Conclusie van de advocaat generaal
1. Teneinde bij te dragen aan de totstandkoming van het vrij verkeer van werknemers, bepaalt verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad dat, als het tijdvak van aansluiting of arbeid dat een onderdaan van een lidstaat in die staat heeft vervuld, niet voldoende is voor een aanspraak op ouderdomspensioen, de tijdvakken van verzekering of arbeid die de betrokkene in de verschillende lidstaten heeft vervuld, worden samengeteld.
2. In dat geval wordt het door de lidstaat verschuldigde ouderdomspensioen berekend naar verhouding van de tijdvakken van verzekering of arbeid die de betrokkene in die lidstaat heeft vervuld. Dit wordt een prorata-uitkering" genoemd.
3. In de onderhavige zaak wordt het Hof gevraagd om het begrip tijdvakken van verzekering" als omschreven in artikel 1, sub r en s, en artikel 46, lid 2, van de verordening uit te leggen met het oog op de berekening van een prorata-uitkering. Het gaat erom te bepalen in welke mate een tijdvak van fictieve premiebetaling, dat volgens de nationale wettelijke regeling uitsluitend voor de vaststelling van het bedrag van het ouderdomspensioen wordt opgeteld bij de tijdvakken van werkelijke premiebetaling, in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van die prorata-uitkering.
I - Rechtskader
De nationale bepalingen
4. De toepasselijke Spaanse wettelijke regeling stelt voor het ontstaan van het recht op ouderdomspensioen als voorwaarde dat gedurende ten minste vijftien jaar premies zijn betaald, waarvan twee jaar in de loop van de vijftien jaar die onmiddellijk aan het ontstaan van het recht voorafgaan.
5. Het bedrag van het ouderdomspensioen hangt af van de door de verzekerde betaalde premies en de duur van de vervulde tijdvakken van verzekering. Het bedrag van de uitkering wordt bepaald door op de relevante berekeningsgrondslag de volgende percentages toe te passen:
- 50 % voor de eerste vijftien jaar;
- 3 % voor ieder bijkomend jaar van premiebetaling tussen het zestiende en het vijfentwintigste jaar;
- 2 % voor ieder bijkomend jaar van premiebetaling vanaf het zesentwintigste jaar, waarbij het totale op de berekeningsgrondslag toegepaste percentage niet meer dan 100 % mag bedragen.
6. De jaren van premiebetaling van iedere werknemer worden bepaald op basis van de tijdvakken van premiebetaling aan het algemene stelsel, te rekenen vanaf 1 januari 1967, in voorkomend geval vermeerderd met de tijdvakken van premiebetaling aan de vroegere stelsels van ouderdoms- en ziekteverzekering en onderlinge arbeidsverzekering.
7. De tweede overgangsbepaling van het ministerieel besluit bepaalt in lid 3 dat de tijdvakken van premiebetaling aan die vroegere stelsels berekend worden als volgt:
a) deze premies worden berekend op basis van de premies die in de loop van het tijdvak tussen 1 januari 1960 en 31 december 1966 werkelijk zijn betaald aan een van de voormelde stelsels of aan beide, maar wanneer zij elkaar overlappen, worden zij slechts eenmaal in aanmerking genomen;
b) aan het in het vorige punt bedoelde aantal dagen van premiebetaling moet in voorkomend geval worden toegevoegd, het aantal jaren en fracties van jaren dat aan de werknemer wordt toegekend naargelang de leeftijd die hij op 1 januari 1967 heeft bereikt, volgens onderstaande tabel [...];
c) het aantal dagen van premiebetaling voor het in punt a bedoelde tijdvak, in voorkomend geval vermeerderd met de dagen die overeenkomen met de fractie van een jaar die voortvloeit uit de toepassing van de in het vorige punt vastgestelde tabel en de dagen waarvoor, vanaf 1 januari 1967, bijdragen zijn betaald uit hoofde van het algemene stelsel van sociale zekerheid, wordt gedeeld door 365 voor het bepalen van het aantal jaren van premiebetaling waarvan het percentage van het pensioen afhangt, en de eventuele fractie van een jaar wordt gelijkgesteld met een volledig jaar van premiebetaling, ongeacht het aantal dagen waaruit zij bestaat."
8. De jaren en fracties van jaren, uitgedrukt in dagen, die de werknemer, naargelang de leeftijd die hij op 1 januari 1967 heeft bereikt, volgens bovenbedoelde tabel worden toegekend, liggen tussen 30 jaar en 318 dagen voor een werknemer van 65 jaar, en 250 dagen voor een werknemer van 21 jaar.
