Conclusie van de advocaat generaal
1. In deze zaak verzoekt de Tarkastuslautakunta (Herzieningscommissie voor de sociale zekerheid, Finland) om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van in het bijzonder de artikelen 4, lid 1, sub h, en 73 van verordening nr. 1408/71.
2. De kernvraag is of een uitkering voor thuiskinderopvang (lasten kotihoidon tuki") waarop ouders naar nationaal recht aanspraak kunnen maken wanneer zij geen gebruik wensen te maken van een hun gewaarborgde plaats in een openbare crèche, gezinsbijslag is in de zin van de verordening.
De relevante wettelijke bepalingen
Communautaire bepalingen
3. De materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 is bepaald in artikel 4. Volgens artikel 4, lid 1, sub h, is de verordening van toepassing op alle wettelijke regelingen met betrekking tot [...] gezinsbijslagen". Volgens artikel 4, lid 4, is de verordening niet van toepassing is op sociale en medische bijstand".
4. Volgens de definitie in artikel 1, sub u-i, worden onder ,gezinsbijslagen verstaan alle verstrekkingen of uitkeringen ter bestrijding van de gezinslasten in het kader van een in artikel 4, lid 1, letter h), bedoelde wettelijke regeling, met uitzondering van de in bijlage II vermelde bijzondere uitkeringen bij geboorte of adoptie".
5. Artikel 14, punt 1, sub a, bepaalt:
Op degene die op [het] grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst verricht voor een onderneming waaraan hij normaal verbonden is, en door deze onderneming gedetacheerd wordt op het grondgebied van een andere lidstaat teneinde aldaar voor haar rekening arbeid te verrichten, blijft de wetgeving van eerstbedoelde lidstaat van toepassing, mits de te verwachten duur van die arbeid niet meer dan twaalf maanden bedraagt en hij niet wordt uitgezonden ter vervanging van een andere persoon wiens detachering beëindigd is."
6. Artikel 73 bepaalt:
Onder voorbehoud van het bepaalde in bijlage VI heeft de werknemer of de zelfstandige op wie de wettelijke regeling van een lidstaat van toepassing is, voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere lidstaat wonen, recht op de gezinsbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste Staat voorziet, alsof die gezinsleden op het grondgebied van deze Staat woonden."
7. Volgens artikel 75, lid 1, worden gezinsbijslagen in de in artikel 73 bedoelde gevallen door het bevoegde orgaan van de staat aan de wettelijke regeling waarvan de werknemer of de zelfstandige onderworpen is, overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste bepalingen verleend ongeacht of de natuurlijke of de rechtspersoon aan wie deze bijslagen moeten worden uitbetaald, op het grondgebied van de bevoegde staat of op dat van een andere lidstaat woont of verblijft of zijn zetel heeft.
8. Volgens artikel 4, lid 2 bis, is de verordening van toepassing op de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties die vallen onder een andere wetgeving of een ander stelsel dan bedoeld in lid 1 of dan die krachtens lid 4 zijn uitgesloten, wanneer deze prestaties bestemd zijn [...] om, bij wijze van vervangende, aanvullende of bijkomende prestatie, de gebeurtenissen te dekken die onder de in lid 1, onder a) tot en met h), bedoelde takken van sociale zekerheid vallen".
9. Artikel 10 bis, lid 1, bepaalt daarentegen, voorzover in casu van belang, dat de personen waarop deze verordening van toepassing is, de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis, uitsluitend op het grondgebied van de lidstaat waar zij wonen en krachtens de wetgeving van die lidstaat ontvangen, voorzover deze prestaties zijn vermeld in bijlage II bis".
Nationale bepalingen
10. Volgens de Laki lasten päivähoidosta" (wet nr. 36/1973 inzake de kinderopvang) hebben ouders of andere personen die de zorg voor een kind hebben, voor elk kind recht op een crècheplaats vanaf het tijdstip waarop het recht op uitbetaling van de ouderschapsuitkering (moederschaps- en/of vaderschapsuitkering) eindigt tot het kind schoolplichtig is. Het is de taak van de gemeentelijke overheid om voor voldoende dagverblijfplaatsen te zorgen om in de behoeften van elke gemeente te voorzien. Volgens het herziene artikel 11 bis, lid 2, van de wet hebben ouders die geen gebruik wensen te maken van de crècheplaats als voorzien in het herziene artikel 11 bis, lid 1, van de wet, recht op een uitkering krachtens de Laki lasten kotihoidon ja yksiyisen hoidon tuesta (wet nr. 1128/1996 inzake de uitkering voor thuiskinderopvang en voor particuliere kinderopvang; hierna wet inzake de uitkering voor thuiskinderopvang" of de wet").
11. Volgens artikel 1 regelt de wet inzake de uitkering voor thuiskinderopvang de toekenning van financiële steun met als doel, ouders in staat te stellen om als alternatief voor de gemeentelijke crèche zelf de kinderopvang te organiseren. De wet voorziet in twee soorten van uitkering: de uitkering voor thuiskinderopvang (lasten kotihoidon tuki) en de uitkering voor particuliere kinderopvang (lasten yksityisen hoidon tuki"). De onderhavige zaak betreft de uitkering voor thuiskinderopvang.
12. Artikel 2 van de wet definieert de uitkering voor thuiskinderopvang als een uitkering aan de ouders of een andere persoon die ouderlijk gezag uitoefent, om in de opvang van kinderen overdag te voorzien. De uitkering bestaat uit een basisbedrag (hoitoraha") en een opvangtoeslag die afhankelijk is van het inkomen (hoitolisä"). Het basisbedrag wordt voor elk kind betaald en is afhankelijk van de leeftijd. De opvangtoeslag wordt slechts voor één kind per gezin betaald. De volledige toeslag wordt betaald als het gezinsinkomen onder een - van het totale aantal kinderen in het gezin afhankelijke - bepaalde drempel valt, zoals voorzien in artikel 5 van de wet. Wanneer het gezinsinkomen die drempel overschrijdt, wordt de hoogte van de opvangtoeslag dienovereenkomstig aangepast.
13. Artikel 20 van de wet bepaalt bovendien dat de gemeenten een aanvullende uitkering (kunnallinen lisä) bovenop het basisbedrag en de opvangtoeslag kunnen toekennen.
14. Volgens artikel 3, eerste alinea, van de wet inzake de uitkering voor thuiskinderopvang en de uitkering voor particuliere kinderopvang wordt de in deze wet bedoelde uitkering slechts verleend indien de ouders of de persoon die ouderlijk gezag uitoefent, niet kiezen voor een plaats in een crèche overeenkomstig artikel 11 bis, lid 1, van de ,laki lasten päivähoidosta (wet inzake kinderopvang), en het kind daadwerkelijk in Finland woont".
15. Voorwaarde voor het recht op uitkering is echter niet dat het kind wordt verzorgd door de ouders of thuis wordt verzorgd. De uitkering kan dus betaald worden als bijvoorbeeld het kind is geplaatst in een particuliere crèche of als het thuis wordt verzorgd door een ander persoon dan de ouders. De uitkering wordt gewoonlijk betaald aan de ouder of een andere persoon die ouderlijk gezag uitoefent, die voor het kind zorgt.
16. De uitkering voor thuiskinderopvang wordt volgens artikel 8 van de wet betaald door de Kansaneläkelaitos (Nationaal Pensioenfonds). Artikel 9 bepaalt dat de kosten die het Nationaal Pensioenfonds maakt, door de gemeenten worden vergoed.
De feiten en de gestelde vragen
17. De feiten zoals uiteengezet in de verwijzingsbeschikking, kunnen worden samengevat als volgt.
18. Päivikki Maaheimo, verzoekster in het hoofdgeding, is Fins onderdaan. Zij is gehuwd met een Fins onderdaan. Maaheimo verkreeg ouderschapsverlof en zorgde thuis voor haar kind. Vanaf 8 januari 1998 ontving zij een uitkering voor thuiskinderopvang, zoals voorzien in de wet inzake de uitkering voor thuiskinderopvang. Haar echtgenoot, Hanuu Maaheimo, werkte in Duitsland als gedetacheerd werknemer van 1 mei 1998 tot 30 april 1999. Van 10 juli 1998 tot 31 maart 1999 verbleef Päivikki Maaheimo met haar kind en echtgenoot in Duitsland. Gedurende die periode bleef het hele gezin onderworpen aan de Finse socialezekerheidswetgeving.
19. Bij besluit van 27 augustus heeft het nationaal pensioenfonds met ingang van 10 augustus 1998 de betaling van de uitkering voor thuiskinderopvang stopgezet omdat het kind van verzoekster niet langer in Finland verbleef zoals voorgeschreven door artikel 3, eerste alinea, van de wet inzake de uitkering voor thuiskinderopvang.
20. Verzoekster ging tegen deze beslissing in beroep bij de Etelä-Suomen Sosiaalivakuutuslautakunta (commissie voor ziekteverzekering), die het beroep heeft verworpen op 1 maart 1999. Op 31 maart 1999 heeft verzoekster zich tegen deze beslissing voorzien bij de Tarkastuslautakunta en verzocht de beslissing van de commissie voor de ziekteverzekering nietig te verklaren en het nationale pensioenfonds tot doorbetaling van de uitkering te verplichten.
21. Voor de Tarkastuslautakunta heeft zij gesteld dat de beslissing om haar uitkering te beëindigen in strijd is met verordening nr. 1408/71. Zij stelde daartoe in hoofdzaak dat de beëindiging van de uitkering voor thuiskinderopvang wegens het tijdelijk verblijf in Duitsland van een persoon die verzekerd is in Finland, een belangrijke economische belemmering vormt voor het vrije verkeer en het vrije verblijf binnen de Europese Gemeenschap en als zodanig indruist tegen de geest van verordening nr. 1408/71, en dat de uitkering voor thuiskinderopvang moet worden beschouwd als een gezinsbijslag in de zin van artikel 4 van de verordening.
22. Het nationale pensioenfonds handhaafde zijn standpunt dat een uitkering voor thuiskinderopvang (en een uitkering voor particuliere kinderopvang) moet worden beschouwd als een vorm van sociale bijstand waarop verordening nr. 1408/71 niet van toepassing is, en dat de uitkering volgens de wet inzake de uitkering voor thuiskinderopvang daarom enkel kan worden uitbetaald voor een kind dat daadwerkelijk in Finland woont.
23. De Tarkastuslautakunta heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen gelet op de aan de orde gestelde punten van gemeenschapsrecht, en het Hof van Justitie verzocht te beslissen over de volgende prejudiciële vragen:
1) Valt de uitkering voor kinderopvang thuis die wordt toegekend krachtens de ,laki lasten kotihoidon tuesta ja yksityisen hoidon tuesta (wet inzake de uitkering voor kinderopvang thuis en voor particuliere kinderopvang) binnen de materiële werkingssfeer van het gemeenschapsrecht als gezinsbijslag in de zin van artikel 4, lid, sub h, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gewijzigde en bijgewerkte versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3427/89 van de Raad van 30 oktober 1989?
2) Zo ja, verplichten dan de artikelen 73 en 75 van verordening nr. 1408/71, gelet op artikel 10 bis van die verordening en op het feit dat de Finse wet niet wordt genoemd in bijlage II bis bij de verordening, tot betaling van de uitkering voor kinderopvang thuis voor een kind van het gezin van een werknemer die tijdelijk naar een andere lidstaat is gedetacheerd, ook in het geval waarin het vereiste van werkelijke woonplaats die de nationale wetgeving stelt, niet is vervuld, zodat de door de wet geboden keuze tussen een plaats in de gemeentelijke crèche en de uitkering voor kinderopvang thuis niet kan worden gemaakt of feitelijk niet is gemaakt?
3) Indien de uitkering voor kinderopvang thuis niet uit hoofde van de genoemde bepalingen onder het gemeenschapsrecht valt, zijn er dan andere gemeenschapsrechtelijke regels op grond waarvan in het onder 2) genoemde geval de uitkering voor kinderopvang thuis moet worden uitgekeerd?"
24. De Finse Regering en de Commissie hebben schriftelijke en mondelinge opmerkingen gemaakt.
De eerste vraag
25. Met zijn eerste vraag betreffende de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 wil de nationale rechter in wezen zekerheid omtrent de vraag of een uitkering voor thuiskinderopvang als die voorzien in de desbetreffende wet moet beschouwd worden als gezinsbijslag in de zin van artikel 4, lid 1, sub h, van de verordening.
26. Het Hof heeft herhaaldelijk geoordeeld dat het onderscheid tussen uitkeringen die wel en die niet onder de werkingssfeer van de verordening vallen, in de eerste plaats berust op de constitutieve elementen van elke uitkering, met name het doel waarop zij is gericht en de voorwaarden waaronder zij wordt toegekend, en niet op de kwalificatie als socialezekerheidsuitkering door de nationale wetgeving. Volgens vaste rechtspraak kan een uitkering alleen dan als een socialezekerheidsuitkering worden beschouwd, wanneer zij, enerzijds, zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften, aan de rechthebbenden wordt toegekend op grond van een wettelijk omschreven positie en, anderzijds, verband houdt met één van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijk genoemde eventualiteiten.
