Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. In het kader van het onderhavige beroep wegens niet-nakoming verwijt de Commissie de Helleense Republiek, niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te hebben genomen die nodig zijn voor de omzetting van richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna: richtlijn 97/11"). Deze grief berust in wezen op het feit dat de Griekse regering na afloop van de gestelde termijn de Commissie geen enkele uitvoeringsmaatregel had medegedeeld.
II - Rechtskader
2. Het is in casu niet nodig om hier de tekst van de betrokken bepalingen weer te geven, omdat de Commissie eigenlijk de niet-omzetting van de richtlijn als zodanig laakt. Voorzover de inhoud van de bepalingen relevant is, zal ik deze weergeven bij de bespreking van de argumenten van partijen en bij de juridische beoordeling.
III - Voorgeschiedenis en conclusies van partijen
3. Nadat de Helleense Republiek de Commissie na afloop van de gestelde termijn op 14 maart 1999 de ter uitvoering van de richtlijn genomen maatregelen nog niet had medegedeeld, heeft de Commissie haar bij aanmaningsbrief van 5 augustus 1999 verzocht om binnen twee maanden mee te delen hoe zij de richtlijn had uitgevoerd. De Griekse autoriteiten hebben niet op deze aanmaningsbrief gereageerd.
4. Daarop heeft de Commissie de Helleense Republiek op 26 juli 2000 een met redenen omkleed advies gezonden, waarin zij de opmerkingen in de aanmaningsbrief herhaalde en de Helleense Republiek verzocht om binnen twee maanden te reageren. Ook dit schrijven werd door de Griekse autoriteiten niet beantwoord.
5. Daarom heeft de Commissie op 11 oktober 2000 het onderhavige beroep wegens niet-nakoming ingesteld en het Hof verzocht om:
- vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die nodig zijn om volledig te voldoen aan richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, subsidiair door deze maatregelen niet aan de Commissie mede te delen, de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
- de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.
6. De Helleense Republiek concludeert dat het Hof behage:
- het beroep te verwerpen;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
IV - Argumenten van partijen
1. De Commissie
7. Uit het feit dat de Helleense Republiek haar geen uitvoeringsmaatregelen heeft meegedeeld, leidt de Commissie af dat de richtlijn niet binnen de gestelde termijn in nationaal recht is omgezet.
8. Op grond van de omvangrijke wijzigingen die bij richtlijn 97/11 zijn ingevoerd en die zij in repliek gedetailleerd opsomt, is de Commissie van mening dat de ter uitvoering van richtlijn 85/337 vastgestelde nationale maatregelen niet toereikend zijn om te voldoen aan de verplichting tot omzetting van richtlijn 97/11. Ter terechtzitting wees zij erop dat dit standpunt bevestiging vindt in een persmededeling van de Griekse minister van milieu van 31 januari 2002, waarin een nieuwe wet ter uitvoering van richtlijn 97/11 wordt aangekondigd.
9. Bovendien heeft de Commissie ter terechtzitting gesteld dat de Griekse autoriteiten in het kader van de omzetting van het gewijzigde artikel 5, lid 3, dat de door de opdrachtgever te verstrekken informatie vermeldt, slechts verlangen dat de opdrachtgever van een project een vragenlijst invult. Vervolgens wordt het project aan de hand van de door de opdrachtgever verstrekte informatie goedgekeurd voorzover binnen 20 dagen geen bezwaren tegen het project worden ingebracht. De informatie in de vragenlijst is echter niet voldoende, gelet op de minimumvereisten van artikel 5, lid 3. Alles welbeschouwd, voldoet deze procedure volgens de Commissie niet aan de verplichting om de milieu-effecten van het project te beoordelen.
2. De Helleense Republiek
10. Als verweer voert de Helleense Republiek aan dat zij de eerdere richtlijn 85/337 reeds zo omstandig in nationaal recht heeft omgezet, dat de bij richtlijn 97/11 nadien ingevoerde wijzigingen reeds in het Griekse recht zijn opgenomen. Zij rechtvaardigt deze stelling voor de afzonderlijke bepalingen als volgt.