9. Zij worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van de minimumperiode van aansluiting van vijftien jaar, die vereist is voor het ontstaan van het recht op het ouderdomspensioen.
De gemeenschapsregeling
10. Volgens artikel 1, sub r, van de verordening wordt voor de toepassing daarvan onder tijdvakken van verzekering" verstaan de tijdvakken van premie- of bijdragebetaling, van arbeid of van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden welke als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, of geacht worden te zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voorzover zij als zodanig door deze wetgeving zijn erkend".
11. Artikel 1, sub s, van de verordening verwijst in dezelfde bewoordingen naar de nationale wetgevingen voor wat betreft de definitie van tijdvakken van arbeid" en tijdvakken van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden".
12. Wanneer het recht op ouderdomsuitkering in een lidstaat slechts ontstaat door samentelling van de in twee of meer lidstaten vervulde tijdvakken van verzekering, geldt ingevolge artikel 46, lid 2, van de verordening het navolgende:
a) het bevoegde orgaan berekent het theoretische bedrag van de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en/of wonen, welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de lidstaten waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, in de betrokken staat en krachtens de op de datum van vaststelling van de uitkering door dit orgaan toegepaste wetgeving zouden zijn vervuld. Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wetgeving onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken, wordt dit bedrag beschouwd als het in deze alinea bedoelde theoretische bedrag;
b) het bevoegde orgaan stelt op basis van het onder a bedoelde theoretische bedrag vervolgens het werkelijke uitkeringsbedrag vast naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wetgeving van alle betrokken lidstaten zijn vervuld."
II - Feiten en procesverloop
13. Barreira Pérez, Spaans onderdaan, geboren op 10 oktober 1934, heeft in Duitsland en in Spanje gewerkt. In oktober 1999, op de leeftijd van 65 jaar, maakte hij zijn pensioenrechten geldend.
14. Hij heeft 4 051 dagen in Duitsland premie betaald, hetgeen volstaat om hem aanspraak te geven op een ouderdomspensioen van het bevoegde Duitse orgaan. Hij heeft eveneens 5 344 dagen in Spanje premie betaald, hetgeen minder is dan de door de Spaanse wettelijke regeling voorgeschreven minimumperiode van aansluiting van vijftien jaar.
15. Het Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS), het Spaanse socialezekerheidsorgaan, heeft daarom de tijdvakken van verzekering die Barreira Pérez in Duitsland en Spanje heeft vervuld, samengeteld. Teneinde het pensioen vast te stellen dat hem in Spanje verschuldigd was, heeft het INSS het theoretische bedrag van de uitkering bedoeld in artikel 46, lid 2, sub a, van de verordening berekend. Bij de 9 395 vervulde dagen van werkelijke premiebetaling in Spanje en Duitsland heeft het 3 005 dagen van fictieve premiebetaling opgeteld die de betrokkene overeenkomstig de tabel van de tweede overgangsbepaling, lid 3, sub b, van het ministerieel besluit werden toegekend.
16. Het INSS heeft die 3 005 dagen echter niet in aanmerking genomen voor de berekening van de prorata-uitkering. Dat betekent dat het INSS die dagen niet heeft opgeteld bij de in Spanje vervulde 5 344 dagen van premiebetaling, voorkomend in de teller, en evenmin bij de in beide lidstaten vervulde 9 395 dagen van premiebetaling, voorkomend in de noemer van de breuk waarmee het theoretische bedrag moet worden vermenigvuldigd om de prorata-uitkering te bepalen.
17. Dientengevolge was de door het INSS op het theoretische bedrag toegepaste coëfficiënt 0,5685 in plaats van 0,6733.
18. Barreira Pérez heeft tegen het besluit van het INSS waarbij zijn ouderdomspensioen in Spanje op deze grondslag is vastgesteld, beroep ingesteld.
III - De prejudiciële vragen
19. De Juzgado de lo Social de Orense (Spanje) heeft de behandeling van de zaak geschorst en aan het Hof de navolgende prejudiciële vragen voorgelegd:
1) Moet artikel 1, sub r en s, van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat mede als ,tijdvakken van verzekering gelden gelijkwaardige tijdvakken van fictieve premiebetaling die volgens de nationale wetgeving van een lidstaat in aanmerking moeten worden genomen voor de vaststelling van het aantal jaren van premiebetaling waarvan het bedrag van het in de nationale wetgeving geregelde ouderdomspensioen afhangt?
2) Zo ja, moet artikel 46, lid 2, sub b, van verordening nr. 1408/71 dan aldus worden uitgelegd, dat ,de duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld, mede omvat de tijdvakken van fictieve premiebetaling die overeenkomen met tijdvakken vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis, die volgens de wetgeving van die lidstaat als tijdvakken van premiebetaling in aanmerking moeten worden genomen voor de vaststelling van het bedrag van het ouderdomspensioen?"
IV - De beantwoording van de vragen
20. Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter te vernemen of de 3 005 dagen die aan Barreira Pérez toegekend zijn krachtens de tweede overgangsbepaling, lid 3, sub b, van het ministerieel besluit, in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van de prorata-uitkering.
21. De vragen van voornoemde rechter houden dus in of die 3 005 dagen moeten worden beschouwd als een tijdvak van verzekering in de zin van artikel 1, sub r en s, van de verordening, en zo ja, of ze een tijdvak van verzekering zijn dat is vervuld vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis in de zin van artikel 46, lid 2, sub b, van voornoemde verordening.
De eerste vraag
22. Voor wat betreft de definitie van het begrip tijdvakken van verzekering" in artikel 1, sub r en s, van de verordening, verwijst de tekst van die bepalingen met zoveel woorden naar de nationale wetgevingen.
23. Zoals het Hof reeds vaak heeft aangegeven, beoogt de verordening overeenkomstig artikel 42 EG te verzekeren dat met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen alsmede voor de berekening daarvan, alle tijdvakken van verzekering worden samengeteld die door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen. De verordening bepaalt echter niet de voorwaarden waaronder die tijdvakken kunnen ontstaan.
24. Het Hof heeft bij herhaling beslist dat, om vast te stellen of een bepaald tijdvak als tijdvak van verzekering moet worden beschouwd, te rade moet worden gegaan met de in de nationale wetgeving gestelde voorwaarden, echter onder voorbehoud van de inachtneming van de artikelen 39 EG tot en met 42 EG.
25. Zoals de Commissie terecht heeft aangevoerd, staat het aan de nationale rechter om zijn eigen wetgeving uit te leggen, zulks met inachtneming van de bepalingen van het EG-Verdrag met betrekking tot het vrij verkeer van personen.
26. In het kader van de bij artikel 234 EG ingestelde samenwerking kan de communautaire rechter niettemin aan de nationale rechter nuttige aanwijzingen geven betreffende de uitlegging van het communautaire recht om hem in staat te stellen zijn nationale recht te interpreteren en in het hoofdgeding uitspraak te doen.
27. Ik wil allereerst in herinnering brengen dat volgens vaste rechtspraak een uitkering als een socialezekerheidsuitkering kan worden aangemerkt, wanneer zij de rechthebbenden zonder enige discretionaire, individuele beoordeling van hun persoonlijke behoeften wordt toegekend op basis van een wettelijk omschreven situatie, en zij verband houdt met één van de in artikel 4, lid 1, van verordening 1408/71 genoemde risico's".
28. Het staat aan de nationale rechter om te beoordelen of aan ieder van die voorwaarden is voldaan.
29. Op grond van de aan het Hof verstrekte gegevens mag in redelijkheid worden aangenomen dat het litigieuze tijdvak aan die voorwaarden voldoet en daarmee valt binnen de termen van de verordening.
30. Enerzijds is het litigieuze tijdvak namelijk toegerekend aan Barreira Pérez omdat hij voldeed aan de vereisten van de Spaanse wettelijke regeling, te weten premies hebben betaald aan een van de aldaar bedoelde verzekeringsstelsels. Het is vastgesteld naar gelang van de leeftijd van verzoeker op 1 januari 1967 door toepassing van de daartoe opgemaakte tabel en zonder enige beoordeling van zijn persoonlijke behoeften.
31. Anderzijds is het litigieuze tijdvak opgeteld bij de tijdvakken van daadwerkelijke premiebetaling voor de berekening van het ouderdomspensioen voor Barreira Pérez, zijnde een van de uitkeringen bedoeld in artikel 4, lid 1, van de verordening.
32. Vervolgens staat vast dat dat tijdvak in zijn geheel in aanmerking is genomen door het INSS voor de berekening van het theoretische pensioenbedrag bedoeld in artikel 46, lid 2, sub a, van de verordening. Dat dit tijdvak terecht in aanmerking is genomen, wordt door de Spaanse regering niet aangevochten.
33. Volgens artikel 46, lid 2, sub a, van de verordening wordt het theoretische uitkeringsbedrag berekend alsof alle tijdvakken van verzekering of wonen, die zijn vervuld krachtens de wetgeving van de lidstaten waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, in de betrokken lidstaat en krachtens de op de datum van de vaststelling van de uitkering door het bevoegde orgaan toegepaste wetgeving zouden zijn vervuld.
34. Artikel 46 van de verordening bevat geen definitie van het begrip tijdvakken van verzekering. Het Hof heeft reeds uitgemaakt dat voor de toepassing van dat artikel aansluiting moet worden gezocht bij de omschrijving in artikel 1, sub r, van de verordening. Daaruit volgt dat de tijdvakken van verzekering aan de hand waarvan het theoretische bedrag van de uitkering wordt berekend, zijn de tijdvakken van premie- of bijdragebetaling, van arbeid of van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden die als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, of geacht worden te zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voorzover zij als zodanig door deze wetgeving zijn erkend.
35. In dit opzicht schijnt het mij van belang erop te wijzen dat noch de Spaanse regering noch het INSS ter zitting in antwoord op de desbetreffende vragen van het Hof heeft kunnen uitleggen waarom dat tijdvak voor de berekening in aanmerking was genomen als het naar Spaans recht niet met een tijdvak van verzekering was gelijkgesteld.
36. De Spaanse regering en het INSS hebben in hoofdzaak aangevoerd dat dat tijdvak niet berust op premiebetaling en niet in aanmerking wordt genomen voor het ontstaan van het recht op ouderdomspensioen. Erkenning van het betreffende tijdvak als een tijdvak van verzekering zou het evenwicht verstoren tussen de ontvangen premies en de uitbetaalde pensioenen. Dat risico zou nog groter worden doordat werknemers die tussen 1960 en 1966 aan stelsels van andere lidstaten hebben bijgedragen, eveneens aanspraak zouden kunnen maken op toerekening van dit aanvullende tijdvak op grond van leeftijd en aldus zonder enige vorm van tegenprestatie een verhoging zouden kunnen krijgen van het pensioen waarop zij in Spanje recht hebben.
37. Dit argument kan echter niet de letterlijke tekst van artikel 1, sub r, en artikel 46, lid 2, sub a, van de verordening terzijde stellen.
38. Evenzeer is naar mijn mening met dit argument in tegenspraak het feit dat het litigieuze tijdvak aan Barreira Pérez is toegerekend omdat hij premie heeft betaald aan een verzekeringsstelsel dat is vervallen bij de invoering van het nationale systeem. Dit tijdvak berust dus wel degelijk op aansluiting bij en premiebetalingen aan een socialezekerheidsstelsel. Bovendien volgt uit de eigen stellingen van de Spaanse regering dat de toekenning van een op de leeftijd gebaseerd forfaitair tijdvak aan werknemers die aangesloten waren geweest bij een van die stelsels, ten doel had het behoud van hun rechten die waren verkregen onder voornoemde stelsels op basis van de nieuwe voorwaarden inzake de duur van premiebetaling en de uitkeringstarieven volgens het nieuwe systeem.
39. Ten slotte bevestigt het argument van de Spaanse regering en het INSS, voorzover het betrekking heeft op de nadelige financiële gevolgen van een bevestigend antwoord op de door de verwijzende rechter gestelde vragen, naar mijn mening dat het litigieuze tijdvak volgens de nationale wettelijke regeling wel degelijk is gelijkgesteld met een verzekeringstijdvak, omdat het INSS dit anders zeker uit de berekening van het theoretische bedrag zou hebben weggelaten.
40. Gezien voorgaande uiteenzettingen geef ik het Hof in overweging om in bevestigende zin te antwoorden op de eerste prejudiciële vraag, aangezien het litigieuze tijdvak overeenkomstig de nationale wetgeving in aanmerking is genomen bij de berekening van het theoretische bedrag van het ouderdomspensioen in de zin van artikel 46, lid 2, sub a, van de verordening.
De tweede vraag
41. Vastgesteld moet worden in hoeverre het betrokken tijdvak van verzekering als vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis in de zin van artikel 46, lid 2, sub b, van de verordening vervuld kan worden beschouwd.
42. Het antwoord op die vraag ligt naar mijn mening besloten in het arrest Di Prinzio van 18 februari 1992. Met de Commissie en verzoeker denk ik dat de oplossing die in dat arrest is gevonden, naar deze zaak kan worden overgebracht.
