Conclusie van de advocaat generaal
1. In Oostenrijk is de uitoefening van het beroep van Heilpraktiker zoals dit in Duitsland bekend is, de opleiding tot Heilpraktiker evenals reclame hiervoor verboden. Het Oostenrijkse Oberste Gerichtshof, dat in het hoofdgeding dient te beoordelen of deze verboden verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, stelt het Hof twee prejudiciële vragen betreffende de uitlegging van de artikelen 43 EG en 49 EG evenals van richtlijn 92/51/EEG van de Raad betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48/EEG.
I - Rechtskader
Gemeenschapsrecht
2. Artikel 1 van richtlijn 92/51 bepaalt:
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[...]
e) ,gereglementeerd beroep: de gereglementeerde beroepsactiviteit of het geheel van gereglementeerde beroepsactiviteiten die in een lidstaat dit beroep vormen;
f) ,gereglementeerde beroepsactiviteit: een beroepsactiviteit, voorzover de toegang daartoe of de uitoefening of een van de wijzen van uitoefening daarvan in een lidstaat krachtens wettelijke of bestuurswettelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk is gesteld van het bezit van een opleidingstitel of een bekwaamheidsattest.
[...]"
3. Artikel 2 van richtlijn 92/51, het enige artikel van hoofdstuk II, Toepassingsgebied", bepaalt:
Deze richtlijn is van toepassing op alle onderdanen van een lidstaat die als zelfstandige of loontrekkende een gereglementeerd beroep in een ontvangende lidstaat willen uitoefenen.
Deze richtlijn is niet van toepassing op de beroepen die vallen onder een specifieke richtlijn waarmede tussen de lidstaten een onderlinge erkenning van diploma's is ingesteld, noch op de activiteiten die onder een van de richtlijnen in bijlage A vallen.
[...]"
4. Richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels beoogt blijkens de derde overweging van haar considerans de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrije dienstverrichting van de arts te vergemakkelijken.
5. Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt:
Elke lidstaat erkent de door de overige lidstaten aan onderdanen van lidstaten overeenkomstig artikel 23 afgegeven en in artikel 3 vermelde diploma's, certificaten en andere titels, door daaraan, met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van arts, op zijn grondgebied hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hem zelf uitgereikte diploma's, certificaten en andere titels."
Oostenrijks en Duits recht
6. In Oostenrijk is de opleiding tot werkzaamheden die onder meer zijn geregeld in het Oostenrijkse Ärztegesetz 1984 (thans Ärztegesetz 1998, wet inzake het artsenberoep, BGBl 169/1998; hierna: Ärztegesetz") overeenkomstig § 1, lid 1, van het Oostenrijkse Ausbildungsvorbehaltsgesetz (wet houdende regeling opleidingen, BGBl 378/1996; hierna: Ausbildungsvorbehaltsgesetz"), uitsluitend voorbehouden aan de daartoe bij bondswet aangewezen instellingen.
7. Volgens het Ausbildungsvorbehaltsgesetz is het aanbieden van of bemiddelen voor dergelijke opleidingen door andere personen of instellingen verboden. Poging is strafbaar. Reclame wordt als poging beschouwd. Op overtredingen staan boetes van maximaal 500 000 ATS. De wet bepaalt niet uitdrukkelijk dat in strijd ermee gesloten opleidingsovereenkomsten nietig zijn.
8. Blijkens de memorie van toelichting bij het Ausbildungsvorbehaltsgesetz (150 BlgNR 20. GP, 24) wilde de wetgever hiermee optreden tegen de activiteiten van (vooral Duitse) instellingen die zich in Oostenrijk vestigen en daar opleidingen tot Heilpraktiker (niet als arts geschoolde beoefenaar van de geneeskunde) intensief promoten. Het optreden van de wetgever was volgens de memorie van toelichting in het bijzonder met het oog op de consumentenbescherming dringend vereist.
9. Overeenkomstig § 2, lid 2, van het Ärztegesetz omvat de uitoefening van het beroep van arts elke op medisch-wetenschappelijke kennis gebaseerde werkzaamheid die rechtstreeks op de mens of indirect voor de mens wordt beoefend, met name de diagnose en de behandeling van ziektes of lichamelijke of geestelijke stoornissen.
10. Ingevolge § 3, leden 1 en 4, van het Ärztegesetz mag het beroep van arts niet worden uitgeoefend door personen die geen artsdiploma bezitten.
11. In Duitsland is het beroep van Heilpraktiker geregeld in het Duitse Heilpraktikergesetz van 17 februari 1939 (RGBl. I, blz. 251), zoals gewijzigd bij wet van 2 maart 1974 (hierna: HPrG").
12. Overeenkomstig § 1, lid 1, HPrG moet een ieder die geen houder is van een artsdiploma en die het beroep van Heilpraktiker wil uitoefenen, daarvoor toelating vragen. Volgens § 1, lid 2, HPrG wordt onder de werkzaamheid van Heilpraktiker verstaan de werkzaamheid waarbij beroepsmatig ziektes, pijn of lichamelijk letsel bij de mens worden vastgesteld, verzorgd of verlicht.
13. Overeenkomstig de relevante bepalingen van het uitvoeringsbesluit van het HPrG van 18 februari 1939 (RGBl. I, blz. 259) wordt de verzoeker tot het beroep van Heilpraktiker toegelaten, tenzij hij valt onder één van de in dit voorschrift genoemde verboden. De toelating wordt met name geweigerd aan een verzoeker die nog geen 25 jaar oud is of die niet kan aantonen met succes basisonderwijs te hebben gevolgd, of wanneer onderzoek van de kennis en de vaardigheden van de verzoeker door de gezondheidsdiensten aan het licht brengt dat de uitoefening door hem van het beroep van Heilpraktiker een gevaar voor de volksgezondheid zou opleveren.
II - Feiten en hoofdgeding
14. Deutsche Paracelsus Schulen für Naturheilverfahren GmbH (hierna: Deutsche Paracelsus Schulen") is een Duitse vennootschap die sinds ongeveer 20 jaar cursussen voor de opleiding tot Heilpraktiker aanbiedt. Zij is ook gevestigd in Oostenrijk, waar zij sinds ongeveer 10 jaar cursussen organiseert. Voor de aangeboden opleidingen werft zij met name via krantenadvertenties.
15. Naar aanleiding van een dergelijke advertentie nam Gräbner, een in Oostenrijk woonachtig Oostenrijks onderdaan, in januari 1996 contact op met Deutsche Paracelsus Schulen, waarop hij informatiebrochures en een inschrijvingsformulier ontving. Dit formulier bevat verzoeken tot inschrijving voor de eerste twee niveaus van de opleiding tot Heilpraktiker (I en II). Het geeft voor elk van de niveaus preciseringen over de inhoud van het onderwijs alsmede over een aanvullend aangeboden onderwijsprogramma op video. In dit formulier wordt er in het bijzonder voor gewaarschuwd dat het beroep van Heilpraktiker in Oostenrijk niet kan worden uitgeoefend en dat het toelatingsexamen voor dit beroep in Duitsland moet worden afgelegd.
16. Gräbner ondertekende op 20 februari 1996 een overeenkomst inzake de niveaus I en II van de opleiding en bestelde de videocassetten voor de praktische oefeningen. De kosten beliepen met inbegrip van het inschrijvingsgeld in totaal 90 390 ATS, waarvan 18 000 ATS voor het videoprogramma.
17. Gräbner heeft nadien geen contact meer gehad met Deutsche Paracelsus Schulen. Hij heeft geen gebruik gemaakt van zijn recht om binnen de voorziene termijn van een week af te zien van de inschrijving en hij heeft de aangegane verbintenissen evenmin schriftelijk opgezegd.
18. Deutsche Paracelsus Schulen heeft voor de Oostenrijkse rechter betaling van 90 390 ATS gevorderd op basis van de met Gräbner gesloten overeenkomst voor de opleiding tot Heilpraktiker. Zij betoogde dat het mogelijk zou moeten zijn reclame te maken voor een opleiding tot een beroep waarvan de uitoefening in Oostenrijk niet is toegestaan en dat ondanks het Ausbildungsvorbehaltsgesetz de opleiding tot Heilpraktiker in deze lidstaat toegestaan zou moeten zijn. Zij stelde in het bijzonder dat iedere andere uitlegging van deze wet zou indruisen tegen het gemeenschapsrecht, met name het recht op het vrij verrichten van diensten.
19. Gräbner betoogde voor de Oostenrijkse rechter met name, dat de desbetreffende overeenkomst nietig was wegens schending van het Ausbildungsvorbehaltgesetz.
20. In eerste aanleg heeft het Bezirksgericht Linz-Land Gräbner bij vonnis van 29 januari 1999 veroordeeld tot betaling van 90 390 ATS.
21. In hoger beroep heeft het Landesgericht Linz dit vonnis op 26 mei 1999 bevestigd, maar beroep tot Revision" voor het Oberste Gerichtshof toegestaan.
22. Het Oberste Gerichtshof merkt in zijn verwijzingsbeschikking op, dat volgens zijn rechtspraak een overeenkomst die een wettelijk verbod schendt, niet alleen nietig is wanneer de wet uitdrukkelijk in nietigheid voorziet, maar ook wanneer de doelstelling van het verbod dwingend vereist dat de handeling nietig is. Deze rechterlijke instantie is met name van mening dat de doelstelling van het Ausbildungsvorbehaltsgesetz de nietigheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst met zich brengt. Het Oberste Gerichtshof twijfelt evenwel aan de verenigbaarheid van deze wetgeving met het gemeenschapsrecht.
III - Prejudiciële vragen
23. Derhalve heeft de verwijzende rechter het Hof bij beschikking van 13 juli 2000 de twee volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
1. Kan een lidstaat ook na de vaststelling van inzonderheid richtlijn 92/51/EEG betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, een paramedische werkzaamheid, zoals die van een Heilpraktiker in de zin van het Duitse Heilpraktikergesetz, voorbehouden aan de houders van een artsdiploma, of druist dit voortaan in tegen met name artikel 43 EG betreffende de vrijheid van vestiging en artikel 50 EG betreffende het vrij verrichten van diensten?
2. Staan voornoemde gemeenschapsrechtelijke bepalingen in de weg aan nationale voorschriften die de opleiding tot werkzaamheden welke door rechtsvoorschriften op het vlak van de gezondheidszorg worden geregeld, voorbehouden aan de daartoe aangewezen instellingen en die het aanbieden van of bemiddelen voor dergelijke opleidingen door andere personen of instellingen alsook reclame daarvoor verbieden, ook wanneer die opleiding enkel betrekking heeft op bepaalde gebieden van het medisch beroep?
IV - Beoordeling
Eerste vraag
24. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen of een nationale bepaling waaruit volgt dat de uitoefening van de werkzaamheid van Heilpraktiker is voorbehouden aan houders van een artsdiploma, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
25. De verwijzende rechter verklaart vertrouwd te zijn met het arrest van 3 oktober 1990, Bouchoucha. Dit arrest had betrekking op vrijwel dezelfde problematiek als de onderhavige zaak, aangezien het eveneens om een paramedisch beroep ging. Het Hof oordeelde in dit arrest dat waar een communautaire definitie van ,medische werkzaamheden ontbreekt, de omschrijving van de handelingen die uitsluitend door leden van de medische stand mogen worden verricht, in beginsel tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort. Bij gebreke van een communautaire regeling van de beroepswerkzaamheid van osteopaat is elke lidstaat dus vrij, de uitoefening van die werkzaamheid op zijn grondgebied te reglementeren, mits hij daarbij niet discrimineert tussen eigen onderdanen en onderdanen van andere lidstaten".
26. Het Hof concludeert in het dictum zelf van het arrest: Bij gebreke van communautaire harmonisatie van werkzaamheden die uitsluitend onder de uitoefening van medische functies vallen, verzet artikel 52 EEG-Verdrag zich er niet tegen, dat een lidstaat een paramedische werkzaamheid, zoals met name osteopathie, voorbehoudt aan de houders van een diploma van doctor in de geneeskunde."
27. Ter ondersteuning van deze overweging, die stoelt op artikel 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG), wil ik ook attenderen op artikel 46, lid 1, EG, dat bepaalt dat de voorschriften van het hoofdstuk van het Verdrag inzake het recht van vestiging en de uit hoofde daarvan genomen maatregelen niet [afdoen] aan de toepasselijkheid van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen waarbij een bijzondere regeling is vastgesteld voor vreemdelingen welke bepalingen uit hoofde van de [...] volksgezondheid gerechtvaardigd zijn".
