreding van Griekenland hadden voorgedaan. De grondgedachte was echter dat op het gemeenschapsrecht berustende rechten niet vóór de toetreding kunnen worden verkregen en derhalve niet na de toetreding kunnen worden erkend, wanneer de voorwaarden voor de verkrijging of het bestaan daarvan niet meer voorhanden zijn. In de onderhavige zaak ligt de situatie anders. Net als de zaak Vougioukas betreft de onderhavige zaak niet de erkenning van uit het Gemeenschapsrecht voortvloeiende rechten die vóór de toetreding zouden zijn verworven, maar de discriminerende behandeling van migrerende werknemers met het oog op hun actuele rechtspositie, die op haar beurt het gevolg is van feiten uit het verleden.
56. Daaruit volgt dat de aanspraak van een persoon als verzoeker in het hoofdgeding, die een pensioen wegens arbeidsongeschiktheid uit hoofde van het ASVG aanvraagt met ingang van een datum die ligt na de inwerkingtreding van het Verdrag in Oostenrijk, binnen de temporele werkingssfeer van de artikelen 39 EG en 42 EG valt.
Conclusie
57. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vragen van het Oberste Gerichtshof als volgt te beantwoorden:
1) De situatie van een onderdaan van een lidstaat die vóór de toetreding van die staat in loondienst werkzaam was in een andere lidstaat en daar een arbeidsongeval heeft gehad, valt binnen de werkingssfeer van verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, wanneer de betrokkene na de datum van toetreding van eerstgenoemde lidstaat een arbeidsongeschiktheidsuitkering aanvraagt en krachtens de wettelijke regeling van die staat aan het arbeidsongeval een recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering kan worden ontleend.
2) De artikelen 39 EG en 42 EG verzetten zich tegen een nationale regeling op grond waarvan een uitzondering op het vereiste van een wachttijd als voorwaarde voor het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ten gevolge van een arbeidsongeval, slechts van toepassing is wanneer het slachtoffer ten tijde van het ongeval verplicht of vrijwillig verzekerd was ingevolge de wettelijke regeling van de betrokken lidstaat.
3) De artikelen 39 EG en 42 EG verzetten zich tegen een nationale regeling die verlenging van een referentieperiode toestaat met tijdvakken waarin de betrokkene een rente uit hoofde van de wettelijke arbeidsongevallenverzekering van de betrokken lidstaat heeft ontvangen, maar die niet voorziet in de mogelijkheid tot verlenging wanneer de betrokken persoon een rente heeft ontvangen uit hoofde van de wettelijke regeling van een andere lidstaat."
Full & Egal Universal Law Academy