43. In dat arrest werd het Hof geconfronteerd met een wettelijke regeling die bepaalde dat een mijnwerker die gedurende dertig jaar als zodanig was tewerkgesteld, recht had op een volledig pensioen, en dat hij, indien hij de volledige dertig jaar als mijnwerker niet haalde, maar ten minste vijfentwintig jaar, recht had op een aantal bijkomende jaren van fictieve werkzaamheid gelijk aan het verschil tussen dertig en het aantal jaren van daadwerkelijke tewerkstelling.
44. Ten aanzien van de voorwaarden waaronder artikel 46, lid 2, van de verordening moest worden toegepast, heeft het Hof allereerst beslist dat uit de bewoordingen sub a van die bepaling volgt dat het bevoegde orgaan de nationale wettelijke regeling in haar geheel moet toepassen, zodat, indien deze bepaalt dat de pensioenuitkering niet alleen moet worden berekend aan de hand van werkelijke of gelijkgestelde tijdvakken, maar ook aan de hand van een aantal bijkomende fictieve jaren van tewerkstelling, deze bijkomende jaren eveneens in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van het theoretische uitkeringsbedrag.
45. Het Hof heeft op de tweede plaats vastgesteld dat wanneer de door de toepasselijke nationale wettelijke regeling erkende fictieve tijdvakken zijn vervuld vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis, zoals in die zaak het geval was, met die tijdvakken rekening moet worden gehouden bij de berekening van de prorata-uitkering.
46. Zij heeft dit resultaat gebaseerd op de woorden tijdvakken van verzekering [...] welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis [...] zijn vervuld" in artikel 46, lid 2, sub b, van de verordening.
47. Uit besluit nr. 95 van 24 januari 1974 van de Administratieve Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers, evenals uit het arrest Menzies van 26 juni 1980 heeft het Hof afgeleid dat het bij fictieve tijdvakken die uitsluitend voor de berekening van het theoretische bedrag, maar niet voor de bepaling van de prorata-uitkering in aanmerking worden genomen, gaat om fictieve tijdvakken die na het intreden van de verzekerde gebeurtenis zijn vervuld.
48. Aldus volgt uit voornoemd arrest Di Prinzio dat fictieve tijdvakken, die volgens de toepasselijke nationale wettelijke regeling moeten worden opgeteld bij de tijdvakken van daadwerkelijke premiebetaling om het theoretische pensioenbedrag te berekenen en die zijn vervuld vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis, moeten worden meegenomen bij de berekening van de prorata-uitkering.
49. In casu staat vast dat het litigieuze tijdvak volgens de nationale wettelijke regeling in aanmerking is genomen voor de berekening van het theoretische bedrag van de uitkering.
50. Voorts ben ik van mening, zulks in tegenstelling tot de Spaanse regering en het INSS, dat dit litigieuze tijdvak moet worden geacht te zijn vervuld vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis in de zin van artikel 46, lid 2, sub b, van de verordening.
51. Uit de tweede overgangsbepaling van het ministeriële besluit en uit de verwijzingsbeschikking volgt namelijk dat het litigieuze tijdvak aan Barreira Pérez werd toegekend vanwege zijn bijdragebetalingen aan vroegere Spaanse verzekeringsstelsels. Vaststaat dat dit tijdvak is berekend op basis van zijn leeftijd op 1 januari 1967 volgens de daartoe opgestelde tabel. Dat tijdvak maakt dus deel uit van de door bijdragen aan die stelsels verkregen rechten van betrokkene. Dit tijdvak is dus vervuld voordat de verzekerde gebeurtenis, zijnde de ouderdom van de belanghebbende, die gedekt is door de uitkering voor de berekening waarvan het in aanmerking wordt genomen, intrad.
52. In dat opzicht verschilt het litigieuze tijdvak, in tegenstelling tot wat de Spaanse regering en het INSS stellen, van dat in de zaak Menzies.
53. In dat arrest ging het om een aanvullend tijdvak dat ten doel had om betrokkenen in geval van vroegtijdige invaliditeit of overlijden van de verzekerde aan een volwaardig pensioen te helpen, wanneer de verzekerde vóór het bereiken van de 55-jarige leeftijd door arbeidsongeschiktheid werd getroffen. Dit tijdvak kwam overeen met het tijdvak tussen de maand waarin de verzekerde gebeurtenis is ingetreden en de laatste maand van het 55e levensjaar van betrokkene.
