Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. In deze prejudiciële procedure staat de uitlegging centraal van twee verordeningen betreffende de gemeenschappelijke invoerregeling uit derde landen. De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of de werking van genoemde verordeningen zich uitstrekt tot de verhandeling op de binnenlandse markt van de door die verordeningen bestreken producten.
II - Juridisch kader
A - Gemeenschapsrecht
2. Volgens hun considerans strekken de verordeningen tot de liberalisering van de invoer in de Gemeenschap, dat wil zeggen de afschaffing van alle kwantitatieve beperkingen. Verordening nr. 3285/94 is de basisverordening en stelt in artikel 1, lid 2, als algemeen beginsel vast dat de invoer van nader omschreven producten uit derde landen in de Gemeenschap vrij is. Deze goederen zijn in principe aan geen enkele kwantitatieve beperking meer onderworpen, onverminderd bepaalde vrijwaringsmaatregelen die kunnen worden genomen. Verordening nr. 519/94 heeft specifiek betrekking op de invoer uit derde landen met staatshandel, en bevat eenzelfde beginsel in artikel 1, lid 2.
3. De structuur van beide verordeningen komt in grote mate overeen. In de onderhavige procedure is met name de gelijkluidende uitzonderingsbepaling van belang die staat vermeld in de slotbepalingen van de verordeningen, te weten artikel 19, lid 2, van verordening nr. 519/94 en artikel 24, lid 2, van verordening nr. 3285/94. Deze luidt als volgt:
2. a) Onverminderd andere communautaire bepalingen vormt deze verordening geen beletsel voor de vaststelling of toepassing door de lidstaten:
i) van verboden, kwantitatieve beperkingen of toezichtmaatregelen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek, historisch en archeologisch erfgoed of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom;
[...]
b) De lidstaten delen de Commissie mee welke maatregelen of formaliteiten zij op grond van dit lid voornemens zijn in te voeren of te wijzigen. In bijzondere spoedeisende gevallen worden deze nationale maatregelen of formaliteiten aan de Commissie meegedeeld zodra zij zijn vastgesteld."
B - Nationale regelgeving
4. Artikel 398 van de Codice postale italiano (Italiaanse postwet) verbiedt elektrische en radio-elektrische apparaten en installaties, of kabels voor transmissie van elektrische stroom, te produceren of op het nationale grondgebied in te voeren met het oogmerk deze te verhandelen, te gebruiken of in bedrijf te hebben, onder welke titel ook, als deze niet voldoen aan de voorschriften die zijn vastgesteld ter voorkoming van storingen in het radioverkeer. De bevoegde autoriteiten wordt opgedragen om met inachtneming van de gemeenschapswetgeving, de geschikte maatregelen vast te stellen ter controle op de naleving van deze bepaling. Voor het verhandelen en het invoeren met het oog op verhandeling van de hierboven genoemde goederen is het overleggen of het tonen van een certificaat of een verklaring van overeenstemming vereist. Bij ministerieel decreet worden de instanties voor het afgeven van bovengenoemde certificaten en verklaringen aangewezen.
5. Volgens artikel 399 van de Codice postale italiano wordt eenieder die in strijd handelt met het bepaalde in artikel 398 bestraft met een administratieve boete. Indien de overtreder behoort tot de categorie van fabrikanten of importeurs van elektrische of radio-elektrische apparaten of installaties, geldt een boete alsmede verbeurdverklaring van de producten en apparatuur die niet conform de verklaring van overeenstemming zijn zoals bedoeld in artikel 398.
III - Feiten, procesverloop en prejudicieel verzoek
6. De verwijzende rechter heeft de feiten en de achtergronden in het hoofdgeding als volgt beschreven.
7. Bij beschikking van 17 februari 1996 heeft de Prefetto Provincia di Cuneo krachtens artikel 20, lid 4, van wet nr. 689 van 24 november 1981, de administratieve verbeurdverklaring gelast van twintig niet-goedgekeurde snoerloze telefoontoestellen, die ter verkoop voorhanden waren bij de vennootschap Expo Casa Manta". Op 9 maart 1995 had de Guardia di finanza deze toestellen in beslag genomen in verband met de overtreding van de artikelen 398 en 399 van de Codice postale italiano.
