Conclusie van de advocaat generaal
1. Richtlijn 76/160/EEG van de Raad van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater werd vastgesteld ter bescherming van het milieu en de volksgezondheid. Volgens artikel 4, lid 1, van de richtlijn moesten de lidstaten de nodige maatregelen nemen opdat de kwaliteit van het zwemwater in overeenstemming zou worden gebracht met de in artikel 3 van de richtlijn vastgestelde grenswaarden, zulks binnen een termijn van tien jaar nadat van de richtlijn kennis is gegeven.
2. Volgens artikel 6, lid 1, van de richtlijn moeten de bevoegde instanties van de lidstaten bemonstering verrichten waarvan de minimumfrequentie is vastgesteld in bijlage bij de richtlijn.
3. Volgens de richtlijn kan het zwemwater echter onder bepaalde voorwaarden worden geacht overeen te stemmen met de desbetreffende parameters, ook indien een bepaald percentage monsters die gedurende het badseizoen zijn genomen niet voldoet aan de in bijlage aangegeven grenswaarden. Artikel 5, lid 1, van de richtlijn bepaalt welk percentage van de ter controle van het zwemwater genomen monsters in aanmerking moet worden genomen om te beoordelen of dat water geacht wordt overeen te stemmen met de relevante parameters.
4. Artikel 13 van de richtlijn, zoals gewijzigd bij artikel 3 van richtlijn 91/692/EEG, bepaalt dat de lidstaten elk jaar bij de Commissie een verslag indienen over de tenuitvoerlegging van de richtlijn voor dat jaar.
5. Wat het Koninkrijk Zweden betreft, is de richtlijn krachtens artikel 2 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 1994, C 241, blz. 21, en PB 1995, L 1, blz. 1), op 1 januari 1995 in werking getreden.
6. Het Koninkrijk Zweden heeft overeenkomstig de richtlijn bij de Commissie verslagen ingediend voor de jaren 1995, 1996, 1997 en 1998. Deze verslagen wezen volgens de Commissie op een aantal tekortkomingen. Zo was de Commissie van mening, dat meer bepaald in 1998 31 badzones niet voldeden aan de door artikel 3 van de richtlijn vastgestelde grenswaarden. Het Koninkrijk Zweden had ook in bepaalde badzones zijn verplichtingen krachtens artikel 6, lid 1, van de richtlijn inzake de minimumfrequentie voor bemonstering niet nageleefd.
7. Na afloop van de precontentieuze procedure van artikel 226 EG stelde de Commissie beroep in bij het Hof om te doen vaststellen dat het Koninkrijk Zweden, door niet alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van het zwemwater in overeenstemming is met de in de richtlijn vastgestelde grenswaarden, en door de bij de richtlijn voorgeschreven minimumfrequentie voor de bemonstering niet te hebben nageleefd, de krachtens de artikelen 4, lid 1, en 6, lid 1, van de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
8. In zijn verweerschrift stelt het Koninkrijk Zweden, dat blijkens de in 1999 en 2000 verrichte bemonsteringen, de waarden van de 31 badzones op enkele uitzonderingen na in overeenstemming waren met de in de richtlijn vastgestelde grenswaarden. Het erkent wel de gegrondheid van het op artikel 4, lid 1, van de richtlijn gebaseerde beroep van de Commissie. Het Koninkrijk Zweden erkent eveneens, dat het zich niet heeft gehouden aan de door artikel 6, lid 1, van de richtlijn voorgeschreven minimumfrequentie voor bemonstering.
Conclusie
9. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat het Koninkrijk Zweden, door niet alle nodige maatregelen te nemen om de kwaliteit van het zwemwater in overeenstemming te brengen met de grenswaarden die zijn vastgesteld in richtlijn 76/160/EEG van de Raad van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater, en door zich niet te houden aan de in de richtlijn voorgeschreven minimumfrequentie voor de bemonstering, de krachtens de artikelen 4, lid 1, en 6, lid 1, van de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2) Het Koninkrijk Zweden in de kosten te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy