CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 6 februari 2003 (1)
Zaak C-331/00
Helleense Republiek
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„EOGFL – Goedkeuring van rekeningen – Akkerbouwgewassen – Rundvlees – Begrotingsjaren 1996, 1997 en 1998”
I ─ Inleiding
1. Met een op 11 september 2000 ingediend verzoekschrift heeft de Helleense Republiek krachtens artikel 230 EG beroep ingesteld tot nietigverklaring van beschikking 2000/449/EG van de Commissie van 5 juli 2000 houdende weigering van communautaire financiering voor bepaalde uitgaven van de lidstaten in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie (2) , voorzover daarbij ten laste van de Helleense Republiek financiële correcties worden toegepast voor de begrotingsjaren 1996, 1997 en 1998.
2. Meer bepaald brengt de Helleense Republiek, door middel van even zovele middelen, acht grieven in tegen de bestreden beschikking, waarmee zij de weigering van financiering door het EOGFL van de volgende bedragen betwist:
─ 26 482 863 795 GRD, betaald als compenserende steun in de sector akkerbouwgewassen, wegens gebreken van het geïntegreerde beheers- en controlesysteem en onwettige inhouding van een deel van de steun (eerste, zesde en zevende middel);
─ 134 771 782 GRD, betaald als steun voor vervroegde uittreding in de landbouwsector, wegens slechte kwaliteit van de controles en het toezicht (tweede en zesde middel);
─ 1 782 487 651 GRD, betaald als premies in de rundvleessector, wegens onvolledige invoering of het niet toepassen van het geïntegreerde beheers- en controlesysteem (derde en zesde middel);
─ 237 098 402 GRD en 350 000 000 GRD, betaald als extra betalingen in de rundvleessector op grond van verordening (EG) nr. 1357/96
3 Verordening van de Raad van 8 juli 1996 tot vaststelling van extra betalingen in 1996 bovenop de premiebedragen die zijn vastgesteld in verordening (EEG) nr. 805/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, en tot wijziging van deze verordening (PB L 175, blz. 9)., wegens het te laat verrichten van die betalingen (vierde en vijfde middel);
─ 560 130 762 GRD, betaald als premies in de rundvleessector, wegens onwettige inhouding van een deel van die premies (zevende middel);
─ 5 326 625 GRD (deel van een correctie van 141 667 389 GRD), betaald in de sector granen, wegens het te laat verrichten van de betrokken betalingen (achtste middel).
II ─ Algemeen rechtskader
3. Verordening (EEG) nr. 729/70 (4) bepaalt in de artikelen 1, lid 2, sub b, en 3, lid 1, dat het EOGFL, afdeling Garantie, de interventies ter regulering van de landbouwmarkten financiert, waartoe volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten wordt overgegaan. In dat verband preciseert artikel 1, lid 4, van de verordening, dat [d]e uitgaven voor administratie- en personeelskosten van de lidstaten en van degenen die bijstand van het Fonds ontvangen, [...] niet voor rekening van het Fonds [komen].
4. Artikel 5, lid 2, sub c, van genoemde verordening, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1287/95 (5) , beschrijft de te volgen procedure wanneer wordt vastgesteld dat bepaalde uitgaven niet volgens de communautaire voorschriften zijn gedaan. Na het comité van het Fonds te hebben geraadpleegd, neemt de Commissie een besluit over de bedragen die moeten worden onttrokken aan de in de artikelen 2 en 3 bedoelde communautaire financiering, wanneer zij constateert dat de desbetreffende uitgaven niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn verricht.Voordat een besluit tot weigering van financiering wordt genomen, doet de Commissie schriftelijk mededeling van de resultaten van de verificaties, en de betrokken lidstaat van zijn antwoorden, waarna beide partijen pogen overeenstemming te bereiken over het daaraan te geven gevolg.Indien overeenstemming uitblijft, kan de lidstaat vragen om inleiding van een procedure die de standpunten binnen vier maanden tot elkaar moet brengen; de resultaten daarvan worden neergelegd in een verslag dat aan de Commissie wordt overgemaakt en door deze instelling wordt bestudeerd voordat een besluit tot weigering van financiering wordt genomen.De Commissie bepaalt de te onttrekken bedragen met name aan de hand van de draagwijdte van de niet met de voorschriften strokende uitvoering. De Commissie houdt daarbij rekening met de aard en de ernst van de overtreding, alsmede met de voor de Gemeenschap ontstane financiële schade.[...]
5. Artikel 8, leden 1 en 2, van verordening nr. 729/70, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1287/95, bepaalt:
1. De lidstaten treffen, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om:
─ zich ervan te vergewissen dat de door het Fonds gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze werden uitgevoerd;
─ onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen,
─ de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen.
De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de daartoe getroffen maatregelen en met name van de stand van de administratieve en gerechtelijke procedures.
2. Indien algehele terugvordering uitblijft, draagt de Gemeenschap de financiële gevolgen van de onregelmatigheden of nalatigheden, behalve die welke voortvloeien uit onregelmatigheden of nalatigheden die aan de overheidsdiensten of organen van de lidstaten te wijten zijn.De teruggevorderde bedragen worden overgemaakt aan de erkende betaalorganen en worden door deze in mindering gebracht op de door het Fonds gefinancierde uitgaven. De rente over de teruggevorderde of te laat gestorte bedragen wordt overgemaakt aan het Fonds.
6. De uitvoeringsmodaliteiten van artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70, zijn neergelegd in artikel 8, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 1663/95. (6) Zij luiden als volgt:
1. Indien de Commissie op grond van een onderzoek van mening is, dat bepaalde uitgaven niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn gedaan, stelt zij de betrokken lidstaat in kennis van haar bevindingen en van de correctiemaatregelen die moeten worden genomen om naleving in de toekomst te garanderen, en doet zij opgave van de uitgaven die zij voornemens is aan de financiering te onttrekken [...]. De lidstaat geeft binnen twee maanden een antwoord en de Commissie kan haar positie wijzigen [...].Na afloop van de antwoordtermijn stelt de Commissie een bilaterale bespreking vast en beide partijen proberen tot overeenstemming te komen omtrent de te nemen maatregelen. De Commissie doet haar conclusies formeel aan de lidstaat toekomen, onder verwijzing naar beschikking 94/442/EG van de Commissie.
2. De besluiten als bedoeld in artikel 5, lid 2, sub c, van verordening (EEG) nr. 729/70 worden genomen na onderzoek van elk overeenkomstig beschikking 94/442/EG door het bemiddelingsorgaan opgesteld rapport.
7. Artikel 1, lid 1, van beschikking 94/442/EG (7) bepaalt:
1. Bij de Commissie wordt een bemiddelingsorgaan opgericht, dat in het kader van de goedkeuring van de rekeningen betreffende het EOGFL, afdeling Garantie:
a) kan worden ingeschakeld door elke lidstaat waaraan de bevoegde diensten van de Commissie, na verificaties overeenkomstig artikel 9 van verordening (EEG) nr. 729/70 en na bilaterale bespreking van de uitkomst van deze verificaties, onder verwijzing naar deze beschikking formeel de conclusie hebben medegedeeld dat sommige uitgaven die door de betrokken lidstaat zijn gedaan, van boeking ten laste van het EOGFL, afdeling Garantie, zouden moeten worden uitgesloten;
b) poogt de uiteenlopende standpunten van de Commissie en de betrokken lidstaat nader tot elkaar te brengen, en
c) na afloop van zijn werkzaamheden een rapport over de uitkomst van de bemiddelingspoging opstelt, welk rapport in het geval dat het meningsverschil volledig of gedeeltelijk is blijven bestaan, vergezeld gaat van alle opmerkingen die het bemiddelingsorgaan nuttig acht.
8. Volgens artikel 1, lid 2, sub a, van de beschikking [loopt] het door het bemiddelingsorgaan ingenomen standpunt niet op het definitieve besluit van de Commissie over de goedkeuring van de rekeningen [vooruit].
9. Artikel 2, leden 4 en 5, van de beschikking luidt:
4. Het bemiddelingsorgaan verricht zijn werkzaamheden zo informeel en zo snel mogelijk en baseert zich daarbij op het betrokken dossier en op een onpartijdig onderzoek waarbij de diensten van de Commissie en de betrokken nationale autoriteiten worden gehoord. Na afloop van zijn bemiddelingsonderzoek deelt het bemiddelingsorgaan het in artikel 1, lid 1, onder c), bedoelde rapport aan hen mede.
5. Indien de werkzaamheden van het bemiddelingsorgaan binnen een termijn van vier maanden nadat het bemiddelingsorgaan is ingeschakeld, niet ertoe hebben geleid dat de standpunten van de Commissie en de betrokken lidstaat nader tot elkaar zijn gekomen, wordt de bemiddelingsprocedure als mislukt beschouwd. In dit geval wordt in het in artikel 1, lid 1, onder c), bedoelde rapport aangegeven welke elementen toenadering van de betrokken standpunten hebben verhinderd.
10. Werkdocument nr. VI/216/93 van de Commissie van 1 juni 1993, later vervangen door document nr. VI/5330/97 van 23 december 1997, bevat de richtsnoeren die de instelling volgt bij de toepassing van financiële correcties in het kader van de goedkeuring van rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie. Volgens deze richtsnoeren past de Commissie, wanneer het werkelijke bedrag van de onregelmatige betalingen niet kan worden vastgesteld en de financiële schade van de Gemeenschap dus niet kan worden gekwantificeerd, forfaitaire financiële correcties toe, normaal overeenkomend met 2 %, 5 %, 10 % of 25 % van de gedeclareerde uitgaven, afhankelijk van de omvang van het schaderisico.
11. In het bijzonder met betrekking tot financiële correcties wegens gebrekkige controles door de nationale autoriteiten, worden in deze richtsnoeren twee categorieën controles onderscheiden, te weten essentiële en aanvullende:
─ Essentiële controles zijn de fysieke en de administratieve controles die vereist zijn om essentiële punten te verifiëren, in het bijzonder het bestaan van het object van de aanvraag, de hoeveelheid of het aantal, en de kwalitatieve voorwaarden zoals onder meer de inachtneming van termijnen, oogstvoorwaarden, aanhoudperioden, enz. Zij worden ter plaatse uitgevoerd en vinden plaats door toetsing aan objectieve gegevens zoals een grondkadaster.
─ Aanvullende controles zijn de administratieve handelingen die vereist zijn om de aanvragen correct te verwerken, zoals nagaan of de aanvragen binnen de vastgestelde termijn zijn ingediend, verifiëren of voor hetzelfde object niet tweemaal een aanvraag is ingediend, risicoanalyse, de toepassing van sancties en adequate controle op de inachtneming van de procedures.
12. Hiervan uitgaande, legt de Commissie voor de verschillende percentages forfaitaire correctie de volgende maatstaven aan: Wanneer een of meer essentiële controles niet zijn uitgevoerd, dan wel zo gebrekkig of sporadisch zijn uitgevoerd dat aan de hand daarvan niet kan worden nagegaan of de aanvraag in aanmerking komt, of een onregelmatigheid niet wordt voorkomen, is een correctie van 10 % gerechtvaardigd, aangezien redelijkerwijs kan worden gesteld dat de kans op algemene benadeling van het Fonds groot was.Wanneer alle essentiële controles zijn uitgevoerd, maar qua aantal, frequentie of grondigheid niet in overeenstemming waren met de voorschriften, is een correctie van 5 % gerechtvaardigd, aangezien redelijkerwijs kan worden gesteld dat zij niet voldoende garanties boden inzake de rechtmatigheid van de aanvragen en dat er voor het Fonds een aanzienlijk risico was.Wanneer een lidstaat de essentiële controles adequaat heeft uitgevoerd, maar een of meer aanvullende controles volledig achterwege heeft gelaten, is een correctie van 2 % gerechtvaardigd, gelet op de kleinere kans op benadeling van het Fonds en het minder ernstige karakter van de inbreuk.[...]
13. Daarentegen voorzien de richtsnoeren in een correctie van 25 %, wanneer een lidstaat een controlesysteem helemaal niet of slechts zeer gebrekkig toepast en er aanwijzingen zijn van onregelmatigheden op grote schaal en van nalatigheid bij het bestrijden van onregelmatige of frauduleuze praktijken.
14. In uitzonderlijke gevallen kan tot grotere correcties (tot 100 %) worden besloten.
III ─ Analyse
A ─ Opmerkingen vooraf
15. Voordat ik met de analyse van de middelen van de Griekse regering begin, lijkt het mij gewenst eerst enkele beginselen in de herinnering te roepen, die volgens de vaste rechtspraak van het Hof onze leidraad moeten zijn bij de beoordeling van de gegrondheid van een beroep tegen een weigering van communautaire financiering van door de lidstaten gedane uitgaven.
16. In de eerste plaats herinner ik eraan, dat ingevolge de artikelen 2, lid 1, en 3, lid 1, van verordening nr. 729/70 de afdeling Garantie van het EOGFL slechts die uitgaven kan financieren welke de lidstaten in overeenstemming met de geldende communautaire voorschriften in de diverse landbouwsectoren hebben gedaan (8) , en dat de in die verordening geregelde procedure voor de goedkeuring van de rekeningen juist dient te waarborgen, dat de ter beschikking van de lidstaten gestelde financiële middelen daadwerkelijk met inachtneming van bedoelde voorschriften worden gebruikt.
17. Verder verlangt artikel 8, lid 1, van verordening nr. 729/70 van de lidstaten, dat zij al het nodige doen om een juiste en regelmatige uitvoering van de door het EOGFL gefinancierde maatregelen te verzekeren, onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen en de door onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen, en dit ongeacht of de gemeenschapsregeling voor de betrokken landbouwsector al dan niet specifieke controlemaatregelen voorschrijft. (9) Deze bepaling, die in het kader van de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid de concretisering vormt van de plicht tot loyale samenwerking in de zin van artikel 10 EG, omschrijft volgens 's Hofs rechtspraak de beginselen waardoor de Commissie en de lidstaten zich bij de uitvoering van de door het EOGFL gefinancierde interventiemaatregelen en de bestrijding van fraude en onregelmatigheden moeten laten leiden. (10)
18. Ten slotte moet de Commissie, wanneer zij wegens een inbreuk op de regels van de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten weigert uitgaven van een lidstaat ten laste van het EOGFL te brengen, het bestaan van die inbreuk bewijzen. (11) Is de weigering van communautaire financiering gebaseerd op ontbrekende of gebrekkige controles van de zijde van de betrokken lidstaat, dan is de Commissie verplicht die beoordeling te rechtvaardigen. (12) Wel behoeft zij daarbij geen gedetailleerd bewijs te leveren van de ontoereikendheid van de door de lidstaat verrichte controles of de onjuistheid van de door deze verstrekte gegevens, maar zij moet wel aannemelijk maken dat er met betrekking tot die controles of die gegevens ernstige en redelijke twijfel bestaat. (13)
19. Deze lichtere bewijslast hangt hiermee samen, dat het de lidstaat is die het best in staat is om de gegevens die voor de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen nodig zijn, te verzamelen en te verifiëren, en die daarom omstandig en gedetailleerd bewijs moet leveren dat zijn eigen controles en gegevens betrouwbaar zijn en, in voorkomend geval, dat de Commissie het bij het verkeerde eind heeft. (14) De lidstaat waarvan de Commissie stelt, dat hij niet of onvoldoende heeft gecontroleerd, kan deze vaststelling enkel weerleggen met gegevens waaruit duidelijk van het bestaan van een betrouwbaar en goed functionerend controlesysteem blijkt. (15)
20. Dan ga ik nu over tot het onderzoek van de vorderingen en argumenten van de Griekse regering.
B ─ De correcties wegens gebreken bij het beheer en de controle van de steun in de sector akkerbouwgewassen
1. De toepasselijke regeling
21. Bij verordening (EEG) nr. 3508/92 (16) is een geïntegreerd systeem ingevoerd voor het beheer en de controle, door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, van bepaalde communautaire steunregelingen voor landbouwproducenten (hierna: GBCS). Ingevolge artikel 1, lid 1, van die verordening geldt het GBCS met name voor de compenserende steun die bij verordening (EEG) nr. 1765/92 (17) is ingesteld in de sector akkerbouwgewassen en voor de premieregelingen in de sector rundvlees, ingesteld bij de artikelen 4a tot en met 4h van verordening (EEG) nr. 805/68. (18)
22. Volgens artikel 2 van verordening nr. 3508/92 bestaat het GBCS uit de volgende onderdelen:
a) een databank,
b) een alfanumeriek systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond,
c) een alfanumeriek systeem voor de identificatie en de registratie van de dieren,
d) de steunaanvragen, en
e) een geïntegreerd controlesysteem.