8. Bij verzoekschrift aan de Pretore di Saluzzo, ingediend op 12 maart 1996, heeft S. Carbone, in zijn hoedanigheid van enig beheerder van Expo Casa Manta" beroep ingesteld tegen de beschikking van de Prefetto Provincia di Cuneo. De Pretore di Saluzzo heeft bij vonnis van 7 januari 1997 het beroep gegrond verklaard met nietigverklaring van de verbeurdverklaring. De Pretore overwoog daarbij dat bij verordeningen nr. 519/94 en nr. 3285/94 de invoer uit derde landen van onder meer snoerloze telefoontoestellen is geliberaliseerd. Deze liberalisering houdt in, dat het verbod op het voor de verkoop voorhanden hebben van niet door de Italiaanse autoriteiten goedgekeurde toestellen is komen te vervallen, nu geen van de in de verordeningen genoemde gronden voor een verbod of voor vrijwaringsmaatregelen zich in casu voordoet, aldus de Pretore.
9. De Prefetto Provincia di Cuneo heeft tegen het vonnis van de Pretore di Saluzzo cassatieberoep ingesteld bij de Corte suprema di cassazione. De Prefettura stelt schending en onjuiste toepassing van onder andere artikel 19, lid 2, sub a, van verordening nr. 519/94 en artikel 24, lid 2, sub a, van verordening nr. 3285/94.
10. Volgens de Prefettura hebben de verordeningen nr. 519/94 en nr. 3285/94 wel elke beperking op de invoer van de verbeurdverklaarde goederen afgeschaft, maar zij hebben geen uitwerking gehad op de regelgeving inzake de verhandeling ervan. Voorzover het gaat om niet-toegelaten toestellen blijft de verhandeling ervan ingevolge de nationale wetgeving verboden. Genoemde verordeningen hebben, naar oordeel van de Prefettura, weliswaar elke belemmering weggenomen met het oog op de opening van de grenzen en het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten, maar zij hebben geen wijziging gebracht in de nationale regels inzake de verkoop van niet-toegelaten snoerloze telefoontoestellen.
11. De verwijzende rechter wijst erop dat de verbeurdverklaring bij het aangevochten vonnis van de Pretore di Saluzzo is nietig verklaard, omdat de Pretore van oordeel was dat het verbod van artikel 398 opzij is gezet door de verordeningen, die niet alleen de liberalisering inhouden van de invoer maar ook van de verhandeling van de goederen. In cassatie wordt deze uitlegging van de Pretore bestreden. Daar beide verordeningen uitsluitend betrekking hebben op de invoer uit derde landen, zouden zij het in artikel 398 gestelde verbod op de verhandeling in Italië van niet-toegelaten apparaten onverlet laten.
12. Volgens de verwijzende rechter doet het cassatieberoep klaarblijkelijk vragen rijzen over de uitlegging van de betreffende verordeningen, nu het door de Pretore in diens bestreden vonnis gevolgde standpunt en het door verzoekster verdedigde standpunt met elkaar strijden waar het gaat om de uitbreiding van de werking van de verordeningen tot de verhandeling op de binnenlandse markt van de door die verordeningen bestreken producten. Voor de oplossing van dit probleem acht de Corte suprema zich overeenkomstig artikel 234, laatste lid, EG verplicht tot het Hof van Justitie te wenden. Bij beschikking van 18 april 2000, ingekomen ter griffie van het Hof op 1 augustus 2000, heeft de Corte suprema verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de verordeningen.
13. Bij het Hof zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Italiaanse regering en door de Commissie. Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
IV - De opmerkingen van de Italiaanse regering en de Commissie
14. De Italiaanse regering betoogt dat genoemde verordeningen uitsluitend zien op de liberalisering van de invoer van producten uit derde landen in de Gemeenschap. De verhandeling van deze producten valt buiten de werkingssfeer van beide verordeningen. Derhalve zijn de artikelen 398 en 399 van de Codice postale conform het gemeenschapsrecht vastgesteld.
15. De Italiaanse regering meent dat het probleem in casu kan worden opgelost aan de hand van de uitzonderingsbepalingen van artikel 19 van verordening nr. 519/94 en artikel 24 van verordening nr. 3285/94. Op grond hiervan zou de inbeslagneming en verbeurdverklaring van de snoerloze telefoontoestellen conform de regels van het gemeenschapsrecht zijn, namelijk ter voorkoming van verstoring van de toegestane radiofrequenties die onder de bevoegdheid van de Italiaanse autoriteiten vallen. In dit licht bezien, lijkt de vraag die door de Corte suprema is gesteld op nationaal niveau te kunnen worden beantwoord. Het Hof zou derhalve niet bevoegd zijn uitspraak te doen.