27. Meer in het bijzonder oordeelde het Hof in de zaak Hoever en Zachow dat de ouderschapsuitkering (Erziehungsgeld) als voorzien in de Duitse Bundeserziehungsgeldgesetz (federale wet op de ouderschapsuitkering en het ouderschapsverlof) moet worden beschouwd als een gezinsbijslag in de zin van verordening nr. 1408/71. Het Hof benadrukte dat de Duitse uitkering, die zonder enige individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften automatisch wordt toegekend aan personen die aan bepaalde objectieve criteria voldoen, enkel wordt uitbetaald wanneer het gezin van de belanghebbende een of meer kinderen telt, dat het bedrag varieert deels naargelang het aantal en de leeftijd van de kinderen alsook van het inkomen van de ouders, en dat zij bedoeld is als vergoeding voor het opvoeden van het kind, als compensatie van de overige kosten van verzorging en opvoeding en, in voorkomend geval, ter leniging van de financiële nadelen die verbonden zijn aan het feit dat men afziet van het inkomen uit een voltijdse werkkring.
28. In deze zaak wordt niet betwist dat de bepalingen inzake de toekenning van een uitkering voor thuiskinderopvang een wettelijk vastgelegd recht verlenen en dat de uitkering automatisch wordt toegekend aan personen die voldoen aan bepaalde objectieve criteria, zonder een individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften. Dit geldt in het bijzonder voor het basisbedrag (hoitoraha) en de opvangtoeslag (hoitolisä) die worden toegekend krachtens artikel 2 van de wet inzake de uitkering voor thuiskinderopvang. Ik wil hierbij opmerken dat de opvangtoeslag weliswaar inkomensafhankelijk is, maar wordt toegekend aan alle ouders die een aanvraag indienen en voldoen aan de in de wet gestelde objectieve criteria met betrekking tot het gezinsinkomen.
29. Er bestaat echter meningsverschil over de vraag of de omstreden uitkering betrekking heeft op een van de eventualiteiten genoemd in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71. Volgens de Commissie komt de uitkering in wezen overeen met de uitkering die in de zaak Hoever en Zachow aan de orde was, en moet zij worden beschouwd als een uitkering ter bestrijding van de gezinslasten als bedoeld in artikel 1, sub u-i. De Finse regering bestrijdt dit. Haars inziens moet de uitkering worden beschouwd als sociale bijstand in de zin van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71.
30. De Finse regering betoogt in dat verband dat de uitkering deel uitmaakt van een in de Finse wetgeving uitgewerkt algemeen systeem dat ouders de keuze biedt tussen een plaats in een openbare crèche - wat een sociale dienst is - en ontvangst van een uitkering voor kinderopvang thuis. Het systeem heeft als doel, de kinderopvang in Finland te organiseren en ouders een reële keuze te bieden hoe zij voor hun kinderen wensen te zorgen. Het systeem is niet - zoals de Duitse uitkering in de zaak Hoever en Zachow - gericht op de bestrijding van de gezinslasten door ouders een uitkering te verlenen voor de verzorging van hun kinderen of compensatie te verlenen voor gederfde inkomsten. De toekenning van de uitkering is dan ook niet onderworpen aan de voorwaarde dat de ouders zelf voor de kinderen zorgen, zijn gestopt met werken of op een andere wijze inkomen derven.
31. De Finse regering werpt ook op dat het de gemeente is waar het gezin woont, die moet zorgen voor plaatsen in openbare crèches en die de kosten draagt van de aan de ouders betaalde uitkering voor thuiskinderopvang. Gezien het feit dat het aanbod van plaatsen in een openbare crèche en de toekenning van een uitkering voor thuiskinderopvang zo nauw met elkaar verbonden zijn in de Finse wetgeving, moeten beide als één geheel worden gezien voor de indeling onder verordening nr. 1408/71, waarbij de voorwaarden voor toekenning voor beide identiek zijn. Gezien het feit dat het recht op een plaats in een openbare crèche afhankelijk is van een woonplaatsvereiste, is het recht op toekenning van de uitkering eveneens onderworpen aan die voorwaarde.