23. Artikel 3 van de verordening bepaalt, dat voor elk landbouwbedrijf de gegevens uit de steunaanvragen in de databank worden opgenomen. Deze databank moet met name de mogelijkheid geven om bij de bevoegde instantie van de lidstaat de gegevens betreffende ten minste de laatste drie kalenderjaren en/of opeenvolgende verkoopseizoenen rechtstreeks en onmiddellijk te raadplegen. Decentrale databanken zijn toegestaan, mits deze en de administratieve procedures voor de registratie en de toegang tot de gegevens, voor het gehele grondgebied van de lidstaat op gelijke wijze zijn ingericht en onderling compatibel zijn.
24. Met betrekking tot het alfanumerieke systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond bepaalt artikel 4 van verordening nr. 3508/92, dat het wordt tot stand gebracht aan de hand van kadastrale kaarten en documenten, andere cartografische gegevens, of van luchtfoto's of satellietbeelden of andere gelijkwaardige referenties die als bewijsstuk kunnen dienen, dan wel van meerdere van deze bronnen.
25. Het geïntegreerde controlesysteem zoals omschreven in artikel 7 van de verordening, heeft betrekking op alle ingediende steunaanvragen; het is met name gebaseerd op administratieve controles, controles ter plaatse en, in voorkomend geval, verificaties met behulp van teledetectie met vliegtuigen of via satellieten.
26. Met betrekking tot de controles preciseert artikel 8 van verordening nr 3508/92:
1. De lidstaat verricht een administratieve controle van de steunaanvragen.
2. Ter aanvulling van de administratieve controles worden steekproefsgewijze controles ter plaatse op de landbouwbedrijven verricht. Voor al deze controles stelt de lidstaat een steekproefprogramma op.
3. Elke lidstaat wijst een instantie aan die verantwoordelijk is voor de coördinatie van de in de onderhavige verordening voorgeschreven controles.
4. De nationale instanties kunnen, onder nader vast te stellen voorwaarden, controles met behulp van teledetectie verrichten om de oppervlakte van de percelen landbouwgrond te bepalen, het gebruik ervan vast te stellen en de staat van de percelen te controleren.
5. Wanneer de bevoegde instanties van een lidstaat een bepaald deel van de werkzaamheden die uit deze verordening voortvloeien, opdragen aan gespecialiseerde instellingen of bedrijven, moeten zij de leiding van en de verantwoordelijkheid voor de werkzaamheden zelf behouden.
27. Ingevolge artikel 13, lid 1, van verordening nr. 3508/92 moest het geïntegreerde systeem op 1 februari 1993 in werking treden voor de steunaanvragen, het alfanumeriek systeem voor de identificatie en registratie van runderen en het geïntegreerde controlesysteem, terwijl de overige onderdelen van het GBCS uiterlijk 1 januari 1996 operationeel moesten zijn. Deze laatste termijn werd bij artikel 1, lid 3, van verordening (EG) nr. 2466/96 (19) tot 1 januari 1997 verlengd.
28. De criteria en technische voorschriften voor de uitvoering van de administratieve controles en de controles ter plaatse, die door de lidstaten in het kader van het GBCS moeten worden verricht, zijn vervat in artikel 6 van verordening (EEG) nr. 3887/92. (20) Dit artikel luidt:
1. De administratieve controles en de controles ter plaatse worden uitgevoerd op zodanige wijze dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen en premies is gewaarborgd.
2. De in artikel 8, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde administratieve controle omvat met name kruiscontroles betreffende de aangegeven percelen en dieren om elke onrechtmatige dubbele toekenning van steun voor hetzelfde kalenderjaar te voorkomen.
3. De controles ter plaatse betreffen ten minste een belangrijke steekproef uit de aanvragen. Deze steekproef moet bestaan uit ten minste:
─ 10 % van de steunaanvragen dieren of van de deelnemingsverklaringen,
─ 5 % van de steunaanvragen oppervlakten [...].
Indien bij bezoeken ter plaatse belangrijke onregelmatigheden in een regio of deelregio worden geconstateerd, nemen de bevoegde instanties de volgende maatregelen voor deze regio of deelregio: in het lopende jaar verrichten zij extra controles en zij verhogen het in het volgende jaar te controleren percentage aanvragen.
4. De aanvragen waarvoor controles ter plaatse worden verricht, worden door de bevoegde instantie met name aan de hand van een risicoanalyse en van een element inzake hun representativiteit voor de ingediende steunaanvragen bepaald. Bij de risicoanalyse wordt rekening gehouden met:
─ de steunbedragen;
─ het aantal percelen, de oppervlakte of het aantal dieren waarvoor de steun wordt aangevraagd;
─ de ontwikkeling ten opzichte van het voorgaande jaar;
─ de constateringen bij controles in de voorgaande jaren;
─ andere door de lidstaten te bepalen omstandigheden.
5. De controles ter plaatse worden onverwacht uitgevoerd en hebben betrekking op alle percelen landbouwgrond of alle dieren waarvoor een of meer aanvragen zijn ingediend. Een dergelijke controle mag echter worden aangekondigd, doch slechts zo lang van tevoren als strikt noodzakelijk is en, ten algemene titel, niet meer dan 48 uren vooraf.Van het minimumaantal controles op dieren moet ten minste 50 % worden verricht gedurende de periode waarin deze dieren moeten worden aangehouden. Controles buiten deze periode zijn slechts toegestaan indien het in artikel 4 van richtlijn 92/102/EEG van de Raad bedoelde register beschikbaar is.
29. Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 3887/92 bepaalt: Indien een lidstaat besluit de in artikel 6, lid 3, bedoelde steekproef geheel of gedeeltelijk te controleren door middel van teledetectie, gaat hij over tot:
─ foto-interpretatie van beelden of luchtfoto's met het doel voor alle te controleren percelen de vegetatie te herkennen en de oppervlakte te meten;
─ een fysieke controle van de aanvragen waarvoor niet op grond van foto-interpretatie ten genoegen van de bevoegde instantie kan worden geconcludeerd dat de aangifte juist is.
30. Artikel 12 van verordening nr. 3887/92 bepaalt:Van elk controlebezoek moet een verslag worden opgemaakt waarin met name de volgende gegevens worden vermeld: de redenen voor het bezoek, de aanwezige personen, het aantal bezochte percelen, de gemeten percelen, de gebruikte meettechnieken, het aantal en de soort van de dieren die aanwezig bleken te zijn, en eventueel het identificatienummer van deze dieren.
31. In artikel 17, lid 1, van de verordening wordt gepreciseerd:Voorzover in het kader van artikel 13 van verordening (EEG) nr. 3508/92 sommige onderdelen van het geïntegreerde systeem nog niet van toepassing zijn, neemt elke lidstaat de nodige maatregelen voor de toepassing van beheers- en controlemaatregelen die de inachtneming van de voorwaarden voor de toekenning van de betrokken steun garanderen.
2. Opmerkingen van de Commissie en procedureverloop
32. Na een aantal verificaties in Griekenland in de jaren 1996-1999 stelden de diensten van de Commissie bij de Griekse autoriteiten een reeks tekortkomingen vast bij het beheer en de controle van de steun in de sector akkerbouwgewassen in de oogstjaren 1995-1997 (begrotingsjaren 1996-1998), voornamelijk met betrekking tot de volgende aspecten (21) :
a) het onvoltooide GBCS. Op de vastgestelde datum van 1 januari 1997 was het alfanumerieke systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond nog niet klaar, evenmin als er een databank tot stand was gebracht door een on-lineverbinding tussen de computers van de regionale directies van het ministerie van Landbouw en die van het Didagep, het orgaan dat verantwoordelijk was voor de betalingen;
b) het ondoeltreffende toezicht door die directies op de verenigingen van landbouwcoöperaties ( VLC's), die in Griekenland een sleutelrol bij het beheer en de controle van de communautaire steunregelingen vervullen. In strijd met het bepaalde in verordening nr. 1663/95 waren de regionale directies niet in staat effectief toezicht te houden op de werkzaamheid van de VLC's, vooral omdat zij geen directe on-linetoegang tot de databanken van laatstgenoemde hadden. (22) Ook de procedures voldeden niet aan de minimumvereisten van genoemde verordening; in het bijzonder werd vastgesteld dat pas vanaf 1998 de betalingsvoorstellen vergezeld gingen van een verklaring omtrent het toezicht van de regionale directies op de activiteiten van de VLC's (23) ;
c) onnauwkeurigheden in de door de Griekse autoriteiten aan de Commissie verstrekte gegevens betreffende oogsten, betalingen en controles, waardoor de diensten van de Commissie niet in staat waren de gewenste verificaties te verrichten. In het bijzonder stuitten zij op aanzienlijke verschillen tussen de gegevens betreffende de betalingen en die welke een analyse van de aanvragen opleverden; die verschillen waren te wijten aan leemten in het informaticasysteem, dat enkel een afzonderlijk beheer van de aanvragen enerzijds en de betalingen anderzijds mogelijk maakte;
d) te late uitvoering van de controles door middel van teledetectie, die in de meeste gevallen pas na de oogst plaatsvonden, waardoor het moeilijk was de bewerkte oppervlaktes en geteelde gewassen te bepalen. Ook de voor twijfelgevallen voorgeschreven fysieke controles vonden zo laat plaats, dat ze weinig doeltreffend waren.
33. Voor elk van de betrokken begrotingsjaren kwamen daar nog specifieke punten bij, waarvan in het bijzonder moeten worden genoemd:
a) voor het oogstjaar 1995 (begrotingsjaar 1996):
i) fouten bij de risicoanalyse; als gevolg van de daarvoor gebruikte criteria was de waarschijnlijkheid groot, dat steunaanvragen waaruit een verkleining van de gecultiveerde oppervlakte ten opzichte van het voorgaande jaar bleek, wel werden gecontroleerd, maar aanvragen die op een vergroting van de oppervlakte wezen, niet;
ii) in de provincie Thessaloniki werden de producenten vaak vele dagen van tevoren van komende controles ter plaatse in kennis gesteld, terwijl dit volgens artikel 6 van verordening nr. 3887/92 maximaal 48 uur mag zijn;
b) voor het oogstjaar 1996 (begrotingsjaar 1997):
i) vertraging bij de risicoanalyse; de lijsten van de te verifiëren steunaanvragen werden pas erg laat aan de plaatselijke instanties gezonden, wat de uitvoering van de controles problematisch maakte;
ii) de in verordening (EG) nr. 658/96 (24) bedoelde oogststatistieken werden te laat verzonden en waren onvolledig;
iii) er werden geen kruiscontroles verricht;
c) voor het oogstjaar 1997 (begrotingsjaar 1998):
i) het aantal verrichte controles; de door de Griekse autoriteiten verstrekte cijfers laten niet de conclusie toe, dat het voor Griekenland op 20 % van de opgegeven oppervlaktes gestelde minimumcontrolepercentage is gehaald; met name in de provincie Arcadië zijn in de oogstjaren 1996 en 1997 minder controles ter plaatse verricht dan het Didagep na een risicoanalyse had voorgeschreven;
ii) niet-naleving op plaatselijk niveau van de instructies inzake te verrichten controles, die het Didagep op grond van de risicoanalyse had gegeven; zo had de regionale directie Landbouw te Pyrgos de controles op basis van andere dan de door de centrale autoriteiten opgestelde criteria uitgevoerd.
34. Op grond van een en ander stelden de diensten van de Commissie twee forfaitaire correcties voor op de door Griekenland gedeclareerde uitgaven in de sector akkerbouwgewassen voor de begrotingsjaren 1996-1998, te weten een van 5 % voor de aan normale controles ter plaatste onderworpen steunaanvragen en een van 2 % voor de door middel van teledetectie gecontroleerde aanvragen, tot een gezamenlijk bedrag van 26 482 863 795 GRD. (25)
35. De Griekse autoriteiten wendden zich daarop tot het bemiddelingsorgaan, waar zij in de eerste plaats stelden, dat zij, zij het ook met andere middelen dan orthofotografie, nagenoeg alle landbouwpercelen hadden geïdentificeerd, zoals door verordening nr. 3508/92 voorgeschreven; in de tweede plaats betoogden zij, dat Griekenland, ondanks de door de Commissie vastgestelde vertragingen, in de betrokken jaren toch een doeltreffend controlesysteem had toegepast. In het bijzonder de administratieve controles waren volgens de regels doorgevoerd, evenals de kruiscontroles en de controles ter plaatse. Verder hadden de vertragingen de doeltreffendheid van de controles niet verminderd; ook na de oogst kon men immers nog vaststellen welk gewas er op het betrokken perceel was verbouwd, en in elk geval waren de boeren verplicht om met het oog op eventuele latere verificaties een monster van de verbouwde gewassen te bewaren. Deze argumenten van de Griekse autoriteiten deden bij het bemiddelingsorgaan twijfel rijzen over de juistheid van de door de diensten van de Commissie voorgestelde correctie van 5 %. In zijn eindrapport van 16 maart 2000 nodigde het bemiddelingsorgaan die diensten dan ook uit, hun conclusies omtrent het in Griekenland toegepaste controlesysteem in heroverweging te nemen en de omvang van de voorgestelde correcties te herzien. (26)
36. Na onderzoek van het eindrapport van het bemiddelingsorgaan bleven de diensten van de Commissie bij hun standpunt. In het bijzonder wezen zij erop, dat anders dan de Griekse autoriteiten beweerden, het beheer en de controle van de steun in de sector akkerbouwgewassen in de jaren 1996-1998 zo gebrekkig was, dat de cijfers nog in de jongste tijd grote verschillen te zien gaven, waarvan de Griekse autoriteiten de herkomst niet hadden kunnen verklaren. Daarbij kwam nog, dat Griekenland het GBCS niet voor de vastgestelde datum van 1 januari 1997 gereed had gehad. In die omstandigheden en gelet op de ernst van de vastgestelde gebreken, waren de voorgestelde correcties meer dan gerechtvaardigd.
37. In de bestreden beschikking is deze motivering overgenomen en zijn de correcties in de voorgestelde omvang van 5 % en 2 % toegepast.
3. Samenvatting van de argumenten van partijen
38. Volgens de Griekse regering zijn de in geding zijnde correcties gebaseerd op een verkeerde uitlegging van artikel 4 van verordening nr. 3508/92 en een verkeerde beoordeling van de feiten. Bovendien is de toepassing van die correcties in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
39. Wat in de eerste plaats het niet toepassen van het GBCS betreft, erkent de Griekse regering, dat pas vanaf 1998 gedeeltelijk met de alfanumerieke identificatie van de percelen door middel van orthofotografie is begonnen. In de jaren daarvóór was een doeltreffende identificatie echter gewaarborgd door andere systemen, zoals luchtfoto's en de door de topografische dienst van het Ministerie van Landbouw geleverde gegevens. Anders dan de Commissie stelt, was dat in overeenstemming met artikel 4 van verordening nr. 3508/92, waar juist wordt gesproken over het gebruik van kadastrale kaarten en documenten, andere cartografische gegevens en luchtfoto's of satellietbeelden. Met betrekking tot de databank ontkent de Griekse regering niet, dat deze niet tijdig tot stand is gekomen, maar ter rechtvaardiging verwijst zij enkel naar vertragingen bij de aanbestedingsprocedure voor de levering van de benodigde software.