16. Subsidiair stelt de Italiaanse regering dat de verordeningen weliswaar elke beperking op de invoer van producten uit bepaalde derde landen hebben afgeschaft, maar zij hebben geen gevolg gehad voor de regelgeving inzake de verplichting tot goedkeuring van de in Italië op de markt te brengen goederen. Deze verplichting tot goedkeuring voor telecommunicatie-eindapparatuur vloeit niet alleen voort uit nationale wetgeving, maar ook uit communautaire richtlijnen.
17. Op grond van het voorgaande is de Italiaanse regering van oordeel dat de invoer van snoerloze telefoontoestellen enerzijds en de verhandeling van deze apparatuur anderzijds juridisch afzonderlijk moeten worden beoordeeld.
18. De Commissie gaat in haar opmerkingen in op het feit dat de verwijzende rechter geen specifieke vraagstelling heeft geformuleerd. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt met zoveel woorden dat de Corte suprema de verwijzing van de zaak naar het Hof van Justitie heeft gelast vanwege de uitlegging van de verordeningen nr. 519/94 en nr. 3285/94. Hoewel de verwijzende rechter heeft nagelaten bepaalde feitelijke informatie te verschaffen, zoals over het land van oorsprong van de snoerloze telefoontoestellen, acht de Commissie niettemin voldoende elementen aanwezig op grond waarvan het Hof een antwoord kan geven dat bijdraagt tot de oplossing van het hoofdgeding.
19. Ten gronde stelt de Commissie vast dat lezing van de verordeningen nr. 519/94 en nr. 3285/94 overduidelijk aantoont dat zij uitsluitend zien op de liberalisering van de invoer van producten uit derde landen in de Gemeenschap en dat ze geen enkel gevolg hebben voor de verdere verhandeling van deze producten binnen de Gemeenschap. In die fase blijven de geldende nationale of communautaire regels van toepassing. De verordeningen zien uitsluitend op de verdergaande gelijkmaking van de stelsels die betrekking hebben op de invoer in de Gemeenschap en zij schrappen uitzonderingen en derogaties welke het gevolg waren van geldende nationale handelspolitieke maatregelen die bestonden vóór de aanvaarding ervan. Zij laten de bevoegdheid van de Gemeenschap onverlet om specifieke vrijwaringsmaatregelen te treffen en doen evenmin afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om op basis van de uitdrukkelijk genoemde uitzonderingsgronden verboden, kwantitatieve beperkingen of maatregelen van toezicht vast te stellen.
20. Om de strekking en de werkingssfeer van de betrokken verordeningen te verduidelijken in het licht van het onderscheid tussen liberalisatie- en verhandelingsmaatregelen, verwijst de Commissie bovendien naar de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT), met name naar artikel XI betreffende kwantitatieve handelsbeperkingen en artikel III inzake de binnenlandse verhandeling van producten.
21. De Commissie besteedt daarnaast aandacht aan de relevante regelgeving betreffende de interne markt. Zij merkt op dat ten tijde van de invoer van de apparaten in het hoofdgeding de verhandeling ervan nog geen onderwerp was van communautaire harmonisatie. In dat geval dient gemeenschapsrechtelijk de nationale regelgeving betreffende de verhandeling niet-discriminatoir te zijn, evenredig aan het doel en gerechtvaardigd door een algemeen belang, wil er geen strijd ontstaan met artikel 28 EG. Bovendien moeten de maatregelen die zien op de verhandeling van producten welke worden ingevoerd uit derde landen het non-discriminatiebeginsel respecteren van artikel III GATT.
22. Tot slot heeft de Commissie beklemtoond dat snoerloze telefoontoestellen of radio-ontvangers in het algemeen niet steeds onschadelijk of neutraal zijn in elektromagnetisch opzicht. Zij kunnen wegens hun elektronische componenten andere toestellen storen. De nationale wetgever heeft met de nationale regelgeving in kwestie een instrument willen invoeren ter verificatie van alle elektrische en radio-elektrische apparaten of installaties of kabels voor transmissie van elektrische stroom, om te zien of zij voldoen aan de regels ter voorkoming van storingen aan zend- en ontvangtoestellen voor de radioverbinding. Daartoe zijn de toestellen onderworpen aan de afgifte van een certificaat of een verklaring van overeenstemming. Aangezien de nationale regels van toepassing zijn op binnenlandse en ingevoerde producten, gaat de Commissie ervan uit dat ze niet in strijd zijn met de bepalingen van de artikelen 28 EG en III GATT.
