Conclusie van de advocaat generaal
1. Het beroep van de Commissie betreft de verwezenlijking van de vrije dienstverrichting in het zeevervoer. De Commissie komt op tegen de heffing die in de havens van Triëst, Napels en Genua wordt opgelegd aan voor reizigers die vanuit andere lidstaten aankomen of daarheen vertrekken. Reizigers die binnen Italië blijven, zijn deze heffing niet verschuldigd.
2. Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen (hierna: verordening nr. 4055/86) voert de vrijheid van dienstverrichting in het zeevervoer in met ingang van 1 januari 1987. Op grond van deze verordening is de gehele verdragsregeling inzake het vrij verrichten van diensten van toepassing op het zeevervoer tussen de lidstaten. In de optiek van de interne markt en om de verwezenlijking van de doelstellingen daarvan mogelijk te maken, verzet die vrijheid zich tegen de toepassing van een nationale regeling die het verrichten van diensten tussen lidstaten moeilijker maakt dan het verrichten van diensten binnen een enkele lidstaat. Zoals het Hof in zijn arrest van 5 oktober 1994 heeft verklaard, is de heffing van verschillende havenbelastingen - naar gelang of de passagiers naar een haven binnen de betrokken lidstaat of naar een haven in een andere lidstaat worden vervoerd - een ongerechtvaardigde beperking van de vrijheid van dienstverrichting in het zeevervoer.
3. De Italiaanse wet nr. 82/63 heeft een heffing ingesteld in de havens Genua, Napels en Triëst voor transitreizigers die uit andere lidstaten van de Europese Unie of uit derde landen komen. Volgens artikel 7 van wet nr. 255/91 bedraagt de heffing tussen 400 en 6 000 ITL. Bij binnenlandse zeereizen is op grond van artikel 32, sub d, van wet nr. 82/63 geen heffing verschuldigd. Deze uitzondering is van kracht sinds de inwerkingtreding van decreto legge nr. 457 van 30 december 1997, in wet omgezet bij wet nr. 30 van 27 februari 1998, en geldt zowel voor in Italië als voor in andere lidstaten geregistreerde schepen, voorzover zij de scheepvaart tussen Italiaanse havens verzorgen.
4. Na een regelmatig verlopen precontentieuze procedure heeft de Commissie op 1 augustus 2000 beroep ingesteld tegen de Italiaanse Republiek, strekkende tot vaststelling dat de Italiaanse Republiek, door het handhaven van een regeling houdende toepassing van een heffing in de havens van Genua, Napels en Triëst voor transitreizigers komend uit of vertrekkend naar havens in een andere lidstaat of in een derde land, terwijl deze heffing niet wordt toegepast bij vervoer tussen twee op het nationale grondgebied gelegen havens, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 1 van verordening (EEG) nr. 4055/86. Bovendien heeft zij verzocht, Italië in de kosten te verwijzen.
5. De Italiaanse Republiek heeft in het op 20 oktober 2000 ingekomen verweerschrift de niet-nakoming niet bestreden. Zij zegde toe, de vereiste aanpassing van het Italiaanse recht te zullen opnemen in het ontwerp van de begrotingswet 2001, die nog in 2000 zou worden goedgekeurd.
6. Tot nu toe beschikt het Hof nog niet over aanwijzingen dat de wetswijziging daadwerkelijk heeft plaatsgehad. Overigens is volgens vaste rechtspraak een eventuele beëindiging van de niet-nakoming na afloop van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn, in dit geval 14 februari 1999, niet van invloed op de gegrondheid van het beroep. Het voorwerp van het beroep wordt door het met redenen omklede advies van de Commissie bepaald. Ook wanneer de daarin vastgestelde inbreuk na het verstrijken van de krachtens artikel 226, tweede alinea, gestelde termijn is opgeheven, blijft handhaving van het beroep van belang voor de vaststelling van de grondslag van de aansprakelijkheid die door de niet-nakoming op een lidstaat kan rusten jegens andere lidstaten, de Gemeenschap of particulieren.
7. Italië betwist de gestelde niet-nakoming niet. Het beroep van de Commissie moet dan ook worden toegewezen.
8. Bovendien heeft de Commissie de verwijzing van de Italiaanse Republiek in de kosten gevorderd. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd.
Conclusie
9. Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
1) Door het handhaven van een regeling houdende toepassing van een heffing in de havens van Genua, Napels en Triëst voor transitreizigers komend uit of vertrekkend naar havens in een andere lidstaat of in een derde land, terwijl deze heffing niet wordt toegepast bij vervoer tussen twee op het nationale grondgebied gelegen havens, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 1 van verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten."
Full & Egal Universal Law Academy