40. In de tweede plaats ontkent de Griekse regering evenmin de verschillen in de aan de Commissie gezonden statistieken, maar ter rechtvaardiging beroept zij zich enkel op het ontbreken van een on-lineverbinding met de regionale landbouwdirecties. Wat daarentegen de late verzending van de in artikel 8 van verordening nr. 658/96 bedoelde oogststatistieken betreft, stelt zij, dat de in die bepaling genoemde einddatum wegens het grote aantal te verrichten controles en de vele soorten gewassen onmogelijk kan worden gehaald.
41. In de derde plaats rechtvaardigt de Griekse regering de late uitvoering van de controles (ter plaatse en door middel van teledetectie) met de tijd die verging met de aanbestedingsprocedures om de organisaties te vinden die die controles konden verrichten. Zij betoogt echter, dat de correctie van 2 % ter zake van de controles door teledetectie onterecht is, enerzijds omdat de Griekse autoriteiten zich bij die controles aan de door de diensten van de Commissie voorgeschreven uitvoeringsmodaliteiten hebben gehouden en anderzijds omdat, volgens die diensten zelf, bij de controles door teledetectie de vereisten inzake de fysieke controles ─ die essentieel zijn ─ in het algemeen in acht zijn genomen. (27) De correctie van 5 % ter zake van de controles ter plaatse is volgens de Griekse regering echter onevenredig.
42. De Griekse regering betwist voorts enkele conclusies met betrekking tot de controles, waartoe de diensten van de Commissie na de verificaties in Griekenland waren gekomen. Om te beginnen was de in de provincie Thessaloniki geconstateerde situatie eerder aan het toeval te wijten en niet representatief voor het gehele land, waar overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 3887/92 controles ter plaatse niet meer dan 48 uur tevoren aan de producenten worden aangekondigd. Verder blijkt uit de correctie van de controlestatistieken dankzij een nieuw computerprogramma, dat het minimumaantal controles in het oogstjaar 1997/1998 is gehaald. Ten slotte beklemtoont de Griekse regering, dat de kruiscontroles steeds zijn verricht, zij het ook handmatig, en dat zij met ingang van het oogstjaar 1998/1999 vóór de uitbetaling van de steun plaatsvinden.
43. Wat in de vierde plaats het toezicht op de VLC's betreft, verklaart de Griekse regering, dat de plaatselijke landbouwdirecties in alle controlefasen met de VLC's samenwerken; die directies hebben rechtstreekse toegang tot de databanken van de VLC's en houden hun activiteiten doorlopend in het oog. Hetzelfde is het geval met de Paseges (unie van landbouwcoöperaties), die verantwoordelijk is voor de informatisering. Anderzijds zijn het juist de plaatselijke directies die voor de controle en de betaling van de uitgaven moeten zorgen. Met ingang van het oogstjaar 1998/1999 wordt van de uitvoering van de controles door de plaatselijke directies aantekening gemaakt op de verificatie-checklistsen worden de betalingsopdrachten pas afgegeven na een extra kruiscontrole door de directie Informatica van het Ministerie van Landbouw. Anders dan de Commissie stelt, wordt derhalve aan de voorwaarden van verordening nr. 1663/95 voldaan.
44. De Griekse regering betoogt dan ook, dat er, gezien de belangrijke voortgang die naar haar zeggen bij de verwezenlijking van het GBCS is gemaakt en, tegelijkertijd, het geringe belang van de door de Commissie genoemde tekortkomingen vergeleken bij de ingewikkeldheid van het systeem, geen rechtvaardiging bestaat voor zo grote correcties als hier in geding, die niet alleen op een verkeerde beoordeling van de feiten berusten, maar ook volstrekt onevenredig zijn met de ernst van de gesignaleerde tekortkomingen.
45. De Commissie verdedigt de bestreden beschikking met erop te wijzen, dat naar uit de argumenten van de Griekse regering zelf blijkt, de voornaamste onderdelen van het GBCS, zoals het alfanumerieke systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond en het computernetwerk van de regionale directies, in de betrokken begrotingsjaren nog niet operationeel waren. Wat meer in het bijzonder de identificatie van de landbouwpercelen betreft, heeft de Griekse regering ook geen bewijs geleverd van het gebruik, in de betrokken periode, van even doeltreffende systemen als het alfanumerieke. Want ook al hebben de Griekse autoriteiten vanaf 1997 voor de identificatie van landbouwpercelen waar mogelijk gebruik gemaakt van middelen als luchtfoto's en topografische kaarten, dergelijke systemen zijn niet gelijkwaardig aan een eenvormige alfanumerieke identificatie.
46. In ieder geval, aldus de Commissie, is bij de verificaties in Griekenland juist vastgesteld dat het met het door de Griekse autoriteiten gebruikte controlesysteem niet mogelijk was de landbouwpercelen precies te lokaliseren en te verifiëren of aan de voorwaarden voor steunverlening was voldaan. Met betrekking tot het toezicht van de regionale landbouwdirecties op de VLC's houdt de Commissie staande, dat dat toezicht door het ontbreken van rechtstreekse toegang tot de databanken van de VLC's en door personeelsgebrek bij de regionale directies zelf werd verhinderd.
47. Het gaat dus volgens de Commissie om structurele gebreken van het controlesysteem, die een groot risico voor de gemeenschapsbegroting inhouden. In deze omstandigheden is een correctie van 5 % dan ook zeer gematigd.
48. Anderzijds zijn ook gebreken geconstateerd met betrekking tot de met behulp van teledetectie gecontroleerde aanvragen, in de vorm van fouten en te laat verrichte fysieke controles in de gevallen waarin de analyse van de beelden mogelijke onregelmatigheden in de steunaanvraag aan het licht bracht. Gezien het belang van een juiste uitvoering van die controles in het kader van de teledetectietechnieken, leek een correctie van 2 %, overeenkomend met wat voor andere lidstaten was toegepast, op haar plaats.
4. Beoordeling
49. De argumenten van de Griekse regering kunnen naar mijn mening niet worden aanvaard. Om de conclusies van de Commissie omtrent het bestaan van structurele gebreken in het systeem van beheer en controle van de communautaire steun in de sector akkerbouwgewassen voor de begrotingsjaren 1996-1998 te weerleggen, had de Griekse regering volgens de eerder aangehaalde vaste rechtspraak (28) omstandig en volledig bewijs moeten leveren, dat in de betrokken periode in Griekenland een betrouwbaar en goed functionerend controlesysteem in gebruik was en, eventueel, dat de na de fysieke verificaties door de gemachtigden van de Commissie geformuleerde kritiek niet met de feitelijke situatie in het land overeenkwam. Welnu, ik meen dat de Griekse regering dit bewijs niet heeft geleverd. Op sommige punten heeft zij bovendien volmondig toegegeven, dat de kritiek van de Commissie juist is.
50. Zo erkent de Griekse regering met betrekking tot de opbouw van het GBCS, dat de in artikel 3 van verordening nr. 3508/92 bedoelde databank op de daarvoor bepaalde datum nog niet gereed was en in geen van de betrokken begrotingsjaren operationeel was. Zoals wij zagen, betoogt zij, dat zij wel tot de door artikel 4 van de verordening voorgeschreven alfanumerieke identificatie van de landbouwpercelen was overgegaan, zij het niet door middel van orthofoto's, maar van andere beschikbare cartografische gegevens. Op dit punt kan in het midden blijven of een dergelijke identificatie al dan niet aan de vereisten van de communautaire regeling voldoet; wij kunnen volstaan met vast te stellen, dat de Griekse regering niet heeft aangetoond dat alle landbouwpercelen op 1 januari 1997, de uiterste datum voor de inwerkingtreding van het systeem, geïdentificeerd waren. Uit de stukken in het dossier meen ik te moeten afleiden, dat nog in maart 1998 voor gedeelten van het landbouwareaal elke identificatie ontbrak (29) en dat dit probleem zelfs eind 1999 nog niet was opgelost. (30) Ik meen daarom, dat het betoog van de Griekse regering op dit punt moet worden afgewezen.
51. Ook de tijdens de goedkeuringsprocedure geformuleerde kritiek betreffende de incongruenties in de aan de Commissie gezonden statistieken wordt, zoals wij zagen, door de Griekse regering niet betwist. Enkel met betrekking tot de in artikel 8 van verordening nr. 685/96 bedoelde statistische informatie, en zonder de haar op dat punt verweten traagheid en verzuimen te ontkennen, beroept de Griekse regering zich op de onmogelijkheid om de in die bepaling gestelde termijn van 15 september in acht te nemen. Uit de daarvoor aangevoerde redenen ─ het aantal te verrichten controles en het feit dat de controles van de vroege gewassen zich tot begin september voortslepen ─ blijkt mijns inziens echter niet, dat het objectief onmogelijk is de verlangde informatie vóór die datum te verstrekken. Temeer omdat volgens artikel 8 van genoemde verordening per 15 september slechts voorlopige gegevens moeten zijn geleverd, die dan voor de eerstvolgende 15e januari moeten worden bevestigd. Ik concludeer dan ook, dat ook dit argument moet worden afgewezen.
52. Wat de late uitvoering van de controles met behulp van teledetectie betreft, meen ik dat de Griekse regering niet alleen geen enkel bewijs aanvoert voor de beoordelingsfout die zij de Commissie verwijt, maar ook de strekking van de conclusies waartoe de Commissie is gekomen en waarop zij de betwiste correctie baseert, eenvoudigweg verdraait. Het is juist, dat bij de uitgaven in verband met via teledetectie gecontroleerde aanvragen een kleinere correctie is toegepast, omdat ondanks de vertragingen bij de fysieke controles de eerdere controlefasen, daaronder begrepen de analyse van de opgenomen beelden, correct waren verlopen. Dit neemt echter niet weg, dat juist die vertragingen ─ die door de Griekse regering niet worden betwist ─ de oorzaak zijn van de problemen bij de herkenning van de op diverse percelen verbouwde gewassen en dus van het door de Commissie gesignaleerde risico dat de controles hun doel niet bereiken. Ik meen dan ook, dat de desbetreffende argumenten zonder meer moeten worden afgewezen. Bovendien wijs ik erop, dat de Griekse regering, anders dan tijdens de bemiddelingsprocedure, voor het Hof niet meer heeft betoogd dat de doeltreffendheid van de controles door de eventuele vertragingen niet in gevaar was gebracht, omdat de boeren verplicht waren ook na de oogst een monster van de verbouwde gewassen te bewaren, en nog veel minder heeft zij daarvoor enig bewijs aangevoerd.
53. Verder merk ik op, dat de Griekse regering ook de late uitvoering van de controles ter plaatse niet betwist. Zij stelt enkel, zonder dit echter nader te motiveren, dat de correctie van 5 % op de uitgaven in verband met de aan die controles onderworpen steunaanvragen veel te groot en onevenredig is. Deze grief keert echter in beargumenteerde vorm terug in een ander, specifiek middel, dat de omvang van de in de bestreden beschikking toegepaste forfaitaire correcties betreft. Ik kom er bij de behandeling van dat middel dus nog op terug.
54. Nog steeds met betrekking tot de controles wijs ik erop, dat de Griekse regering wel de juistheid van bepaalde specifieke bezwaren van de Commissie betwist, maar op die punten geen enkel tegenbewijs aanvoert. In het bijzonder heeft zij niet aangetoond dat, in tegenstelling tot wat de Commissie in de provincie Thessaloniki had vastgesteld, bij de aankondiging van controles ter plaatse de daarvoor toegestane maximumtermijn op lokaal niveau in het hele land steeds in acht is genomen. Evenmin heeft zij aangetoond, dat in de betrokken begrotingsjaren de controles in de voorgeschreven omvang en tijdig zijn verricht. Ik concludeer dan ook tot afwijzing van de desbetreffende argumenten.
55. Wat ten slotte het toezicht op de VLC's betreft, ben ik evenmin van oordeel, dat de Griekse regering de onjuistheid van de vaststellingen van de Commissie heeft aangetoond, en nog minder dat de bevoegde autoriteiten in elk van de betrokken begrotingsjaren de activiteiten van die verenigingen effectief hebben gecontroleerd. Met name wijs ik erop, dat de Griekse regering wel zegt dat de regionale directies van het Ministerie van Landbouw rechtstreeks toegang tot de databanken van de VLC's hadden, maar niet specificeert, en niet bewijst, of het daarbij om een on-lineverbinding ging en niet, zoals de Commissie heeft vastgesteld, om de mogelijkheid van toegang tot de gegevens van de VCL's door zich naar hun kantoren te begeven en daar gebruik van hun computers te maken. Wat vervolgens de naar het schijnt tijdens het begrotingsjaar 1998 tot stand gekomen verbeteringen in de procedures betreft, zoals de bevestiging dat de door de VLC's opgestelde betalingsopdrachten door de regionale directies waren gecontroleerd, kan ik mij slechts aansluiten bij het door de Commissie tijdens de goedkeuringsprocedure ingenomen standpunt, dat die verbeteringen te laat zijn ingevoerd om een rol te kunnen spelen bij de beoordeling van de doeltreffendheid van het in de betrokken begrotingsjaren toegepaste systeem.
56. Daar naar mijn mening geen van de argumenten van de Griekse regering kan worden aanvaard, geef ik in overweging het hier besproken middel in zijn geheel af te wijzen.
C ─ De correcties wegens gebreken bij het beheer en de controle van en het toezicht op de steun voor vervroegde uittreding in de landbouwsector
1. De toepasselijke regeling
57. In het kader van de flankerende maatregelen van de in 1992 aangevatte hervorming van de ondersteuningsregelingen voor de landbouwmarkten biedt verordening (EEG) nr. 2079/92 (31) de lidstaten de mogelijkheid een steunregeling voor de vervroegde uittreding van landbouwers in te stellen, die door het EOFGL, afdeling Garantie, wordt medegefinancierd. In artikel 4 van de verordening wordt de lidstaten gevraagd de steunregeling op hun grondgebied ten uitvoer te leggen door middel van nationale of regionale meerjarenprogramma's, die door de Commissie moeten worden goedgekeurd.