54. Dat extra tijdvak lag dus na het intreden van de verzekerde gebeurtenis, te weten het arbeidsongeval waarvan de aanvrager van de invaliditeitsuitkering het slachtoffer was geworden en waarop zijn recht op uitkering was gebaseerd.
55. Daarom heeft het Hof daaruit logischerwijze afgeleid dat dit extra tijdvak, dat niet overeenkwam met enig vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis vervuld tijdvak van werkelijke verzekering of van werkelijk wonen in de betrokken lidstaat, wel voor de berekening van het theoretische bedrag, maar niet voor de berekening van de prorata-uitkering in aanmerking moet worden genomen.
56. In de onderhavige procedure liggen de gebeurtenissen die ten grondslag liggen aan het litigieuze tijdvak, te weten de bijdragebetaling aan een van de vroegere verzekeringsstelsels en de leeftijd van betrokkene op 1 januari 1967, duidelijk vóór de datum waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikte.
57. Het feit dat het litigieuze tijdvak pas aan Barreira Pérez werd toegerekend op het moment van de vaststelling van zijn aanspraak, is daarmee niet in tegenspraak. Het litigieuze tijdvak verschilt daarin niet van de tijdvakken van werkelijke premiebetaling die door de betrokkene zijn vervuld en door het INSS in aanmerking zijn genomen bij de berekening van de prorata-uitkering. Bovendien was dit ook het geval met het fictieve tijdvak in de hiervoor aangehaalde zaak Di Prinzio.
58. Voor wat betreft het feit dat het niet mogelijk is het litigieuze tijdvak chronologisch te situeren tussen 1 januari 1960 en 31 december 1966, zodat dit eventueel tijdvakken van verzekering zou kunnen overlappen die in dezelfde periode zijn vervuld krachtens de wettelijke regeling van een andere lidstaat, lijkt het mij dat het gaat om een situatie die geregeld is in artikel 15, sub e, van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad. Dat artikel bepaalt dat ingeval de periode waarin bepaalde tijdvakken van verzekering of wonen vervuld zijn krachtens de wetgeving van een lidstaat, niet nauwkeurig kan worden bepaald, ervan wordt uitgegaan dat deze tijdvakken krachtens de wetgeving van een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering of wonen niet overlappen en hiermede rekening wordt gehouden, voorzover de tijdvakken hiervoor in aanmerking kunnen worden genomen.
59. Wij hebben hier dus te maken met een fictief tijdvak dat door de betrokken nationale wettelijke regeling gelijkgesteld wordt met een tijdvak van verzekering en dat moet worden aangemerkt als vervuld vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis.
60. Overeenkomstig het standpunt dat het Hof heeft ingenomen in het arrest Di Prinzio voldoet dit fictieve tijdvak aan de eisen om in aanmerking te worden genomen bij de berekening van de prorata-uitkering,
61. In tegenstelling tot wat de Spaanse regering en het INSS stellen, leidt deze oplossing niet tot een dubbel voordeel voor verzoeker.
62. Dat dit tijdvak in aanmerking wordt genomen, betekent niet meer dan de strikte toepassing van artikel 46, lid 2, sub b, van de verordening, dat juist beoogt het werkelijke uitkeringsbedrag dat de onderscheiden organen van de lidstaten verschuldigd zijn, vast te stellen naar verhouding van de rechten die de werknemer in ieder van die lidstaten heeft opgebouwd.
63. Omgekeerd benadeelt de door de Spaanse regering en het INSS aanbevolen oplossing Barreira Pérez, omdat hij zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend.
64. Als betrokkene was blijven werken in Spanje en daar alle verzekeringstijdvakken had vervuld, zou zijn ouderdomspensioen zijn berekend met inachtneming van het volledige litigieuze fictieve tijdvak.
65. Zoals wij hebben gezien, wordt volgens de Spaanse wettelijke regeling het ouderdomspensioen berekend door op de relevante berekeningsgrondslag percentages toe te passen afhankelijk van het aantal jaren van premiebetaling, en wordt dat aantal bepaald door aan de jaren van daadwerkelijk premiebetaling het aantal toe te voegen dat de werknemer is toegekend door toepassing van de tweede overgangsbepaling, lid 3, sub b.
66. Het uitsluiten van het litigieuze fictieve tijdvak van de berekening van de prorata-uitkering komt er duidelijk op neer dat de voordelen die Barreira Pérez aan dat fictieve tijdvak zou hebben ontleend, werden beperkt op de enkele grond dat hij van zijn recht op vrij verkeer gebruik heeft gemaakt.