28. Mijns inziens kan uit deze bepaling a contrario worden afgeleid dat een regeling die is vastgesteld ter bescherming van de volksgezondheid en zonder onderscheid geldt voor alle personen die in een lidstaat zijn gevestigd of zich daar willen vestigen, niet behoeft te worden gerechtvaardigd. Dit doet geen afbreuk aan het recht van een verzoeker om de rechtvaardiging van een regeling te betwisten, en te proberen aan te tonen dat de betrokken regeling een verkapte discriminatie is, omdat zij in werkelijkheid beoogt de vestiging van buitenlanders onmogelijk te maken of zeer te bemoeilijken. Hoe een dergelijk betoog in een geval als het onderhavige, waarin ook de onderdanen van de lidstaat zelf het beroep niet mogen uitoefenen, zou kunnen slagen, is mij echter niet duidelijk.
29. Overigens attendeer ik in dit verband ook op de overwegingen van artikel 47, lid 3, EG, die, ook al noemt het Hof dit artikel niet uitdrukkelijk, ten grondslag liggen aan het arrest Bouchoucha. Dit bepaalt: Wat de geneeskundige, paramedische en farmaceutische beroepen betreft, is de geleidelijke opheffing van de beperkingen afhankelijk van de coördinatie van de voorwaarden waaronder zij in de verschillende lidstaten worden uitgeoefend."
30. Dit betekent dat de geleidelijke opheffing van de beperkingen voor de geneeskundige, paramedische en farmaceutische beroepen afhankelijk is van een voorwaarde die voor de andere beroepen niet bestaat.
31. In mijn ogen is het arrest Bouchoucha derhalve een bruikbaar uitgangspunt om het probleem dat hier aan de orde is, op te lossen.
32. De verwijzende rechter vraagt zich echter af of richtlijn 92/51, die pas na de uitspraak van het arrest Bouchoucha is vastgesteld, of een andere bepaling van het gemeenschapsrecht de juridische situatie op dit gebied niet heeft gewijzigd.
33. Deutsche Paracelsus Schulen stelt in dit verband, dat richtlijn 92/51 van toepassing is op het beroep van Heilpraktiker. Wie in een bepaalde lidstaat tot het beroep van Heilpraktiker is toegelaten, zou dus ook in alle andere lidstaten tot dat beroep moeten worden toegelaten.
34. Evenals Gräbner, de Oostenrijkse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie ben ik echter van mening, dat bij aandachtige lezing van richtlijn 92/51 blijkt dat deze geen invloed kan hebben op de uitkomst van het hoofdgeding.
35. Volgens artikel 2 van richtlijn 92/51 is deze immers van toepassing op alle onderdanen van een lidstaat die als zelfstandige of loontrekkende een gereglementeerd beroep in een ontvangende lidstaat willen uitoefenen". De partijen benadrukken terecht dat het beroep van Heilpraktiker in Oostenrijk, de ontvangende lidstaat, niet gereglementeerd is. Het is er eenvoudigweg verboden. Dit betekent dat richtlijn 92/51 niet van toepassing is.
36. Deutsche Paracelsus Schulen meent echter dat het gemeenschapsrecht het begrip verboden beroep" niet kent en alleen onderscheidt tussen gereglementeerde en niet-gereglementeerde beroepen. Aangezien er voor het beroep van Heilpraktiker in Oostenrijk een regeling is, ook al bestaat deze in een verbod, dient dit beroep volgens Deutsche Paracelsus Schulen als een gereglementeerd beroep in de zin van richtlijn 92/51 te worden beschouwd.
37. Deze argumentatie houdt mijns inziens geen steek.
38. Artikel 1, sub e, van richtlijn 92/51 definieert het begrip gereglementeerd beroep" immers als de gereglementeerde beroepsactiviteit of het geheel van gereglementeerde beroepsactiviteiten die in een lidstaat dit beroep vormen".
39. Artikel 1, sub f, van richtlijn 92/51 omschrijft het begrip gereglementeerde beroepsactiviteit" als een beroepsactiviteit, voorzover de toegang daartoe of de uitoefening of een van de wijzen van uitoefening daarvan in een lidstaat krachtens wettelijke of bestuurswettelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk is gesteld van het bezit van een opleidingstitel of een bekwaamheidsattest".
40. Bovendien heeft het Hof bij de uitlegging van vrijwel identieke voorschriften van richtlijn 89/45/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, reeds vastgesteld dat onder gereglementeerd beroep een beroepsactiviteit moet worden verstaan die, wat de toegang tot of de uitoefening ervan betreft, direct of indirect wordt geregeld door rechtsvoorschriften, te weten wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen".
41. Uit deze definities volgt, dat onder gereglementeerd beroep een beroep moet worden verstaan dat principieel is toegestaan, maar dat met betrekking tot de toegang of de uitoefening onderhevig is aan bepaalde, door de autoriteiten van de lidstaten geformuleerde voorwaarden. Een verboden beroep is derhalve geen gereglementeerd beroep in de zin van richtlijn 92/51.
42. De opvatting van Deutsche Paracelsus Schulen, dat uit het feit dat richtlijn 92/51 van toepassing is op het beroep van Heilpraktiker, kan worden afgeleid dat wie in één lidstaat tot het beroep van Heilpraktiker is toegelaten, ook in alle andere lidstaten tot dat beroep moet worden toegelaten, staat mijns inziens haaks op het doel van de communautaire regelgeving inzake onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels, waarvan richtlijn 92/51 deel uitmaakt.
43. Dit doel bestaat er immers in, dat een lidstaat de door een andere lidstaat uitgereikte opleidingstitels erkent die gelijkwaardig zijn aan de door hem zelf uitgereikte opleidingstitels. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de tweede overweging van de considerans van richtlijn 92/51, die bepaalt dat elke ontvangende lidstaat waar een beroep is gereglementeerd, [...] verplicht is rekening te houden met in een andere lidstaat verworven kwalificaties en na te gaan of die met de door hem geëiste kwalificaties overeenstemmen."
44. Inherent aan de communautaire regelgeving inzake onderlinge erkenning is dus, dat zij de door de lidstaten uitgereikte opleidingstitels eerbiedigt en tegelijkertijd van de lidstaten onderling dezelfde eerbiediging in de vorm van de erkenning van gelijkwaardige opleidingstitels verlangt. Wanneer een lidstaat verplicht zou worden op zijn grondgebied de uitoefening toe te staan van een activiteit die hij zelf meende te moeten verbieden, dan druist dit in mijn ogen lijnrecht in tegen de idee van wederzijdse eerbiediging die ten grondslag ligt aan de regelgeving inzake onderlinge erkenning.