58. Zoals bij iedere door het EOGFL, afdeling Garantie, gefinancierde maatregel moeten de betaalorganen van de lidstaten bij de toekenning van steun overeenkomstig deze regeling ervoor zorgen, dat de ontvankelijkheid van de steunaanvragen zorgvuldig wordt gecontroleerd en dat de betalingen in overeenstemming zijn met de communautaire voorschriften. De daarvoor nodige administratieve en boekhoudkundige uitvoeringsregelingen worden vastgesteld aan de hand van de richtsnoeren van de Commissie in de bijlage van verordening nr. 1663/95. In deze bijlage heet het onder meer:
4. Het toestaan van betalingen en/of de taken van de technische dienst mogen gedeeltelijk of volledig aan andere instanties gedelegeerd worden, voorzover aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan:[...]
ii) De instanties moeten beschikken over doeltreffende systemen om hun taken behoorlijk te vervullen.
iii) De instanties moeten het orgaan de uitdrukkelijke bevestiging geven dat zij hun taken daadwerkelijk uitvoeren, en de daartoe ingezette middelen beschrijven.
iv) Het orgaan moet geregeld en tijdig worden ingelicht over de resultaten van de controles zodat steeds in aanmerking genomen kan worden of deze controles toereikend waren, voordat een aanvraag afgewikkeld wordt. [...] Wanneer fysieke of administratieve controles niet alle aanvragen betreffen, maar steekproefsgewijze worden uitgevoerd, moet worden aangegeven welke aanvragen werden uitgekozen, moet de steekproefmethode worden beschreven en moet over de resultaten van alle controles en over de bij afwijkingen en onregelmatigheden getroffen maatregelen gerapporteerd worden. Aan het orgaan moeten voldoende bewijsstukken worden overgelegd om zekerheid te bieden dat alle vereiste controles zijn uitgevoerd om de ontvankelijkheid van de goedgekeurde aanvragen na te gaan.
v) Wanneer documenten in verband met goedgekeurde aanvragen en uitgevoerde controles door andere instanties worden bewaard, moet zowel door deze instanties als door het orgaan een geëigende procedure worden ingesteld om te registreren waar alle documenten die specifieke betalingen door het orgaan betreffen, opgeslagen zijn, en om te garanderen dat deze documenten op verzoek in de kantoren van het betaalorgaan ter inzage liggen van de personen en instanties die normaliter gerechtigd zijn om deze documenten te controleren, d.w.z. onder meer:
─ het personeel van het orgaan dat de aanvraag behandelt;
─ de dienst interne controle van het orgaan;
─ de instantie die de jaaraangifte van het orgaan certificeert;
─ de daartoe gemachtigde functionarissen van de Europese Unie.
[...]
6. Het betaalorgaan dient de volgende procedures toe te passen, dan wel zodanige die gelijkwaardige waarborgen bieden:[...]
ii) De werkzaamheden moeten zo verdeeld worden dat geen enkele functionaris belast is met meer dan één van de taken op het gebied van de autorisatie, de uitvoering of de administratie van betalingen ten laste van het EOGFL, en dat geen enkele functionaris één van die taken verricht zonder dat door een tweede functionaris toezicht op zijn werk wordt uitgeoefend. De taak van iedere functionaris moet schriftelijk worden omschreven, waarbij ook de grenzen van zijn financiële bevoegdheid worden aangegeven. Er dient voor een adequate opleiding te worden gezorgd, en er zal een procedure zijn die voorziet dat personeel op gevoelige plaatsen wordt gerouleerd, of bij wijze van alternatief voor een verhoogd toezicht.
iii) Iedere met autorisatie belaste functionaris moet in het bezit zijn van een lijst van alle door hem uit te voeren controles; hij moet bij de bewijsstukken ter staving van een aanvraag een verklaring voegen waarin hij bevestigt dat deze controles inderdaad verricht zijn. [...] Het werk dient onderworpen te worden aan een gedocumenteerd toezicht door een hogere functionaris.
iv) Toestemming tot betaling voor een aanvraag mag pas worden gegeven nadat toereikende controles zijn uitgevoerd om na te gaan of de aanvraag in overeenstemming is met de voorschriften van de Gemeenschap. Het betreft onder meer de controles die voorgeschreven zijn bij de verordening betreffende de specifieke maatregelen op grond waarvan de steun wordt aangevraagd, en die welke krachtens artikel 8 van verordening (EEG) nr. 729/70 moeten worden uitgevoerd om fraude en onregelmatigheden te voorkomen en op te sporen, dit met bijzondere aandacht voor frauderisico's. De uit te voeren controles moeten in een lijst worden gespecificeerd en voor iedere aanvraag of reeks aanvragen moet in een verklaring worden bevestigd dat zij inderdaad hebben plaatsgevonden.
[...]
59. De uitvoeringsbepalingen van de steunregeling voor vervroegde uittreding overeenkomstig verordening nr. 2079/92 zijn in Griekenland vastgesteld bij interdepartementaal besluit nr. 407756/6081 van 20 september 1994. (32) Artikel 6, sub a, ervan voorziet in jaarlijkse controles bij een steekproef van 5 % van de steunontvangers door middel van inspecties ter plaatse of verificaties van de boekhouding van de verkoper of de verkrijger.
2. Vaststellingen van de Commissie en procedureverloop
60. Tijdens een verificatie in Griekenland in de periode van 3 tot 6 juni 1997 stelden de inspecteurs van het EOGFL een reeks tekortkomingen vast in het beheer en de controle van de in die lidstaat ingestelde steunregeling voor vervroegde uittreding in de zin van verordening nr. 2079/92. Volgens het verificatieverslag (33) betroffen de door de inspecteurs van het Fonds vastgestelde tekortkomingen in het bijzonder de volgende punten:
a) Het door de Griekse Landbouwbank ( ATE), het met het beheer van de regeling belaste orgaan, verrichte aantal steekproefsgewijze controles per jaar lag beneden het in het interdepartementale besluit van 20 september 1994 verlangde percentage. Bij de ATE Edessa werd vastgesteld dat een aantal controles die op het oog het jaar 1996 betroffen, eerst in 1997 hadden plaatsgevonden.
b) Bij de verkopers en verkrijgers van landbouwbedrijven waren geen controles ter plaatse verricht, welke controles onmisbaar waren om de oppervlakte van het bedrijf en het aantal er aanwezige dieren te verifiëren en vast te stellen of de verkrijger de betrokken oppervlakte inderdaad bewerkte.
c) De dossiers van de steunaanvragen waren onvolledig en werden slecht bijgehouden. In Edessa constateerden de inspecteurs van het Fonds onder meer, dat in sommige dossiers bewijsstukken ontbraken, terwijl zij in andere fouten ontdekten in de berekening van de betrokken oppervlaktes of de identiteit van de steunontvangers.
61. Gelet op een en ander kwamen de diensten van de Commissie tot de conclusie, dat het beheer van de steun voor vervroegde uittreding en de controle en het toezicht door de centrale instanties niet aan de communautaire voorschriften voldeden. Zij deelden dit aan de Griekse autoriteiten mee en nodigden hen uit hun opmerkingen te maken. (34) Er volgde een bilaterale discussie, aan het einde waarvan de diensten van de Commissie het verwijt dat geen controles ter plaatse waren verricht, introkken, maar hun standpunt met betrekking tot de andere vastgestelde tekortkomingen bevestigden. (35) Zij stelden daarom een forfaitaire correctie van 134 771 782 GRD voor, overeenkomend met 2 % van het totaal van de door Griekenland voor het begrotingsjaar 1997 (36) ter zake van steun voor vervroegde uittreding gedeclareerde uitgaven. Deze correctie is in de bestreden beschikking toegepast.
3. Samenvatting van de argumenten van partijen
62. Volgens de Griekse regering berust de betwiste correctie op een verkeerde beoordeling van de feiten. De Griekse regering erkent, dat een aantal controles die oorspronkelijk voor 1996 waren gepland, pas in 1997 hebben plaatsgevonden, maar zij verklaart dat met de omstandigheid, dat de steunregeling voor vervroegde uittreding pas in juli 1995 in Griekenland is ingevoerd en dat het aantal begunstigden aanvankelijk vrij klein was. In ieder geval lag in 1996 en 1997 het aantal verrichte controles duidelijk boven het bij het interdepartementaal besluit van 20 september 1994 bepaalde minimum van 5 %. Evenals de complete dossiers van de steunaanvragen, worden de controleprotocollen bij de agentschappen van de ATE bewaard, waar zij steeds voor verificatie beschikbaar zijn. Tijdens de bilaterale discussie vóór de vaststelling van de bestreden beschikking is de Commissie hierover naar behoren geïnformeerd.
63. De andere bij de verificatie in juni 1997 vastgestelde tekortkomingen worden door de Griekse regering niet betwist. Ik meen echter te begrijpen dat zij naar haar mening niet zo ernstig zijn, dat zij afdoen aan de betrouwbaarheid van het beheer en de controle van de regeling, daar het zuiver administratieve problemen en geen wezenlijke gebreken betreft.
64. De Commissie brengt hiertegen in, dat de beweringen van de Griekse regering niet met bewijs worden gestaafd. Hoewel de Griekse regering verklaart, dat de steekproefsgewijze controles daadwerkelijk volgens de modaliteiten van artikel 6 van het interdepartementaal besluit hebben plaatsgevonden, heeft zij daarvoor noch tijdens de verificatie door de inspecteurs van het Fonds noch later tijdens de goedkeuringsprocedure enig bewijs geleverd.
4. Beoordeling
65. Naar mijn mening heeft de Griekse regering niets aangevoerd wat twijfel aan de gegrondheid van de betwiste correctie kan doen rijzen. Zoals reeds gezegd, is het immers de Griekse regering die omstandig en overtuigend bewijs moet leveren van de onjuistheid van de feitelijke vaststellingen waarop die correctie is gebaseerd.
66. Met betrekking tot de inachtneming van het bij het interdepartementaal besluit van 20 september 1994 bepaalde minimumpercentage controles kan ik het alleen maar eens zijn met het betoog van de Commissie, dat de Griekse regering geen enkel bewijs heeft geleverd voor haar bewering dat in 1996 controles zijn verricht bij 8,6 % en in 1997 bij 6,6 % van de begunstigden. In de door haar overgelegde stukken is niets te vinden wat haar verklaringen kan ondersteunen (37) , en men kan zeker niet zeggen dat zij aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan door te verwijzen naar de protocollen die naar haar zeggen bij de agentschappen van de ATE worden bewaard. De twijfel of de controles naar aantal en frequentie wel volgens genoemd interdepartementaal besluit zijn verricht, blijft dus bestaan.
67. Wat vervolgens het argument betreft, dat de onvolledigheid en het slordige bijhouden van de dossiers, zoals door de Commissie geconstateerd, geen wezenlijke gebreken zijn die afdoen aan de betrouwbaarheid van het beheer en de controle van de steunregeling, wijs ik erop, dat een correcte documentering van de door het EOGFL gefinancierde uitgaven niet slechts van wezenlijk belang is voor de werkzaamheid van de betaalorganen en de door deze gemachtigde instanties (38) , maar ook voor het toezicht op die instanties door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten (39) en, uiteindelijk, om de Commissie in staat te stellen om waar nodig de passende controles te verrichten. (40) Dit temeer, nu de Commissie in het onderhavige geval, waar het een niet geautomatiseerd systeem betrof, niet alleen heeft kunnen vaststellen dat bepaalde stukken in de dossiers ontbraken of dat de dossiers moeilijk te raadplegen waren, maar ook dat zij fouten bevatten met betrekking tot de identiteit van de begunstigde of de omvang van het vervreemde bedrijf. Dergelijke, door de Griekse regering niet bewiste omstandigheden zijn meer dan voldoende om de twijfel van de Commissie omtrent de kwaliteit van het beheer en de controle van de steun voor vervroegde uittreding te bevestigen. Daarbij komt, dat de Griekse regering niets heeft aangevoerd wat aannemelijk kan maken dat het stelsel van beheer, controle en toezicht in verband met deze steun wel betrouwbaar en doeltreffend was.
68. Gelet op het voorgaande ben ik van oordeel, dat het hier besproken middel moet worden afgewezen.
D ─ De correcties wegens het niet toepassen van het GBCS in de sector rundvlees
1. De toepasselijke regeling
69. Zoals eerder al vermeld, geldt het GBCS ingevolge artikel 1, lid 1, sub b, eerste streepje, van verordening nr. 3508/92 ook voor de premies in de sector rundvlees, bedoeld in de artikelen 4a tot en met 4h van verordening nr. 805/68. Van de onderdelen van het GBCS zijn voor het beheer en de controle van die premies van bijzonder belang de in artikel 3 van verordening nr. 3508/92 bedoelde databanken en het alfanumeriek systeem voor de identificatie en registratie van de dieren, bedoeld in artikel 5 van de verordening.
70. Over de eisen die artikel 3 van verordening nr. 3508/92 aan de databanken stelt, heb ik al gesproken. Inzake het alfanumerieke identificatie- en registratiesysteem voor dieren verwijst artikel 5 van de verordening naar de voorschriften van richtlijn 92/102/EEG. (41) Ingevolge deze richtlijn moet op elk bedrijf een register van de aldaar aanwezige dieren worden gehouden, dat voor de bevoegde autoriteiten toegankelijk dient te zijn. Elk dier moet worden geïdentificeerd door middel van een merkteken, dat voor runderen bestaat in een oormerk met een alfanumerieke code, dat het dier heel zijn leven moet dragen. (42) Voor runderen zijn deze voorschriften met ingang van 1 juli 1997 opgenomen in verordening (EG) nr. 820/97 (43) , die met name voorziet in het gebruik van een nieuw model oormerk met een voor de gehele Gemeenschap eenvormige code en in de oprichting van een databank waarin de gegevens betreffende de dieren, de landbouwbedrijven en de verplaatsingen van de dieren zijn opgenomen. (44)
71. Volgens artikel 13 van verordening nr. 3508/92 moest de identificatie- en registratieregeling voor dieren op 1 januari 1993 in werking treden.
2. Vaststellingen van de Commissie en procedureverloop
72. Na verificaties wierpen de diensten van de Commissie de Griekse autoriteiten voor, dat geen van de twee onderdelen waarvan de toepassing van het GBCS in de sector rundvlees afhing, te weten het systeem voor individuele identificatie van de dieren en de databank, op 1 januari 1997 gereed was geweest en dat zij medio 1998 nog niet operationeel waren. Wegens de ernst van deze tekortkomingen en het daaruit voortvloeiende risico voor de gemeenschapsbegroting stelden de diensten van de Commissie een forfaitaire correctie van 10 % voor op de door Griekenland voor het verkoopseizoen 1997 (begrotingsjaar 1998) gedeclareerde uitgaven in de betrokken sector. (45)
73. Griekenland wendde zich te dezer zake tot het bemiddelingsorgaan, waar het in de eerste plaats betoogde, dat het ontbreken van een databank was gecompenseerd door met betrekking tot alle steunaanvragen systematisch controles ter plaatse te verrichten. In de tweede plaats verklaarde het, dat de controle op de verplaatsingen van dieren bij gelegenheid van de veterinaire controles waren verricht. In de derde plaats wees het erop, dat voor de dieren zonder identificatiemerk geen premie was toegekend. Het niet of het niet correct bijhouden van de dierenregisters was op dezelfde wijze gesanctioneerd. Het bemiddelingsorgaan stelde vast, dat het GBCS in Griekenland niet tijdig gereed was geweest, maar uitte twijfel over de omvang van de voorgestelde correctie. Het was van oordeel, dat deze tot 5 % had kunnen worden verminderd indien een nader onderzoek tot de conclusie had geleid, dat de door de Griekse autoriteiten toegepaste controles toch voldoende doeltreffend waren geweest om te verzekeren dat, in het algemeen, de premies enkel voor behoorlijk geïdentificeerde dieren waren toegekend. Het bemiddelingsorgaan verzocht daarom de diensten van de Commissie hierover opmerkingen te maken. (46)
74. Na heronderzoek meenden de diensten van de Commissie bij hun standpunt te moeten blijven. Met name wezen zij erop, dat bij gebreke van een passende identificatie van de dieren geen van de door de communautaire voorschriften verlangde controles op bevredigende wijze verricht had kunnen worden. Bovendien hadden de Griekse autoriteiten, hoewel zij enkele malen uitdrukkelijk daarom waren verzocht, geen cijfers over de in 1997 verrichte controles verstrekt, en er was dus geen bewijs dat alle premieaanvragen daadwerkelijk waren gecontroleerd. Ten slotte hadden die autoriteiten ook geen mededeling gedaan van het juiste aantal aanvragen die wegens ontbrekende identificatie van de dieren waren afgewezen, wat slechts in zeer weinig gevallen bleek te zijn gebeurd. Daar de mogelijkheid bleef bestaan dat in tal van gevallen premies voor niet geïdentificeerde of niet geregistreerde dieren waren betaald, was een correctie van 10 % op haar plaats. (47)
75. In de bestreden beschikking is de correctie derhalve overeenkomstig het voorstel toegepast.
3. Samenvatting van de argumenten van partijen
76. Behalve met de argumenten die zij tijdens de bemiddelingsprocedure al had aangevoerd, betwist de Griekse regering de correcties met erop te wijzen, dat de invoering van het GBCS in Griekenland veel moeilijker is wegens het bergachtige karakter van het land en de verspreiding van de rundveehouders over het grondgebied, waardoor het meer tijd kost om die veehouders voor te lichten over en aanwijzingen te geven voor de toepassing van de procedures van het stelsel. Verder verklaart zij, dat de identificatie van het rundvee met de nieuwe oormerken nagenoeg voltooid is en dat, ook al was het centrale on-linecontrolesysteem op 1 januari 1997 nog niet gereed, dit een gedeeltelijke toepassing van de geautomatiseerde systemen niet heeft verhinderd, waardoor kruiscontroles op dezelfde wijze als met het GBCS mogelijk waren. Om die redenen acht de Griekse regering een correctie met 10 % onjuist en ongerechtvaardigd.