67. De verordening beoogt evenwel te verhinderen dat migrerende werknemers hun rechten op socialezekerheidsuitkeringen verliezen of het bedrag ervan verminderd zien doordat zij het hun door het Verdrag toegekende recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend.
68. Het Hof heeft bij herhaling beslist dat het doel van de artikelen 39 EG tot en met 42 EG niet zou worden bereikt, wanneer gemeenschapswerknemers ten gevolge van de uitoefening van dit recht voordelen op het gebied van de sociale zekerheid zouden verliezen die hun door de wettelijke regeling van een lidstaat worden toegekend. Een dergelijk gevolg zou die werknemers er immers van kunnen weerhouden hun recht van vrij verkeer uit te oefenen, en daarmee een belemmering voor dit vrije verkeer opleveren.
69. Het heeft daaruit afgeleid dat de aangehaalde artikelen zich ertegen verzetten dat een gemeenschapswerknemer geheel of gedeeltelijk wordt uitgesloten van de toepassing van een nationale bepaling op het gebied van de sociale zekerheid op grond dat hij zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend. Derhalve heeft het Hof geoordeeld dat het gemeenschapsrecht zich ertegen verzet dat een migrerend werknemer zich voor de berekening van zijn ouderdomspensioen niet op de door de nationale wettelijke regeling voorziene gelijkstelling van tijdvakken van invaliditeit met tijdvakken van arbeid kan beroepen op de enkele grond, dat hij bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid niet in de betrokken lidstaat, maar in een andere lidstaat werknemer was.
70. De oplossing van het INSS, die zich voor wat betreft verzoeker vertaalt in de vaststelling van de coëfficiënt voor de berekening van de prorata-uitkering op 0,5685 in plaats van 0,6733, kan wel degelijk een werknemer ervan weerhouden zijn recht op vrij verkeer uit te oefenen.
71. Uit een en ander volgt dat op de tweede prejudiciële vraag bevestigend moet worden geantwoord.
V - De beperking van de gevolgen van het te wijzen arrest
72. Subsidiair heeft de Spaanse regering het Hof gevraagd om te beslissen dat het arrest geen terugwerkende kracht zal hebben bij een bevestigende beantwoording van de prejudiciële vragen.
73. Daartoe voert zij aan dat een beantwoording in die zin tot een ernstige verstoring van het economische evenwicht van het nationale socialezekerheidsstelsel zou kunnen leiden. Voorts zullen personen die tussen 1960 en 1966 in een lidstaat premie hebben betaald, een aanmerkelijke verhoging kunnen verkrijgen van het pensioen waarop zij in Spanje recht hebben.
74. Er moet aan worden herinnerd dat de uitlegging die het Hof krachtens de hem bij artikel 234 EG verleende bevoegdheid geeft aan een voorschrift van gemeenschapsrecht, de betekenis en de strekking van dat voorschrift zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden verstaan en toegepast, verklaart en preciseert. Hieruit volgt dat het aldus uitgelegde voorschrift door de rechter ook kan en moet worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest waarbij op het verzoek om uitlegging is beslist, indien voor het overige is voldaan aan de voorwaarden waaronder een geschil over de toepassing van dat voorschrift voor de bevoegde rechter kan worden gebracht.
75. Volgens vaste rechtspraak kan het Hof dus slechts bij uitzondering en met toepassing van een aan de communautaire rechtsorde inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid, aanleiding vinden om voor iedere belanghebbende beperkingen te stellen aan de mogelijkheid, met een beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen weer in geding te brengen.
76. Voor een dergelijke beperking gelden twee essentiële criteria: de goede trouw van de belanghebbende kringen en het gevaar van ernstige verstoringen. Bovendien kan een dergelijke beperking slechts worden aangebracht in het arrest waarin de gevraagde uitlegging wordt gegeven.
77. In deze zaak zal het te wijzen arrest, indien het antwoord op beide vragen bevestigend is, ongetwijfeld ongunstige financiële gevolgen voor het Spaanse socialezekerheidsstelsel hebben, ook al kunnen op basis van de gegevens van het dossier de omvang en de duur daarvan niet worden geraamd. Toch is naar mijn mening niet aan de twee andere hiervoor vermelde voorwaarden voldaan.
78. Immers, de voorwaarde inzake de goede trouw van de belanghebbende kringen vereist dat laatstgenoemde zich redelijkerwijze hebben kunnen vergissen over de toepasselijkheid of de strekking van de uitgelegde communautaire bepaling. De onduidelijkheid van het toepasselijke communautaire recht moet hebben geleid tot een grote rechtsonzekerheid.