45. Volledigheidshalve wil ik hieraan toevoegen dat, zelfs in het hypothetische geval dat het beroep van Heilpraktiker in Duitsland zou moeten worden beschouwd als gereglementeerd" in Oostenrijk, in die zin dat dit soort werkzaamheden in deze laatste lidstaat wordt beschouwd als werkzaamheden die tot het beroep van arts horen, richtlijn 92/51 niet van toepassing is.
46. De onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels voor artsen is immers geregeld bij richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels. Daardoor valt deze materie buiten het toepassingsgebied van richtlijn 92/51, waarvan artikel 2, lid 2, bepaalt dat zij niet van toepassing [is] op de beroepen die vallen onder een specifieke richtlijn waarmede tussen de lidstaten een onderlinge erkenning van diploma's is ingesteld".
47. Uit al het voorgaande concludeer ik dat richtlijn 92/51 niet van toepassing is op het probleem dat hier aan de orde is.
48. Mijns inziens zijn er ook na dit arrest geen andere bepalingen van gemeenschapsrecht vastgesteld die afbreuk zouden kunnen doen aan deze conclusie. Alleen richtlijn 93/16 zou in dit verband kunnen worden aangevoerd. Maar net als de Commissie constateer ik dat het in deze zaak niet om de erkenning van een diploma van arts gaat. Deze richtlijn speelt derhalve geen rol.
49. Subsidiair geeft Deutsche Paracelsus Schulen echter het volgende in overweging: Mochten de omstandigheden die ten grondslag lagen aan het arrest in de zaak Bouchoucha (dat wil zeggen ,gebrek aan communautaire harmonisatie van werkzaamheden die uitsluitend onder de uitoefening van medische functies vallen) zich nog steeds voordoen, dan zou tenminste moeten worden erkend dat lidstaten het recht op vrije dienstverrichting belemmeren respectievelijk onmogelijk maken door bepaalde activiteiten die een persoon die geen arts is in een andere lidstaat mag uitoefenen, voor te behouden aan artsen."
50. Meer in het bijzonder stelt Deutsche Paracelsus Schulen onder verwijzing naar het arrest van 9 maart 1999, Centros, dat nationale maatregelen die de uitoefening van de in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden kunnen belemmeren of minder aantrekkelijk kunnen maken, aan vier voorwaarden moeten voldoen: zij moeten zonder discriminatie worden toegepast, hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang, geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaan dan voor de bereiking van dat doel noodzakelijk is.
51. Hoe moet dit argument worden beoordeeld?
52. Het arrest Centros herhaalt in dit verband alleen maar de rechtspraak van het Hof in de arresten van 31 maart 1993, Kraus, 30 november 1995, Gebhard, en 4 juli 2000, Haim. Deze arresten dateren van na het voornoemde arrest Bouchoucha.
53. De vier voorwaarden worden bovendien herhaald in het arrest van 1 februari 2001, Mac Quen e.a., dat betrekking heeft op een nationale regeling die bepaalde optische onderzoeken voorbehoudt aan artsen, en opticiens verbiedt ze te verrichten, en dus op een situatie die vrij veel gelijkenis vertoont met de zaak Bouchoucha en de onderhavige zaak. In dit arrest merkte het Hof eerst op dat een van de partijen in het hoofdgeding ter onderbouwing van zijn standpunt had gesteld, dat het Hof in het arrest Bouchoucha heeft erkend dat bij gebreke van een communautaire regeling van de activiteiten van een osteopaat, elke lidstaat vrij is de uitoefening van deze werkzaamheid op zijn grondgebied te reglementeren, mits hij daarbij niet discrimineert tussen eigen onderdanen en onderdanen van andere lidstaten, en dat op het hoofdgeding dezelfde overwegingen van toepassing waren.
54. Het Hof redeneerde als volgt:
Hoewel de lidstaten, bij gebreke van harmonisatie van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde activiteiten, in principe bevoegd blijven om de uitoefening van deze activiteiten te regelen, neemt dit niet weg dat zij hun bevoegdheden ter zake moeten uitoefenen met inachtneming van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden (zie arresten van 29 oktober 1998, De Castro Freitas en Escallier, C-193/97 en C-194/97, Jurispr. blz. I-6747, punt 23, en 3 oktober 2000, Corsten, C-58/98, Jurispr. blz. I-7919, punt 31).
Volgens artikel 52, tweede alinea, van het Verdrag wordt de vrijheid van vestiging uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld. Hieruit volgt, dat wanneer de toegang tot of de uitoefening van een specifieke werkzaamheid in de lidstaat van ontvangst is geregeld, de onderdaan van een andere lidstaat die deze werkzaamheid wenst uit te oefenen, in beginsel aan de voorwaarden van die regeling dient te voldoen (arrest van 30 november 1995, Gebhard, C-55/94, Jurispr. blz. I-4165, punt 36).
Uit de rechtspraak van het Hof volgt evenwel, dat nationale maatregelen die de uitoefening van de in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden kunnen belemmeren of minder aantrekkelijk kunnen maken, slechts gerechtvaardigd kunnen zijn wanneer zij aan vier voorwaarden voldoen [...]"
55. Bij deze redenering wil ik een aantal kanttekeningen plaatsen. Het lijdt geen twijfel dat de lidstaten hun bevoegdheden op het gebied van de medische activiteiten met inachtneming van de in het Verdrag verankerde fundamentele vrijheden dienen uit te oefenen, maar hierbij kan het alleen maar gaan om de fundamentele vrijheden zoals die door het Verdrag daadwerkelijk worden gewaarborgd.
56. Het Verdrag bepaalt echter dat het recht van vestiging wordt uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld". Bovendien is volgens artikel 47, lid 3, EG de geleidelijke opheffing van de beperkingen, wat de geneeskundige, paramedische en farmaceutische beroepen betreft, afhankelijk van de coördinatie van de voorwaarden waaronder zij in de verschillende lidstaten worden uitgeoefend.