77. Daartegenover houdt de Commissie de correctie voor ten volle gerechtvaardigd, gelet op de niet-toepassing van het dierenidentificatiestelsel, het ontbreken van de databanken en de tekortkomingen van het nationale administratieve en controlesysteem. Daarbij preciseert de Commissie, dat in Griekenland de identificatie van de dieren ook op basis van de bestaande registers niet mogelijk was, omdat deze niet aan de vereisten van richtlijn 92/102 voldeden.
78. De Commissie wijst er verder op, dat er geen bewijs is dat de Griekse autoriteiten daadwerkelijk alle steunaanvragen hebben gecontroleerd. Maar ook indien dat het geval was, zou het controlesysteem niet doeltreffend en betrouwbaar zijn. Wanneer niet alle dieren zijn geïdentificeerd en er geen centrale databank met alle identificatiegegevens bestaat, zijn kruiscontroles, waarbij die gegevens met de opgaven van de steunaanvragen worden vergeleken, onmogelijk.
4. Beoordeling
79. De Griekse regering, zo stel ik vast, betwist niet, dat de in artikel 3 van verordening nr. 3508/92 bedoelde databank ontbreekt, noch dat het dierenidentificatie- en registratiesysteem leemten vertoont, ook al probeert zij wat dit laatste betreft, de omvang van de tekortkoming te beperken met het betoog, dat alle runderen van een oormerk waren voorzien, ook al was dit in een aantal gevallen weer verloren gegaan. Centraal in het verweer van de Griekse regering staat echter het argument, dat in het verkoopseizoen 1997 een controlesysteem is toegepast dat weliswaar afweek van wat de gemeenschapsrichtlijn voorschreef, maar dat toch een even doeltreffende verificatie van de regelmatigheid van de verrichte betalingen mogelijk had gemaakt.
80. Ik moet echter bekennen, dat ik op dit punt de twijfel van de Commissie deel over de mogelijkheid van een doeltreffende controle van de steunaanvragen, wanneer men zich daarbij niet kan verlaten op een volledige identificatie van het rundveebestand en wanneer een informaticasysteem ontbreekt waarmee de identificatiegegevens van de dieren gemakkelijk met de opgaven van de steunaanvragen vergeleken kunnen worden. (48) Iets anders is, dat het afwijzen van steunaanvragen voor niet geïdentificeerde dieren geenszins een uitzonderlijke maatregel van de Griekse autoriteiten is om in de leemten van het controlesysteem te voorzien, maar dat het, althans wat de in artikel 4b van verordening nr. 805/68 bedoelde speciale premie voor runderen betreft, eenvoudig een voorwaarde is om de premie überhaupt te kunnen uitbetalen. (49)
81. Wat voor mij echter de doorslag geeft, is dat de Griekse regering zich voor het Hof tevreden heeft gesteld met een aantal algemene opmerkingen over de maatregelen die zij had genomen om doeltreffende controles te verzekeren, zonder in dat verband concrete en nauwkeurige bewijzen over te leggen. In het bijzonder heeft de Griekse regering niets aangevoerd tot staving van het kernargument van haar verweer, te weten dat met betrekking tot alle in het betrokken verkoopseizoen ingediende steunaanvragen controles ter plaatse zijn verricht. Verder zagen wij, dat de Commissie de Griekse autoriteiten al tijdens de goedkeuringsprocedure heeft verzocht om nauwkeurige informatie over het aantal controles ter plaatse gedurende het verkoopseizoen en over het aantal steunaanvragen dat wegens het feit dat de betrokken dieren niet geïdentificeerd waren, is afgewezen, en dat aan dit verzoek geen enkel gevolg is gegeven. (50)
82. Nu de Griekse regering niet heeft voldaan aan de volgens 's Hofs eerder aangehaalde vaste rechtspraak (51) op haar rustende last om omstandig en volledig bewijs van het bestaan en de doeltreffendheid van de in het betrokken verkoopseizoen in Griekenland toegepaste controlesystemen te leveren, concludeer ik tot afwijzing van het hier besproken middel.
E ─ De omvang van de forfaitaire correcties bij akkerbouwgewassen en rundvlees en bij de steun voor vervroegde uittreding
1. Samenvatting van de argumenten van partijen
83. Zoals al aangeduid, betwist de Griekse regering met een afzonderlijk middel de omvang van de forfaitaire correcties die bij de bestreden beschikking zijn toegepast in de sectoren akkerbouwgewassen en rundvlees en bij de steun voor vervroegde uittreding in de landbouw. Zij stelt, dat de Commissie met die correcties de grenzen van de haar bij artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70 toegekende beoordelingsvrijheid heeft overschreden en daarmee genoemde bepaling alsook het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden.
84. Volgens de Griekse regering blijkt uit de richtsnoeren van de Commissie betreffende financiële correcties (52) , dat slechts tot toepassing van een forfaitaire correctie wegens gebrekkige controles door een lidstaat kan worden besloten, wanneer belangrijke gebreken bij de toepassing van de gemeenschapsvoorschriften zijn vastgesteld, die een concreet risico van schade voor de gemeenschapsbegroting, in casu het EOGFL, inhouden. Dit wordt overigens bevestigd door genoemd artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70.
85. Aan deze voorwaarden is volgens de Griekse regering echter in geen van de genoemde sectoren voldaan. In de sector akkerbouwgewassen heeft die Commissie geen gebreken vastgesteld die zo ernstig zijn, dat men van aperte inbreuken op de communautaire voorschriften voor de toepassing en het beheer van het GBCS zou kunnen spreken; de feiten waarop de omstreden correcties zijn gebaseerd, maken het voorts niet mogelijk het schaderisico voor de gemeenschapsbegroting te kwantificeren. Ook bij de steun voor vervroegde uittreding is geen schending van de communautaire voorschriften vastgesteld, die het EOGFL aan een concreet schaderisico zou blootstellen. De in deze twee sectoren toegepaste correcties moeten derhalve nietig worden verklaard. Ongerechtvaardigd is ten slotte een correctie van 10 % in de sector rundvlees, waar ondanks het feit dat het GBCS niet operationeel was, de door de Griekse autoriteiten verrichte controles elk risico van schade voor de gemeenschapsbegroting hebben uitgesloten. De desbetreffende correctie dient daarom nietig te worden verklaard of tot 2 % te worden verminderd.
86. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof (53) antwoordt de Commissie hierop, dat de Griekse regering het bewijs moet leveren van de fout die de instelling bij het berekenen van de financiële consequenties van de vastgestelde onregelmatigheden zou hebben gemaakt. Zij heeft zich er echter toe beperkt, de door de Commissie toegepaste criteria als willekeurig te bestempelen, zonder daarvoor bewijs aan te voeren.
2. Beoordeling
87. Om te beginnen herinner ik eraan, dat de Griekse regering voor geen van de in geding zijnde sectoren heeft weten aan te tonen, dat de vaststellingen van de Commissie onjuist zijn of dat er in Griekenland een adequaat en doeltreffend geheel van toezicht- en controlemaatregelen bestaat. De twijfels die de Commissie dienaangaande koestert, rechtvaardigen dan ook de toepassing van forfaitaire correcties op de gedeclareerde uitgaven in de betrokken sectoren. (54)
88. Wat vervolgens de omvang van die correcties betreft, kan ik mij alleen maar aansluiten bij het standpunt van de Commissie. De Griekse regering had immers moeten bewijzen, dat de vastgestelde onregelmatigheden geen gevolgen voor de gemeenschapsbegroting hebben, althans minder ernstige gevolgen dan naar het oordeel van de Commissie het geval is. (55) En zoals de Commissie al heeft beklemtoond, staat het, in de gevallen waarin zij, in plaats van goedkeuring te onthouden aan alle onregelmatige uitgaven, de moeite heeft genomen om regels vast te stellen voor een gedifferentieerde behandeling van elke afzonderlijke onregelmatigheid naargelang van de ernst van de tekortkomingen bij de controles en de risico's voor het EOGFL, aan de lidstaat om aan te tonen dat die criteria willekeurig en onbillijk zijn. (56)
89. Welnu, het is niet moeilijk om vast te stellen, dat de Griekse regering dat bewijs niet heeft geleverd. Ik geef derhalve in overweging ook dit middel af te wijzen.
F ─ De correcties wegens het te laat verrichten van de extra betalingen bedoeld in verordening (EG) nr. 1357/96
1. De toepasselijke regeling
90. Om het hoofd te bieden aan de ernstige marktverstoringen als gevolg van het optreden van de boviene spongiforme encefalopathie (BSE), voorzag verordening (EG) nr. 1357/96 (57) voor het jaar 1996 in de toekenning van bijzondere steun aan de rundveehouders, aangeduid als extra betalingen.
91. Artikel 1, leden 1 en 2, van verordening nr. 1357/96 bepaalde, dat de bijzondere premie voor runderen en de premie voor zoogkoeien die voor het kalenderjaar 1995 overeenkomstig de artikelen 4b en 4d van verordening nr. 805/68 (58) werden betaald, met een bepaald bedrag zouden worden verhoogd.
92. Artikel 1, lid 3, van de verordening bepaalde dienaangaande:De mate waarin een producent recht heeft op elk van de in de leden 1 en 2 bedoelde extra betalingen die hij voor het kalenderjaar 1995 heeft ontvangen, hangt af van het aantal dieren waarvoor hij aantoont voor het kalenderjaar 1996 recht te hebben op een premie.
93. Artikel 2, leden 1 en 2, van de verordening luidde:
1. Wanneer het aantal dieren die voor het kalenderjaar 1996 voor een premie in aanmerking komen, kleiner is dan dat waarvoor een producent op grond van artikel 1 een extra betaling heeft ontvangen, wordt het deel van de extra betalingen waarop hij geen recht had, verrekend bij de uitkering van de premies op grond van verordening (EEG) nr. 805/68 voor het kalenderjaar 1996.
2. Wanneer een producent voor het kalenderjaar 1996 geen aanvraag voor premies op grond van verordening (EEG) nr. 805/68 indient, of wanneer bij de in lid 1 bedoelde verrekening blijkt dat het totale premiebedrag waarop hij recht heeft, ontoereikend is, dient hij de op grond van artikel 1 gedane extra betalingen waarop hij geen recht had, terug te betalen.
94. Verder bepaalde artikel 3 van de verordening: Producenten die voor het kalenderjaar 1996 recht hebben op een groter aantal premies dan voor het kalenderjaar 1995, kunnen aanspraak maken op een groter aantal extra betalingen. Deze betalingen worden slechts verricht:
─ in de mate waarin onverschuldigd aan producenten uitgekeerde extra betalingen in de betrokken lidstaat zijn terugbetaald of gerecupereerd, en
─ naar rato van het extra aantal premies die de producent voor het kalenderjaar 1996 ontvangt.
95. In artikel 4, sub a, van verordening nr. 1357/96 werd iedere lidstaat voorts toegestaan een in de bijlage bij de verordening bepaald bedrag aan te wenden voor verdere betalingen aan producenten voor wie de in artikel 1 bedoelde extra betalingen niet volstonden om de uit de marktsituatie voortvloeiende problemen volledig op te lossen.
96. Bovendien liet artikel 5 van verordening nr. 1357/96 de lidstaten vrij om de steunmaatregelen bedoeld in de artikelen 1 en 4, sub a, van de verordening, te vervangen door een eenmalige betaling waarmee het met die steunmaatregelen gemoeide totaalbedrag volgens objectieve criteria tussen de rundveehouders werd verdeeld. Volgens de vijfde overweging van de considerans van de verordening was de bepaling van artikel 5 niet slechts bedoeld om rekening te houden met de vereisten van de verschillende productiestructuren in de lidstaten, maar ook om het mogelijk te maken dat alle betalingen vóór 15 oktober 1996 werden verricht.
97. Ten slotte bepaalde artikel 7, tweede alinea, van de verordening:De Gemeenschap financiert de door de lidstaten gedane uitgaven in verband met de in artikel 1, artikel 4, onder a), en artikel 5 bedoelde betalingen alleen wanneer die betalingen uiterlijk op 15 oktober 1996 worden verricht.
2. Vaststellingen van de Commissie en procedureverloop
98. Na verificaties stelden de diensten van de Commissie vast, dat Griekenland nog na 15 oktober 1996 extra betalingen in de zin van verordening nr. 1357/96 had verricht. Blijkens het betrokken syntheseverslag (59) betreffen de tegen de Griekse autoriteiten geformuleerde bezwaren de volgende punten:
a) betalingen gedaan na 15 oktober 1996, tot een bedrag van 311 006 387 GRD;
b) betalingen door de Griekse autoriteiten vóór 15 oktober 1996 gedaan aan de verenigingen van landbouwcoöperaties (VLC's), maar pas na die datum uitgekeerd aan de rechthebbenden, tot een bedrag van 350 000 000 GRD.
99. De diensten van de Commissie stelden daarom twee correcties ten belope van overeenkomstige bedragen voor het begrotingsjaar 1997 voor. Griekenland wendde zich tot het bemiddelingsorgaan, waar het met betrekking tot de eerste correctie betoogde, dat de betalingen van na 15 oktober 1996 in werkelijkheid aanpassingen van al in 1995 verrichte betalingen betroffen, en met betrekking tot de tweede correctie, dat de door de VLC's vóór 15 oktober 1996 ontvangen betalingen moesten worden geacht regelmatig te zijn in de zin van verordening nr. 1357/96, omdat er vóór die datum over was beslist. In haar eindrapport van 21 januari 2000 verzocht het bemiddelingsorgaan de diensten van de Commissie hun standpunt met betrekking tot dit laatste punt nog eens te overdenken. (60) De diensten van de Commissie gingen echter niet op dit verzoek in en handhaafden hun voorstel betreffende de twee correcties, met dien verstande dat het bedrag van de eerste werd verlaagd tot 237 098 402 GRD, in verband met enkele boekhoudkundige verbeteringen die de Griekse autoriteiten in tussentijd hadden aangebracht. (61) De betrokken correcties werden vervolgens in de bestreden beschikking toegepast.
100. In zijn beroep betwist Griekenland deze correcties met twee verschillende middelen, die wij afzonderlijk zullen moeten onderzoeken.