32. Deze argumenten kunnen mij niet overtuigen.
33. In het arrest Offermanns besliste het Hof dat de uitdrukking ,bestrijding van de gezinslasten in artikel 1, sub u-i, van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd dat zij met name ziet op een overheidsbijdrage aan het gezinsbudget ter verlichting van de lasten die voortvloeien uit het onderhoud (Unterhalt) van kinderen". Het Hof benadrukte dat de bestrijding van dergelijke gezinslasten verenigbaar is met de in de eerste overweging van de considerans van verordening nr. 1408/71 beoogde doeleinden, te weten de verhoging van de levensstandaard en de verbetering van de arbeidsomstandigheden van de personen die het recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend".
34. Volgens artikel 1 regelt de wet inzake de uitkering voor thuiskinderopvang de toekenning van financiële steun met als doel, ouders in staat te stellen om zelf de kinderopvang te organiseren. Gezien deze formulering beoogt de wet om - en heeft stellig als resultaat - de kosten van kinderverzorging door een derde (in een particuliere crèche dan wel een oppas) te vergoeden, en in voorkomend geval de financiële nadelen te bestrijden van een ouder die zijn voltijdse betrekking opgeeft om voor zijn kind te zorgen, teneinde aldus ouders de economische vrijheid te geven om die wijze van opvang te kiezen die ze het meest geschikt achten voor hun kinderen.
35. Het bestaan van een verband tussen de gezinsuitgaven en de betrokken uitkering vindt bevestiging in de bepalingen van de wet die de toekenningsvoorwaarden van de uitkering voor thuiskinderopvang regelen. De uitkering wordt slechts toegekend indien het gezin van de betrokkene één of meer kinderen heeft, en het bedrag is variabel naargelang het aantal en de leeftijd van de kinderen en het inkomen van de ouders.
36. Bovendien kunnen gezinsbijslagen in de zin van artikel 4, lid 1, sub h, van de verordening meer dan een doel hebben. Is bestrijding van gezinslasten een van de doelstellingen van de in de nationale geregelde uitkering, dan is dat voldoende om onder artikel 4, lid 1, sub h, te vallen. Zo heeft het Hof in het arrest Hughes uitgemaakt dat het family credit in Noord-Ierland een dubbele functie vervulde:
enerzijds, [...], laagbetaalde werknemers aan het werk houden, anderzijds de gezinslasten verlichten, zoals met name blijkt uit het feit dat het enkel wordt uitbetaald als het gezin van de aanvrager één of meerdere kinderen telt, en dat de hoogte van de uitkering varieert volgens de leeftijd van de kinderen. In die tweede functie valt een uitkering als family credit onder de in artikel 1, sub u-i, van verordening nr. 1408/71 omschreven categorie gezinsbijslagen [...]."
37. Het feit - zoals de Finse regering benadrukt - dat de onderhavige uitkering bijdraagt tot het organiseren van de kinderopvang in Finland, is niet voldoende om haar buiten de materiële werkingssfeer van de verordening te brengen.
38. Met betrekking tot het tweede argument van de Finse regering kan worden erkend dat er een verband bestaat tussen het aanbod van openbare crèches, wat - en daar zijn we het over eens - een sociale dienst is, en de voorwaarden waarop volgens de Finse wet de uitkering voor thuiskinderopvang wordt toegekend. Deze wetgeving stelt echter duidelijk dat ouders de vrije keuze hebben tussen een plaats in een openbare crèche en de betrokken uitkering. Volgens de toelichtingen ter terechtzitting kunnen ouders zelfs afwisselend gebruikmaken van een openbare crèche en de uitkering voor thuiskinderopvang gedurende de periode waarin recht daarop bestaat. Zoals de Commissie opmerkt, is het recht op de uitkering voor thuiskinderopvang dus niet subsidiair of afhankelijk van een voorafgaande aanvraag voor een plaats in een openbare crèche. Het is een recht dat de Finse wet aan alle ouders toekent, onafhankelijk van het recht op een plaats in een openbare crèche. In deze omstandigheden kan ik de bewering van de Finse regering, dat de uitkering een volledig onafscheidbaar bestanddeel is van een socialezekerheidssysteem, niet aanvaarden. Naar mijn mening moet de uitkering worden beschouwd als een aparte prestatie en derhalve, conform het doel en de werking ervan, als prestatie bestemd ter bestrijding van de gezinslasten in de zin van artikel 1, sub u-i, van verordening nr. 1408/71.