57. Naast de genoemde bepalingen, die concreet de inhoud of de omvang vastleggen van de recht van vestiging" genoemde fundamentele vrijheid die het Verdrag wil waarborgen, kan er derhalve op geneeskundig en paramedisch gebied geen ongeschreven regel bestaan volgens welke iedere nationale regeling die bepalingen bevat die in de lidstaat van herkomst van een persoon die zich in een andere lidstaat wil vestigen, niet bestaan, automatisch een beperking" schept die slechts aanvaardbaar is wanneer zij haar rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang". Een dergelijke rechtvaardiging zou dus niet moeten worden verlangd. Ik deel derhalve de opvatting dat artikel 43 EG indirecte en directe discriminatie verbiedt, maar een lidstaat niet principieel het recht ontzegt een strengere regeling te hebben dan een andere, en hem dus niet verplicht deze beperking" te rechtvaardigen. Deze regeling kan overigens minder streng blijken te zijn dan die van sommige andere lidstaten, hetgeen, indien men deze redenering consequent voortzet, zou betekenen dat slechts de minst strenge regeling verenigbaar is met het Verdrag. Artikel 47, lid 3, EG streeft echter beslist niet naar een dergelijke automatische harmonisatie op basis van de kleinste gemene deler.
58. In elk geval blijkt echter dat, zelfs wanneer de vier voornoemde voorwaarden op het onderhavige geval worden toegepast, moet worden geconcludeerd dat Oostenrijk de werkzaamheden die in Duitsland door Heilpraktiker worden uitgeoefend, mag voorbehouden aan artsen.
59. Geen van de partijen betwist dat de regel dat alleen artsen de betrokken activiteiten mogen uitoefenen, van toepassing is ongeacht de nationaliteit en de lidstaat van vestiging van de personen tot wie zij gericht is.
60. Met betrekking tot de tweede en de derde voorwaarde lijkt deze regel mij te worden gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang, die verband houdt met de bescherming van de volksgezondheid. Zij leent zich er ook toe de verwezenlijking van dit doel te waarborgen. Hier kan worden verwezen naar het arrest Mac Quen e.a., reeds aangehaald, dat de volgende overwegingen bevat die mijns inziens volledig van toepassing zijn op het probleem dat hier aan de orde is:
Wat vervolgens de vraag betreft, of dwingende redenen van algemeen belang de uit het litigieuze verbod voortvloeiende belemmering van de vrijheid van vestiging kunnen rechtvaardigen, zij eraan herinnerd, dat de bescherming van de volksgezondheid één van de redenen is die krachtens artikel 56, lid 1, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 46, lid 1, EG) uit een bijzondere regeling voor vreemdelingen voortvloeiende belemmeringen kunnen rechtvaardigen. De bescherming van de volksgezondheid kan dus in beginsel ook nationale maatregelen rechtvaardigen die zonder onderscheid van toepassing zijn, zoals in de onderhavige zaak het geval is.
Het belang van de bescherming van de volksgezondheid blijkt ook hieruit, dat volgens artikel 3, sub o, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, lid 1, sub p, EG), het optreden van de Gemeenschap onder de voorwaarden en volgens het tijdschema waarin het Verdrag voorziet, een bijdrage tot het verwezenlijken van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid omvat.
Welnu, de keuze van een lidstaat om het recht om een objectief onderzoek van het gezichtsvermogen van de patiënten uit te voeren met behulp van geavanceerde instrumenten om de intra-oculaire druk te meten, het gezichtsveld te bepalen of de staat van het netvlies te onderzoeken, alleen toe te kennen aan een categorie beroepsmensen die over specifieke kwalificaties beschikken, zoals oogartsen, kan worden beschouwd als een passend middel om de verwezenlijking van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid te waarborgen."
61. Dat is noodzakelijk ook het geval wanneer een lidstaat werkzaamheden die in een andere lidstaat door Heilpraktiker worden uitgeoefend, voorbehoudt aan artsen.
62. Tenslotte ben ik, ten aanzien van de vierde voorwaarde, van mening dat de betrokken Oostenrijkse regeling niet verder gaat dan noodzakelijk is om het beoogde doel, namelijk de bescherming van de volksgezondheid, te bereiken.
63. Het loutere feit dat Duitsland het beroep van Heilpraktiker erkent, bewijst niet dat de Oostenrijkse regeling onevenredig is. Het Hof besliste immers ook in zijn arrest Mac Quen e.a.: [...] dat het feit dat in de ene lidstaat minder strikte bepalingen gelden dan in de andere, op zich niet betekent dat de in laatstbedoelde lidstaat geldende bepalingen onevenredig zijn en derhalve onverenigbaar met het gemeenschapsrecht (arrest van 10 mei 1995, Alpine Investments, C-384/93, Jurispr. blz. I-1141, punt 51, en 12 december 1996, Reisebüro Broede, C-3/95, Jurispr. blz. I-6511, punt 42).
De enkele omstandigheid dat de ene lidstaat voor een ander stelsel van bescherming heeft gekozen dan de andere, kan namelijk niet van invloed zijn op de beoordeling van de noodzaak en de evenredigheid van de terzake getroffen regelingen (arrest van 21 oktober 1999, Zenatti, C-67/98, Jurispr. blz. I-7289, punt 34)."
64. Dat het Oostenrijkse recht volgens Deutsche Paracelsus Schulen verschillende werkzaamheden die de gezondheid in ruime zin betreffen (bijvoorbeeld het bieden van bijstand" voor het bereiken van een fysiek of energetisch evenwicht dan wel het beroep van sociaal en levensadviseur") op eenvoudige verklaring toelaat, bewijst tenslotte evenmin dat de Oostenrijkse regeling onevenredig is. Er is namelijk niet aangetoond dat deze werkzaamheden in Oostenrijk tot het beroep van arts behoren en dus vergelijkbaar zijn met de door een Heilpraktiker uitgeoefende activiteiten.
65. Ook het argument van Deutsche Paracelsus Schulen, dat de onevenredigheid zou blijken uit het feit dat patiënten uit aan Duitsland grenzende Oostenrijkse deelstaten gebruik maken van de diensten van in Beieren gevestigde Heilpraktiker, zonder dat de gezondheidssituatie in deze deelstaten in vergelijking met de rest van Oostenrijk nadelig zou worden beïnvloed, kan niet worden aanvaard.