11. Volgens de nieuwe versie van artikel 2, lid 1, is een vergunning vereist voor alle projecten die een aanzienlijk milieu-effect kunnen hebben. Dat is reeds gewaarborgd door de Griekse wet nr. 1650/86 betreffende de milieubescherming, op grond waarvan alle projecten aan een vergunningsplicht zijn onderworpen.
12. Volgens het nieuwe artikel 2, lid 2a, kunnen de lidstaten voorzien in een enkelvoudige procedure om te voldoen aan de richtlijnen 97/11 en 96/61/EG. Een gebrekkige omzetting van richtlijn 97/11 kan hieruit in elk geval niet volgen.
13. Volgens de nieuwe versie van artikel 2, lid 3, eerste alinea, moeten de lidstaten de bepalingen van artikel 7 in acht nemen wanneer zij een project willen vrijstellen van de richtlijn (artikel 7 regelt de kennisgeving aan een andere lidstaat ingeval een project aanzienlijke milieu-effecten in een andere lidstaat kan hebben). Griekenland heeft echter geen landgrenzen met een andere lidstaat van de Europese Unie, zodat artikel 7 niet op dit land van toepassing is. Met Italië, de enige lidstaat van de Europese Unie waarmee Griekenland een zeegrens heeft, was er tot dusver geen enkel geval waarin artikel 7 van de richtlijn had moeten worden toegepast. De artikelen 2, lid 3, eerste alinea, en 7, hoeven dus niet te worden omgezet.
14. Het gewijzigde artikel 3 bepaalt dat bij de milieu-effectbeoordeling voortaan ook rekening moet worden gehouden met de wisselwerkingen tussen alle in het artikel genoemde factoren (behalve mens, fauna en flora, ook bodem, water, en lucht, enz.). De Griekse wet nr. 1650/86 verstaat onder milieu" alle factoren die door hun interactie het ecologisch evenwicht, de levenskwaliteit, de menselijke gezondheid, de historische en culturele traditie en de esthetische waarden beïnvloeden. Derhalve zijn de vereisten van het nieuwe artikel 3 van de richtlijn reeds in Grieks recht omgezet.
15. Ook de bij de nieuwe versie van artikel 4 aangebrachte wijzigingen (betreffende de beoordeling) zijn reeds in het Griekse recht opgenomen. Met name bij het onderzoek per geval en de vaststelling van drempelwaarden is reeds rekening gehouden met alle in bijlage III genoemde criteria.
16. Volgens de nieuwe versie van artikel 5 brengt de bevoegde instantie advies uit over de door de opdrachtgever in het kader van de vergunningsprocedure te verstrekken informatie, wanneer de opdrachtgever of de lidstaten dit verlangen. Met deze wijzigingen werd in het Griekse recht reeds rekening gehouden in interministerieel besluit nr. 69269/5387/90 en in de circulaires nrs. 17/94 en 9/96.
17. In antwoord op de grief dat de informatie in de vragenlijst niet voldoende is voor de milieu-effectbeoordeling, verklaarde de Griekse regering ter terechtzitting dat de vragenlijst de voorselectie van de locatie van het project betreft, die plaatsvindt vóór de milieu-effectbeoordeling. De vragenlijst komt dus niet in de plaats van de verplichte milieu-effectbeoordeling. Wanneer er bij het onderzoek van de gegevens in de vragenlijst punten zijn die vragen doen rijzen, wordt een studie verlangd. De vragenlijst betreft dus slechts de voorafgaande goedkeuring van de locatie van het project.
18. De wijzigingen in artikel 6, lid 1, betreffende de verantwoordelijkheid van de betrokken instanties zijn reeds in Grieks recht omgezet bij interministerieel besluit nr. 69269/5387/90.
19. Ook aan de vereisten van artikel 6, lid 2, betreffende de raadpleging van het publiek, is reeds voldaan. Interministerieel besluit nr. 75308/5512/90 bepaalt dat de voor de bekendmaking verantwoordelijke bestuursorganen het publiek in de gelegenheid moeten stellen om binnen 15 dagen eventuele bezwaren tegen het project in te dienen. Tussen de bekendmaking en het uitbrengen van adviezen mogen maximaal 30 dagen verlopen. In de praktijk duurt de procedure echter gemiddeld 2,6 maanden. Het publiek beschikt dus over een passende termijn" om overeenkomstig artikel 6, lid 2, zijn mening te geven. Bovendien werken de Griekse autoriteiten thans aan een wetsontwerp waarin onder meer langere termijnen voor de raadpleging van het publiek worden vastgesteld.
