Conclusie van de advocaat generaal
Inleiding
1. Deze prejudiciële vraag strekt ertoe te vernemen, of de bepalingen van de verdragen, en inzonderheid het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, kunnen worden ingeroepen door - of, beter gezegd, ten gunste van - een persoon die meer dan dertig jaar vóór de oprichting van de Europese Gemeenschap is overleden. Deze sterk vereenvoudigde samenvatting heeft het voordeel dat de aandacht wordt gevestigd op de bijzonderheden van de juridische regeling van de rechten op artistieke of intellectuele scheppingen. Het wat ongrijpbare karakter waardoor deze juridische constructies worden gekenmerkt, heeft men, bij gebreke van een internationale harmonisatie van de toepasselijke regelingen, geprobeerd terug te dringen door daaraan - tot op zekere hoogte - een bepaalde nationaliteit toe te kennen, die in het algemeen samenvalt met die van de auteur.
Juridisch kader
Nationaal recht
2. Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding waren artistieke en intellectuele werken in Duitsland beschermd door het Gesetz über Urheberrechte und verwandte Schutzrechte (Urheberrechtsgesetz) (wet inzake auteursrechten en naburige rechten; hierna: UrhG"), in de in 1965 van kracht zijnde versie. Deze wet maakte onderscheid tussen de bescherming van werken van Duitse onderdanen en die van werken van buitenlandse auteurs.
3. Terwijl eerstgenoemden volgens de Duitse regeling bescherming genoten voor al hun werken, al dan niet verschenen en ongeacht de plaats waar zij voor het eerst openbaar werden gemaakt (§ 120, lid 1, UrhG), hadden laatstgenoemden slechts recht op bescherming voor werken die voor het eerst op Duits grondgebied waren verschenen (§ 121, lid 1, UrhG).
In alle andere gevallen werden de rechten van buitenlandse auteurs beschermd door internationale verdragen.
4. De aan Duitse onderdanen verleende bescherming eindigt 70 jaren na de eerste januari van het jaar volgende op het sterfjaar van de auteur (§§ 64 en 69 UrhG).
5. Ingevolge artikel 25 van de Italiaanse wet van 22 april 1941 en artikel 1 van het wetsdecreet van 20 juli 1945 bedraagt de beschermingsduur van de auteursrechten 56 jaren vanaf het overlijden van de auteur.
Internationaal recht
6. De voornaamste internationale overeenkomst inzake de bescherming van auteursrechten is de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, die op deze zaak van toepassing is in de op 28 september 1979 gewijzigde versie van de Akte van Parijs van 24 juli 1971 (hierna: Berner Conventie").
7. Volgens artikel 7 van de Berner Conventie geldt de bescherming bij leven van de auteur en 50 jaren na zijn dood (lid 1), te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar volgende op het sterfjaar (lid 5). De verdragsluitende partijen kunnen echter een langere beschermingsduur toekennen (lid 6).
In alle gevallen is de beschermingsduur die van de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen; voorzover in de wet van dat land niet anders is bepaald, overschrijdt zij evenwel niet de in het land van herkomst van het werk vastgestelde duur (lid 8). Dit stelsel wordt gewoonlijk, afgekort, de beschermingsduurvergelijking" genoemd.
In de Duitse wet is niet anders bepaald" in de zin van dit laatste lid van artikel 7 van de Berner Conventie.
8. De door dit lid toegestane beperkingen zijn overgenomen in artikel 3, lid 1, van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS-Overeenkomst). Deze Overeenkomst bepaalt tevens dat de overeenkomstsluitende staten de artikelen 1 tot en met 25 van de Berner Conventie en de bijlage daarbij naleven (artikel 9).
Gemeenschapsrecht
Verbod van discriminatie op grond van nationaliteit
9. Artikel 12 EG (ex artikel 6 EG-Verdrag) bepaalt:
Binnen de werkingssfeer van dit Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden."
Harmonisatie van de bescherming van auteursrechten
10. Op 29 oktober 1993 heeft de Raad richtlijn 93/98/EEG betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (hierna: richtlijn 93/98") vastgesteld. De lidstaten moesten hun nationaal recht vóór 1 juli 1995 aan de richtlijn aanpassen.
11. Volgens artikel 10, lid 2, van de richtlijn gelden de in de richtlijn voorziene beschermingstermijnen voor alle werken en voorwerpen die op de ultieme omzettingsdatum in ten minste één lidstaat zijn beschermd.
12. Op 1 juli 1995 waren de werken van Puccini in geen enkele lidstaat beschermd.
Feiten en hoofdgeding
13. Verzoekster in het hoofdgeding, G. Ricordi & Co. Bühnen- und Musikverlag GmbH (hierna: Ricordi"), behoort tot een welbekende uitgeversmaatschappij, gespecialiseerd in het uitgeven van partituren en libretto's. Zij bezit de uitvoeringsrechten van de opera La Bohème van de in 1924 overleden Italiaanse componist Giacomo Puccini.
14. La Bohème werd voor het eerst op 1 februari 1896 in het Teatro Regio in Turijn onder leiding van Arturo Toscanini opgevoerd. Het door Luigi Illica en Guiseppe Giacosa geschreven libretto is geïnspireerd op de roman van Henri Murger Scènes de la vie de Bohème", die met groot succes in 1847 verschenen. Dit werk heeft eveneens een opera van Leoncavallo met dezelfde titel geïnspireerd, waarvan de première op 5 mei 1897 in de opera van Venetië heeft plaatsgevonden.
15. Ofschoon La Bohème vanaf de eerste uitvoeringen een groot succes heeft gekend, stelde een aantal recensenten, die aan de duurzaamheid van het succes twijfelden, zich gereserveerd op; de opera kreeg echter grote bijval in alle theaters in de gehele wereld. Thomas A. Edison vergiste zich niet toen hij schreef dat mensen sterven en regeringen wisselen, maar de aria's uit La Bohème zullen altijd bestaan". Volgens Ernst Kraus is La Bohème, als een intuïtieve mélange van esprit, passie en kleur, Puccini's meesterwerk en hij legt de nadruk op de orkestratie en de grandioze instrumentale artisticiteit van de componist, die Verdi als eerste naar waarde wist te schatten.
16. Na de première werd La Bohème in de gehele wereld uitgevoerd. Eerst in Palermo, daarna in Manchester, in de Hofoper te Berlijn, in 1898 in de Opèra Comique te Parijs, in de Liceo te Barcelona en in het Teatro Príncipe Alfonso te Madrid, in 1900 in de Metropolitan Opera in New York. Op 5 april 1925 werd hij, vertolkt door Miguel Fleta en Matilde Revenga onder leiding van Saco de Valle, uitgevoerd in het Teatro Real te Madrid als laatste werk voor de sluiting van dit gebouw, die tot de jaren 70 zou duren.
17. De talrijke uitvoeringen van deze opera illustreren het belang van de auteursrechten en van de economische consequenties die de door de verwijzende rechter verzochte uitlegging kan hebben.
18. Het land Hessen, verweerder in het hoofdgeding, beheert het Staatstheater van Wiesbaden.
19. Tijdens de seizoenen 1993/1994 en 1994/1995 heeft het Staatstheater van Wiesbaden zonder toestemming van Ricordi verschillende uitvoeringen van de opera La Bohème van Giacomo Puccini georganiseerd.
20. Terwijl Ricordi ervan uitging dat de werken van Puccini in Duitsland waren beschermd tot 31 december 1994, de einddatum van de beschermingstermijn van 70 jaren na de dood van de auteur conform de niet-discriminerende toepassing van de nationale wetgeving (§§ 120 en 121 UrhG), betoogde het Land Hessen dat krachtens artikel 7 van de Berner Conventie voor La Bohème slechts de door het Italiaanse recht toegekende beschermingstermijn van 56 jaar gold, die op 31 december 1980 was verstreken.
21. In dit kader diende Ricordi haar vordering in bij het Landgericht, dat bevoegd is om in eerste aanleg kennis te nemen van civiele zaken met een aanzienlijk financieel belang alsmede van civielrechtelijke aansprakelijkheidsvorderingen tegen de overheid. Het Landgericht heeft de vordering toegewezen.
22. Het door verweerder bij het Oberlandesgericht Frankfurt am Main (Duitsland) ingesteld hoger beroep werd verworpen.
23. Het Land Hessen heeft vervolgens bij het Bundesgerichtshof cassatie (Revision) ingesteld, waarin het zijn vordering tot afwijzing van de oorspronkelijke vordering herhaalde.
De prejudiciële vraag
24. In het kader van deze laatste procedure besloot de eerste civiele kamer van het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak te schorsen en overeenkomstig artikel 234, eerste en derde alinea, EG de volgende prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen:
Dient het discriminatieverbod van artikel 12, eerste alinea, EG toepassing te vinden wanneer een buitenlandse auteur al was overleden toen het Verdrag in de staat waarvan hij de nationaliteit bezat in werking trad, wanneer anders naar nationaal recht sprake zou zijn van ongelijke behandeling ten aanzien van de beschermingsduur voor het werk van de buitenlandse auteur en het werk van een eveneens vóór de inwerkingtreding van het Verdrag overleden binnenlandse auteur?"
De procedure voor het Hof en de opmerkingen van de comparanten
25. Naast de partijen in het hoofdgeding zijn de Duitse regering en de Commissie verschenen. Alleen het Land Hessen geeft in overweging de vraag ontkennend te beantwoorden.
26. Volgens het Land Hessen vloeit het betrokken verschil in behandeling in casu niet voort uit de nationaliteit van de auteur, maar uit het verschil tussen de nationale beschermingsstelsels. De uitbreiding van die bescherming staat slechts indirect in verband met de nationaliteit van de auteur.
27. Voorts is het Land van mening dat het discriminatieverbod van artikel 12 EG niet van toepassing is, omdat zowel de eerste uitvoering van het werk als de dood van de auteur vóór de inwerkingtreding van het Verdrag hebben plaatsgehad.
28. Evenals de Duitse regering en de Commissie is Ricordi van mening dat het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit eveneens van toepassing is op de gevolgen van situaties die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Rome zijn ontstaan. Deze opvatting vindt volgens haar steun in de rechtspraak van het Hof en in de wetgeving van de Raad, te weten richtlijn 93/98. Daarin is het beginsel van de volledige toepassing van artikel 12 EG op situaties die vóór 1958 zijn ontstaan, verankerd.
29. De Commissie is bovendien van oordeel dat de Duitse wetgeving onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht in zoverre zij de rechthebbenden van de auteur, die doorgaans dezelfde nationaliteit bezitten, zoals dit het geval is bij zijn erven, indirect discrimineert.
Bespreking van de prejudiciële vraag
30. Zowel de verwijzende rechter als de andere comparanten gaan ervan uit dat de toepassing van Duits recht op de onderhavige zaak een door artikel 12 EG verboden discriminatie kan impliceren. Het is evenwel de moeite waard om na te gaan of het juridisch probleem niet op andere wijze moet worden benaderd.
31. Voorzover de persoon van de auteur mede bepalend is voor de inhoud van het auteursrecht kan worden gesteld dat een objectief niet-gerechtvaardigde verschillende behandeling een vorm van directe discriminatie op grond van nationaliteit oplevert.
32. Dit neemt echter niet weg dat in casu door een Duitse, immers naar Duits recht opgerichte, vennootschap beroep op het auteursrecht wordt gedaan. Ofschoon auteursrechten kunnen worden overgedragen, is verdedigbaar dat de verschillende behandeling krachtens het Duitse recht een indirecte discriminatie op grond van nationaliteit vormt, omdat zij statistisch veel meer onderdanen van andere lidstaten raakt dan nationale onderdanen.
33. Men kan ten slotte op deze overweging nog dieper ingaan en zich afvragen of dit verschil inderdaad als een belemmering van het vrije verkeer van goederen of diensten is te zien. De gemengde persoonlijke en economische of vermogensrechtelijke aard van auteursrechten, roem en fortuin, leidt tot deze twijfel. In dit geval zou de mogelijke samenval van de volgens artikel 30 EG toegestane beperkingen en van het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit moeten worden opgeheven.
34. Ik geloof evenwel dat dit genre vraagstellingen gezien de huidige stand van de rechtspraak van het Hof overbodig is en dat het wezenlijke probleem rechtstreeks kan worden onderzocht.
35. Zoals alle comparanten erkennen, vormt het arrest van 20 oktober 1993, Phil Collins e.a., het uitgangspunt van het onderzoek van de toepassing van het discriminatieverbod van artikel 12 EG op de bijzondere facetten van het auteursrecht.
36. De hoofdgedingen die tot deze prejudiciële beslissing hebben geleid, hadden betrekking op de toepassing van andere voorschriften van dezelfde Duitse wet die in casu aan de orde is. Destijds moest worden vastgesteld, of het met het gemeenschapsrecht verenigbaar is dat een lidstaat aan een nationale auteur de mogelijkheid biedt om de verhandeling te verbieden van een zonder zijn toestemming vervaardigde opname van een optreden in het buitenland, als deze mogelijkheid onder dezelfde omstandigheden aan een auteur uit een andere lidstaat wordt onthouden.