66. Los van het feit dat het hierbij gaat om een bewering van Deutsche Paracelsus Schulen die zij niet bewijst en die zij niet eens met concrete gegevens onderbouwt, kan immers niet worden gesteld dat een maatregel slechts dan in de juiste verhouding tot het doel van bescherming van de volksgezondheid staat, wanneer zij de bevolking tegen gevaren of ongunstige invloeden op de gezondheidssituatie beschermt. Een maatregel kan ook dan evenredig zijn, wanneer hij een positieve bijdrage aan de bescherming van de volksgezondheid levert door, zoals in onderhavig geval, een bijkomende garantie voor de gezondheid te bieden die voortvloeit uit de regel dat bepaalde handelingen alleen mogen worden verricht door personen die een verdergaande opleiding hebben genoten dan Heilpraktiker.
67. Om dezelfde reden kan mijns inziens niet worden verlangd, zoals Deutsche Paracelsus Schulen stelt, dat een lidstaat, hier Oostenrijk, er bij zijn besluiten rekening mee houdt dat de werkzaamheden van Heilpraktiker in een andere lidstaat, hier Duitsland, positief worden beoordeeld. Het gaat immers niet om de vraag of Heilpraktiker goede of slechte resultaten bereiken, maar om de vraag of het onevenredig is dat een lidstaat in het belang van de volksgezondheid de uitoefening van bepaalde activiteiten voorbehoudt aan houders van een artsdiploma.
68. Zo geformuleerd dient de vraag, zoals de Commissie in overweging geeft, als volgt te worden beantwoord: Daar niet is gebleken van een minder vergaande maatregel dan het verbod op uitoefening van de werkzaamheid, dient dit verbod als een noodzakelijke maatregel ter verwezenlijking van het nagestreefde doel te worden beschouwd. Het evenredigheidsbeginsel wordt geëerbiedigd."
69. Ik acht het verbod op de uitoefening van het beroep van Heilpraktiker dus verenigbaar met artikel 43 EG, dat de vrijheid van vestiging regelt. Er is overigens geen reden om aan te nemen dat de analyse anders zou zijn met betrekking tot artikel 49 EG, dat het vrij verrichten van diensten betreft.
70. Mitsdien geef ik in overweging aan de verwijzende rechter te antwoorden, dat de artikelen 43 EG en 49 EG een lidstaat niet beletten de uitoefening van een paramedische werkzaamheid als die van Heilpraktiker" in de zin van het Duitse Heilpraktikergesetz (RGBl. I 251/1939), voor te behouden aan houders van een artsdiploma.
Tweede vraag
71. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het gemeenschapsrecht in de weg staat aan nationale voorschriften die de opleiding tot werkzaamheden die door rechtsvoorschriften op het vlak van de gezondheidszorg worden geregeld, voorbehouden aan de daartoe aangewezen instellingen en die het aanbieden van of bemiddelen voor dergelijke opleidingen door andere personen of instellingen alsook reclame daarvoor verbieden, ook wanneer die opleiding enkel betrekking heeft op bepaalde gebieden van het medisch beroep. In wezen vraagt de nationale rechterlijke instantie dus of een lidstaat op zijn grondgebied de opleiding tot Heilpraktiker en reclame voor een dergelijke opleiding mag verbieden.
72. Deutsche Paracelsus Schulen is van mening dat dit verbod indruist tegen het gemeenschapsrecht, terwijl Gräbner, de Oostenrijkse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk van het tegendeel overtuigd zijn. Volgens de Commissie moet een onderscheid worden gemaakt tussen de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten. Het verbod zou geoorloofd zijn krachtens artikel 43 EG, maar niet krachtens artikel 49 EG.
73. Gezien de wijze waarop de verwijzende rechter deze vraag heeft geformuleerd, lijkt het mij zinvol een onderscheid te maken tussen het verbod om in Oostenrijk Heilpraktiker op te leiden en het verbod op reclame voor een dergelijke opleiding.
Verbod om in Oostenrijk Heilpraktiker op te leiden
74. § 1 van het Oostenrijkse Ausbildungsvorbehaltsgesetz bepaalt dat de opleiding tot werkzaamheden die zijn geregeld in het Bundesgesetz über die Ausübung des ärztlichen Berufes und die Standesvertretung der Ärzte, uitsluitend is voorbehouden aan de daartoe bij bondswet aangewezen instellingen. Tevens is het aanbieden van of bemiddelen voor dergelijke opleidingen door andere personen of instellingen verboden.
75. Hieruit volgt dat het verbod om opleidingen tot Heilpraktiker aan te bieden, een algemene strekking heeft en derhalve zowel van toepassing is op opleidingen die worden verstrekt door een in een andere lidstaat dan Oostenrijk gevestigde instelling die zich in Oostenrijk wil vestigen als op die welke worden georganiseerd door een in een andere lidstaat gevestigde instelling die in Oostenrijk een dienst wil aanbieden die betrekking heeft op een dergelijke opleiding. Het lijkt derhalve nuttig de vraag van de verwijzende rechter, zoals de Commissie voorstelt, zowel vanuit het oogpunt van de vrijheid van vestiging als vanuit het oogpunt van het vrij verrichten van diensten te onderzoeken.
76. Zoals bekend, behelst de vrijheid van vestiging volgens artikel 43 EG de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan [...] overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld", en volgt uit artikel 46, lid 1, EG dat een lidstaat wetgeving slechts dan behoeft te rechtvaardigen wanneer hij een bijzondere regeling voor vreemdelingen vaststelt. Een particulier kan ten hoogste proberen aan te tonen dat een zonder onderscheid toepasselijke regeling een verkapte discriminatie is.
77. Aangezien het in het onderhavige geval om onderwijs of beroepsopleiding gaat, wijs ik tevens op het bepaalde in de artikelen 149, lid 1, en 150, lid 1, EG: De Gemeenschap draagt bij tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig door hun activiteiten te ondersteunen en aan te vullen, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud van het onderwijs en de opzet van het onderwijsstelsel [...]" en: De Gemeenschap legt inzake beroepsopleiding een beleid ten uitvoer waardoor de activiteiten van de lidstaten worden versterkt en aangevuld, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud en de opzet van de beroepsopleiding."
78. Artikel 149, lid 4, en artikel 150, lid 4, bepalen voorts: [De Raad neemt] stimuleringsmaatregelen aan, met uitsluiting van harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten" en: De Raad neemt [...] maatregelen aan die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel, met uitsluiting van harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijk bepalingen van de lidstaten."