79. Artikel 46 van de verordening bevat geen bijzondere onduidelijkheid. In ieder geval bevatten de bepalingen van artikel 46, lid 2, sub b, die onduidelijkheid niet meer sedert de uitlegging daarvan in het voornoemde arrest Di Prinzio, tenminste voor wat betreft de voorwaarden waaronder de tijdvakken van fictieve premiebetaling in aanmerking moesten worden genomen bij de vaststelling van de prorata-uitkering. Op dat punt hebben de Spaanse regering en het INSS geen andere omstandigheden aangevoerd dan de kans op financiële repercussies voor het betrokken socialezekerheidsorgaan.
80. Vervolgens moet eraan worden herinnerd dat wanneer het, zoals in dit geval, gaat om een systeem van sociale zekerheid waarvan de financiering afhangt van een lidstaat, het vaste rechtspraak is dat de financiële gevolgen die een staat van een prejudicieel arrest van het Hof zou kunnen ondervinden, op zich de beperking van de werking van een arrest van het Hof in de tijd niet rechtvaardigen. Zo de werking van een arrest enkel op grond van dergelijke overwegingen werd beperkt, zou dat leiden tot een aanzienlijke beperking van de rechterlijke bescherming van de rechten die particulieren aan het gemeenschapsrecht ontlenen.
81. Ten slotte lijkt de gevraagde beperking te stranden op het ontbreken van een dergelijke maatregel in voornoemd arrest Di Prinzio.
82. Zoals ik hiervoor heb aangegeven, kan de beperking van de werking van het arrest in de tijd slechts worden aangebracht in het arrest waarin de gevraagde uitlegging wordt gegeven. Het Hof heeft uitgemaakt dat als de werking in de tijd van een arrest dat uitlegging geeft aan een gemeenschapsrechtelijke bepaling, daarbij niet is beperkt, een dergelijke beperking ook niet in een later arrest kan volgen.
83. In de huidige procedure heeft de verwijzende rechter twee vragen aan het Hof voorgelegd over de uitlegging van respectievelijk artikel 1, sub r en s, en artikel 46 van de verordening. Wij hebben gezien dat over de bepalingen van artikel 1, sub r en s, van de verordening, die uitdrukkelijk naar de nationale wetgeving verwijzen, reeds lang vaste rechtspraak bestaat.
84. Voor wat betreft artikel 46, lid 2, sub b, van de verordening voorziet het arrest Di Prinzio in geen enkele beperking in de tijd van de werking van de uitlegging van die bepaling, volgens welke de prorata-uitkering moet worden berekend met inachtneming van alle aan het intreden van de verzekerde gebeurtenis voorafgaande fictieve tijdvakken, die op grond van de door het bevoegde orgaan toegepaste wettelijke regeling worden opgeteld bij of gelijkgesteld met de jaren van werkelijke tewerkstelling.
85. Ik ben van mening dat de omstandigheden van dit geval geen uitzondering rechtvaardigen op het principe dat uitleggingsarresten terugwerkende kracht hebben.
VI - Conclusie
86. Op grond van een en ander geef ik het Hof in overweging op de door de Juzgado de lo Social de Orense gestelde vragen te antwoorden als volgt:
1) Artikel 1, sub r en s, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1399/1999 van de Raad van 29 april 1999, moet aldus worden uitgelegd dat mede als tijdvakken van verzekering gelden gelijkwaardige tijdvakken van fictieve premiebetaling die volgens de nationale wetgeving van een lidstaat in aanmerking moeten worden genomen voor de vaststelling van het aantal jaren van premiebetaling waarvan het bedrag van het in de nationale wetgeving geregelde ouderdomspensioen afhangt, aangezien die tijdvakken overeenkomstig de nationale wetgeving in aanmerking worden genomen bij de berekening van het theoretische bedrag van het ouderdomspensioen in de zin van artikel 46, lid 2, sub a, van voornoemde verordening.
2) Artikel 46, lid 2, sub b, van voornoemde verordening moet aldus worden uitgelegd dat ,de duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld, mede omvat de tijdvakken van fictieve premiebetaling die overeenkomen met tijdvakken vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis, die volgens de wetgeving van die lidstaat als tijdvakken van premiebetaling in aanmerking moeten worden genomen voor de vaststelling van het bedrag van het ouderdomspensioen."
Full & Egal Universal Law Academy