37. Alvorens deze vraag als zodanig te beantwoorden onderzocht het Hof in het algemeen, of het auteursrecht en de naburige rechten onder de werkingssfeer vallen van artikel 7, eerste alinea, dat overeenkomt met dezelfde alinea van het huidige artikel 12 EG.
38. De redenering van het Hof is in haar eenvoud overtuigend. Erkennende dat een harmonisatie op het betrokken gebied ontbrak en dat als gevolg van deze leemte de nationale wetgever bevoegd was, beklemtoonde het Hof het in wezen economische karakter van het auteursrecht voorzover de commerciële exploitatie daarvan een bron van inkomen voor zijn rechthebbende vormt. Om deze reden vallen deze rechten, ofschoon zij in nationale wetten zijn geregeld, onder de voorwaarden van het Verdrag en daarmee binnen zijn toepassingsgebied.
39. Volgens dit arrest kunnen auteursrechten, evenals de andere uitsluitende rechten die aan de auteur van werken van letterkunde en kunst worden toegekend, het goederen- en dienstenverkeer alsmede de mededingingsverhoudingen binnen de Gemeenschap beïnvloeden. Zij vallen derhalve onder de artikelen 28 EG en 30 EG inzake het vrije verkeer van goederen, de artikelen 49 EG en 55 EG aangaande het vrij verrichten van diensten door vennootschappen belast met het beheer van die rechten, en ten slotte de communautaire mededingingsregels.
40. Het Hof heeft uit bovenstaande overwegingen afgeleid dat de auteursrechten, die wegens hun gevolgen voor het intracommunautaire handelsverkeer van goederen en diensten binnen de werkingssfeer van het Verdrag vallen, aan het algemene non-discriminatiebeginsel van artikel [12], eerste alinea, van het Verdrag zijn onderworpen, zonder dat het nodig is een verband te leggen met de specifieke bepalingen van de artikelen [28 EG, 30 EG, 49 EG en 55 EG]".
41. Deze belangrijke verklaring, in uiterst categorische en onvoorwaardelijke bewoordingen, moet volstaan om de twijfels van het Bundesgerichtshof uit de weg te ruimen.
42. De factor die deze zaak onderscheidt van het aangehaalde precedent is dat, anders dan de Britse onderdanen Phil Collins en Cliff Richard, de Italiaanse componist Giacomo Puccini al verscheidene decennia was overleden toen op 1 januari 1958 het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit in werking traden. Onderzocht moet worden of deze omstandigheid voldoende grond is voor een afwijkende oplossing.
43. Ik kan al bij voorbaat zeggen dat ik dat niet aanneem. Dit zou alleen het geval zijn wanneer men in het verbod van artikel 12 EG de voorafgaande voorwaarde zou moeten lezen, dat er een persoon bestaat die het kan inroepen. Een dergelijke voorwaarde kan niet uit deze bepaling zelf worden afgeleid, noch uit de rechtspraak van het Hof en nog minder uit de strekking van de verdragen.
44. Artikel 12, eerste alinea, EG bepaalt in bijzonder absolute bewoordingen: elke discriminatie op grond van nationaliteit is verboden.
45. Dit betekent dat iedere ongelijke behandeling - behoudens wanneer zij objectief gerechtvaardigd en evenredig is aan het nagestreefde doel - die in wezen is gebaseerd op het nationaliteitscriterium, in strijd is met het Verdrag, ongeacht of de gelaedeerde persoon zich erop beroept dan wel een ander die bewijst daarbij een rechtmatig belang te hebben.
46. De vestiging van een enkele markt impliceert niet alleen dat aan de onderdanen van een lidstaat het recht moet worden toegekend ieder type van rechtmatige economische activiteit in een andere lidstaat uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, doch eveneens het zonder meer afzien van de nationaliteit als legitiem criterium voor de invulling van de juridische inhoud van economische verhoudingen en voor de regeling van hun afwikkeling op de gebieden die door het Verdrag worden bestreken. Dit is mijns inziens de wezenlijke meerwaarde van artikel 12 EG in verhouding tot talloze andere verdragsbepalingen die een soortgelijk doel dienen.
47. Ik wil beklemtonen dat de uitsluiting van het nationaliteitscriterium rechtstreeks volgt uit het verbod van artikel 12 EG. Anders gezegd, het is niet nodig over te gaan tot een statistische bevestiging dan wel een waarschijnlijkheidsbeoordeling, zoals vereist bij indirecte discriminatie. Sterker nog: de onderhavige Duitse wetgeving kan niet eens onder de definitie vallen die het Hof van dit begrip heeft gegeven. Het begrip indirecte discriminatie slaat namelijk op verkapte ongelijke behandelingen die door toepassing van andere onderscheidingscriteria dan de nationaliteit in feite tot hetzelfde resultaat leiden. Dit is in casu niet het geval, aangezien de benadeling aan de nationaliteit is verbonden.
Een voorschrift van een lidstaat dat het genot van een bepaald economisch recht beperkt tot de eigen onderdanen, is dus rechtstreeks in strijd met artikel 12 EG. Evenzo een bepaling die bijvoorbeeld bepaalde voordelen toekent aan de achterkleinkinderen van Italiaanse onderdanen of aan de ouders van Deense kinderen. Niet behoeft te worden vastgesteld, of statistisch de meerderheid van Italiaanse achterkleinkinderen Italianen zijn of dat de ouders van Deense kinderen in het algemeen Denen zijn. De verboden discriminatie is het gevolg van de keuze van het onrechtmatige aanknopingspunt als zodanig, waarbij het nadeel geen doorslaggevend element is.
48. Deze opvatting vindt, althans impliciet, steun in de rechtspraak van het Hof.
49. Uit de feiten van zaak C-326/92, een van de zaken die tot het reeds aangehaalde arrest Phil Collins hebben geleid, blijkt dat de kunstenaar wiens rechten werden betwist, daarvan geen rechthebbende was toen het geschil ontstond, doch deze had overgedragen aan een Britse vennootschap die deze op haar beurt had gecedeerd aan een Duitse vennootschap.
Indien het subjectieve begrip van discriminatie op grond van nationaliteit doorslaggevend was geweest, had het Hof moeten beslissen hetzij dat de directe discriminatie bestond in de op de ongunstigere behandeling van de auteur door het nationale recht berustende vermindering van de economische vooruitzichten van vervreemding van de rechten door de auteur, hetzij dat sprake was van een indirecte discriminatie voorzover de rechtverkrijgenden van buitenlandse auteurs percentueel gezien doorgaans eveneens buitenlanders zijn.
50. Het Hof deed noch het een noch het ander. Het ging aan deze omstandigheid voorbij en besliste de zaak op dezelfde wijze als zaak C-92/92, waarin de auteur zelf het nadeel had geleden. De communautaire rechter beperkte zich ertoe vast te stellen dat het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit eraan in de weg staat dat de wetgeving van een lidstaat de auteurs van andere lidstaten alsmede hun rechthebbenden uitsluit van het recht dat in diezelfde wetgeving aan eigen onderdanen is toegekend om de verhandeling op het nationale grondgebied van zonder hun toestemming vervaardigde fonogrammen te verbieden.
51. Uit deze overwegingen leid ik af dat artikel 12, eerste alinea, EG aldus moet worden uitgelegd dat het iedere inachtneming van het criterium van de nationaliteit bij de - nadelige - definitie van de inhoud van een onder het Verdrag vallende rechtsverhouding van economische aard als discriminerend verbiedt.
52. Het Land Hessen is van mening dat de ongelijke behandeling het gevolg is van het verschil tussen de wetgevingen van de lidstaten en slechts indirect verband houdt met de nationaliteit van de auteur.
Tegen deze stelling kan worden aangevoerd dat de praktische toepassing in Duitsland van het mechanisme van de beschermingsduurvergelijking, voorzien in artikel 7, lid 8, van de Berner Conventie, niet is beperkt tot het, door middel van verwijzing, reproduceren van de ongelijkheden die het gevolg zijn van de verschillen tussen de nationale wetgevingen, doch duidelijk tot nadeel strekt van buitenlandse auteurs, die geen langere beschermingsduur kunnen genieten dan welke aan Duitse auteurs is toegekend, en voor wie, in het waarschijnlijke geval dat de door hun staat van herkomst toegekende beschermingsduur korter is, die kortere duur zou worden aangehouden. Wanneer alle lidstaten een soortgelijk stelsel zouden hanteren, zouden de Duitse auteurs in iedere lidstaat de in de praktijk toelaatbare langstdurende bescherming genieten, terwijl in Duitsland geen enkele auteur aanspraak zou kunnen maken op een langere bescherming. Het protectionistisch effect van de maatregel moge duidelijk zijn.