39. Ik concludeer derhalve dat de Finse uitkering voor thuiskinderopvang een gezinsbijslag is in de zin van artikel 4, lid 1, sub h, van verordening nr. 1408/71.
De tweede vraag
40. Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen of de bepalingen van verordening nr. 1408/71 zich verzetten tegen een woonplaatsvereiste als voorwaarde voor de betaling van de uitkering voor thuiskinderopvang voor kinderen van werknemers die tijdelijk zijn gedetacheerd zijn in een andere lidstaat.
41. Het antwoord daarop kan worden afgeleid uit de rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 73 van de verordening.
42. Artikel 73 schept, zoals het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, ten gunste van de werknemer op wie de wetgeving van een andere lidstaat van toepassing is dan die op het grondgebied waarvan zijn gezinsleden wonen, een daadwerkelijk recht op toekenning van de door de toepasselijke wetgeving voorziene gezinsbijslagen, welk recht niet kan worden tenietgedaan door de toepassing van een clausule in die wetgeving, die personen die niet op het grondgebied van bedoelde lidstaat wonen, van het genot van gezinsbijslagen uitsluit". Volgens de heersende rechtspraak is artikel 73 bovendien van toepassing op een persoon die met zijn gezin in een andere lidstaat woont dan die waarvan de wetgeving op hem van toepassing is.
43. Naar mijn mening lijdt het geen twijfel dat deze rechtspraak behoort te worden toegepast op het geval van een gedetacheerde werknemer die met zijn gezin voor een beperkte tijdsspanne in een andere lidstaat woont dan waar hij en zijn gezin gewoonlijk wonen, en die - overeenkomstig artikel 14, lid 1, sub a, van de verordening - onderworpen blijft aan het socialezekerheidsrecht van die laatste staat.
44. Deze interpretatie is - zoals ook de Commissie stelt - in overeenstemming met de bewoordingen van artikel 73 en met het doel van deze bepaling, namelijk verhinderen dat een lidstaat de toekenning of het bedrag van de gezinsbijslagen kan laten afhangen van de voorwaarde dat de gezinsleden in de uitkerende lidstaat wonen, teneinde de communautaire werknemer niet ervan te weerhouden zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen".
45. Deze interpretatie is daarenboven in overeenstemming met artikel 75, lid 1, volgens hetwelk de gezinsbijslagen in de in artikel 73 bedoelde gevallen door het bevoegde orgaan van de staat aan de wettelijke regeling waarvan de werknemer of zelfstandige is onderworpen, overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste bepalingen worden verleend ongeacht of de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de bijslagen moeten worden uitbetaald, op het grondgebied van de bevoegde staat of op dat van een andere lidstaat woont.
46. Ik merk nog op dat de wet inzake de uitkering voor thuiskinderopvang niet wordt genoemd in bijlage II bis van de verordening. De artikelen 4, lid 2 bis, en 10 bis, lid 1, van de verordening zijn dus niet relevant in deze zaak.
De derde vraag
47. In het licht van het antwoord op de eerste vraag behoeft de derde vraag niet beantwoord te worden.
Conclusie
48. Ik geef derhalve in overweging de prejudiciële vragen van de Tarkastuslautakunta te beantwoorden als volgt:
(1) Een uitkering als de uitkering voor thuiskinderopvang op grond van de Finse laki lasten kotihoidon ja yksityisen hoidon tuesta (wet inzake de uitkering voor thuiskinderopvang en voor particuliere kinderopvang), die zonder enige individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften automatisch wordt toegekend aan personen die aan bepaalde objectieve criteria voldoen, en die bedoeld is ter bestrijding van de kosten van kinderopvang, moet worden beschouwd als een gezinsbijslag in de zin van artikel 4, lid 1, sub h, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.
2) Wanneer een werknemer op basis van artikel 14, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 als gedetacheerd werknemer onderworpen is aan de wetgeving van een lidstaat en met zijn gezin in een andere lidstaat woont in verband met zijn detachering, heeft zijn echtgenote ingevolge artikel 73 van de verordening recht op een gezinsbijslag als de uitkering voor thuiskinderopvang, die in de wetgeving van de eerste lidstaat is voorzien."
Full & Egal Universal Law Academy