20. Ook de bij de nieuwe versie van artikel 8 ingevoerde wijzigingen zijn reeds in Grieks recht omgezet (het artikel betreft de resultaten van de raadplegingen en de ingewonnen informatie).
21. De nieuwe versie van artikel 9 betreft de bekendmaking aan het publiek van het verlenen of weigeren van een vergunning. De bevoegde Griekse instanties zenden deze informatie in de praktijk regelmatig aan de bevoegde bestuursorganen. Het Griekse recht is dus ook in dat opzicht in overeenstemming met de vereisten van richtlijn 97/11.
22. De wijzigingen in artikel 10 betreffen enkel de vorm en de redactie van het artikel (het artikel regelt de bescherming van handelsgeheimen en van de intellectuele eigendom).
23. Volgens de nieuwe versie van artikel 11, lid 2, moeten de lidstaten de Commissie in kennis stellen van alle overeenkomstig artikel 4, lid 2, vastgestelde criteria en/of drempelwaarden. Met deze wijziging zal rekening worden gehouden in het kader van de voorgenomen formele omzetting" van richtlijn 97/11.
24. Artikel 13 van richtlijn 85/337 is vervallen verklaard omdat de lidstaten de werkingssfeer en de procedure voor de milieu-effectbeoordeling uiteraard strenger kunnen regelen dan de richtlijn.
25. Het Griekse recht is eveneens in overeenstemming met de voorschriften van de gewijzigde bijlagen bij de richtlijn. In het bijzonder wordt nu reeds in het nationale recht rekening gehouden met de in bijlage III genoemde criteria. De Griekse regering verwijst hier naar artikel 4 van interministerieel besluit nr. 69269/5387/90 en naar de circulaires nrs. 17/94 en 9/96 (bijlage III vermeldt de selectiecriteria, zoals bijvoorbeeld de kenmerken, de plaats en de effecten van projecten).
26. Overigens betekent de aankondiging van een nieuwe wet geenszins, dat richtlijn 97/11 niet reeds in geldend recht is omgezet.
V - Beoordeling
1. Conformiteit zonder uitvoeringshandeling
27. De Griekse regering betwist de inbreuk met het principiële argument dat de reeds in het kader van de omzetting van richtlijn 85/337 vastgestelde maatregelen van Grieks recht voldoen aan de bepalingen van richtlijn 97/11 en dat geen verdere uitvoeringsmaatregelen hoeven te worden genomen.
28. Volgens de rechtspraak kan dit argument niet zonder meer van de hand worden gewezen. Het Hof heeft immers erkend dat er gevallen zijn waarin de omzetting van een richtlijn niet noodzakelijkerwijze een optreden van de wetgever van elke lidstaat vereist. In deze gevallen moet het betrokken nationale recht daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn door de nationale autoriteiten verzekeren, dient de uit dit recht voortvloeiende rechtssituatie voldoende bepaald en duidelijk te zijn en moeten de begunstigden in staat zijn, kennis te krijgen van al hun rechten en deze zonodig geldend te maken voor de nationale rechterlijke instanties. Er moet dus met betrekking tot elke bepaling van richtlijn 97/11 worden nagegaan of het Griekse recht daadwerkelijk aan de vereisten van het gemeenschapsrecht voldoet.
2. De omzetting van de gewijzigde artikelen 2, lid 1, 3, 4, 6, lid 1, 8 en 10, en van de bijlagen
29. De Griekse regering betoogt in wezen dat richtlijn 97/11 reeds door een zeer omstandige uitvoering van richtlijn 85/337 in nationaal recht is omgezet, in het bijzonder met betrekking tot de wijzigingen van de artikelen 2, lid 1, 4 (keuze van vergunningsplichtige projecten), 3 (omvang van de milieu-effectbeoordeling), 6, lid 1 (te raadplegen instanties), 8 (inachtneming van de resultaten van de raadplegingen en de ingewonnen informatie), 10 (bescherming van handelsgeheimen en van de intellectuele eigendom), de nieuwe versie van de bijlagen I en II (opsomming van de bedoelde projecten) en de nieuwe bijlage III (selectiecriteria voor de projecten). Zij wijst in dit verband op wet nr. 1650/86 en op de interministeriële besluiten nrs. 69269/5387/90 en 75308/5512/90. De Commissie vermeldt niet in hoeverre deze bepalingen in overeenstemming zijn met de vereisten van de bij richtlijn 97/11 gewijzigde bepalingen. Zij wijst enkel op de verschillen tussen de beide richtlijnen.