V - Beoordeling
23. Het verzoek van de Corte suprema stelt het Hof in staat zich uit te spreken over het fundamentele onderscheid tussen enerzijds het verdragsregime dat betrekking heeft op de invoer in de Gemeenschap van goederen uit derde landen en onderdeel uitmaakt van de gemeenschappelijke handelspolitiek, en anderzijds het communautaire stelsel dat ziet op de verhandeling van goederen binnen de gemeenschappelijke markt.
24. Preliminair dient echter te worden ingegaan op de ontvankelijkheid. De Italiaanse regering en de Commissie hebben zich kort uitgelaten over de bevoegdheid van het Hof een antwoord te geven op het verzoek van de verwijzende rechter. Voor mij staat op grond van vaste rechtspraak onmiskenbaar vast dat het Hof de Corte suprema zal moeten beantwoorden. De verwijzingsbeschikking is uiterst summier en daarin ontbreekt een specifiek geformuleerde vraag. De verwijzende rechter heeft niettemin voldoende gegevens aangereikt omtrent de omstandigheden van het geval en het toepasselijke recht, op grond waarvan het Hof een nuttig antwoord kan geven. Uit die gegevens valt af te leiden dat er een daadwerkelijk geschil bestaat tussen Carbone en de Prefetto Provincia di Cuneo betreffende de verhandeling in Italië van snoerloze telefoontoestellen die - zo blijkt impliciet - uit derde landen in de Gemeenschap zijn ingevoerd. Het geschil spitst zich toe op de uitlegging van de strekking en de reikwijdte van verordeningen nr. 519/94 en nr. 3285/94, twee verordeningen die, voorzover in het hoofdgeding van belang, nagenoeg gelijkluidend zijn. De nationale rechter heeft zich dus tot het Hof gericht met een verzoek dat voldoende duidelijk het voorwerp van het hoofdgeding weergeeft en dat betrekking heeft op de uitlegging van het gemeenschapsrecht. Het past de verwijzende rechter om eventueel, gelet op de bijzonderheden van het geval, uit te maken welke verordening in concreto van toepassing zou zijn.
25. Ten gronde strekt het verzoek van de Corte suprema ertoe te vernemen of de reikwijdte van de betrokken verordeningen zich beperkt tot de invoer van snoerloze telefoontoestellen uit derde landen, of dat de werkingssfeer kan worden uitgebreid tot het tijdstip van verhandeling van deze producten op de binnenlandse markt. In het laatste geval zou de rechtmatigheid van de Italiaanse wetgeving in kwestie nadat de apparaten reeds zijn ingevoerd, maar nog voordat ze in de handel zijn gebracht, rechtstreeks beoordeeld moeten worden in het licht van de twee verordeningen en met name de daarin genoemde uitzonderingsgronden.
26. Ik deel die lezing niet. Zoals de Italiaanse regering en de Commissie overtuigend hebben uiteengezet, zien de verordeningen nr. 519/94 en nr. 3285/94 uitsluitend op de liberalisering van de invoer van goederen uit derde landen en zijn zij niet gericht op de volledige vrijmaking van de latere verhandeling van die producten binnen de gemeenschappelijke markt.
27. Het Verdrag maakt immers een onderscheid tussen de interne en externe aspecten bij de instelling van de gemeenschappelijke markt, ter verwezenlijking van de in artikel 2 EG vermelde catalogus van verdragsdoelstellingen. De interne kant van de gemeenschappelijke markt omvat onder meer het afschaffen van de hinderpalen voor het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten, waaronder de opheffing van de kwantitatieve beperkingen bij de in- en uitvoer van goederen en van alle overige maatregelen van gelijke werking. De externe kant van de gemeenschappelijke markt bestaat met name uit de gemeenschappelijke handelspolitiek. Beide dimensies van de gemeenschappelijke markt worden in afzonderlijke bepalingen van het Verdrag uitgewerkt en vormen een noodzakelijke aanvulling op elkaar.