53. Volgens de objectieve opvatting van discriminatie op grond van nationaliteit die ik zojuist heb uiteengezet, blijkt derhalve de omstandigheid dat de betrokken persoon, die niet het slachtoffer van de discriminatie is, voor of na de inwerkingtreding van het Verdrag is overleden, van geen enkel belang, omdat de enige maatstaf op grond waarvan het verschil in behandeling verenigbaar zou kunnen zijn met het gemeenschapsrecht, bestaat in objectieve overwegingen los van de nationaliteit, die evenredig zijn aan het rechtmatig nagestreefde doel.
54. Een van de comparanten is ingegaan op een mogelijke rechtvaardiging voor de discriminatoire maatregel. De enige daarvoor aangevoerde verklaring is dat de regeling van artikel 7, lid 8, van de Berner Conventie, doordat zij een minder gunstige bescherming vergeleken met de nationale wetgeving van de auteur verleent, de versterking van deze bescherming door alle nationale wetgevers bevordert, hetgeen gunstig is voor de belangen van alle auteurs.
55. Deze stelling moge legitiem zijn in het kader van internationale verdragsverhoudingen, zij is niet op haar plaats in een integratieproject als dat van de Europese Unie, dat wordt gekenmerkt door een wederzijdse loyaliteitsverplichting van de lidstaten, die in de weg staat aan de gedachte van eenzijdige regeling overeenkomstig nationale wetgevende keuzes. Bij gebreke van voldoende harmonisatie kan immers niet zomaar worden gesteld dat de in Duitsland verleende beschermingsduur van 70 jaar naar zijn aard de voorkeur verdient boven de kortere duur van het Italiaanse recht. Overigens zijn de belangen van de auteurs niet de enige waarmee rekening moet worden gehouden.
56. Om soortgelijke redenen kan geen steekhoudend argument worden ontleend aan de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS-Overeenkomst), waarin het vergelijkingsmechanisme van artikel 7, lid 8, van de Berner Conventie is overgenomen. Deze Overeenkomst past evenmin in de integratiegedachte en in de wederzijdse loyaliteit die kenmerkend zijn voor de Gemeenschap, en er kan alleen jegens derde staten een beroep op worden gedaan.
57. Ten slotte verwijst het Land Hessen naar de in richtlijn 93/98 gekozen oplossing, waarin de beschermingstermijnen alleen worden geharmoniseerd met betrekking tot de werken die op 1 juli 1995 in minstens één lidstaat waren beschermd.
58. Afgezien van het feit dat volgens de richtlijn niet als criterium geldt of de auteur bij de inwerkingtreding van het Verdrag van Rome nog in leven was - en dat er, gezien de gekozen datum, talloze werken zullen zijn waarvan de auteurs wegens de werkingssfeer in de tijd van de richtlijn geen communautaire onderdanen konden zijn - zodat er geen enkele uitleggingsregel met betrekking tot de strekking van het verbod van artikel 12 EG aan kan worden ontleend, kan een bepaling van secundair recht het effect van een voorschrift van primair recht niet beperken en zulks al in het geheel niet wanneer het gaat om een van de leidende beginselen van de communautaire rechtsorde.
59. Bij gebreke van elke andere mogelijke rechtvaardiging van de discriminatoire maatregel is de litigieuze nationale wetgeving als in strijd met de communautaire rechtsorde te beschouwen.
60. Aangezien in de onderhavige procedure geen mondelinge behandeling heeft plaatsgehad, heb ik mij niet kunnen uitlaten over het effect van een beslissing van het Hof in de door mij aanbevolen zin. Bij de afweging van de beschikbare gegevens en inzonderheid het feit dat ten tijde van de feiten het beginsel van de beschermingsduurvergelijking in de lidstaten algemeen was aanvaard, zal het Hof echter kunnen beoordelen of er voldoende dwingende overwegingen van rechtszekerheid bestaan om de retroactieve gevolgen van zijn uitspraak te begrenzen.
Conclusie
61. Mitsdien geef ik het Hof in overweging de door het Bundesgerichtshof gestelde prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
Een nationale regeling die ertoe leidt dat aan een werk van letterkunde of kunst wegens de nationaliteit van zijn auteur minder bescherming wordt verleend, is in strijd met het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit als vastgesteld in artikel 12, eerste alinea, EG."
Full & Egal Universal Law Academy