30. Volgens vaste rechtspraak dient de Commissie in een niet-nakomingsprocedure bewijs te leveren van het gestelde verzuim en aan het Hof de gegevens te verschaffen die het nodig heeft om te kunnen vaststellen of er inderdaad sprake is van dat verzuim. Daarbij mag zij zich niet baseren op een of ander vermoeden, maar moet zij concrete feiten voor haar bewering aanvoeren.
31. De Commissie is met betrekking tot de in geding zijnde bepalingen van de richtlijn in dit bewijs niet geslaagd. Zij heeft slechts alle wijzigingen ten opzichte van richtlijn 85/337 genoemd, en aangenomen dat deze wijzigingen niet in Grieks recht zijn omgezet omdat haar geen kennis is gegeven van uitvoeringsmaatregelen. In casu is dit geen afdoende bewijs, omdat Griekenland voor elke afzonderlijke bepaling de niet-nakoming van zijn omzettingsverplichting substantieel heeft bestreden. De Commissie had de Griekse argumenten dus grondig moeten onderzoeken en moeten aantonen waarom de genoemde nationale bepalingen van wet nr. 1650/86 en van de interministeriële besluiten nrs. 69269/5387/90 en 75308/5512/90, die haar blijkens het bij repliek als bijlage I overgelegde met redenen omkleed advies van 9 augustus 2000 reeds in november 1990 in het kader van inbreukprocedure 1991/2036 door de Griekse regering zijn toegezonden, niet aan de vereisten van het gemeenschapsrecht voldoen.
32. Griekenland kan dus niet worden verweten, zijn verplichting tot omzetting van de artikelen 2, lid 1, 3, 4, 6, lid 1, 8, 10, en van de gewijzigde bijlagen I en II, alsmede tot invoering van een nieuwe bijlage III niet te zijn nagekomen.
3. De omzetting van het gewijzigde artikel 2, lid 2a, (administratieve procedure)
33. Volgens Griekenland bestaat er geen verplichting tot omzetting van artikel 2, lid 2a. Inderdaad wordt in deze bepaling enkel gezegd: De lidstaten kunnen voorzien in een enkelvoudige procedure om te voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn en die van richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging." Deze bepaling legt dus geen verplichting op.
34. Ter terechtzitting heeft de Commissie ook toegegeven dat deze bepaling de lidstaten niet verplicht om een gemeenschappelijke administratieve procedure in het leven te roepen. Er is derhalve geen sprake van niet-nakoming.
4. De omzetting van het gewijzigde artikel 2, lid 3, eerste alinea, en van het gewijzigde artikel 7 (deelneming van andere lidstaten)
35. Artikel 2, lid 3, eerste alinea, van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, luidt als volgt: Onverminderd de bepalingen van artikel 7, kunnen de lidstaten in uitzonderlijke gevallen voor een welbepaald project gehele of gedeeltelijke vrijstelling verlenen van de bepalingen van deze richtlijn." Artikel 7 bepaalt dat een lidstaat een andere lidstaat bij de milieu-effectbeoordelingsprocedure moet betrekken indien hij constateert dat een project vermoedelijk aanzienlijke milieu-effecten zal hebben in een andere lidstaat, of wanneer een lidstaat waarvan het milieu vermoedelijk aanzienlijke effecten zal ondervinden hierom verzoekt [...]".
36. De Helleense Republiek wijst het verwijt van niet-nakoming van de hand op grond dat de artikelen niet op haar van toepassing zijn. Zij heeft geen landgrens met andere lidstaten van de Europese Unie. Enkel met Italië heeft zij een gemeenschappelijke zeegrens. Tot dusver heeft zich tussen Griekenland en Italië evenwel geen enkel geval voorgedaan, waarin artikel 7 van de richtlijn had moeten worden toegepast.