28. De betrokken verordeningen zijn vastgesteld in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek. Dit volgt om te beginnen uit de rechtsgrondslag, te weten artikel 113 EG Verdrag (thans, na wijziging, artikel 133 EG). Artikel 133, lid 1, EG stelt vast dat de gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gegrond op eenvormige beginselen, waaronder het eenvormig maken van liberalisatiemaatregelen. Beide verordeningen vormen belangrijke instrumenten van dit beleid, aangezien ze het beginsel concretiseren dat de invoer van goederen uit derde landen in de Gemeenschap in principe vrij is van kwantitatieve beperkingen. Het handelspolitieke karakter van de verordeningen blijkt eveneens uit de voorname rol van de GATT bij de vaststelling ervan. Met name de considerans van verordening nr. 3285/94 geeft aan dat bij de verdergaande afschaffing van vrijwaringsmaatregelen en andere invoerbeperkende maatregelen rekening is gehouden met de internationale verplichtingen die uit de GATT en andere onderdelen van de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) voortvloeien.
29. De rechtspraak van het Hof heeft duidelijk gemaakt dat de gemeenschappelijke handelspolitiek een exclusieve bevoegdheid betreft van de Gemeenschap. De lidstaten kunnen hun bevoegdheid om nationale handelspolitieke maatregelen te nemen niet meer ontlenen aan het nationale recht. Zulke maatregelen zijn in feite nog slechts toelaatbaar wanneer de Gemeenschap daartoe een bijzondere machtiging heeft verleend. Een en ander verklaart de bevoegdheid die de Raad aan de lidstaten heeft gegund uit hoofde van artikel 24, lid 2, van verordening nr. 3285/94 en artikel 19, lid 2, van verordening nr. 519/94. Het rechtvaardigt eveneens de verplichting voor een lidstaat de Commissie in de lichten indien hij van plan is een beroep te doen op een uitzonderingsgrond.
30. De verwijzende rechter verzoekt het Hof echter niet om de reikwijdte van deze uitzonderingsgronden te preciseren. Zoals gezegd, spitst het geschil in het hoofdgeding zich toe op de vraag of de verordeningen afbreuk doen aan de bevoegdheid van een lidstaat te verbieden dat apparaten zoals telefoontoestellen in de handel worden gebracht, indien deze niet voldoen aan voorschriften die zijn vastgesteld ter voorkoming van storingen in het radioverkeer.
31. Zodra producten uit derde landen regelmatig in één van de lidstaten zijn ingevoerd, worden zij voor wat het recht op vrij circuleren binnen de Gemeenschap betreft, volledig gelijkgesteld met producten van oorsprong uit de lidstaten. Dit veronderstelt dat het tijdstip waarop de goederen uit derde landen worden ingevoerd moet worden onderscheiden van het tijdstip waarop deze producten vervolgens in de handel worden gebracht. Voor het op de markt brengen van goederen binnen de Gemeenschap zijn de verdragsbepalingen die zien op de interne kant van de gemeenschappelijke markt van betekenis. De afschaffing van kwantitatieve beperkingen tussen de lidstaten is expliciet geregeld in de artikelen 28 tot en met 30 EG. Volgens artikel 28 EG zijn kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten verboden, terwijl artikel 30 EG de lidstaten de bevoegdheid laat om voorwaarden te stellen aan de invoer indien deze noodzakelijk zijn uit hoofde van de bescherming van een algemeen belang. De rechtvaardigingsgronden die staan vermeld in artikel 30 EG, komen woordelijk overeen met de gronden die worden genoemd in artikel 24, lid 2, van verordening nr. 3285/94 en artikel 19, lid 2, van verordening nr. 519/94.
32. De wijze waarop de vrijeverkeersbeginselen worden toegepast in het intracommunautaire verkeer, wijkt op een aantal punten af van de strekking van de vergelijkbare bepalingen in de verordeningen. Zonder daar dieper op in te hoeven gaan, herinner ik eraan dat onder het begrip kwantitatieve beperkingen" in de zin van de verordeningen de handelspolitieke instrumenten, als contingenten moeten worden verstaan. Het begrip maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking" in de betekenis van artikel 28 EG heeft door een extensieve uitlegging van het Hof daarentegen een geheel eigen invulling gekregen. Voorts ontbreekt bijvoorbeeld in de verordeningen de voorwaarde van artikel 30, laatste zin, EG dat de door de lidstaten te nemen handelsbelemmerende maatregelen geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten mogen vormen.
33. De bevoegdheid van de lidstaten om uit hoofde van artikel 30 EG een algemeen belang in te roepen ter rechtvaardiging van een handelsbelemmering vervalt, zodra in de Gemeenschap uitputtende en volledige harmonisatie is bereikt. Zo hebben het Europees Parlement en de Raad op 9 maart 1999 richtlijn 1999/5/EG (hierna: richtlijn") aanvaard betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit. De richtlijn, gebaseerd op artikel 100 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 95 EG), stelt een kader voor de regeling van het op de markt brengen, het vrije verkeer en de ingebruikneming in de Gemeenschap van de genoemde apparaten. De lidstaten zijn verplicht ervoor te zorgen dat de betrokken apparatuur uitsluitend op de markt wordt gebracht indien zij voldoen aan de betrokken essentiële vereisten alsmede enkele andere bepalingen van de richtlijn. Met betrekking tot het op de markt brengen mogen geen verdere nationale voorschriften worden opgelegd. De lidstaten dienen evenzeer te verbieden dat apparatuur op de markt wordt gebracht die niet is voorzien van het CE-merkteken dat aangeeft dat de apparatuur voldoet aan alle bepalingen van de richtlijn. De richtlijn draagt zo bij aan de bevordering van het vrijegoederenverkeer binnen de Gemeenschap, met inachtneming van de noodzakelijke veiligheidsvereisten die de lidstaten voorheen zelfstandig konden vaststellen uit hoofde van artikel 30 EG. Daarnaast gaat de richtlijn nog verder, en zijn de gestelde voorwaarden ook van toepassing op producten die in een lidstaat op de binnenlandse markt in de handel worden gebracht.
34. De verordeningen die in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek zijn vastgesteld voorzien op geen enkele wijze in de harmonisering van nationale voorschriften. Het doel van de verordeningen, namelijk de liberalisering van de invoer in de Gemeenschap van goederen uit derde landen, verschilt immers van het doel van de artikelen 28 en 30 EG en, in het verlengde daarvan, de communautaire harmonisatie van nationale wetgevingen, te weten het verzekeren van het vrijegoederenverkeer binnen de gemeenschappelijke markt.
35. Om dit onderscheid te accentueren, heeft de Commissie terecht ook verwezen naar het stelsel van de GATT. Deze analogie snijdt hout, aangezien de vrijeverkeersbepalingen betreffende het goederenverkeer in het oorspronkelijke EEG-Verdrag in belangrijke mate zijn gebaseerd op de GATT. Artikel XI GATT, dat ziet op de afschaffing van kwantitatieve invoerbeperkingen in het handelsverkeer tussen de bij de GATT aangesloten partijen, heeft dezelfde doelstelling als de verordeningen. Daarentegen heeft artikel III GATT betrekking op de verhandeling van producten binnen een markt van een verdragspartij. Krachtens deze bepaling mogen nationale maatregelen onder andere betreffende de verkoop, aanbod ten verkoop, koop, of gebruik van producten in het binnenland niet worden toegepast op geïmporteerde of binnenlandse producten op zodanige wijze dat bescherming aan de binnenlandse productie wordt verleend. De strekking van artikel III GATT komt derhalve overeen met die van artikel 28 EG.
36. Als gevolg van het aangegeven onderscheid, doen de verordeningen nr. 3285/94 en nr. 519/94 mijns inziens geen afbreuk aan de bevoegdheid van Italië om ter voorkoming van storingen in het radioverkeer producteisen te stellen aan snoerloze telefoontoestellen waaraan voldaan moet zijn alvorens de apparaten rechtmatig in de handel gebracht kunnen worden. Dit laat onverlet dat bij de uitoefening van deze bevoegdheid de vastgestelde productnormen in voorkomend geval moeten voldoen aan andere relevante communautaire bepalingen, zoals de artikelen 28 en 30 EG en de toepasselijke communautaire richtlijnen.
VI - Conclusie
37. Op grond van het voorgaande, geef ik het Hof in overweging op het prejudiciële verzoek van de Corte supremo bij beschikking van 18 april 2000 als volgt te antwoorden:
Verordening (EG) nr. 519/94 van de Raad van 7 maart 1994 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 1765/82, (EEG) nr. 1766/82 en (EEG) nr. 3420/83, en verordening (EG) nr. 3285/94 van de Raad van 22 december 1994 betreffende de gemeenschappelijke invoerregeling en tot intrekking van verordening (EG) nr. 518/94, zien uitsluitend op de invoer van producten uit derde landen in de Gemeenschap en hebben geen betrekking op de verhandeling van deze producten binnen de Gemeenschap. Deze verordeningen doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten uit hoofde van het algemeen belang gerechtvaardigde normen op te leggen aan de verhandeling van snoerloze telefoontoestellen die zonder onderscheid van toepassing zijn op nationale en ingevoerde producten."
Full & Egal Universal Law Academy