3. De correctie van 237 098 402 GRD
a) Samenvatting van de argumenten van partijen
101. Als ik haar betoog goed begrijp, voert de Griekse regering in wezen twee grieven tegen deze correctie aan.
102. In de eerste plaats betoogt zij dat, anders dan de Commissie stelt, het litigieuze bedrag niet te laat is betaald, maar enkel het resultaat is van aanpassingen op grond van de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 1357/96. Het gaat dus om betalingen aan producenten die volgens de verrichte controles voor het jaar 1996 recht bleken te hebben op de premie runderen en/of de premie zoogkoeien voor een groter aantal dieren dan waarvoor zij die premies in 1995 hadden gekregen. Met cijfers tracht de Griekse regering aan te tonen, dat het bedrag van 311 006 387 GRD ─ later verminderd tot 237 098 402 GRD ─ precies overeenkomt met de rekenkundige som van de hogere bedragen die voor het jaar 1996 aan de producenten verschuldigd waren wegens het grotere aantal dieren waarvoor zij recht op een premie hadden, en de bedragen die waren teruggevorderd van producenten die in 1996 recht hadden op minder premie omdat zij minder dieren hadden dan in 1995 waren geregistreerd. (62)
103. In de tweede plaats betoogt de Griekse regering, dat het hoe dan ook onmogelijk was de in verordening nr. 1357/96 bedoelde extra betalingen uiterlijk op 15 oktober 1996 definitief te verrichten, daar de tijd ontbrak om vóór die datum alle door de gemeenschapsregeling voorgeschreven controles (in casu in het kader van het GBCS) (63) uit te voeren om zeker te stellen dat er voor het jaar 1996 daadwerkelijk recht bestond op de bijzondere premie voor runderen en/of de premie voor zoogkoeien, waar de extra betalingen aan gekoppeld waren. Die controles, zo beklemtoont de Griekse regering, worden in het algemeen verricht tegen het einde van de periode gedurende welke de dieren op het betrokken bedrijf worden gehouden, en in het onderhavige geval kon die periode tot lang na 15 oktober 1996 duren. Deze datum strookt dan ook niet in het minst met de voorschriften van het GBCS ter zake van de controles in verband met de premieregelingen in de rundvleessector.
104. De Griekse regering is derhalve van mening, dat de in geding zijnde correctie niet slechts op een verkeerde juridische premisse berust, maar ook in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, daar zij het doel van verordening nr. 1357/96 negeert, dat er volgens genoemde regering in bestaat, de rundveehouders compensatie te bieden voor hun verliezen als gevolg van de door de BSE veroorzaakte marktcrisis, en niet eenvoudig een snelle uitkering van de extra betalingen te verzekeren.
105. In haar antwoord wijst de Commissie erop, dat artikel 7 van verordening nr. 1357/96 duidelijk bepaalt, dat uitsluitend de betalingen die uiterlijk op 15 oktober 1996 hebben plaatsgevonden, door het EOGFL kunnen worden gefinancierd. Met betrekking tot de beweerde uitvoering van de aanpassingen in de zin van artikel 2 en 3 van die verordening merkt de Commissie op, dat afgezien van de boekhoudkundige regularisaties van 65 530 701 GRD en 8 377 284 GRD, in verband waarmee het bedrag van 311 006 387 GRD tot 237 098 402 GRD is verminderd, de Griekse autoriteiten haar tot op de dag van vaststelling van de bestreden beschikking niet hadden geïnformeerd over andere regularisaties, die het mogelijk zouden hebben gemaakt om laatstgenoemd bedrag als aanpassingen te boeken. De Commissie neemt echter niet duidelijk stelling met betrekking tot de andere punten die de Griekse regering in het kader van de tweede grief vermeldt.
b) Beoordeling
106. Het lijkt mij nuttig vooraf enkele aspecten van de bij verordening nr. 1357/96 ingevoerde steunregeling in de herinnering te roepen, die voor het onderzoek van de grieven van de Griekse regering relevant zijn. Daartoe moet ik in de eerste plaats vaststellen dat, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, artikel 7 van verordening nr. 1357/96 met betrekking tot de uitgaven van de lidstaten uit hoofde van de artikelen 1 en 4, sub a, van die verordening, die ten laste van het EOGFL kunnen worden gebracht, een uitdrukkelijke en duidelijke grens trekt. Die uitgaven worden slechts door de Gemeenschap gefinancierd indien de desbetreffende betalingen uiterlijk op 15 oktober 1996 zijn verricht. Krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 729/70 is de Commissie dan ook verplicht, communautaire financiering van uitgaven die na die datum zijn gedaan, te weigeren. (64)
107. Ook al mag de datum van 15 oktober 1996 hoofdzakelijk door begrotingsrechtelijke vereisten zijn ingegeven (65) , toch hangt de korte termijn waarbinnen de in verordening nr. 1357/96 bedoelde betalingen moesten plaatsvinden, ook samen met de doelstelling van de verordening, te weten de rundvleesproducenten snel buitengewone inkomenssteun te verlenen om de gevolgen van de door de verbreiding van de BSE veroorzaakte instorting van de marktprijzen te verzachten. (66) Aan die doelstelling beantwoordt ook de regeling van de artikelen 1 tot en met 3 van de verordening betreffende de uitbetaling van de steun. Volgens artikel 1, leden 1 en 2, immers wordt deze steun als algemene regel verleend in de vorm van een aanvulling op sommige premies per dier (de bijzondere premie voor runderen en de premie voor zoogkoeien) die de rundveehouders in het kader van de gemeenschappelijke marktordening voor rundvlees voor het jaar 1995 hadden ontvangen, juist omdat in juli 1996 de noodzakelijke gegevens om die premies te kunnen betalen, al beschikbaar moesten zijn, zodat ook de extra steunbedragen konden worden uitbetaald. (67)
108. In artikel 1, lid 3, van de verordening werd daarom het recht op de extra betalingen afhankelijk gesteld van de voorwaarde, dat de betrokken producenten ook in het kalenderjaar 1996 recht op de ene en/of de andere van de genoemde premies hadden voor een aantal dieren dat ten minste gelijk was aan het aantal dieren waarvoor zij in het kalenderjaar 1995 recht op die premies hadden. Werd aan deze voorwaarde niet voldaan, dan moest het te veel betaalde in mindering worden gebracht op de premies waarop de producent voor het kalenderjaar 1996 recht had, dan wel aan de bevoegde instantie van de lidstaat worden terugbetaald. Ingevolge artikel 3 konden de aldus gerecupereerde bedragen worden verdeeld onder de producenten die voor 1996 recht hadden op meer premies dan zij in 1995 hadden ontvangen, naar rato van het meerdere aantal ontvangen premies.
109. Dit vooropgesteld, kom ik nu tot het onderzoek van de twee grieven tegen de hier besproken correctie.
i) De beweerdelijk verkeerde kwalificatie van het omstreden bedrag als te late betaling
110. Zoals wij zagen, maakt de Griekse regering in de eerste plaats bezwaar tegen het etiket te late betaling dat de Commissie op het omstreden bedrag heeft geplakt. Volgens de Griekse regering gaat het hier om betalingen aan veehouders die overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 1357/96 recht op meer extra betalingen hadden, omdat zij in 1996 meer stuks vee hielden dan in 1995 waren geregistreerd. Ik geloof echter niet, dat er voor deze stelling enig afdoend bewijs bestaat. Uit het dossier blijkt immers niet, dat de Griekse regering de Commissie tijdens de procedure tot goedkeuring van de rekeningen ooit bewijsstukken heeft verstrekt waaruit blijkt, dat het betrokken bedrag ingevolge de voorschriften van artikel 3 van de verordening is uitbetaald, en evenmin zijn dergelijke bewijsstukken aan het Hof overgelegd.
111. Het enige wat de Griekse regering tot staving van haar stelling heeft aangevoerd ─ zowel voor het Hof als, naar te verstaan is gegeven, tijdens de goedkeuringsprocedure ─, is de berekening waaruit moet blijken, dat het bedrag van 311 006 387 GRD precies overeenkomt met de som van de extra betalingen die Griekenland overeenkomstig genoemde bepaling aan de veehouders mocht doen. (68) Ik meen nu, dat juist de door de Griekse regering genoemde cijfers, die overigens door de Commissie niet worden betwist, de onjuistheid van haar stelling aantonen. Bij deze berekening verliest de Griekse regering immers uit het oog, dat artikel 3 van verordening nr. 1357/96 wel verdere betalingen voor 1996 toestaat, maar uitsluitend voorzover de al voor het jaar 1995 verrichte betalingen aan producenten die er geen recht op hadden, zijn gerecupereerd of terugbetaald. En aangezien, volgens de gegevens van de Griekse regering zelf, reeds verrichte betalingen tot een bedrag van 299 240 392 GRD zijn gerecupereerd of terugbetaald, betekent dit, dat de Griekse autoriteiten voor 1996 slechts verdere betalingen tot het beloop van dat bedrag mochten doen, en niet tot het beloop van 311 006 387 GRD.
112. Overigens lijken de cijfers van de Griekse regering erop te wijzen, dat laatstgenoemd bedrag niets anders is dan het verschil tussen wat in totaal door de Griekse autoriteiten is betaald aan de rundveehouders die in 1996 meer stuks vee hielden dan in 1995 (408 828 391 GRD voor mannelijke runderen en 201 418 388 GRD voor zoogkoeien), en het maximum dat overeenkomstig artikel 3 mocht worden betaald (de gerecupereerde bedragen, namelijk precies 299 240 392 GRD). Als dat zo is, kon de Commissie niet anders dan de financiering weigeren.
113. Op grond van het voorgaande meen ik, dat de hier besproken grief ongegrond is.
ii) De gestelde onmogelijkheid de termijn van 15 oktober 1996 in acht te nemen
114. Om te beginnen merk ik op, dat de Griekse regering zich met deze grief lijkt te willen beroepen op onwettigheid van artikel 7, tweede alinea, van verordening nr. 1357/96 naar aanleiding van de betwisting van de omstreden financiële correctie, die juist op schending van die bepaling berust. Zoals wij immers zagen, stelt de Griekse regering dat het onmogelijk was de uiterste datum van 15 oktober 1996 in acht te nemen, daar de door de gemeenschapsregeling voorgeschreven controles om zeker te stellen dat er recht op de door genoemde verordening geregelde betalingen bestond, niet tijdig konden worden uitgevoerd. Als dat inderdaad is wat de Griekse regering bedoelt, moet dit verweer ongetwijfeld niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat het gebaseerd is op de pretense onwettigheid van een handeling waartegen genoemde regering, ofschoon zij de mogelijkheid daartoe had, niet binnen de in artikel 230 EG bepaalde termijn is opgekomen. (69)
115. Maar ook afgezien daarvan moet ik beklemtonen, dat het onderzoek van deze grief niet tot een andere conclusie kan leiden, aangezien zij kennelijk ongegrond is. Voor het verlenen van de in artikel 1 van verordening nr. 1357/96 bedoelde steun waren de lidstaten immers niet verplicht de controles inzake het recht op de premies per dier voor het jaar 1996 te voltooien, maar die steun uit te betalen als aanvulling op de voor het jaar 1995 verschuldigde premies per dier. Griekenland heeft nooit ontkend, dat het over de voor de betaling van die premies benodigde gegevens beschikte. Ik zie dan ook niet, waarom het de uiterste datum van 15 oktober 1996 niet in acht zou hebben moeten nemen. De resultaten van de voor het jaar 1996 verrichte controles waren wel van belang om te bepalen welke bedragen ten onrechte waren betaald, maar dat heeft kennelijk niets uitstaande met de eerbiediging van genoemde datum.
116. Wat ten slotte de beweerde onevenredigheid van de in geding zijnde correctie betreft, zie ik niet, hoe een analytische correctie, dat wil zeggen precies gelijk aan de uitgaven waarvan is vastgesteld dat zij niet in overeenstemming met de gemeenschapsregeling waren, is strijd kan zijn met het evenredigheidsbeginsel. Bij het weigeren van communautaire financiering voor dergelijke uitgaven beschikt de Commissie immers over geen enkele beoordelingsvrijheid. Van haar kant voert de Griekse regering overigens ook geen precieze argumenten voor haar stelling aan.
117. Ook met betrekking tot dit punt meen ik dan ook, dat het betoog van de Griekse regering niet kan worden aanvaard.
118. Ik geef derhalve in overweging het middel betreffende de financiële correctie van 237 098 402 GRD in zijn geheel af te wijzen.
4. De correctie van 350 000 000 GRD
a) Samenvatting van de argumenten van partijen
119. Tegen deze correctie brengt de Griekse regering in, dat de Commissie artikel 7 van verordening nr. 1357/96 verkeerd heeft uitgelegd en de feiten verkeerd heeft beoordeeld. Dat artikel moet immers zo worden begrepen, dat de uiterste datum van 15 oktober 1996 ook in acht is genomen bij de betalingen waartoe de bevoegde autoriteiten vóór die datum opdracht hadden gegeven door middel van betalingsopdrachten aan de organen die de steun aan de begunstigde moesten uitbetalen, zodat diens recht om de steun te ontvangen, vaststond. In casu is het omstreden bedrag van 350 000 000 GRD vóór 15 oktober 1996 aan de met de uitbetaling belaste organen (de VLC's) overgemaakt, met de uitdrukkelijke opdracht het aan de begunstigden uit te betalen. Dat deze uitbetaling eerst na die datum heeft plaatsgevonden, is volgens de Griekse regering te wijten aan de communicatieproblemen in de betrokken regio's.
120. Daartegenover staat het standpunt van de Commissie, dat 15 oktober 1996 de datum is waarop de steun aan de rundveehouders, dat wil zeggen degenen die recht hebben op de extra betaling in de zin van verordening nr. 1357/96, moest zijn uitbetaald. Voor deze uitlegging verwijst zij voorts naar het bepaalde in de bijlage van verordening nr. 1663/95, volgens hetwelk uitvoering van een betaling inhoudt, dat aan een bank of een betaaldienst van de overheid opdracht wordt gegeven om het verschuldigde bedrag aan de rechthebbende uit te betalen. (70)
b) Beoordeling
121. Ik sluit mij aan bij de opvatting van de Commissie. Zoals al gezegd, is de uiterste datum van 15 oktober 1996 niet slechts om begrotingsrechtelijke redenen gekozen, maar ook om te verzekeren dat de betrokken steun snel aan de begunstigden werd uitbetaald. Zou men, zoals de Griekse regering wil, ervan uitgaan, dat een betaling moet worden geacht te zijn verricht wanneer de desbetreffende opdracht aan de met de uitbetaling belaste organen (de VLC's) is gegeven, dan omzeilt men daarmee in feite de betrokken uiterste datum door het mogelijk te maken dat de steun pas geruime tijd na 15 oktober 1996 aan de begunstigden wordt uitbetaald.
122. Om de stelling van de Griekse regering af te wijzen, kan verder nog worden gewezen op de punten 2, sub ii, en 6, sub v, van de bijlage bij verordening nr. 1663/95, waarin onder meer de procedures worden beschreven die de betaalorganen van de lidstaten bij de uitvoering van door het EOGFL gefinancierde communautaire steunmaatregelen moeten volgen. Volgens die bepalingen bestaat het verrichten van een betaling in de opdracht aan een bank of een betaalorgaan van de overheid om het verschuldigde aan de rechthebbende uit te betalen. Een betaling verrichten wil dus zeggen aan de begunstigde betalen. Ik zie geen enkele reden om de bewoordingen van artikel 7, tweede alinea, van verordening nr. 1357/96 anders te interpreteren en, zo moet ik beklemtonen, de Griekse regering maakt ook niet duidelijk waarom wij dat zouden moeten doen.
123. Ten slotte kan, naar mijn mening, ook het argument van communicatieproblemen niet worden aanvaard, welke problemen volgens de Griekse regering een tijdige uitbetaling van de betrokken bedragen zouden hebben verhinderd. Ook hier heeft de Griekse regering immers niet aangetoond, dat het ondanks alle inspanningen die zij daartoe had gedaan, niet mogelijk was de steun uiterlijk op 15 oktober 1996 aan de begunstigden uit te betalen.