37. Met betrekking tot dit argument moet worden herinnerd aan 's Hofs vaste rechtspraak volgens welke het feit dat een bepaalde activiteit waarop een richtlijn betrekking heeft in een lidstaat niet bestaat, deze lidstaat niet kan ontheffen van zijn verplichting wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen te treffen ter verzekering van een adequate omzetting van alle bepalingen van die richtlijn. Door de omzetting moet een uniforme rechtssituatie in alle lidstaten van de Europese Unie in het leven worden geroepen.
38. Dit is slechts anders wanneer de omzetting van een richtlijn om geografische redenen geen zin heeft. Hierop lijkt het Griekse argument te berusten. In casu is een dergelijk uitzonderingsgeval evenwel uitgesloten. Artikel 7 gaat niet uit van het bestaan van een gemeenschappelijke grens, maar van het feit of een project effecten op een andere lidstaat kan hebben. De geografische nabijheid van andere lidstaten kan in dit verband weliswaar in feitelijk opzicht een rol spelen, maar in deze bepaling gaat het er niet om of er al dan niet een gemeenschappelijke (land)grens met andere lidstaten bestaat. Dat komt doordat de eventuele gevolgen van milieuvervuiling zich over grote afstanden kunnen verspreiden. Het argument van de Griekse regering bewijst dus niet dat er in Griekenland geen projecten in de zin van de artikelen 2, lid 3, en 7 bestaan.
39. Op grond daarvan kan ook het argument dat deze bepaling tot dusver in de betrekkingen met Italië nog geen toepassing heeft kunnen vinden, niets aan deze beoordeling veranderen. De afstand tussen de Griekse en de Italiaanse kust bedraagt op het kortste punt ongeveer 140 km. Milieu-invloeden kunnen dus naargelang wind en stromingen in het algemeen zowel via de lucht als via het water vanuit Griekenland Italië bereiken en het milieu aldaar aanzienlijk beïnvloeden.
40. Er moet dus worden vastgesteld dat Griekenland zijn verplichting tot omzetting van de artikelen 7 en 2, lid 3, eerste alinea, van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, niet is nagekomen.
5. De omzetting van het gewijzigde artikel 5 (door de opdrachtgever te verstrekken informatie)
41. Ter terechtzitting heeft de Commissie verklaard dat de informatie die de opdrachtgever in de vragenlijst moet verstrekken, niet voldoet aan de vereisten van artikel 5 en dat de instanties de vergunning overigens zonder meer verlenen wanneer en voorzover daartegen geen bezwaren worden ingediend. Daarentegen heeft de Griekse regering erop gewezen dat de vragenlijst enkel een rol speelt in het kader van de voorafgaande goedkeuring van de locatie van het project. De vragenlijst komt niet in de plaats van de milieu-effectbeoordeling, maar is slechts de eerste fase van de voor alle projecten verplichte milieu-effectbeoordeling.
42. Zoals reeds gezegd, moet de Commissie de inbreuk bewijzen. Aangezien dit punt tijdens de schriftelijke procedure niet aan de orde is gekomen en de Commissie de verklaringen van Griekenland dat de vragenlijst slechts van belang is als eerste stap in het kader van een volledige milieu-effectbeoordeling niet heeft weersproken, kan met betrekking tot de omzetting van het gewijzigde artikel 5 de niet-nakoming niet worden vastgesteld.
6. De omzetting van het gewijzigde artikel 6, lid 2 (raadpleging van het publiek) en van het gewijzigde artikel 9 (bekendmaking van de beslissingen over vergunningen)
43. Met betrekking tot de omzetting van de artikelen 6, lid 2, en 9 verwijst de Griekse regering niet slechts naar de bestaande wettelijke regelingen, maar ook naar de bestaande administratieve praktijk.
a) De omzetting van artikel 6, lid 2
44. Artikel 6, lid 2 luidt: De lidstaten zien erop toe dat elke aanvraag voor een vergunning en de krachtens artikel 5 verzamelde informatie binnen een redelijke termijn voor het publiek beschikbaar worden gesteld, zodat het betrokken publiek de mogelijkheid krijgt zijn mening te geven alvorens de vergunning wordt toegekend." Griekenland voert aan dat het Griekse recht thans voorziet in een termijn van 15 tot maximaal 30 dagen voor deze raadpleging van het publiek, maar dat de procedure in de praktijk gemiddeld ongeveer 2,6 maanden duurt. Het publiek beschikt dus over een redelijke termijn om zijn mening te geven. Bovendien wordt thans een wetsontwerp ter omzetting van richtlijn 97/11 voorbereid, waarin langere termijnen voor de raadpleging van het publiek worden opgenomen.
45. Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de lidstaten volgens vaste rechtspraak van het Hof de bepalingen van een richtlijn in het belang van de betrokkenen moeten uitvoeren met een onbetwistbare dwingende kracht en met de vereiste specificiteit, nauwkeurigheid en duidelijkheid. Een eenvoudige administratieve praktijk die naar haar aard naar goeddunken van de administratie kan worden gewijzigd en waaraan onvoldoende bekendheid is gegeven, is dus niet te beschouwen als een geldige uitvoering van de verplichting tot omzetting die rust op de lidstaten tot wie richtlijnen zijn gericht. De verwijzing naar de administratieve praktijk in het kader waarvan de gemiddelde procedure 2,6 maanden duurt, kan dus niet dienen tot bewijs dat artikel 6, lid 2, van de richtlijn in Grieks recht is omgezet en dat een redelijke termijn wordt gewaarborgd.
46. Uit de aangekondigde wetswijziging en uit de in dit kader voorziene verlenging van de bezwaartermijn van 15 tot 30 dagen blijkt volgens de Commissie de erkenning door Griekenland, dat de termijn tot dusver niet redelijk is. Daarvoor baseert zij zich vooral op de brief van de Griekse regering van 8 november 1999 waarin zij had gereageerd op het verwijt dat de omzettingsverplichting met betrekking tot de desbetreffende regeling in richtlijn 85/337 niet was nagekomen.
47. Toch is het de vraag of uit de aangekondigde wetswijziging werkelijk een erkenning van de gebrekkige omzetting blijkt. De Griekse regering betwist dat ook krachtig. Weliswaar kan de omstandigheid dat de bezwaartermijn wordt verlengd, erop wijzen dat een langere bezwaartermijn door de Griekse wetgever nuttig wordt geacht, maar deze vaststelling zegt op zich nog niets over de vraag of de thans geldende bezwaartermijn redelijk" is in de zin van de richtlijn. Uit de aangekondigde verlenging van de termijn kan dus niet zonder meer worden afgeleid dat de bestaande termijn onredelijk is.
48. De Commissie zet ook niet uiteen waarom de termijn van 15 dagen onredelijk is. Zij maakt geen vergelijkingen met andere lidstaten en illustreert haar verwijt niet met voorbeelden van gevallen waarin bezwaren op grond van de korte duur van de termijn niet konden worden ingediend of niet-ontvankelijk werden verklaard.
49. De Commissie heeft de inbreuk dus niet aangetoond met betrekking tot artikel 6, lid 2, van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11.
b) De omzetting van het gewijzigde artikel 9 (bekendmaking van beslissingen over vergunningen)
50. Ook met betrekking tot de omzetting van het gewijzigde artikel 9, waarin wordt bepaald dat de bevoegde instanties het publiek op de hoogte moeten stellen van beslissingen over het verlenen of weigeren van een vergunning en de motivering ervan, verwijst Griekenland naar de administratieve praktijk. De bevoegde Griekse instanties doen de bevoegde bestuursorganen regelmatig de relevante informatie toekomen. Met betrekking tot artikel 9, lid 2, op grond waarvan elke lidstaat die overeenkomstig artikel 7 is geraadpleegd" op de hoogte moet worden gesteld, verwijst de Griekse regering naar haar opmerkingen over de niet-toepasselijkheid van artikel 7 in Griekenland.
51. Zoals reeds gezegd, kan de verwijzing naar een bestaande administratieve praktijk niet dienen als bewijs dat een lidstaat zijn omzettingsverplichting is nagekomen. Evenmin kan op basis van het voorgaande worden aanvaard dat Griekenland met betrekking tot artikel 7 geen omzettingsverplichting heeft. Derhalve moet op grond van het standpunt van de Griekse regering worden geconcludeerd dat Griekenland zijn omzettingsverplichting met betrekking tot het gewijzigde artikel 9 niet is nagekomen.
7. De omzetting van artikel 11, lid 2 (kennisgeving van de selectiecriteria per geval)
52. Krachtens artikel 11, lid 2, moeten de lidstaten de Commissie in kennis stellen van alle criteria en/of de drempelwaarden die overeenkomstig artikel 4, lid 2, voor de selectie per geval zijn vastgesteld. Griekenland voert aan dat met deze wijziging van de richtlijn rekening zal worden gehouden in het kader van de geplande wetswijziging tot volledige omzetting van richtlijn 97/11. Daarmee erkent het uitdrukkelijk dat artikel 11, lid 2, thans nog niet in Grieks recht is omgezet. Ook de verplichting tot omzetting van artikel 11, lid 2, is Griekenland dus niet nagekomen.
8. De grief betreffende de ontbrekende kennisgeving
53. De Commissie verzoekt het Hof subsidiair om vast te stellen, dat Griekenland zijn verplichtingen niet is nagekomen door de Commissie niet mee te delen welke maatregelen tot omzetting van richtlijn 97/11 zijn genomen.
54. Het Hof heeft reeds meermaals beslist dat geen rekening meer behoeft te worden gehouden met een ontbrekende kennisgeving, wanneer is vastgesteld dat specifieke verplichtingen van de richtlijn niet zijn nagekomen. Aangezien in casu werd vastgesteld dat de verplichting tot omzetting van de artikelen 2, lid 3, 7, 9 en 11, lid 2, niet is nagekomen, behoeft de ontbrekende kennisgeving niet meer te worden onderzocht.
55. Wat de overige bepalingen betreft, is echter onbetwist dat Griekenland met betrekking tot richtlijn 97/11 de Commissie geen uitvoeringsmaatregelen heeft medegedeeld. Griekenland heeft zelfs niet verwezen naar haar kennisgeving van 1990 waarbij de Commissie op de hoogte is gebracht van de maatregelen tot omzetting van richtlijn 85/337. Daarom moet met betrekking tot de artikelen 2, leden 1 en 2a, 3, 4, 5, 6, leden 1 en 2, 8, 10 en 13, en de bijlagen I, II, III en IV van de richtlijn worden vastgesteld dat Griekenland zijn verplichtingen niet is nagekomen door de Commissie in strijd met artikel 3, lid 1, van de richtlijn niet onverwijld in kennis te stellen van de ter omzetting van de richtlijn genomen wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen.
VI - Kosten
56. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover dit is gevorderd. Volgens lid 3 van dit artikel kan het Hof de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, en voorts wegens bijzondere redenen.
57. In casu heeft de Commissie niet met betrekking tot alle bepalingen kunnen bewijzen dat zij onvolledig zijn omgezet. Zij is dus gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. Slechts voorzover de niet-nakoming is erkend, kan zij bewezen worden geacht. Niettemin lijkt het niet opportuun om de kosten te verdelen. Het beroep berust uiteindelijk op het feit dat Griekenland de Commissie in strijd met artikel 3 van richtlijn 97/11 niet heeft meegedeeld welke maatregelen tot omzetting van de richtlijn zijn genomen. De Helleense Republiek moet dus overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
VII - Conclusie
58. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat de Helleense Republiek de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen die nodig zijn voor de volledige omzetting van de artikelen 2, lid 3, eerste alinea, 7, 9 en 11, lid 2, van richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, niet binnen de gestelde termijn te hebben genomen;
2) vast te stellen dat de Helleense Republiek de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door de Commissie niet binnen de gestelde termijn in kennis te stellen van de bepalingen die zij heeft vastgesteld voor de volledige omzetting van de artikelen 2, leden 1 en 2a, 3, 4, 5, 6, leden 1 en 2, 8, 10, 13, en van de bijlagen I, II, III en IV van richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten;
3) de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten."
Full & Egal Universal Law Academy