79. Dit betekent dat de instellingen van de Gemeenschap geen maatregelen mogen nemen die rechtstreeks gericht zijn op harmonisatie van de inhoud van het onderwijs of de beroepsopleiding in een lidstaat dan wel van de organisatie van hun onderwijsstelsel in het algemeen of hun beroepsopleiding in het bijzonder.
80. De bepalingen op het gebied van de vrijheid van vestiging mogen mijns inziens echter niet aldus worden uitgelegd, dat zij indirect de zin van de artikelen 149 EG en 150 EG ondermijnen.
81. Dit zou het geval zijn indien Oostenrijk zou worden verplicht, op zijn grondgebied uit een andere lidstaat afkomstige instellingen toe te laten die een opleiding tot Heilpraktiker aanbieden. Dan zou het voor Oostenrijk zeer moeilijk worden om zijn eigen onderdanen te verbieden instellingen op te richten die dezelfde opleiding verzorgen. In elk geval zou hierdoor afbreuk worden gedaan aan de op de voornoemde bepalingen stoelende bevoegdheid van Oostenrijk om de inhoud en de organisatie van de op zijn grondgebied verstrekte opleidingen vrij te bepalen.
82. Maar ook wanneer men deze op een tekstuele analyse gebaseerde overwegingen buiten beschouwing laat en het in de Oostenrijkse wet neergelegde verbod dus alleen toetst aan de hand van de rechtspraak van het Hof, bepalende dat nationale maatregelen die de uitoefening van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden kunnen belemmeren of minder aantrekkelijk maken, moeten voldoen aan de reeds onderzochte voorwaarden, dient het verbod om Heilpraktiker op te leiden, zoals dit in Oostenrijk bestaat, mijns inziens te worden toegelaten.
83. Deutsche Paracelsus Schulen is van mening dat in het onderhavige geval niet aan de voornoemde voorwaarden is voldaan. Zij stelt in het bijzonder dat het opleidingsverbod slechts dan rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang, wanneer het gaat om een beroep dat dermate aanstootgevend en/of gevaarlijk is, dat het indruist tegen de openbare orde en het gerechtvaardigd lijkt het kwaad bij de wortel uit te roeien".
84. Ik ben het met Deutsche Paracelsus Schulen eens, dat een verbod om Heilpraktiker op te leiden, niet automatisch wordt gerechtvaardigd door het feit dat de uitoefening van het beroep van Heilpraktiker verboden is. Overeenkomstig de rechtspraak moet immers worden onderzocht of het verbod op het aanbieden van de opleiding zelf zijn rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang.
85. Dit is echter in mijn ogen hier het geval. Ik schaar mij achter de Commissie, die stelt dat het vestigingsverbod voor de betwiste opleidingscentra op Oostenrijks grondgebied niet alleen gerechtvaardigd lijkt door overwegingen van preventieve gezondheidsbescherming, maar ook door het streven van de wetgever naar coherentie tegenover de consument en de bevolking in haar geheel.
86. De Commissie heeft ter terechtzitting tevens benadrukt dat de vrije opleiding tot Heilpraktiker in Oostenrijk personen ertoe zou kunnen aanzetten, ondanks het verbod het beroep van Heilpraktiker uit te oefenen. Wanneer de opleiding tot Heilpraktiker in Oostenrijk vrijwel overal vrijelijk zou worden aangeboden, terwijl de uitoefening van dat beroep in deze lidstaat is verboden, dan kan er terecht van worden uitgegaan dat er verwarring zou ontstaan, en het besef van de bevolking dat de uitoefening van dit beroep verboden is, zou verminderen. De betrokken personen zouden kunnen denken: als ik het beroep kan leren, zal het toch ook niet zo erg zijn als ik het uitoefen."
87. Ik ben derhalve van mening dat het verbod om Heilpraktiker op te leiden, op zich gerechtvaardigd is doordat het beoogt te voorkomen dat de geloofwaardigheid van het verbod om dit beroep uit te oefenen, wordt ondermijnd. Dit is in mijn ogen een dwingende reden van algemeen belang. Want wanneer een verbod zoals dat om het beroep van Heilpraktiker uit te oefenen, geldig is, dan mag de lidstaat niet de mogelijkheid worden ontnomen om dit verbod op coherente en geloofwaardige wijze op te leggen.
88. Voor het overige ben ik net als de Commissie van mening dat niet is gebleken van een minder vergaande maatregel dan het algemene vestigingsverbod. In het bijzonder zou de door de opleidingsinstellingen verstrekte precisering dat het beroep van Heilpraktiker in Oostenrijk niet mag worden uitgeoefend, volgens mij de verwarring niet kunnen voorkomen. Deze zou immers voortvloeien uit de contradictie tussen het verbod om het beroep van Heilpraktiker uit te oefenen, enerzijds, en de toelating om dit beroep te leren, anderzijds. De vermelde precisering zou deze contradictie niet wegnemen, maar er enkel de aandacht op vestigen.
89. Ik ben derhalve van opvatting dat de vrijheid van vestiging niet wordt belemmerd door een verbod om Heilpraktiker op te leiden, zoals dit in Oostenrijk bestaat.
90. Ten aanzien van het vrij verrichten van diensten stelt de Commissie, dat het verbod op het aanbieden van een opleiding tot Heilpraktiker in het buitenland, en op het verspreiden van reclame daarvoor die de consument er van meet af aan over inlicht dat het betrokken beroep in Oostenrijk niet kan worden uitgeoefend, noch ter bescherming van de volksgezondheid noch ter bescherming van de consument noodzakelijk lijkt. Een dergelijk verbod druist in tegen het evenredigheidsbeginsel en is derhalve niet gerechtvaardigd.
91. Uit het voorgaande blijkt echter dat de Commissie zich in het kader van haar argumentatie inzake het vrij verrichten van diensten uitspreekt over de mogelijkheid dat in Oostenrijk reclame wordt gemaakt voor een in het buitenland aangeboden opleiding tot Heilpraktiker - op dit vraagstuk zal ik later ingaan - veeleer dan over de vraag of het gemeenschapsrecht zich ertegen verzet dat een lidstaat verbiedt dat een in het buitenland gevestigde instelling op zijn grondgebied diensten verricht die betrekking hebben op de opleiding tot Heilpraktiker.
92. Bij de behandeling van deze laatste vraag dient echter rekening te worden gehouden met de formulering van de tweede prejudiciële vraag, die om toetsing in het licht van artikel 43 EG en artikel 49 EG verzoekt, en met de ter terechtzitting verstrekte informatie dat in Oostenrijk lessen zouden kunnen worden gegeven in de vorm van reizende" seminars.