124. Ik geef derhalve in overweging, ook het middel betreffende de financiële correctie van 350 000 000 GRD af te wijzen.
G ─ De correcties wegens de inhoudingen door de VLC's
1. Juridische en feitelijke context
125. Naast de andere correcties heeft de Commissie bij de bestreden beschikking een reeks financiële correcties toegepast gelijk aan 2 % van de door Griekenland gedeclareerde uitgaven in de sectoren akkerbouwgewassen (begrotingsjaren 1996, 1997 en 1998) en rundvlees (begrotingsjaren 1996 en 1997) wegens de inhoudingen door de VCL's op de aan de begunstigden uitbetaalde steunbedragen.
126. Naar uit het dossier blijkt, berusten die correcties op dezelfde overwegingen als de overeenkomstige correcties die voor de begrotingsjaren 1994 en 1995 waren toegepast. Het door de Griekse autoriteiten te dezer zake ingeschakelde bemiddelingsorgaan heeft vastgesteld, dat het de kwestie al tijdens de procedures betreffende die eerdere begrotingsjaren had onderzocht, en dat er in casu niets nieuws op te merken viel. (71)
2. Analyse
127. De Griekse regering betoogt, dat de bestreden correctie op een verkeerde beoordeling van de aard van de litigieuze inhoudingen berust ─ deze zouden vrijwillig zijn en niet verplicht ─, waarvoor zij argumenten aanvoert die mijns inziens in de kern identiek zijn met die welke het Hof al heeft afgewezen in zijn arresten van 11 januari 2001, betreffende de vaststelling van de rekeningen voor het jaar 1994 (72) , en 6 december 2001, betreffende het jaar 1995. (73)
128. In tegenstelling tot wat de Griekse regering lijkt te betogen, hebben zich mijns inziens met betrekking tot het onderhavige geval geen relevante nieuwe ontwikkelingen voorgedaan, niet door de wijziging van artikel 2 van de Griekse wet nr. 1409/83 ─ dat de inhoudingen toestond ─ bij artikel 37 van wet nr. 2538/97 (74) , en evenmin door de circulaire van het Griekse Ministerie van Landbouw van 5 maart 1997, waarbij de bevoegde plaatselijke organen werd medegedeeld dat communautaire steun ongekort aan de begunstigden moest worden uitbetaald. (75)
129. Om met dit laatste te beginnen, merk ik op, dat het rondsturen van een zogeheten mededeling, wat ook de juridische waarde ervan is, stellig niet bewijst, dat er in maart 1997 een einde is gekomen aan de praktijk van de inhoudingen ─ temeer omdat de wijziging van wet nr. 1409/83, die de inhoudingen toestond, pas op 1 december daarna van kracht werd ─, noch dat de tot dat moment reeds verrichte inhoudingen vervolgens aan de begunstigden zijn teruggegeven. Evenmin kan genoemde wetswijziging als volledig bewijs daarvan dienen. Immers, al tijdens de procedure tot goedkeuring van de rekeningen hadden de diensten van de Commissie de Griekse autoriteiten er opmerkzaam op gemaakt, dat ondanks de wijziging van wet nr. 1409/83, uit de door de VLC's overgelegde betalingsoverzichten bleek, dat deze nog steeds met de inhoudingen doorgingen. Daarom was die autoriteiten verzocht om documentair bewijs dat, enerzijds, er geen inhoudingen meer werden verricht en, anderzijds, de onrechtmatig ingehouden bedragen aan de producenten waren teruggegeven. (76) In het dossier is echter geen enkele aanwijzing te vinden dat Griekenland dat bewijs ooit heeft geleverd.
130. Ik ben daarom van mening, dat juist zoals met betrekking tot de twee voorgaande begrotingsjaren is gebeurd, ook de argumenten tegen de hier besproken correcties moeten worden afgewezen.
H ─ De correcties wegens overschrijding van betaaltermijnen
1. De toepasselijke regeling
131. Zoals bekend, is het financieringsstelsel van de artikelen 4, lid 5, en 5, lid 2, sub a, van verordening nr. 729/70, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1287/95, aldus ingericht, dat de financiële middelen om de uitgaven van het EOGFL te dekken, door de lidstaten ter beschikking worden gesteld naargelang van de behoeften van de respectieve betaalorganen en vervolgens door de Gemeenschap worden terugbetaald middels op basis van de verrichte uitgaven berekende maandelijkse voorschotten. Het is de taak van de Commissie om, na raadpleging van het comité van het Fonds, de hoogte van die voorschotten te bepalen.
132. De wijze van berekening en betaling van de maandelijkse voorschotten is geregeld in verordening (EG) nr. 296/96. (77) Wanneer bepaalde uitgaven door een lidstaat na afloop van de in de communautaire regelgeving bepaalde termijn zijn gedaan, wordt ingevolge artikel 4 van die verordening, als sanctie op deze onregelmatigheid (78) , een korting op de voorschotten toegepast. Deze korting wordt echter enkel toegepast, voorzover de te laat gedane uitgaven meer dan 4 % van de wel tijdig gedane uitgaven bedragen, terwijl de hoogte ervan, afhankelijk van de duur van de termijnoverschrijding, oploopt van 10 % bij een overschrijding van één maand tot een maximum van 100 % bij een overschrijding van vijf maanden of meer. Volgens artikel 4, lid 2, tweede alinea, zal [de Commissie] echter een afwijkende spreiding en/of een lager of nul kortingspercentage toepassen indien bijzondere omstandigheden ten aanzien van het beheer heersen inzake bepaalde maatregelen, of indien de lidstaten gegronde rechtvaardigingen aanbrengen.
133. Van belang is hier nog, dat ingevolge artikel 4, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 296/96, dat hiervoor verwijst naar artikel 13 van beschikking 94/729/EEG (79) , over de verlaging van de maandelijkse voorschotten wegens te late betalingen door de lidstaten, door de Commissie wordt beslist na een contradictoire procedure tegen de betrokken lidstaat en na raadpleging van het comité van het Fonds. Artikel 4, lid 4, van genoemde verordening bepaalt ten slotte, dat [d]e eventuele verminderingen [...] en met name die welke verband houden met de overschrijding van termijnen, worden toegepast onverminderd de latere beschikking tot goedkeuring van de rekeningen. (80)
2. Feiten en argumenten van partijen
134. Bij de bestreden beschikking heeft de Commissie enkele kortingen op de aan Griekenland verstrekte maandelijkse voorschotten voor landbouwuitgaven betreffende het begrotingsjaar 1998 bevestigd, en wel tot een totaalbedrag van 141 667 389 GRD. De reden voor die financiële correcties is, dat de Griekse autoriteiten de desbetreffende betalingen na afloop van de door de toepasselijke communautaire regelgeving bepaalde termijnen hadden verricht.
135. De Griekse regering komt op tegen een van die correcties, te weten die betreffende begrotingspost 1055-004 (granen), groot 5 326 625 GRD, die naar haar zeggen op een verkeerde uitlegging van artikel 4, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 296/96 en artikel 8 van verordening nr. 729/70 berust.
136. Zij ontkent niet, dat de betrokken uitgaven na afloop van de gestelde termijnen zijn gedaan, maar dit had niet tot vermindering van de voorschotten mogen leiden, daar Griekenland gegronde rechtvaardigingen in de zin van artikel 4, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 296/96 had aangevoerd. Concreet, aldus de Griekse regering, ging het om betalingen in vier individuele gevallen; de door de Commissie geconstateerde termijnoverschrijding was in het ene geval te wijten aan het feit dat er een gerechtelijke procedure aanhangig was, en hing in de andere drie gevallen samen met de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap, omdat er bijzondere controles en administratieve verificaties nodig waren geweest om het recht van de begunstigden op de gemeenschapssteun vast te stellen. De reden van de termijnoverschrijding was dus gelegen in de ingevolge artikel 8, lid 1, van verordening nr. 729/70 op Griekenland rustende verplichting om onregelmatigheden in de verrichtingen van het EOGFL te voorkomen. Door tot de bestreden financiële correctie te besluiten, had de Commissie de twee genoemde communautaire bepalingen derhalve verkeerd uitgelegd en toegepast.
137. Hierop antwoordt de Commissie, dat de door de Griekse regering aangevoerde omstandigheden, te weten administratieve problemen als gevolg van door de belanghebbenden ingestelde beroepen in rechte of de noodzaak van extra controles, geen geldige rechtvaardigingen vormen om de toepassing van kortingen op de voorschotten overeenkomstig artikel 4, lid 2, van verordening nr. 296/96 uit te sluiten. Volgens de Commissie is dat enkel mogelijk indien de betrokken lidstaat aantoont, dat hij in zeer vele gevallen met bijzondere moeilijkheden te kampen heeft, wat in casu niet het geval blijkt te zijn.
3. Beoordeling
138. Hoewel ik het standpunt van de Commissie niet deel, houd ik het hier besproken middel voor ongegrond, en wel om de volgende redenen.
139. In de eerste plaats wijs ik erop, dat artikel 4, lid 2, sub b, van verordening nr. 296/96, waarvan de Griekse regering zegt dat het is geschonden, in de procedure tot goedkeuring van de rekeningen niet van toepassing is.
140. Bij lezing van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 296/96 juncto artikel 13 van beschikking 94/729 blijkt immers, dat het verminderen van de voorschotten een op zich staand besluit is, dat moet worden onderscheiden van het latere besluit om communautaire financiering van de betrokken uitgaven te weigeren. (81) Ook al berusten beide op de verplichting van de Commissie om, bij het beheer van het EOGFL, geldmiddelen uitsluitend in te zetten voor uitgaven die in overeenstemming met de communautaire voorschriften worden gedaan, zij zijn naar hun aard verschillend en hebben verschillende rechtsgevolgen. Het eerste besluit, dat in de loop van het begrotingsjaar op basis van de dan beschikbare gegevens wordt genomen, heeft een tijdelijk en voorlopig karakter en werkt slechts tot het moment waarop het tweede wordt genomen, waarmee de financiële positie van de lidstaat tegenover het EOGFL definitief wordt vastgelegd. (82) Zoals wij immers zagen, bepaalt artikel 13, lid 2, derde alinea, van beschikking 94/729 duidelijk, dat het besluit om de voorschotten te verminderen, niet vooruitloopt op de beschikking om de betrokken uitgaven al dan niet ten laste van het Fonds te brengen. Overigens hebben de twee handelingen ook een verschillende rechtsgrondslag: de bevoegdheid van de Commissie om de voorschotten te verminderen, berust op artikel 5, lid 2, sub a, van verordening nr. 729/70 en artikel 13, lid 2, tweede alinea, van beschikking 94/729, terwijl de bevoegdheid om financiering van niet overeenkomstig de communautaire voorschriften gedane uitgaven te weigeren, haar grondslag in artikel 5, lid 2, sub c, van genoemde verordening vindt.
141. De toetsing aan artikel 4, lid 2, sub b, van verordening nr. 296/96 van de rechtvaardigingen die een lidstaat aanvoert om aan een vermindering van de voorschotten te ontkomen of een gunstiger spreiding van de kortingen te verkrijgen, hoort thuis in de procedure die de Commissie ingevolge artikel 13 van beschikking 94/729 moet volgen om een dergelijke vermindering te kunnen toepassen. Het resultaat van dat onderzoek is dus bepalend voor het besluit om de voorschotten al dan niet overeenkomstig genoemd artikel 4, lid 2, te verminderen, maar prejudicieert niet het eventuele latere besluit om communautaire financiering voor de betrokken uitgaven te weigeren. Dit laatste neemt de Commissie na toepassing van de procedure van artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70, en in het kader hiervan kunnen en moeten de belanghebbende lidstaten de nodige rechtvaardigingen aanvoeren om te verhinderen dat financiering wordt geweigerd.
142. Hieruit volgt, dat de gestelde schending van artikel 4, lid 2, sub b, van verordening nr. 296/96, zo al bewezen, hoogstens had kunnen leiden tot ongeldigheid van het indertijd ten aanzien van Griekenland genomen besluit om de voorschotten te verminderen, maar stellig niet tot die van de thans bestreden beschikking, die gegeven is na een andere procedure, waarop het genoemde artikel duidelijk niet van toepassing is.
143. Tegelijkertijd moet worden bedacht, dat de Commissie zelf in het eerder genoemde document nr. VI/5330/97 (83) naar de hier besproken bepaling verwijst voor de criteria waaraan zij zich gebonden acht bij het berekenen van de in het geval van te late betaling toe te passen financiële correcties. Het gaat daarbij echter niet om een eenvoudige verwijzing zonder meer. Terwijl het document voor de trapsgewijze correcties naargelang van de duur van de termijnoverschrijding de regels van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 296/96 rechtstreeks overneemt, vermeldt zij voor het overige overeenkomstige, maar niet identieke criteria als in die bepaling zijn omschreven. Van belang is hier in het bijzonder, dat volgens genoemd document termijnoverschrijdingen om acceptabele redenen, bijvoorbeeld de noodzaak van extra controles van de steunaanvragen, binnen redelijke grenzen getolereerd moeten worden. Daarbij wordt er echter aan herinnerd, dat artikel 4 van verordening nr. 296/96 al in een tolerantiemarge van 4 % van de gedeclareerde uitgaven voorziet met de bepaling, dat vermindering van de voorschotten slechts wordt toegepast met betrekking tot te late betalingen die die marge overschrijden, maar dat de lidstaten moeten worden toegelaten tot het bewijs dat het aantal dubieuze aanvragen groter was dan dat percentage.
144. Wat wij mijns inziens dus moeten onderzoeken, is of de argumenten van de Griekse regering in deze omstandigheden toch gegrond kunnen zijn.
145. Dienaangaande merk ik op, dat de door de Griekse regering aangevoerde redenen in principe inderdaad gevallen zouden kunnen betreffen waarin volgens de richtsnoeren van de Commissie te late betaling binnen redelijke grenzen getolereerd moet worden. Om met haar betwisting van de in geding zijnde correctie te kunnen slagen, had de Griekse regering echter moeten aantonen, enerzijds, dat de aangevoerde redenen feitelijk juist zijn, en anderzijds, dat de termijnoverschrijding binnen redelijke grenzen is gebleven.
146. Welnu, het komt mij voor, dat zij dat bewijs niet heeft geleverd. Wat de redenen van de termijnoverschrijding betreft, meen ik dat de twee door haar aangehaalde brieven (84) niet tot dat bewijs kunnen dienen, daar zij enkel een korte, niet door enig nader bewijs gestaafde vermelding van die redenen bevatten. Evenmin blijkt, dat de Griekse autoriteiten de Commissie vóór de vaststelling van de bestreden beschikking andere informaties of bewijsstukken terzake hebben verstrekt. In het bijzonder blijkt niet dat, naast de eerder bedoelde brieven, de andere documenten die wel aan Hof zijn overgelegd (85) , ter kennis van de Commissie zijn gebracht. Wat de bewijswaarde ervan ook moge zijn, zij kunnen om die reden niet in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beschikking. Aan de duur van de termijnoverschrijding wijdt de Griekse regering vervolgens geen woord meer.
147. Ik meen derhalve, dat ook dit middel moet worden afgewezen en daarmee het door Griekenland ingestelde beroep in zijn geheel.
IV ─ Kosten
148. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het beroep naar mijn mening in zijn geheel moet worden verworpen, zal de Helleense Republiek in de kosten moeten worden verwezen.
V ─ Conclusie
149. Gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen, geef ik het Hof in overweging het beroep te verwerpen en de Helleense Republiek in de kosten te verwijzen.
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – PB L 180, blz. 49. Hierna aangeduid als EOGFL of het Fonds.
3 – Verordening van de Raad van 8 juli 1996 tot vaststelling van extra betalingen in 1996 bovenop de premiebedragen die zijn vastgesteld in verordening (EEG) nr. 805/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, en tot wijziging van deze verordening (PB L 175, blz. 9).
4 – Verordening van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 94, blz. 13).
5 – Verordening van de Raad van 22 mei 1995 tot wijziging van verordening nr. 729/70 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 125, blz. 1).
6 – Verordening van de Commissie van 7 juli 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 729/70 van de Raad aangaande de procedure inzake de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie (PB L 158, blz. 6).
7 – Beschikking van de Commissie van 1 juli 1994 inzake de instelling van een bemiddelingsprocedure in het kader van de goedkeuring van de rekeningen betreffende het EOGFL, afdeling Garantie (PB L 182, blz. 45).
8 – Zie, onder meer, arresten van 6 december 2001, Griekenland/Commissie (C-373/99, Jurispr. blz. I-9619, punt 8), en 24 januari 2002, Frankrijk/Commissie (C-118/99, Jurispr. blz. I-747, punt 38).
9 – Arrest van 6 december 2001, Griekenland/Commissie (reeds aangehaald, punt 9, met verdere verwijzingen).
10 – Zie, onder meer, arresten van 2 juni 1994, Exportslachterijen van Oordegem (C-2/93, Jurispr. blz. I-2283, punten 17 en 18); 1 oktober 1998, Verenigd Koninkrijk/Commissie (C-209/96, Jurispr. blz. I-5655, punt 43), en 19 november 1998, Frankrijk/Commissie (C-235/97, Jurispr. blz. I-7555, punt 45).
11 – Bijvoorbeeld arrest van 11 januari 2001, Griekenland/Commissie (C-247/98, Jurispr. blz. I-1, punt 7, met verdere verwijzingen).
12 – Ibid.
13 – Arresten van 21 januari 1999, Duitsland/Commissie (C-54/95, Jurispr. blz. I-35, punt 35), en 22 april 1999, Nederland/Commissie (C-28/94, Jurispr. blz. I-1973, punt 40).
14 – In deze zin, arresten van 21 januari 1999, Duitsland/Commissie, punt 35, en 22 april 1999, Nederland/Commissie, punt 41 (beide reeds aangehaald); 6 maart 2001, Nederland/Commissie (C-278/98, Jurispr. blz. I-1501, punt 93), en 19 september 2002, Duitsland/Commissie (C-377/99, Jurispr. blz. I-7421, punt 95).
15 – Arresten van 28 oktober 1999, Italië/Commissie (C-253/97, Jurispr. blz. I-7529, punt 7, met verdere verwijzingen), en 11 januari 2001, Griekenland/Commissie (reeds aangehaald, punt 70).
16 – Verordening van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 355, blz. 1).
17 – Verordening van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PB L 181, blz. 12).
18 – Verordening van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148, blz. 24). De hierbedoelde premies zijn ingevoerd bij gelegenheid van de wijziging van verordening nr. 805/68 in 1992 door verordening (EEG) nr. 2066/92 (PB L 215, blz. 49).
19 – Verordening van de Raad van 17 december 1996 houdende wijziging van verordening nr. 3508/92 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 335, blz. 1).
20 – Verordening van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 391, blz. 36).
21 – De tekortkomingen worden gedetailleerd beschreven in de verificatieverslagen die bij brieven van 27 september 1996, nr. 36811, en 14 augustus 1998, nr. 32539, aan de Griekse autoriteiten zijn gezonden (bijlagen 1 en 2 bij het verweerschrift). De resultaten van het overleg tussen de Commissie en de Griekse autoriteiten zijn weergegeven in de brief van 23 september 1999, nr. 43741, terwijl de brief van 17 mei 2000, nr. 12764, het definitieve standpunt van de Commissie na afloop van de bemiddelingsprocedure bevat (bijlagen 6 en 7 bij het verweerschrift).
22 – Ik herinner eraan, dat volgens verordening nr. 1663/95 de nationale diensten of betaalorganen de controle van de steunaanvragen en/of het goedkeuren van de uitbetaling van de steun aan andere lichamen kunnen opdragen, op voorwaarde dat zij hun werkwijze steekproefsgewijs controleren (zie, in het bijzonder, punt 4, sub iv en v, van de bijlage bij de verordening, geciteerd in punt 58 infra).
23 – Zie dienaangaande punt 6, sub iii en iv, van de bijlage bij verordening nr. 1663/95, geciteerd in punt 58 infra.
24 – Verordening van de Commissie van 9 april 1996 betreffende bepaalde voorwaarden voor de toekenning van compensatiebedragen in het kader van de steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PB L 91,blz. 46). Volgens artikel 8 van deze verordening moeten de lidstaten vóór 15 september van het lopende oogstjaar bepaalde voorlopige gegevens en vóór 15 januari daaraanvolgend definitieve gegevens betreffende de gecultiveerde oppervlakken aan de Commissie zenden.
25 – Blijkens eerder genoemde brief van de Commissie van 17 mei 2000, nr. 12674, omvat dit bedrag ook nog een correctie van 2% wegens inhoudingen van de VLC's op de in de drie genoemde jaren uitgekeerde steunbedragen in de sector akkerbouwgewassen.
26 – Eindrapport van het bemiddelingsorgaan in zaak 99/GR/151 (bijlage 8 bij het verweerschrift; in het bijzonder de punten 9, 10, 12 en de conclusies).
27 – De Griekse regering verwijst hier naar de eerder genoemde brief van 23 september 1999, nr. 43741 (punt 5).
28 – Punten 18 en 19 supra.
29 – Zie het verslag van de tussen 30 maart en 3 april 1998 in Griekenland verrichte verificatie (punt 2.1.2, blz. 3 en 4), aan de Griekse autoriteiten gezonden bij brief van 24 augustus 1998, nr. 32539 (zie voetnoot 21).
30 – Als ik de informatie die de Griekse autoriteiten op 13 december 1999 aan de Commissie zonden (bijlage 1 bij de dupliek), goed begrijp, was op die datum ─ bijna twee jaar na het tijdstip waarop het GBCS gereed had moeten zijn ─ 6,6% van de bestaande landbouwpercelen nog niet geïdentificeerd, met uitschieters tot 45% voor sommige regionale kantoren.
31 – Verordening van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector (PB L 215, blz. 91).
32 – Bijlage 8 bij het verzoekschrift.
33 – Weergegeven in de bijlage bij de brief van 5 november 1998, nr. 41854 (bijlage 3 bij het verweerschrift).
34 – Brief van 5 november 1998, nr. 41854, aangehaald in de voorgaande voetnoot.
35 – Brief van 23 september 1999, nr. 43741, aangehaald in voetnoot 21 (punt 6.2, blz. 8 en 9).
36 – Hoewel deze correctie in de bijlage van de bestreden beschikking op de begroting 1996 wordt geboekt, blijkt uit de brief van 23 september 1999 (blz. 9) dat zij in werkelijkheid het begrotingsjaar 1997 betreft. Partijen lijken het hier overigens wel over eens te zijn.
37 – Ik verwijs naar de brieven van het Griekse Ministerie van Landbouw van 7 april 1999, nr. 343910/2181 (bijlage 12 bij het verzoekschrift), en 8 juni 1999, nr. 179226 (bijlage 5 bij het verzoekschrift), en de brief van de ATE van 1 juni 1999, nr. 20317 (bijlage 13 bij het verzoekschrift). Deze laatste brief is vóór de vaststelling van de bestreden beschikking blijkbaar nooit ter kennis van de Commissie gebracht.
38 – Zie punt 6, sub iii en iv, van de bijlage bij verordening nr. 1663/95.
39 – Zie punt 4, sub v, van de bijlage bij verordening nr. 1663/95.
40 – Ibid., vierde streepje. Zie ook artikel 6 van de verordening, betreffende de verplichting om alle bewijsstukken inzake door het EOGFL gefinancierde uitgaven en terug te vorderen bedragen gedurende een bepaalde periode ter beschikking van de Commissie te houden.
41 – Richtlijn van de Raad van 27 november 1992 met betrekking tot de identificatie en registratie van dieren (PB L 355, blz. 2).
42 – Artikelen 4, 5, 6 en 8 van de richtlijn.
43 – Verordening van de Raad van 21 april 1997 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten (PB L 117, blz. 1).
44 – Artikelen 4 en 5 van de verordening.
45 – Zie brief van de Commissie van 18 juni 1999, nr. 33219 (bijlage 9 bij het verweerschrift, inzonderheid blz. 2 en aanhangsel).
46 – Zie eindrapport van het bemiddelingsorgaan in zaak 99/GR/134 (bijlage 10 bij het verweerschrift, in het bijzonder punt 14 en conclusies).
47 – Zie brief van de Commissie van 8 mei 2000, nr. 11952 (bijlage 2 bij de dupliek, met name blz. 2).
48 – Het gaat hier om wezenlijke elementen van het controlesysteem, zoals overigens met betrekking tot de identificatie van de dieren blijkt uit de achtste overweging van de considerans van verordening nr. 3508/92, waar uitdrukkelijk wordt verklaard, dat in de sector dierlijke productie geen efficiënte controle mogelijk is als de dieren niet worden geïdentificeerd en geregistreerd.
49 – Zie artikel 7, lid 1, tweede streepje, van verordening (EEG) nr. 3886/92 van de Commissie van 23 december 1992 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de premieregelingen waarin is voorzien bij verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 1244/82 en nr. 714/89 (PB L 391, blz. 20).Volgens deze bepaling komen voor de toekenning van deze premie uitsluitend in aanmerking dieren die naar behoren zijn geïdentificeerd overeenkomstig de nationale en communautaire voorschriften ter zake.
50 – Zie punt 74 supra.
51 – Punten 18 en 19 supra.
52 – Document nr. VI/5330/97, zie punten 10 e.v. supra.
53 – In het bijzonder arrest van 4 juli 1996, Griekenland/Commissie (C-50/94, Jurispr. blz. I-3331, punten 26 en 27).
54 – Arresten van 13 juli 2000, Griekenland/Commissie (C-46/97, Jurispr. blz. I-5719, punt 58, en C-243/97, Jurispr. blz. I-5813, punt 53), en 24 januari 2002, Frankrijk/Commissie, aangehaald in voetnoot 8, punt 49.
55 – Zie hierover laatstelijk arrest van 21 maart 2002, Spanje/Commissie (C-130/99, Jurispr. blz. I-3005, punten 42, 43, 90 en 91).
56 – Zie arresten van 24 januari 2002, Frankrijk/Commissie, punt 50, en 21 maart 2002, Spanje/Commissie, punt 44, beide reeds aangehaald.
57 – Aangehaald in voetnoot 3.
58 – Deze verordening regelde ten tijde van de feiten de marktordening voor rundvlees (zie voetnoot 18 supra).
59 – Document AGRI/117758/2000 van 15 mei 2000, bijlage 14 bij het verzoekschrift (zie in het bijzonder punt 4.3.2. sub a, blz. 63 en 64).
60 – Eindrapport in zaak 99/GR/134, bijlage 23 bij het verzoekschrift (punt 13).
61 – Volgens het syntheseverslag van 15 mei 2000 [punt 4.3.2, sub a, 2), blz. 64] gaat het om twee regularisaties, van 65 330 701 GRD en 8 377 284 GRD, respectievelijk geboekt op de begrotingsjaren 1998 en 1999 (zie ook punt 105 infra).
62 – De berekening van de Griekse regering is te vinden op blz. 32 van het verzoekschrift (blz. 46 in de Franse vertaling).
63 – Zoals gezegd van toepassing op de onderhavige premieregelingen (zie punt 21 supra).
64 – Zie punt 16 en voetnoot 8 supra.
65 – Omdat de financiële dekking van de verordening door de begroting 1996 werd geleverd (zie Bull. EU 6/1996, punt 1.3.179) en het overeenkomstige EOGFL-begrotingsjaar juist op 15 oktober 1996 eindigde.
66 – Zie de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 1357/96. De algemene context van de BSE-crisis van 1996, waarin deze verordening moet worden geplaatst, is het Hof overigens bekend dankzij de geschillen waartoe de naar aanleiding van die crisis door de Commissie afgekondigde beschermingsmaatregelen hebben geleid (zie, onder meer, arrest van 5 mei 1998, National Farmers' Union e.a., C-157/96, Jurispr. blz. I-2211, met name punten 3 en 4.
67 – Zie ook de tweede overweging van de considerans van de verordening.
68 – Zie blz. 46 van het verzoekschrift en blz. 25 van de repliek, alsook de brief van het Griekse Ministerie van Landbouw aan het bemiddelingsorgaan, nr. 203541 van 25 oktober 1999 (bijlage 26 bij het verzoekschrift, blz. 1, laatste alinea). Ik heb het over het bedrag van 311 006 387 GRD, dus het bedrag waarop de oorspronkelijk door de Commissie voorgestelde correctie betrekking had, omdat hier de berekening van de Griekse regering op gebaseerd is.
69 – Zie arrest van 6 maart 1979, Simmenthal (92/78, Jurispr. blz. 777, punt 39, met verdere verwijzingen).
70 – De Commissie verwijst met name naar punt 2, sub ii, en punt 6, sub v, van de bijlage bij die verordening.
71 – Zie het eindrapport van het bemiddelingsorgaan in de zaken 99/GR/134, aangehaald in voetnoot 46 (punt 11), en 99/GR/151, aangehaald in voetnoot 26 (punt 7).
72 – Arrest aangehaald in voetnoot 11 (punten 18, 19, en 32).
73 – Arrest aangehaald in voetnoot 9 (punten 36-39).
74 – Voor de tekst hiervan, zie bijlage 38 bij het verzoekschrift.
75 – Document nr. 144903 van 5 maart 1997 (bijlage 35 bij het verzoekschrift).
76 – Zie telex van 8 april 1999, nr. 24087 (bijlage 5 bij het verweerschrift, punt 2.1.2, blz. 5 en 6) en brief van 23 september 1999, nr. 43741, reeds aangehaald (punt 1.2, blz. 2).
77 – Verordening van de Commissie van 16 februari 1996 betreffende de door de lidstaten te verstrekken gegevens en de maandelijkse boeking van de uit de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) gefinancierde uitgaven, alsmede tot intrekking van verordening (EEG) nr. 2776/88 (PB L 39, blz. 5).
78 – Dit blijkt duidelijk uit de vierde overweging van de considerans van de verordening, luidende: dat de gemeenschappelijke landbouwregelgeving limietdata voor de steunbetaling door de lidstaten voorziet; dat elke betaling, uitgevoerd na deze reglementaire termijnen, waarbij de vertraging niet gewettigd is, dient te worden beschouwd als een onregelmatige betaling en daardoor, in principe, niet in aanmerking komt voor [een voorschot op de] financiering.
79 – Beschikking van de Raad van 31 oktober 1994 betreffende de begrotingsdiscipline (PB L 293, blz. 14).
80 – Een zelfde strekking heeft artikel 13, lid 2, derde alinea, van beschikking 94/729 (zie voetnoot 79).
81 – Zie punt 16 supra.
82 – Arresten van 17 oktober 1991, Duitsland/Commissie (C-342/89, Jurispr. blz. I-5031, punten 18 en 19), en Italië/Commissie (C-346/89, Jurispr. blz. I-5057, punten 18 en 19).
83 – Zie punten 10 e.v. supra.
84 – Brieven van het Griekse Ministerie van Landbouw van 2 april 1999, nr. 166600, en 19 juni 1998, nr. 158045 (bijlagen 39 en 40 bij het verzoekschrift).
85 – Bijlagen 41-44 bij het verzoekschrift.
Full & Egal Universal Law Academy