93. Mijns inziens is echter ten aanzien van het verbod voor buiten Oostenrijk gevestigde instellingen om in Oostenrijk de opleiding tot Heilpraktiker in de vorm van diensten aan te bieden, voldaan aan de vier voorwaarden die ook op het vlak van het vrij verrichten van diensten gelden.
94. De tegenstrijdige situatie die verwarring sticht en dus het bewustzijn dat de uitoefening van het beroep van Heilpraktiker verboden is, ondermijnt, zou bestaan zodra de opleiding tot Heilpraktiker in Oostenrijk zou worden aangeboden. Het speelt in dit verband geen rol of de opleiding wordt verstrekt door een in Oostenrijk gevestigde instelling dan wel door een instelling in een andere lidstaat die de opleiding in vorm van een dienst in Oostenrijk aanbiedt.
95. Derhalve ben ik van mening dat een verbod om Heilpraktiker op te leiden, zoals dit in Oostenrijk bestaat, ook uit het oogpunt van het vrij verrichten van diensten geldig is.
Verbod op reclame voor de opleiding tot Heilpraktiker
96. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter ook te vernemen of de artikelen 43 EG en 49 EG zich verzetten tegen een verbod op het maken van reclame voor een opleiding tot Heilpraktiker, zoals dat in het Oostenrijkse recht bestaat.
97. Ten eerste zal ik de omvang van het verbod op reclame voor de opleiding tot Heilpraktiker onderzoeken.
98. Wanneer alleen reclame voor een opleiding tot Heilpraktiker die in Oostenrijk wordt aangeboden, verboden is, dan valt noch overeenkomstig artikel 43 EG, noch overeenkomstig artikel 49 EG iets op dit verbod aan te merken. Aangezien de opleiding tot Heilpraktiker in Oostenrijk is verboden, is het immers niet meer dan logisch dat reclame voor een dergelijke opleiding eveneens verboden is. Dergelijke reclame zou overigens volstrekt zinloos zijn, aangezien zij klanten zou werven voor iets dat niet mag plaatsvinden.
99. Een geheel andere vraag is of reclame voor een opleiding tot Heilpraktiker die in het buitenland wordt aangeboden, in Oostenrijk verboden is. Desgevraagd heeft de Oostenrijkse regering het Hof geantwoord dat het Oostenrijkse Ausbildungsvorbehaltsgesetz dergelijke reclame niet verbiedt.
100. Alhoewel het aan de verwijzende rechter staat de Oostenrijkse wet op dit punt uit te leggen, lijkt de verklaring van de Oostenrijkse regering mij overtuigend. De wet verbiedt namelijk in § 1, lid 2, nadrukkelijk het maken van reclame voor de activiteit die zij in § 1, lid 1, verbiedt. Ik acht het volledig uitgesloten dat de Oostenrijkse wetgever de in het buitenland aangeboden opleidingen tot Heilpraktiker zou hebben willen verbieden.
101. Aangezien reclame voor een in het buitenland aangeboden opleiding tot Heilpraktiker dus blijkbaar niet is verboden, is het gemeenschapsrecht niet in het geding.
102. In het puur hypothetische geval dat de verwijzende rechter desalniettemin mocht concluderen dat de Oostenrijkse wet reclame in Oostenrijk voor in het buitenland aangeboden opleidingen tot Heilpraktiker verbiedt, dan meen ik net als de Commissie dat een dergelijk verbod zou indruisen tegen artikel 49 EG.
103. Dergelijke reclame zou noch een bedreiging vormen voor de Oostenrijkse gezondheidszorg, noch, door het feit dat zij wordt gemaakt door buitenlandse instellingen voor een in het buitenland aangeboden opleiding, bij de bevolking verwarring stichten ten aanzien van het verbod om het beroep van Heilpraktiker in Oostenrijk uit te oefenen.
104. In het belang van de consument mag de lidstaat volgens mij echter eisen dat in de reclame wordt gepreciseerd dat het beroep van Heilpraktiker op zijn grondgebied niet mag worden uitgeoefend.
105. Mitsdien geef ik in overweging op de tweede vraag te antwoorden, dat de artikelen 43 EG en 49 EG niet in de weg staan aan een nationale regeling die de op het grondgebied van de lidstaat verstrekte opleiding tot werkzaamheden die door rechtsvoorschriften op het vlak van de gezondheidszorg worden geregeld, voorbehoudt aan de daartoe aangewezen instellingen en die het aanbieden van of bemiddelen voor dergelijke opleidingen door andere personen of instellingen alsook reclame daarvoor verbiedt, ook wanneer die opleiding enkel betrekking heeft op bepaalde gebieden van het medisch beroep. Daarentegen belet artikel 49 EG een lidstaat reclame voor een dergelijke in een andere lidstaat aangeboden opleiding te verbieden, voorzover deze reclame het publiek erop attent maakt dat de uitoefening van het beroep waarop de reclame betrekking heeft, op het grondgebied van de eerste lidstaat verboden is.
V - Conclusie
106. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de verwijzende rechter het volgende antwoord te geven:
- De artikelen 43 EG en 49 EG beletten een lidstaat niet de uitoefening van een paramedische werkzaamheid als die van Heilpraktiker" in de zin van het Duitse Heilpraktikergesetz (RGBl. I 251/1939), voor te behouden aan houders van een artsdiploma.
- De artikelen 43 EG en 49 EG staan niet in de weg aan een nationale regeling die de op het grondgebied van de lidstaat verstrekte opleiding tot werkzaamheden welke door rechtsvoorschriften op het vlak van de gezondheidszorg worden geregeld, voorbehoudt aan de daartoe aangewezen instellingen en die het aanbieden van of bemiddelen voor dergelijke opleidingen door andere personen of instellingen alsook reclame daarvoor verbiedt, ook wanneer die opleiding enkel betrekking heeft op bepaalde gebieden van het medisch beroep. Daarentegen belet artikel 49 EG een lidstaat reclame voor een dergelijke in een andere lidstaat aangeboden opleiding te verbieden, voorzover deze reclame het publiek erop attent maakt dat de uitoefening van het beroep waarop de reclame betrekking heeft, op het grondgebied van de eerste lidstaat verboden is.
Full & Egal Universal Law Academy